NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • buy furosemide australia is there an over the counter furosemide
  • cialis with dapoxetine Si
  • celexa cost cvs order celexa online no prescription
  • viagra with dapoxetine Si
  • naproxen dosage over the counter can you buy naproxen 250 mg over the counter

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • oknyeqgyrx (Evgidell)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • bwysukkjhdficj (Grdmorgo)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • how much cost viagra samples (GenaHoF)
        op Even geduld...
  • agadckfkpnmxdq (TbsRuirl)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • Frerajod adjurnerxc (BrcSteamb)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • ymjubvdizuyinq (Gbrteems)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • mlfqbwrqeoihbw (Ltvstync)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • sgqdrubnlynuqd (RnlFrork)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • wfvdwszughkmrq (Fvrtwelt)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • bseajpbfcpahms (FvlTrity)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    mies
    blog.seniorennet.be/mies
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    marcella
    blog.seniorennet.be/marcell
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    lunic
    blog.seniorennet.be/lunic
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    sadi
    blog.seniorennet.be/sadi
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    arthosteart
    blog.seniorennet.be/arthost
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie PatiŽnten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    10-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onze voeding, wat is er mis mee ?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






    - Selenium
     Ė Chroom
    - Vitamine A
    Ė B-vitamines
    Ė Ijzer
    Ė Magnesium
    Ė Zink
    Ė Zonnebloemolie
    - EssentiŽle vetzuren
    - Soja




    Onze voeding, wat is er mis mee ?

    voeding.pilliewillie.nl 
    © 02 January 2008


    De Nederlandse overheid stelt dat een gevarieerde voeding voldoende vitamines en mineralen bevat en heeft dat zelfs in wetsregels vastgelegd.
    Grootschalig wetenschappelijk onderzoek toont echter het tegendeel aan.
    Onze voeding bevat volgens dit onderzoek te weinig selenium, chroom, vitamine A, magnesium, B6 en zink.
    En voor bepaalde bevolkingsgroepen ook te weinig foliumzuur en ijzer.
    Popeye zou nu tweehonderd blikken spinazie moeten eten om dezelfde hoeveelheid ijzer binnen te krijgen als vijftig jaar geleden in ťťn blikje zat.
    Bovendien is de balans tussen de verschillende essentiŽle vetzuren, door een jaren lange verkeerde voorlichting, ernstig verstoord.


    1. - Een gevarieerde voeding bevat onvoldoende vitamines en mineralen

    Onderzoek in diverse werelddelen geeft aan, dat de gangbare industriŽle landbouwmethode bijdraagt aan een ernstig tekort aan vitamines en mineralen in onze voeding.
    Dat is niet verwonderlijk.
    Tomaten worden bijvoorbeeld niet in de aarde maar op piepschuim bolletjes gekweekt.
    Bovendien is de hoge productie, die van het boerenbedrijf vereist wordt om winstgevend te kunnen zijn, een aanslag op de bodemgesteldheid waardoor de bodem sterk is verarmd.
    Hierdoor is o.a. de hoeveelheid selenium in de Europese bodem de laatste 25 jaar schrikbarend terug gelopen.
    En geen selenium in de bodem betekent geen selenium in onze voeding.


    1.1 - Te weinig selenium in de bodem

    De industriŽle landbouw van de laatste 50 jaar heeft door overproductie de bodem dermate uitgeput dat de grond onvoldoende selenium bevat.
    Dit heeft gevolgen voor de hoeveelheid selenium in onze voeding.
    Engels onderzoek laat zien dat de gemiddelde inname van selenium de laatste 20 jaar gedaald is tot 30 Ė 40mg per dag.
    Terwijl de Engelse overheid aangeeft dat deze waarde, voor het behoud van een goede gezondheid, eigenlijk rond de 70mg per dag (ADH) zou moeten liggen.
    Waarschijnlijk heeft dit tekort de kans op het krijgen van kanker in Engeland vergroot.
    Een
    ander Engels onderzoek geeft aan dat het selenium tekort in de Engelse voeding invloed heeft op het functioneren van het lichaam, met name op het immuunsysteem.
    In Nederland zal de situatie waarschijnlijk niet veel beter zijn.

    Selenium is een belangrijk spoorelement dat bescherming biedt tegen verschillende soorten kanker en een belangrijke rol speelt in ons immuunsysteem dat ons moet beschermen tegen infecties en het ontstaan van kanker.
    Gelukkig kunnen selenium tekorten in de voeding via supplementen eenvoudig worden aangevuld.
    Dubbelblind onderzoek geeft aan dat hierdoor de kans op het verkrijgen van een groot aantal kankersoorten wordt verminderd.
    In dit onderzoek werd 200mcg selenium per dag toegepast.
    Een Canadees onderzoek geeft aan dat de kans op prostaatkanker wordt verkleind door extra selenium.
    In dit onderzoek werden selenium supplementen gebruikt.
    De werking van het immuunsysteem kan ook worden verbeterd door selenium suppletie.
    Onderzoek geeft hier aan dat 100mcg per dag waarschijnlijk niet voldoende is om optimale resultaten te bereiken.


    1.2 - Te weinig chroom in de voeding

    Met de hoeveelheid chroom in onze voeding is het ook slecht gesteld.
    Zelfs een goed uitgebalanceerde voeding bevat
    te weinig chroom.
    Het Amerikaanse ministerie van landbouw rapporteert dat 90% van alle volwassenen volgens hun informatie een chroom tekort hebben.
    In
    Finland, Zweden en Zwitserland is de dagelijkse inname van chroom maar 50mcg per dag of lager, terwijl de ADH 125mcg per dag bedraagt.
    In Nederland zal de situatie waarschijnlijk niet veel beter zijn.
    Door dit chroom tekort ontstaat insuline resistentie en daardoor overgewicht en uiteindelijk diabetes.
    Door deze insuline resistentie is er meer insuline nodig voor het glucose transport van de bloedbaan naar de mitochondria (energie centrales) van de cellen.
    Dit verhoogde insuline niveau vergroot het tekort aan chroom in het lichaam door een
    verhoogde uitscheiding via nieren en de urine.
    Zo ontstaat er dus een vicieuze cirkel en kan er zo een ernstig chroom tekort ontstaan dat uiteindelijk hyperinsulinemie, overgewicht en diabetes type 2 veroorzaakt.

    Met deze chroom tekorten in de voeding is het dan ook niet vreemd meer dat er 600.000 diabetes patienten in Nederland zijn en dat ruim 400.000 Nederlandse kinderen last hebben van overgewicht.


    1.3 - Te weinig vitamine A in de voeding

    Van den Berg laat in een onderzoek uit 1996 zien dat de Nederlandse bevolking te weinig vitamine A binnen krijgt.
    Voor mannen is de inname 830IE en voor vrouwen 650IE, terwijl de dagelijks aanbevolen hoeveelheid van de overheid respectievelijk 1000IE en 800IE voorschrijft.

    Onderzoek van de WHO (World Health Organization) bevestigd een wereldwijd tekort aan vitamine A in onze voeding.
    De WHO maakt zich extra zorgen over de gezondheid van kinderen omdat die in de groei een hogere vitamine A behoefte hebben.
    De WHO denkt dat wereldwijd
    140 - 250 miljoen kinderen het risico lopen op een ziekte die wordt veroorzaakt door een vitamine A tekort.

    Een tekort aan vitamine A veroorzaakt nachtblindheid, blindheid, bloedarmoede, verstoring van de groei, verminderde weerstand tegen infecties, een verhoogd risico om als kind te overlijden en een verhoogd risico op kanker.


    1.4 - Te weinig B-vitamines in de voeding

    Onderzoek, uitgevoerd door het Nutrition and Food Research Institute in Zeist, laat zien dat het slecht gesteld is met de dagelijkse hoeveelheid foliumzuur die we als Nederlander via onze voeding binnen krijgen.
    Dat bij vrouwen die zwanger willen worden het foliumzuur aangevuld moet worden om neurale afwijkingen in het kind te voorkomen wisten we al langere tijd, maar dat ook andere bevolkingsgroepen ernstige risicoís lopen is nieuw.
    Maar liefst
    60 Ė 79% van de Nederlanders krijgt te weinig foliumzuur binnen waardoor een grotere kans bestaat op een hart en vaatziekten zoals een hartinfarct of een herseninfarct.
    Deze dodelijke ziekten worden veroorzaakt door
    aderverkalking (arteriosclerose).

    Nederlanders krijgen ook te weinig B6 binnen.
    Voor alle bevolkingsgroepen lag de inname van B6 dicht onder de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, dat heeft ernstige gevolgen voor onze gezondheid.
    Volgens een ander onderzoek van het zelfde Nederlandse instituut hebben deze tekorten
    negatieve gevolgen voor het functioneren van ons lichaam.
    Deze lage inname van B-vitamines heeft nl. negatieve gevolgen voor het homocysteine metabolisme.

    Het risico op een hart en vaatziekte neemt nl. toe bij een hoger niveau aan homocysteÔne.
    HomocysteÔne wordt door het lichaam zelf gemaakt van het essentiŽle aminozuur methionine.
    HomocysteÔne wordt in een later stadium weer door het lichaam verwijderd.
    Als dit proces niet goed verloopt ontstaat er een te hoog niveau van het homocysteÔne in het lichaam.
    Tekorten aan stoffen zoals
    foliumzuur, B6 en B12 zijn er meestal de oorzaak van dat dit verwijderingproces niet goed verloopt waardoor het homocysteine niveau in het lichaam stijgt.
    Hart en vaatziekten zoals een hart- of herseninfarct kunnen dan het gevolg zijn.

    Nu u de relatie kent tussen het tekort aan foliumzuur en B6 in onze voeding en aderverkalking kijkt u er denk ik niet meer van op dat er in Nederland 675.000 hart en vaatziekte patiŽnten zijn.


    1.5 - Te weinig ijzer in de voeding

    Helaas, onze gevarieerde voeding, die volgens de Nederlandse overheid voldoende vitamines en mineralen zou moeten bevatten, bevat ook te weinig ijzer en dat geldt vooral voor vrouwen met een leeftijd van 20 - 49 jaar.
    Maar niet alleen Nederland kampt met dit ijzer tekort.
    In
    heel Europa zijn er ijzer tekorten in de voeding, met name in de groep kinderen, menstruerende vrouwen en vrouwen die in verwachting zijn.
    In Amerika is de situatie
    niet veel beter.
    Het Amerikaanse Center of Disease Control (CDC) adviseert daarom een
    lage dosis ijzer supplementen voor vrouwen die in verwachting zijn.
    Kinderen met overgewicht blijken ook vaak een ijzer tekort te hebben.
    Een juiste diagnose van deze problemen is zeer belangrijk omdat ijzer tekorten een groot aantal
    ernstige gezondheidsproblemen met zich mee brengen.


    1.6 - Te weinig magnesium in de voeding

    Onderzoek van de SOE
    De uitkomsten van de door de Stichting Orthomoleculaire Educatie (SOE) uitgevoerde
    voedingsberekeningen tonen onweerlegbaar aan dat zelfs een zgn. evenwichtige voeding onvoldoende vitamines, mineralen en spoorelementen bevat.
    Vitamine A, selenium en koper komen als tekort bij de gehele bevolking voor.
    Bij diverse bevolkingsgroepen, waaronder de twee kwantitatief grootste groepen (mannen en vrouwen van 22-50 jaar), komen verder nog tekorten voor aan vitamine D, calcium, ijzer, zink en magnesium.
    Voorts brengt de berekeningsuitkomst marginale innamen van de vitamines B1 en B2 aan het licht.

    Volgens een Zweeds onderzoek is de inname van magnesium in onze Westerse cultuur te laag.
    Volgens dit onderzoek wordt dit door veranderingen in de bereiding van onze voeding en het gebruik van oppervlakte water dat te weinig magnesium bevat veroorzaakt.
    Deze onderzoekers denken dat hierdoor de incidentie van hartritmestoornissen en hartinfarcten bij mannen is toegenomen.
    Een groot
    Amerikaans onderzoek bevestigd de Zweedse bevindingen en noemt het magnesium niveau in de Europese en Amerikaanse voeding marginaal.
    Ander onderzoek laat zien dat deze lage inname van magnesium niet alleen de incidentie van hart en vaatziekten vergroot (hartinfarct, hoge bloeddruk) maar ook de oorzaak kan zijn van diabetes.
    Ouderen vormen een risicogroep, zij lopen een groter risico op een magnesium tekort.
    Deze tekorten bij ouderen worden in verband gebracht met het ontstaan van Alzheimer.


    1.7 - Te weinig zink in de voeding

    Meer dan 20% van de Wereldbevolking heeft een tekort aan zink.
    In West Europa en Amerika is de dagelijkse zink inname
    2,98 - 3,01 mg per dag, terwijl de ADH voor zink voor een volwassene (22 - 50 jaar) volgens het VoedingsCentrum maar liefst 9 - 10mg per dag bedraagt.
    We kunnen hier dus met recht spreken van ernstige tekorten !!
    Een tekort aan zink uit zich in afwijkingen van huid, slijmvliezen en skelet, een veranderd reuk- en smaakvermogen, het achterblijven van geslachtelijke ontwikkeling en groei, een verminderde afweer tegen infecties en nachtblindheid...


    2. - Verkeerde voorlichting bij het gebruik van vetten


    2.1 - Zonnebloemolie veroorzaakt hart en vaatziekten

    De Nederlandse overheid begon in de 60er jaren met een campagne om de bevolking minder verzadigd vet en meer onverzadigd vet te laten eten.
    Dierlijk vet werd in de ban gedaan en plantaardig vet werd gezond verklaard.
    De industrie reageerde op dit credo met een aantal op plantaardige zonnebloemolie gebaseerde producten.
    Voorbeelden zijn : zonnebloemolie en plantaardige margarine die werd aangeprezen met : ďlinolzuur goed voor hart en bloedvatenĒ.
    Zonnebloemolie en plantaardige margarine op basis van zonnebloemolie zou het hart beschermen tegen hart en vaatziekten, maar het omgekeerde was waar.

    Na de introductie van een groot aantal op zonnebloemolie gebaseerde producten nam de incidentie van hart en vaatziekten alleen maar toe.
    Nu blijkt dat zonnebloemolie, linolzuur, heel slecht is voor het hart.
    De linolzuur in zonnebloemolie veroorzaakt
    ontstekingen aan onze vaatwanden en arteriosclerose.
    Het onderzoek in het referentie hoofdstuk spreekt voor zich.
    Ik begrijp dan ook niet dat de Nederlandse overheid geen waarschuwing doet uit gaan als zoveel onderzoek aantoont dat de meest geconsumeerde onverzadigde olie in Nederland, zonnebloemolie, hart en vaatziekten veroorzaakt.


    2.2 - Verkeerde balans essentiŽle vetzuren veroorzaken ernstige ziekten

    EssentiŽle vetzuren zijn vetten die ons lichaam niet zelf kan maken en daarom uit voeding verkregen moeten worden.
    EssentiŽle vetzuren kunnen in twee groepen onderverdeeld worden : omega-3 en omega-6.
    In het Westerse dieet van de laatste 40 jaar overheersen echter de omega-6 vetzuren.
    Linolzuur (zonnebloemolie) is ook een omega-6 vetzuur en wordt door een verkeerde voorlichting van de laatste 40 jaar heel veel in de voeding gebruikt en is daarom mede verantwoordelijk geweest voor de schadelijke verschuiving van omge-3 naar omega-6 vetzuren.
    Omega-3 vetzuren worden door deze verkeerde voedingskeuzes zodanig door omega-6 overheerst dat het weinige omega-3 die we nog binnen krijgen niet eens in staat is om zijn werk goed te doen.
    Ernstige gezondheid problemen zoals
    hart en vaatziekten, hoge bloeddruk, borstkanker, dikkedarmkanker, prostaatkanker astma, artritis, de ziekte van Crohn, depressie, schizofrenie, agressie, bipolaire depressie en ADHD zijn hiervan het gevolg geweest.


    3. - Soja veroorzaakt vitamine deficiŽnties

    Voor vegetariŽrs heb ik helaas slecht nieuws.
    Soja bevat een groot aantal stoffen die onze gezondheid
    negatief beÔnvloeden.
    Eťn van deze zogenaamde antinutriŽnten blokkeert de werking van enzymen zoals trypsine.
    Trypsine is nodig voor de opname van eiwitten.
    Hierdoor kunnen tekorten ontstaan aan eiwitten en daardoor ook tekorten aan aminozuren.
    Ook bevat soja de stof lectine die het voor de darmen moeilijker maakt om bouwstoffen uit de voeding op te nemen.
    Hierdoor kunnen tekorten ontstaan aan belangrijke vitamines zoals vitamine A, D, E en B12.

    Sojabonen bevatten ook grote hoeveelheden fytaatzuur.
    Fytaatzuur remt de opname van calcium, magnesium, koper, ijzer en zink.
    Het fytaatzuur uit soja
    belemmert vooral de opname van zink.
    Zink is belangrijk voor de ontwikkeling van onze hersenen en zenuwstelsel maar beschermt ook tegen de ontwikkeling van diabetes.
    Zink is bovendien belangrijk voor een goede werking van het immuunsysteem.
    Een zink tekort kan dan ook ernstige gevolgen hebben voor onze gezondheid.

    De negatieve effecten van fytaatzuur zijn in vele wetenschappelijke onderzoeken vastgelegd.
    Onderzoek in derde wereldlanden waar de bevolking via ontwikkelingshulp programmaís geleerd is om soja te verbouwen en te eten geeft aan dat een groot deel van de bevolking deficiŽnt is aan bovengenoemde mineralen.


    Cfr. :
    http://voeding.pilliewillie.nl/voeding-wat-is-er-mis-mee/basis16.php 


    10-02-2008 om 13:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De beste therapie...
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

     

    "
    De beste therapie is

    goed omgaan met de ziekte,

    je eigen grenzen kennen en 

    de ziekte aanvaarden"


    10-02-2008 om 12:57 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgia - The Enigma and the Stigma
    Klik op de afbeelding om de link te volgen







    ď
    Some people really cannot function at all.
    It keeps them from doing
    the things they want to do.Ē
    - Stephen M. Stahl -







      Fibromyalgia - The Enigma and the Stigma

      Stephen M. Stahl, M.D., Ph.D.


    In the 19th century, the discoverer of dynamite and founder of Nobel prizes may have suffered from it.
    During that era, Freud may have treated it with psychoanalysis as neurasthenia and Charcot with hypnosis as hypochondria.
    In the 20th century, it was debated to be either a syndrome of abnormal muscles, sleep, pain and mood or an entity invented by lawyers, charlatans, and disability seekers related to chronic fatigue syndrome, irritable bowel syndrome, "Yuppie flu" or multiple chemical sensitivity.
    Now, in the 21st century, as psychiatric disorders struggle to fly first-class with medical and surgical disorders, fibromyalgia is finally wait-listed to be upgraded from cargo to coach.1


    The Enigma Ė Diagnosable Medical Illness ?

    Fibromyalgia syndrome is recognized by rheumatologists as a chronic, widespread pain syndrome associated with fatigue, nonrestorative sleep and tenderness at 11 or more of 18 designated "trigger points" where ligaments, tendons and muscle attach to bone.2-4
    It is the second most common diagnosis in rheumatology clinics and may affect from 2% to 4% of the population.
    There is no known cause, although fibromyalgia may occur following viral infections, exposure to toxins such as tainted tryptophan preparations or physical or emotional trauma.
    There is no known pathology identifiable in the muscles or joints.5,6
    Although symptoms are chronic and debilitating, they are not necessarily progressive.

    Fibromyalgia presents as a chronic pain state and may represent abnormal sensory processing of NMDA (N-methyl-d-aspartate)-type glutamate receptor-mediated neurotransmission in unmyelinated C-fibers that carry pain impulses.7
    Other hypotheses suggest abnormal substance P-mediated neurotransmission or hypothalamic-pituitary axis abnormalities in CRH-ACTH-cortisol regulation.
    None of these links is well established, however and the pathophysiology of fibromyalgia remains obscure.


    The Stigma - Mental Illness or All in Your Head ?

    About a third of those diagnosed with fibromyalgia have major depressive disorder (MDD).
    Most qualify for the diagnosis of a somatoform disorder.
    Many have associated anxiety disorders.1-4
    If these mental disorders are subtracted, is there anything "real" left--especially considering that "normal" people have aches and pains all the time, with almost all of us experiencing a somatic symptom (e.g., headache, neckache, backache, joint ache, muscle stiffness) every 4 to 6 days ?
    Some skeptical experts apply Yogi Berra's logic to fibromyalgia, namely : "If I hadn't believed it, I wouldn't have seen it."8
    Thus, fibromyalgia is considered by some to be the result of unconscious conflicts manifesting themselves as physical symptoms, with pain serving as a somatic metaphor for unhappiness and a life that is not working out.

    This rather unsympathetic and old-fashioned point of view is slowly giving way to the idea that fibromyalgia may be as "real" as obsessive-compulsive disorder, social anxiety disorder and other previously ill-defined entities that were not recognized as legitimate illnesses until antidepressant treatments began to define them as treatable.
    Furthermore, it is now well recognized that psychiatric disorders frequently do not occur in isolation and the fact that fibromyalgia is comorbid with depression or anxiety actually makes this entity more similar to than different from MDD, generalized anxiety disorder and most other contemporary psychiatric illnesses in the general population.9


    Women's Health Issue ?

    Amazingly, studies2-4 suggest that between 75% and 90% of identified patients are women, especially white women.
    Is it possible that this entity has been as neglected as other women's health issues ?10
    Will it remain on the fringe until political and consumer activism forces a serious look at this problem ?

    Fortunately, fibromyalgia is being taken seriously by an increasing cohort of investigators.
    Numerous well-designed treatment studies with improved symptom assessment strategies are now under way 11,12 and new initiatives are searching for pharmacogenomic markers of fibromyalgia.
    This research bodes well for eventually defining this entity, and especially how to treat it.


    Treatable ?

    Psychiatric illnesses have a long history of remaining illegitimate until a recognized treatment exists.
    Will fibromyalgia become respectable if an FDA-approved treatment is discovered ?
    This possibility seems increasingly likely as numerous publications suggest that tricyclic antidepressants and selective serotonin reuptake inhibitors in particular may be effective for symptoms of fibromyalgia.11-14
    However, not all findings have been replicated and methodological difficulties abound in many treatment studies of fibromyalgia.
    Nondrug treatments such as strength training and exercise may also prove effective.1,15,16
    Obviously, a multidisciplinary approach to the treatment of fibromyalgia may yield the best results, analogous to the way psychotherapy can enhance the efficacy of antidepressants in many patients with depression or an anxiety disorder.


    Conclusion

    Although numerous issues need to be resolved about fibromyalgia, including defining pathophysiology, patient population, symptom assessments and agents to use for treatment, this entity is on the verge of emerging as a legitimate syndrome in medicine and psychiatry.


    Although there is not a cure for the disease,
    we can help patients improve their quality of life
    by teaching them how to control it
    with the right treatments and support.
    - Stephen M. Stahl -


    References

    1. Hurting all over
      Groopman J - New Yorker Magazine 2000; November 13
      Cfr. :
      http://www.jeromegroopman.com/articles/hurting-all-over.html

    2. Fibromyalgia syndrome - An emerging but controversial condition
      Goldenber DL - JAMA 1987;257:2782-2787
      The clinical manifestations, laboratory findings and treatment results of 118 patients with fibromyalgia followed up by one investigator were compared with those of other recent reports.
      The history of this syndrome and recent efforts to establish diagnostic criteria and to understand underlying pathophysiologic mechanisms were studied.
      A practical, noninvasive office-based evaluation and conservative treatment approach were developed, determined by an understanding of the natural history of this common but controversial disorder.
      Cfr. :
      http://jama.ama-assn.org/cgi/content/abstract/257/20/2782

    3. The American College of Rheumatology 1990 Criteria for the Classification of Fibromyalgia - Report of the Multicenter Criteria Committee
      Wolfe F, Smythe HA, Yunus MB, Bennett RM, Bombardier C, Goldenberg DL, Tugwell P, Campbell SM, Abeles M, Clark P et al., -University of Kansas, Arthritis Center, Wichita 67214 - Arthritis Rheum. 1990 Feb;33(2):160-72 - PMID: 2306288
      To develop criteria for the classification of fibromyalgia, we studied 558 consecutive patients : 293 patients with fibromyalgia and 265 control patients.
      Interviews and examinations were performed by trained, blinded assessors.
      Control patients for the group with primary fibromyalgia were matched for age and sex and limited to patients with disorders that could be confused with primary fibromyalgia.
      Control patients for the group with secondary-concomitant fibromyalgia were matched for age, sex and concomitant rheumatic disorders.
      Widespread pain (axial plus upper and lower segment plus left- and right-sided pain) was found in 97.6% of all patients with fibromyalgia and in 69.1% of all control patients.
      The combination of widespread pain and mild or greater tenderness in greater than or equal to 11 of 18 tender point sites yielded a sensitivity of 88.4% and a specificity of 81.1%.
      Primary fibromyalgia patients and secondary-concomitant fibromyalgia patients did not differ statistically in any major study variable and the criteria performed equally well in patients with and those without concomitant rheumatic conditions.
      The newly proposed criteria for the classification of fibromyalgia are : 1) widespread pain in combination with 2) tenderness at 11 or more of the 18 specific tender point sites.
      No exclusions are made for the presence of concomitant radiographic or laboratory abnormalities.
      At the diagnostic or classification level, the distinction between primary fibromyalgia and secondary-concomitant fibromyalgia (as defined in the text) is abandoned.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/2306288?dopt=Abstract
      Also read the comments on this article :
      'Comment on the 1990 American College of rheumatology criteria for fibromyalgia' - Freundlich B, Leventhal LJ, Arthritis Rheum. 1990 Dec;33(12):1863-4 - PMID: 2261007
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/2261007?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      AbstractPlusDrugs1

      - 'Use of the pinch strength meter in tender point examination' - Baum J - Arthritis Rheum. 1991 Jan;34(1):128 - PMID: 1984775
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/1984775?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      AbstractPlusDrugs1

    4. The prevalence and characteristics of fibromyalgia in the general population
      Wolfe F, Ross K, Anderson J, Russell IJ, Hebert L, University of Kansas School of Medicine-Wichita - Arthritis Rheum. 1995 Jan;38(1):19-28 - PMID: 7818567
      Objective - To determine the prevalence and characteristics of fibromyalgia in the general population.
      Methods - A random sample of 3,006 persons in Wichita, KS, were characterized according to the presence of no pain, non-widespread pain and widespread pain.
      A subsample of 391 persons, including 193 with widespread pain, were examined and interviewed in detail.
      Results - The prevalence of fibromyalgia was 2.0% (95% confidence interval [95% CI] 1.4, 2.7) for both sexes, 3.4% (95% CI 2.3, 4.6) for women and 0.5% (95% CI 0.0, 1.0) for men.
      The prevalence of the syndrome increased with age, with highest values attained between 60 and 79 years (> 7.0% in women).
      Demographic, psychological, dolorimetry and symptom factors were associated with fibromyalgia.
      Conclusion - Fibromyalgia is common in the population and occurs often in older persons.
      Characteristic features of fibromyalgia--pain threshold and symptoms--are similar in community and clinic populations, but overall severity, pain and functional disability are more severe in the clinic population.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/7818567

    5. Muscle pathology in primary fibromyalgia syndrome - A light microscopic histochemical and ultrastructural study
      Kalyan-Raman UP, Kalyan-Raman K, Yunus MB et al. - J Rheumatol 1984;11:808-813 - PMID: 6596430
      Upper medial trapezius muscle biopsy was obtained from 12 primary fibromyalgia syndrome (PFS) patients (age 17 to 40 years) and studied with histochemistry, light and electron microscopy (EM).
      No evidence of inflammation was found in any case.
      Significant histochemical abnormalities were Type II fiber atrophy in 7 and moth-eaten appearance of Type I fibers in 5.
      EM revealed segmental muscle fiber necrosis with lipid and glycogen deposition as well as subsarcolemmal mitochondrial accumulation in all cases.
      Papillary projections of sarcolemmal membrane were seen in 11 patients.
      These observations in 12 PFS cases without obvious muscle trauma indicate definite but nonspecific muscle changes which we suspect are secondary to chronic muscle spasm and ischemia of unknown etiology.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez

    6. Lack of association between fibromyalgia syndrome and abnormalities in muscle energy metabolism
      Simms RW, Roy SH, Hrovat M, Anderson JJ, Skrinar G, LePoole SR, Zerbini CA, de Luca C, Jolesz F, Arthritis Center, Boston University School of Medicine, MA 02118 - Arthritis Rheum. 1994 Jun;37(6):794-800 - PMID: 8003050
      Objective - To compare parameters of muscle energy metabolism in patients with fibromyalgia syndrome (FMS) and sedentary controls.
      Methods - Thirteen female FMS patients and 13 female sedentary controls underwent a standardized clinical assessment (including dolorimeter measurements of the upper trapezius and tibialis anterior muscles) and a standardized aerobic fitness test including measurement of maximum oxygen uptake (VO2max).
      Phosphorus (31P) magnetic resonance spectroscopy studies of the upper trapezius and tibialis anterior muscles were then performed in FMS patients and controls, at rest and during and following a muscle-fatiguing exercise protocol.
      Results - FMS patients and controls had similar levels of VO2max and of maximum voluntary contraction (MVC) of the upper trapezius and tibialis anterior muscles.
      After controlling for VO2max and MVC, measurements of phosphocreatine (PCr), inorganic phosphate (P(i)) and intracellular pH in these muscles were not significantly different in FMS patients versus sedentary controls either at rest, during exercise or during recovery.
      In the patients with FMS, no correlation was found between overall or local pain severity and the principal muscle metabolic parameter, PCr/P(i).
      Inverse correlations between dolorimeter scores at 2 muscle sites and tibialis anterior PCr/P(i) were found both in patients and in controls.
      Conclusion - This study demonstrates that under the conditions studied, muscle energy metabolism in FMS is no different than that in sedentary controls.
      These findings do not support the hypothesis that detectable defects in muscle energy metabolism occur in FMS.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez
      Also read the comment to this article 'Searching for the cause of fibromyalgia - Is there a defect in energy metabolism ?' - Wortmann RL - Arthritis Rheum. 1994 Jun;37(6):790-3 - PMID: 8003049 at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8003049?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      AbstractPlusDrugs1

    7. Emerging concepts in the neurobiology of chronic pain - Evidence of abnormal sensory processing in fibromyalgia
      Bennett RM, Division of Arthritis and Rheumatic Diseases, Oregon Health Sciences University, Portland 97201, USA - Mayo Clin Proc. 1999 Apr;74(4):385-98 - PMID: 10221469
      Chronic pain often differs from acute pain.
      The correlation between tissue pathology and the perceived severity of the chronic pain experience is poor or even absent.
      Furthermore, the sharp spatial localization of acute pain is not a feature of chronic pain; chronic pain is more diffuse and often spreads to areas beyond the original site.
      Of importance, chronic pain seldom responds to the therapeutic measures that are successful in treating acute pain.
      Physicians who are unaware of these differences may label the patient with chronic pain as being neurotic or even a malingerer.
      During the past decade, an exponential growth has occurred in the scientific underpinnings of chronic pain states.
      In particular, the concept of nonnociceptive pain has been refined at a physiologic, structural and molecular level.
      This review focuses on this new body of knowledge, with particular reference to the chronic pain state termed "fibromyalgia."
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez
      Also reeds the comment to this article 'Fibromyalgia and pain management' - Sartin JS - Mayo Clin Proc. 2000 Mar;75(3):316-7 - PMID: 10725965 at :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10725965?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      AbstractPlusDrugs1

    8. The Yogi Book - "I Really Didn't Say Everything I Said"
      Yogi Berra - Workman Publishing Company, January 3, 1998 Ė ISBN-10 : 0761110909 / ISBN-13 : 978-0761110903
      At last they're all together, in celebration of one of America's most beloved figures : from "It ain't over 'til it's over" to "You can't think and hit at the same time" here are all the famous Yogisms, those pithy-as-poetry legendary words that are among the most popularly quoted sayings ever.
      Compiled by Yogi Berra and his family, 'The Yogi Book' is the official collection of all Yogi Berra's quotable quotes.
      And more than just the genuine sayings themselves, there's Yogi on hand to explain each saying's provenance.
      Including many rarely-before-seen photographs plus appreciations and comments from friends and colleagues, The Yogi Book is a one-man Bartlett's, and a look at the life of a legend.
      Cfr. :
      http://www.amazon.com/Yogi-Book-Really-Didnt-Everything/dp/0761110909

    9. The de facto US mental and addictive disorders service system - Epidemiologic catchment area prospective 1-year prevalence rates of disorders and services
      Regier DA, Narrow WE, Rae DS, Manderscheid RW, Locke BZ, Goodwin FK, Division of Epidemiology and Services Research, National Institute of Mental Health, National Institutes of Health, Rockville, Md. - Arch Gen Psychiatry. 1993 Feb;50(2):85-94 - PMID: 8427558
      After initial interviews with 20,291 adults in the National Institute of Mental Health Epidemiologic Catchment Area Program, we estimated prospective 1-year prevalence and service use rates of mental and addictive disorders in the US population.
      An annual prevalence rate of 28.1% was found for these disorders, composed of a 1-month point prevalence of 15.7% (at wave 1) and a 1-year incidence of new or recurrent disorders identified in 12.3% of the population at wave 2.
      During the 1-year follow-up period, 6.6% of the total sample developed one or more new disorders after being assessed as having no previous lifetime diagnosis at wave 1.
      An additional 5.7% of the population, with a history of some previous disorder at wave 1, had an acute relapse or suffered from a new disorder in 1 year.
      Irrespective of diagnosis, 14.7% of the US population in 1 year reported use of services in one or more component sectors of the de facto US mental and addictive service system.
      With some overlap between sectors, specialists in mental and addictive disorders provided treatment to 5.9% of the US population, 6.4% sought such services from general medical physicians, 3.0% sought these services from other human service professionals and 4.1% turned to the voluntary support sector for such care.
      Of those persons with any disorder, only 28.5% (8.0 per 100 population) sought mental health/addictive services.
      Persons with specific disorders varied in the proportion who used services, from a high of more than 60% for somatization, schizophrenia and bipolar disorders to a low of less than 25% for addictive disorders and severe cognitive impairment.
      Applications of these descriptive data to US health care system reform options are considered in the context of other variables that will determine national health policy.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8427558

    10. Sex and psychopharmacology - Is natural estrogen a psychotropic drug in women ? [commentary]
      Stahl SM - Arch Gen Psychiatry 2001;58:537-538
      Although it has been long recognized that estrogen affects mood, it is still not clear what role estrogen may play in the management of major depressive disorder.
      This is startling, given the known link of estrogen to the increased incidence of major depressive disorder in women across their life cycles.
      Furthermore, 70% of people taking antidepressants are women and women make 90% of all health care decisions,6 yet there are precious few studies examining the use of estrogen as an antidepressant or as an adjunct to antidepressant treatment of major depressive disorder.
      The well-designed studies that do exist have been conducted mostly in women experiencing mood fluctuations associated with the normal female life cycle or with premenstrually linked mood disorders rather than in women with major depressive disorder.
      Cfr. :
      http://archpsyc.ama-assn.org/cgi/content/extract/58/6/537

    11. Comparison of amitriptyline and sertraline in the treatment of fibromyalgia syndrome [abstract] - Presented at the 64th annual meeting of the American College of Rheumatology; November 2000 - Celiker R, Cagavi Z

    12. A randomized, placebo-controlled, double-blind, flexible-dose study of fluoxetine in the treatment of fibromyalgia [abstract] - Presented at the NCDEU meeting; May 2001; Phoenix, Ariz - Arnold LM, Hess SM, Keck PE
      Cfr. :
      -
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11893345?dopt=medline
      -
      http://www.ingentaconnect.com/content/els/00029343/2002/00000112/00000003/art01089;
      jsessionid=1f6amp46upjld.alexandra?format=print

      -
      http://www.immunesupport.com/library/showarticle.cfm/id/3682

    13. Antidepressant treatment of fibromyalgia - A Meta-Analysis and Review
      Arnold LM, Keck PE, Welge JA - Psychosomatics 2000;41:104-113
      Fibromyalgia is a common musculoskeletal pain disorder associated with mood disorders.
      Antidepressants, particularly tricyclics, are commonly recommended treatments.
      Randomized, controlled trials of antidepressants for treatment of fibromyalgia were reviewed by methodology, results and potential predictors of response.
      Twenty-one controlled trials, 16 involving tricyclic agents, were identified; 9 of these 16 studies were suitable for meta-analysis.
      Effect sizes were calculated for measurements of physician and patient overall assessment, pain, stiffness, tenderness, fatigue and sleep quality.
      Compared with placebo, tricyclic agents were associated with effect sizes that were substantially larger than zero for all measurements.
      The largest improvement was associated with measures of sleep quality; the most modest improvement was found in measures of stiffness and tenderness.
      Further studies are needed utilizing randomized, double-blind, placebo-controlled, parallel designs with antidepressants administered at therapeutic dose ranges, using standardized criteria for fibromyalgia and systematically assessed for co-occurring psychiatric illness.
      Cfr. :
      http://psy.psychiatryonline.org/cgi/content/abstract/41/2/104

    14. Treatment of fibromyalgia with antidepressants - A meta-analysis
      O'Malley PG, Balden E, Tomkins G, Santoro J, Kroenke K, Jackson JL, Division of General Internal Medicine, Walter Reed Army Medical Center Washington, DC, USA - J Gen Intern Med. 2000 Sep;15(9):659-66 - PMID: 11029681
      Background - Fibromyalgia is a common, poorly understood musculoskeletal pain syndrome with limited therapeutic options.
      Objective - To systematically review the efficacy of antidepressants in the treatment of fibromyalgia and examine whether this effect was independent of depression.
      Design - Meta-analysis of English-language, randomized, placebo-controlled trials.
      Studies were obtained from searching MEDLINE, EMBASE and PSYCLIT (1966-1999), the Cochrane Library, unpublished literature and bibliographies.
      We performed independent duplicate review of each study for both inclusion and data extraction.
      Main results - Sixteen randomized, placebo-controlled trials were identified, of which 13 were appropriate for data extraction.
      There were 3 classes of antidepressants evaluated: tricyclics (9 trials), selective serotonin reuptake inhibitors (3 trials) and S-adenosylmethionine (2 trials).
      Overall, the quality of the studies was good (mean score 5.6, scale 0-8).
      The odds ratio for improvement with therapy was 4.2 (95% confidence interval [95% CI], 2.6 to 6.8).
      The pooled risk difference for these studies was 0.25 (95% CI, 0.16 to 0.34), which calculates to 4 (95% CI, 2.9 to 6.3) individuals needing treatment for 1 patient to experience symptom improvement.
      When the effect on individual symptoms was combined, antidepressants improved sleep, fatigue, pain and well-being, but not trigger points.
      In the 5 studies where there was adequate assessment for an effect independent of depression, only 1 study found a correlation between symptom improvement and depression scores.
      Outcomes were not affected by class of agent or quality score using meta-regression.
      Conclusion - Antidepressants are efficacious in treating many of the symptoms of fibromyalgia.
      Patients were more than 4 times as likely to report overall improvement and reported moderate reductions in individual symptoms, particularly pain.
      Whether this effect is independent of depression needs further study.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11029681?ordinalpos=4&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      DocSum

    15. Randomized controlled trial of exercise prescription for fibromyalgia [abstract]
      Presented at the annual meeting of the 64th American College of Rheumatology; November 2000 - Richards SCM, Scott DL
      To evaluate the efficacy of a class based exercise prescription program for fibromyalgia (FM).
      The assessment was performed by a randomised controlled trial comparing the active treatment of graded aerobic fitness exercise to a control treatment of relaxation and flexibility.
      Cfr. :
      http://www.controlled-trials.com/mrct/trial/%7C/1053/31709.html

    16. Follow-up of randomized controlled trial of exercise, education and a combination of exercise and education in women with fibromyalgia [abstract]
      Presented at the annual meeting of the 64th American College of Rheumatology; November 2000 - King SJ, Wessel J, Bhambhani Y et al.
      Objective - To evaluate the efficacy of a 6-week exercise and educational program for patients with fibromyalgia.
      Methods - Forty-one subjects were randomly assigned to the program or served as waiting list controls. Program outcome was assessed with a 6-minute walk test, the Fibromyalgia Impact Questionnaire, a Self-Efficacy Scale, and a knowledge questionnaire (based on information provided during the educational sessions). Waiting list control subjects subsequently completed the program. Program outcome was reassessed 3 or 6 months post-program.
      Results - The program produced significant improvements in 6-minute walk distance, well-being, fatigue, self-efficacy (for controlling pain and other symptoms), and knowledge. At followup, immediate gains in walk distance, well-being, and self-efficacy were maintained, but gains in fatigue and knowledge were lost.
      Conclusion - Short-term exercise and educational programs can produce immediate and sustained benefits for patients with fibromyalgia. The benefits of our program may be due to exercise or education since both interventions were given.
      Cfr. :
      http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/abstract/84002094/ABSTRACT?CRETRY=1&SRETRY=0


    Brainstorms is a monthly section of The Journal of Clinical Psychiatry aimed at providing updates of novel concepts emerging from the neurosciences that have relevance to the practicing physician.
    From the Neuroscience Education Institute in Carlsbad, Calif., and the Department of Psychiatry at the University of California San Diego.
    Reprint requests to : Stephen M. Stahl, M.D., Ph.D., Editor, BRAINSTORMS, Neuroscience Education Institute, 5857 Owens Street, Ste. 102, Carlsbad, CA 92009.


    Cfr. : http://www.psychiatrist.com/pcc/brainstorm/br6207.htm

    10-02-2008 om 12:17 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    09-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.FDA waarschuwt voor botox na 16 sterfgevallen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen









    FDA waarschuwt voor botox
    na 16 sterfgevallen

    Door Anna Dijkman Ė Elsevier, 09-02-08


    De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) waarschuwt dat het gebruik van botox schadelijke bijwerkingen kan hebben, en mogelijk zelfs dodelijk kan zijn.

    Botox
    Botuline toxine is een giftige stof die wordt geproduceerd door de bacterie clostridium botulinum, de veroorzaker van botulisme.
    Het wordt in kleine doses in geneesmiddelen (Botox en Myobloc) gebruikt om spierstoornissen te verhelpen of om zweetklieren stil te leggen bij patiŽnten die overmatig zweten.
    De stof wordt ook in de cosmetische chirurgie toegepast om gezichtsspieren tijdelijk te verlammen waardoor rimpels verminderen.

    Twee weken geleden publiceerde de Amerikaanse consumentenorganisatie Public Citizen een rapport waarin 180 gevallen worden beschreven van patiŽnten die verschijnselen van botulisme ontwikkelden na het gebruik van botox.


    Ademhalingsproblemen

    De patiŽnten kregen ademhalings- en slikproblemen. 
    Bij zestien van hen, onder wie vier kinderen, leidde dit tot de dood. Public Citizen eiste onmiddellijk ingrijpen van de FDA.

    De FDA zegt in een verklaring te vermoeden dat de slachtoffers een overdosis hebben gekregen.
    Volgens de geneesmiddelenautoriteit traden de heftigste reacties op bij behandeling van hersenverlamming (ook wel de 'ziekte van Little' genoemd).
    De FDA merkt op de toepassing van botox bij deze ziekte nooit te hebben onderzocht of goedgekeurd.

    De FDA ontraadt het gebruik van botox niet, maar gaat wel de veiligheid van het middel onderzoeken.

    Public Citizen vindt de waarschuwing Ďniet genoegí.
    De organisatie vindt dat artsen patiŽnten een schriftelijke waarschuwing moeten geven over de gevaren van botox.


    Cfr. : http://www.elsevier.nl/lifestyle/gezondheid_en_gezin/gezondheid/artikel/asp/artnr/192051/index.html


     

    09-02-2008 om 19:04 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vijandige levenshouding ongezond
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




























    Vijandige levenshouding ongezond

    ConsuMed, 31-01-2008


    Een vijandige levenshouding draagt bij aan een verlaagd gehalte aan antioxidanten.
    Dat zeggen onderzoekers van de universiteit van Ohio (VS).
    Oxidatieve stress aan organen kan optreden als het lichaam geen kans ziet de schade door het vrij komen van zogeheten vrije radicalen te reduceren.
    Het vrij komen van vrije radicalen is een normaal bijproduct van het metabolisme.
    Oxidatieve stress verhoogt de kans op hart- en vaatziekten, kanker en andere aandoeningen.
    3579 mannen en vrouwen van achttien tot dertig jaar oud namen deel aan een meerjarig onderzoek.
    Mensen die bij aanvang een vijandige levenshouding tentoonspreidden bleken later in het onderzoek duidelijk lagere gehaltes aan bepaalde antioxidanten te hebben.


    Cfr. : http://www.consumed.nl/dagnieuwtjes/3654/Vijandige_levenshouding_ongezond



    09-02-2008 om 16:15 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ben ik depressief ?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
     
     








    Ben ik depressief ?

    Depressie Centrum


    Vaak krijgen we de vraag : ĎBen ik depressief ?í
    Om met zekerheid te kunnen zeggen of er sprake is van een depressie zal door een hulpverlener een diagnose moeten worden gesteld.
    U zult begrijpen dat wij daar geen antwoord op kunnen, willen of mogen geven.

    Echter, wij kunnen u wel helpen om onderscheid te maken tussen normale depressiviteit en een depressie.
    Hierbij maken wij vaak de vergelijking met griep.
    Iedereen vindt het heel normaal dat iemand af en toe geveld wordt door de griep en zich daardoor een aantal dagen niet goed voelt.
    Maar als de griep niet overgaat en de verschijnselen alleen maar erger worden, zal bijna iedereen die dat heeft naar de huisarts gaan.
    Hetzelfde zou bij depressiviteit die niet overgaat moeten gebeuren.
    Duurt de depressiviteit langer dan twee weken en worden de klachten alleen maar erger, dan zou er wel eens sprake kunnen zijn van een depressie en is het verstandig uw huisarts te raadplegen.
    Om een normale depressiviteit van een depressie te onderscheiden kunt u ook onze 'depressie zelftest' doen.

    Zelftest Depressie

    De 'Zelftest Depressie' is een vertaling van de Edinburgh Depression Scale, ontworpen door de Britse psychiater, prof. dr. John Cox en is door Prof. dr. Victor Pop, hoogleraar Eerstelijns zorg te Tilburg voor gebruik in Nederland vertaald, bewerkt en gevalideerd.
    Cfr. :
    - http://www.depressiecentrum.nl/pagina/depressie-zelftest.48.html
    &
    - http://www.ggzdrenthe.nl/index.php?pageID=232


    Aan de hand van de score kan uw risico op het wel of niet hebben van een depressie worden bepaald.

    Tot slot kun u onderstaande verschijnselen bestuderen.
    Indien u veel overeenkomsten ziet, maak dan zo snel mogelijk een afspraak met uw huisarts.


    Symptomen van depressie

    Indien u wilt weten of iemand in uw omgeving een depressie heeft, kunt u onderstaande overzicht raadplegen :

    • somberheid, neerslachtigheid;

    • lusteloosheid en prikkelbaarheid;

    • gebrek aan interesse en plezier;

    • concentratieproblemen, vergeetachtigheid en besluiteloosheid;

    • schuldgevoelens, zelfverwijten en het gevoel niets waard te zijn;

    • het gevoel van binnen dood of leeg te zijn;

    • gevoelens van machteloosheid, wanhoop en angst;

    • grote vermoeidheid;

    • sterke neiging tot piekeren;

    • huilen zonder dat dit oplucht of graag willen huilen maar dit niet kunnen;

    • traagheid in praten, denken en bewegen of lichamelijke onrust;

    • gebrek aan eetlust en gewichtsverlies of juist overdreven eetlust en gewichtstoename;

    • moeite met inslapen of doorslapen of juist niet uit bed kunnen komen;

    • weinig of geen zin in vrijen;

    • gedachten aan de dood en/of zelfdoding;

    • lichamelijk klachten zoals : verstopping, een droge mond, onverklaarbare pijn, duizeligheid, hartkloppingen, trillende handen, druk op de borst en hoofd- en rugpijn.

    Veel depressieve mensen voelen zich ís ochtends het ellendigst en gaan zich in de loop van de dag beter voelen, bij anderen zijn de verschijnselen ís avonds juist het sterkst.


    Verder op te letten :

    • Depressie kent twee hoofdsymptomen : neerslachtig gevoel en verlies van interesse en van plezier (minimaal een van deze verschijnselen dient aanwezig te zijn).

    • Het is normaal om af en toe neerslachtig te zijn. Vooral als hier een aanleiding voor is (een verbroken relatie, ontslag, heftige gebeurtenis etc.).
      Deze verlaagde stemming dient niet verward te worden met een depressie.
      Indien er geen duidelijke aanleiding is voor uw plotselinge neerslachtigheid en deze langer dan twee weken aanhoudt, is het verstandig contact op te nemen met uw huisarts.

    • Indien u in het verleden een depressie heeft gehad, wees dan niet al te bang dat sombere gevoelens sowieso tot een depressie leiden.
      Het is heel normaal om af en toe down te zijn.
      Indien u last heeft van somberheid, probeer dan te achterhalen of hier een verklaring voor is zoals stress, werkproblemen, relatieproblemen etc.
      Zo niet, wacht dan niet te lang af en maak een afspraak met de huisarts.

    • Het komt wel eens voor dat mensen die in het verleden een depressie hebben gehad na een griep denken dat de depressie terugkeert.
      Belangrijk is om te weten dat de lichamelijk klachten na griep (vermoeidheid, slap) lijken op de lichamelijk klachten die gepaard gaan met een depressie.
      Het hoeft dus zeker geen depressie te zijn.
      Geef uw lichaam de tijd om weer op krachten te komen, dan zult u zien dat de klachten vaak vanzelf verdwijnen.
      Het komt echter ook een enkele keer voor dat een depressie de kop opsteekt na de griep.
      Als de klachten langer dan twee weken aanhouden breng dan een bezoek aan de huisarts.


    Cfr. : http://www.depressiecentrum.nl/pagina/ben-ik-depressief.84.html

    09-02-2008 om 14:56 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    06-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




















    "I am more seriously ill
    than my doctors think.
    "
    - Alfred Nobel -


    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -

    Deel I

    Natasha J. Verbakel - Rijksuniversiteit Groningen Wetenschapswinkel, Geneeskunde en Volksgezondheid, UMCG, Faculteit der Gedrags- en Maatschappijwetenschappen, Vakgroep Sociologie - Oktober 2007 - © Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid UMCG, Natasha Verbakel, Oktober 2007


    Colofon

    Vraagnummer : GV 138
    Titel : Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma Ė Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven
    Auteur : Natasha J. Verbakel
    Begeleider : Dr J. Bouma, cordinator Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid UMCG & Drs. T. Jaarsma, FGM / Sociologie
    Referent : Dr H. de Vos, FGM / Sociologie
    Vraagindiener : Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
    Uitgave : Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid UMCG, Ant. Deusinglaan 1, 9713 AV Groningen Ė Telefoon : 050 Ė 3633109 Ė Email : j.bouma@med.umcg.nl
    Datum : Oktober 2007.


    Samenvatting

    Het onderwerp van deze scriptie is stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven bij mensen met het Chronische Vermoeidheidssyndroom (CVS), Fibromyalgie en Reuma.
    De eerste twee aandoeningen worden ook wel 'Medisch Moeilijk Objectiveerbare Aandoeningen' (MMOA) genoemd en zijn binnen zowel de wetenschap, de medische wereld als de maatschappij controversieel.
    Deze afwezigheid van eenduidigheid (en erkenning) maakt het er niet gemakkelijker op om in het dagelijkse leven met ťťn van deze aandoeningen te leven.
    Omdat Reuma wat betreft klachten (moeheid en pijn) overeenkomt met CVS en Fibromyalgie is ervoor gekozen deze groep als referentiegroep te gebruiken.
    Hierdoor konden de twee moeilijk objectiveerbare aandoeningen worden vergeleken met een wel objectiveerbare aandoening.
    De vraagstelling van het onderzoek luidde :

    ďZijn er verschillen in de impact van CVS, Fibromyalgie en Reuma op de ervaren kwaliteit van leven en heeft een grotere mate van stigmatisering en ontevredenheid over het sociale netwerk een negatievere invloed op deze kwaliteit van leven ?Ē

    Uiteindelijk zijn er drie onderzoeksvragen geformuleerd :

    • Wat is de (directe) invloed van de aandoeningen op de ervaren kwaliteit van leven ?
      Is er een significant verschil in de ervaren kwaliteit van leven tussen de drie aandoeningen ?

    • Wat is de invloed van de aandoeningen op de ervaren mate van stigmatisering en bestaat hierin een gradatie ?
      Is deze gradatie terug te zien in de kwaliteit van leven ?

    • Wat is de invloed van de aandoeningen op de sociale steun ?
      En wat is de invloed van de sociale steun op de kwaliteit van leven ?

    Stigmatisering wordt omschreven als het opleggen van een negatief of wantrouwend oordeel door anderen of door zichzelf (Erving Goffman 1963).
    Door het gebrek aan duidelijkheid en soms erkenning van CVS en Fibromyalgie lijkt er potentie te bestaan voor gevoelens van stigmatisering.
    Er werd een gradatie verwacht in de mate van stigmatisering.
    Omdat CVS patiŽnten meer problemen lijken te hebben met de medische en maatschappelijke acceptatie was de veronderstelling dat deze respondenten de meeste stigmatisering zouden ervaren.
    Mensen met Reuma zouden de minste stigmatisering ervaren en mensen met Fibromyalgie zouden een tussenpositie innemen.

    Sociale steun bestaat uit interacties en discrepanties.
    Het eerste refereert naar de hoeveelheid sociale steun die iemand ontvangt en het tweede refereert naar de mate waarin de respondent tevreden is over deze ontvangen sociale steun.
    De kwaliteit van leven is op drie manieren gemeten.
    De algemene kwaliteit door respondenten te vragen een rapportcijfer (1-10) te geven voor hun kwaliteit van leven.
    Daarnaast zijn twee domeinen van kwaliteit van leven gemeten, te weten psychisch functioneren en sociaal functioneren.
    Het psychisch functioneren is vastgesteld door middel van een depressie schaal.
    Het sociaal functioneren door respondenten te vragen van een aantal sociale activiteiten aan te geven of zij deze activiteit als gevolg van de aandoening minder vaak doen dan zij zouden willen.
    Het persoonlijkheidskenmerk neuroticisme is exploratief meegenomen bij de analyses.
    Uit de literatuur blijkt dat neuroticisme (= een tendens tot emotionele instabiliteit Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Neuroticisme -) een rol speelt bij de gezondheidsbeleving van mensen.
    In dit onderzoek zijn hierover geen hypothesen opgesteld.

    De data zijn verkregen door middel van digitale en schriftelijke vragenlijsten.
    In totaal hebben 84 mensen met CVS, 165 mensen met Fibromyalgie en 85 mensen met Reuma de vragenlijst ingevuld.
    Hieronder wordt kort aandacht besteed aan de belangrijkste en meest opvallende resultaten van dit onderzoek.
    Voor een uitgebreidere bespreking van de resultaten en conclusies wordt verwezen naar hoofdstuk 6.

    De resultaten laten zien dat de beide MMOAís significant verschillen van Reuma op verschillende concepten.
    Zowel mensen met CVS en Fibromyalgie als mensen met Reuma ervaren een significant lagere algemene kwaliteit van leven dan de Nederlandse populatie.
    De Nederlandse populatie scoort gemiddeld een 7.6, CVS een 4.9, Fibromyalgie een 5.8 en Reuma een 6.8.
    De MMOAís scoren aanzienlijk lager dan de referentiegroep Reuma.
    Dit is ook te zien bij de domeinen van kwaliteit van leven, psychisch- en sociaal functioneren.
    Van de respondenten met Reuma kan 30.6% beschouwd worden als depressief.
    Dit percentage ligt veel hoger voor mensen met CVS (78.6%) en Fibromyalgie (69.7%).
    Wat betreft sociaal functioneren, laten de resultaten een duidelijke gradatie zien.
    Mensen met CVS, gevolgd door FibromyalgiepatiŽnten, geven het vaakst aan dat zij als gevolg van hun aandoening bepaalde activiteiten minder vaak doen.
    Stigmatisering en sociale steun hebben beide een mediŽrende invloed op de relatie tussen de aandoeningen en de kwaliteit van leven.
    Stigmatisering speelt vooral een belangrijke rol in het leven van mensen met CVS en Fibromyalgie.
    Zij hebben vaak het idee dat hun omgeving hun aandoening wijt aan psychische problemen.
    Bij mensen met Reuma speelt deze vorm van stigmatisering nauwelijks een rol.
    Het zich eenzaam of onbegrepen voelen als gevolg van de aandoening lijkt bij alle drie de aandoeningen wel aanwezig te zijn.
    Echter mensen met CVS en Fibromyalgie hebben hier significant meer last van dan mensen met Reuma.
    Deze gevoelens van stigmatisering hebben vervolgens een negatief effect op de kwaliteit van leven.
    Respondenten die zich als gevolg van de aandoening onbegrepen of anders voelen, geven een lager cijfer voor de algemene kwaliteit van leven, hebben meer last van depressieve gevoelens en ervaren een grotere beperking in hun sociaal functioneren.
    Sociale steun blijkt voornamelijk een rol te spelen als er gekeken wordt naar de mate van tevredenheid ůver de ontvangen sociale steun.
    ReumapatiŽnten zijn het meest tevreden en mensen met CVS ervaren het grootste tekort in sociale steun.
    Deze onvrede over de sociale steun blijkt een significante voorspeller voor de algemene kwaliteit van leven en het domein psychisch functioneren.
    De interacties blijken juist een rol te spelen bij het sociaal functioneren.
    Neuroticisme is exploratief meegenomen in de analyses.
    Een opvallend resultaat van dit onderzoek is dat neuroticisme alleen, na controle voor alle andere variabelen, 16% van de variantie in het regressiemodel van depressie verklaart.

    Dit onderzoek laat zien dat er inderdaad verschillen zijn in de impact van CVS, Fibromyalgie en Reuma op de ervaren kwaliteit van leven.
    De algemene kwaliteit van leven en de twee domeinen van kwaliteit van leven, psychisch- en sociaal functioneren worden negatief beÔnvloed door het hebben van een chronische ziekte.
    De impact is voor alle concepten van kwaliteit van leven aanzienlijk groter voor mensen met CVS en Fibromyalgie dan voor mensen met Reuma.
    CVS patiŽnten scoren daarbij in het algemeen iets slechter dan FibromyalgiepatiŽnten.
    Gevoelens van stigmatisering spelen voornamelijk een rol in het leven van mensen met CVS en Fibromyalgie.
    Een grote mate van stigmatisering zorgt voor een lagere algemene kwaliteit van leven, meer kans op een depressie en een groter tekort in het sociaal functioneren.
    Ook sociale steun beÔnvloedt de kwaliteit van leven.
    Mensen met meer sociale steun waren positiever over hun sociaal functioneren.
    Onvrede over de ontvangen sociale steun, heeft daarentegen een negatief gevolg voor de algemene kwaliteit van leven en het krijgen van een depressie.
    De van te voren geformuleerde verwachting dat wat betreft (aspecten van) de kwaliteit van leven en stigmatisering ReumapatiŽnten het best zouden scoren, CVS patiŽnten het slechtst en mensen met Fibromyalgie een tussenpositie zouden innemen, moet enigszins worden bijgesteld.
    Hoewel de resultaten laten zien dat ReumapatiŽnten inderdaad het best scoren en mensen met CVS vrijwel steeds het slechtst, blijkt dat de onderzoeksuitkomsten van FibromyalgiepatiŽnten slechts iets beter zijn en dat deze verschillen niet altijd significant zijn.
    Van een tussenpositie is hierdoor geen sprake.


    Voorwoord

    Deze scriptie vormt de afsluiting van het afstudeeronderzoek naar ervaren stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven van mensen met het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie en Reuma.
    Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van mijn afstudeerfase van de Master Sociologie (Beleid & Consultancy).

    De afstudeerfase bestaat uit een stage en het schrijven van een scriptie.
    Vooraf waren er met betrekking tot deze afstudeerfase twee aspecten duidelijk.
    De stage en scriptie zouden een link moeten hebben met medische sociologie en tijdens de afstudeerfase wilde ik mijn onderzoeksvaardigheden ontplooien.
    De stage heb ik gelopen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) Ė cfr. : http://www.ciz.nl/sf.mcgi?3281 -.
    Deze instantie is door de overheid aangewezen als onafhankelijk indicatieorgaan voor mensen met een zorgvraag in het kader van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ) Ė cfr. : http://www.st-ab.nl/wetawbz.htm .
    Ik heb voor deze stageplek gekozen omdat het ten eerste de mogelijkheid bood om inzicht te krijgen in het functioneren van een grote organisatie en de beleidsaspecten hierbinnen.
    Ten tweede bood het de mogelijkheid tot het schrijven van een onderzoeksscriptie.
    Het onderwerp van de scriptie is de kwaliteit van leven en in het bijzonder de rol van stigmatisering daarbij van mensen met het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie en Reuma.
    Dit onderwerp is tot stand gekomen in overleg met mijn begeleider bij het CIZ, drs W. Beemsterboer en mijn begeleiders van de scriptie, drs T. A. Jaarsma en dr J. Bouma.

    Tot nu toe is er weinig bekend over ervaringen van stigmatisering bij mensen met CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    Ik hoop dat ik door middel van deze scriptie een bijdrage kan leveren aan de kennis over de psychosociale aspecten van deze aandoeningen.
    Ook hoop ik dat deze scriptie andere studenten zal inspireren om onderzoek te doen naar het concept van stigmatisering en de rol die deze gevoelens spelen bij de beoordeling van de kwaliteit van leven.


    Dankwoord

    Het uitvoeren van het onderzoek en het schrijven van de scriptie zou niet mogelijk zijn geweest zonder de hulp van anderen.
    Ik wil mijn begeleiders, drs T. A. Jaarsma en dr J. Bouma bedanken voor hun begeleiding bij het opzetten en uitvoeren van het onderzoek.
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom en Fibromyalgie zijn controversiŽle aandoeningen.
    In de wetenschap, de medische wereld en de maatschappij heerst volop discussie over deze aandoeningen.
    Het gevolg was dat de literatuur omvangrijk en alles behalve eenduidig was.
    Zij hebben ervoor gezorgd dat ik door de bomen het bos bleef zien.
    Tijdens het schrijven van de scriptie heb ik veel gehad aan de aanwijzingen voor de statistische analyses en de feedback op de concept hoofdstukken.
    Ook wil ik graag dr F.L.P. van Sonderen bedanken voor het meedenken over de onderzoeksopzet en de statistische analyses.
    Ik wil graag drs W. Beemsterboer van het Expertise Centrum van het Centrum Indicatiestelling Zorg Ė cfr. : http://www.nizw.nl/smartsite.htm?id=50804 -, bedanken voor het verlenen van een stageplek en het meedenken over een onderzoeksvoorstel.
    Veel dank ben ik verschuldigd aan alle mensen die hebben meegewerkt aan het onderzoek door de vragenlijst in te vullen.
    Zonder hen zou het onderzoek niet uitgevoerd kunnen worden.
    Ik wil de Nationale Vereniging voor Fibromyalgie-PatiŽnten 'Eendrachtig Sterk' (FES) Ė cfr. : http://www.fesinfo.nl/home.php - en de de ME/CVS-Stichting Nederland Ė cfr. : http://www.me-cvs-stichting.nl/ - bedanken voor het plaatsen van mijn oproep.
    Hierdoor was het mogelijk om in contact te komen met mijn doelgroep.
    Ook wil ik de Stichting Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid Ė cfr. : http://www.steungroep.nl/ - en de ME/CVS vereniging Ė cfr. : http://www.me-cvsvereniging.nl/me-cvs-nieuws/index.php Ė bedanken voor het kritisch bekijken van mijn onderzoeksvoorstel en het beantwoorden van vragen.
    Mijn dank gaat uit naar de secretaresses van de reumatologie poli van de Isala Klinieken Ė cfr. : http://www.isala.nl/patient/afdelingen/reumatologie/Pages/default.aspx - voor het uitdelen van oproepen en schriftelijke enquÍtes.
    Ook wil ik dr. Zijlstra, Reumatoloog, bedanken voor het beantwoorden van mijn vragen.
    Ik wil graag dr van Enst en Mw. Vegter, sportartsen bij de Sport Geneeskundige Afdeling van de Isala Klinieken te Zwolle Ė cfr. : http://www.isala.nl/patient/afdelingen/sportgeneeskunde/Pages/default.aspx - bedanken voor het ter beschikking stellen van literatuur en het versturen van oproepen naar mensen met CVS.
    Ook wil ik dr. Maarten Klatte van de Vogellanden, Centrum voor Revalidatie te Zwolle Ė cfr. : http://www.vogellanden.nl/variabel/vacatures/revalidatieartsen.htm - bedanken voor de tijd en moeite die hij heeft genomen om mij uit te leggen hoe de behandeling van CVS- en FibromyalgiepatiŽnten er in het revalidatiecentrum uit ziet.
    Ook alle andere mensen die hebben bijgedragen aan deze scriptie maar hierboven niet zijn vermeld wil ik graag bedanken.


    Inhoudsopgave

    Samenvatting
    Voorwoord
    Dankwoord


    Hoofdstuk 1 Ė Inleiding

    Inleiding
    1.1 Achtergrond
    1.2 Doel en vraagstelling van het onderzoek
    1.3 Relevantie van het onderzoek
    1.3.1 Maatschappelijke relevantie
    1.3.2 Wetenschappelijke relevantie
    1.4 Opbouw van het verslag


    Hoofdstuk 2 - CVS, Fibromyalgie en Reuma - Prevalentie, criteria & symptomen, oorzaken en behandeling

    Inleiding
    2.1 Het Chronische Vermoeidheidssyndroom
    2.1.1 Criteria en symptomen
    2.1.2 Prevalentie
    2.1.3 Mogelijke oorzaken
    2.1.4 Behandeling
    2.2 Fibromyalgie
    2.2.1 Criteria en symptomen
    2.2.2 Prevalentie
    2.2.3 Mogelijke oorzaken
    2.2.4 Behandeling
    2.3 Reuma
    2.3.1 Criteria en symptomen
    2.3.2 Prevalentie
    2.3.3 Mogelijke oorzaken
    2.3.4 Behandeling
    2.4 Conclusie


    Hoofdstuk 3 - Theoretisch kader: - Stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven

    Inleiding
    3.1 Stigmatisering
    3.1.1 Indelingen van stigmata
    3.1.2 TheorieŽn over negatieve attitudes
    3.1.3 Management
    31.4 Stigmatisering in relatie tot CVS en Fibromyalgie
    3.2 Sociale steun
    3.3 Persoonlijkheidskenmerken
    3.4 Kwaliteit van leven
    3.4.1 Psychisch functioneren
    3.4.2 Sociaal functioneren
    3.5 Onderzoeksmodel en hypothesen
    3.6 Conclusie


    Hoofdstuk 4 - Data & methoden

    Inleiding
    4.1 Respondenten en procedure
    4.2 Respons
    4.3 Operationalisering en meetinstrumenten
    4.3.1 Stigmatisering
    4.3.2 Sociale steun
    4.3.3 Persoonlijkheids kenmerken
    4.3.4 Kwaliteit van leven
    4.3.5 Overzicht van de meetinstrumenten
    4.4 Poweranalyse
    4.5 Data verwerking


    Hoofdstuk 5 - Resultaten

    Inleiding
    5.1 Beschrijving van de respondenten naar demografische variabelen
    5.1.1 Neuroticisme
    5.2 Overzicht van de variabelen per aandoening
    5.3 Kwaliteit van leven
    5.3.1 Kwaliteit van leven in het algemeen
    5.3.2 Psychisch functioneren
    5.3.3 Sociaal functioneren
    5.4 Stigmatisering
    5.4.1 Ervaringen van stigmatisering
    5.4.2 Gevoelens van stigmatisering en kwaliteit van leven
    5.4.3 Tevredenheid over de medisch specialist
    5.4.4 Tevredenheid over de medisch specialist en kwaliteit van leven
    5.5 Sociale steun
    5.5.1 Interacties & discrepanties
    5.5.2 Sociale steun en kwaliteit van leven
    5.6 Stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven
    5.6.1 Kwaliteit van leven in het algemeen
    5.6.2 Psychisch functioneren
    5.6.3 Sociaal functioneren
    5.7 Ė Conclusie


    Hoofdstuk 6 - Conclusie & discussie

    Inleiding
    6.1 Conclusie
    6.2 Discussie


    Bronvermelding

    Bijlagen

    I. Belasting versus belastbaarheid
    II. Vragenlijst
    III. Correlatietabel



    Hoofdstuk 1. - Inleiding


    Inleiding

    Het onderwerp van deze scriptie is stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven bij mensen met het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie en Reuma.
    In dit inleidende hoofdstuk wordt in paragraaf 1.1 de achtergrond van het onderzoek beschreven.
    De volgende paragraaf, paragraaf 1.2 beschrijft het doel en de vraagstelling van het onderzoek.
    De maatschappelijke en wetenschappelijke relevantie komen aan de orde in paragraaf 1.3.
    Als laatste wordt in paragraaf 1.4 de opbouw van het verslag beschreven.


    1.1 Ė Achtergrond

    In Nederland hebben we een uitgebreide zorgvoorziening, de verzorgingsstaat.
    Door middel van wetten en voorzieningen heeft iedereen recht op zorg als men hier zelf niet toe in staat is.
    Een toenemend probleem van de laatste decennia is dat het beroep op deze voorzieningen gestaag toeneemt waardoor de druk op het overheidsgeld te groot is geworden.
    Het gevolg hiervan is dat de eisen om in aanmerking te komen voor voorzieningen als persoonlijke verzorging thuis, een aanvullende uitkering en / of een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds strenger worden.
    De aanvrager moet kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk een (functie)beperking heeft waardoor hij of zij in het dagelijkse leven en/of de werkuitoefening beperkt wordt.
    Een medische verklaring is hiervoor noodzakelijk.
    Deze medische verklaring komt voort uit een diagnose.
    Een diagnose zou gezien kunnen worden als een vastgestelde verzamelnaam voor een aantal voorkomende symptomen bij een bepaald ziektebeeld.
    Het voordeel van het hebben van een diagnose is dat deze diagnose informeert over de etiologie en prognose van de aandoening.
    Organisaties kunnen met deze diagnose uit de voeten omdat het duidelijkheid geeft over het ziektebeeld, welke (functie)beperkingen hierbij passen en omdat de diagnose een beeld geeft over hoe de ziekte zich in de toekomst zal ontwikkelen.
    Met andere woorden, het stellen van een diagnose geeft de patiŽnt een legitimatie voor zijn ziektegedrag en toegang tot de eventueel benodigde zorg of hulpmiddelen.

    Echter, in de gezondheidszorg komen veel artsen patiŽnten met lichamelijke klachten tegen, die met de huidige diagnostische mogelijkheden niet verklaard kunnen worden.
    Artsen kunnen voor deze subjectieve ervaringen geen objectieve lichamelijke afwijkingen vinden.
    Een Nederlands prevalentie onderzoek uit 2006 (Waal et al. 2006) laat zien dat van de nieuwe aanmeldingen bij een huisartsenpraktijk 16% niet of slechts deels aan een somatische aandoening is toe te schrijven.
    Bij een specialistische polikliniek is dit percentage zelfs 30 tot 60% (Nimnuan et al. 2001, Hemert et al. 1993).
    Deze onverklaarde lichamelijke klachten worden ook wel 'functionele klachten', 'somatisatie' of 'somatoforme stoornissen' genoemd.
    In de beleidswereld wordt ook wel gesproken over 'Medisch Moeilijk Objectiveerbare Aandoeningen', de zogenoemde 'MMOAís'.
    Een veel gebruikte definitie van 'somatisatie' is die van Lipowski (1988).
    Hij beschrijft somatisatie als : 'de neiging om lichamelijke ongemakken en klachten, die niet door pathologische bevindingen kunnen worden verklaard, aan een lichamelijke aandoening toe te schrijven en er medische hulp voor te zoeken'.
    Volgens Rooijmans et al. (1996) moet er onderscheid gemaakt worden in twee vormen van somatiseren.
    De definitie van Lipowski noemen zij 'somatiseren in beschrijvende zin'.
    Daarnaast spreken zij van een 'etiologische definitie', waarbij de lichamelijke klachten worden geacht te zijn veroorzaakt door psychische factoren.
    Een 'functioneel somatisch symptoom' wordt gedefinieerd als een symptoom dat na geschikte medische beoordeling, niet kan worden uitgelegd in termen van een conventioneel gedefinieerde medische ziekte (Wessely et al. 1999).
    Bij deze beide definities, 'somatisatie' en een 'functioneel somatisch symptoom ', staan patiŽnten centraal waarbij de lichamelijke klachten niet of volstrekt onvoldoende te verklaren zijn vanuit een lichamelijke oorzaak.
    Welke term ook gebruikt wordt, 'MMOA', 'onverklaarde lichamelijke klachten', 'somatiseren', 'functioneel syndroom', alle laten een ruimte open voor een psychische component binnen het geheel.
    De relatie tussen psychische aandoeningen zoals depressie, angst en stress en onverklaarde lichamelijke klachten is dan ook veelvuldig onderzocht.

    Twee aandoeningen waarvan de oorzaak (nog) niet geheel bekend is zijn het Chronische Vermoeidheidssyndroom en Fibromyalgie.
    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt ook wel Myalgische Encephalomyelitis (ME) genoemd.
    Voor het leesgemak wordt in dit gehele verslag de term CVS gebruikt.
    Omdat beide aandoening moeilijk te diagnosticeren zijn, vooral door het niet kunnen duiden van een lichamelijke oorzaak, zijn in het geval van CVS en Fibromyalgie criteria opgesteld om mensen in- en uit te sluiten van deze aandoeningen.
    Deze criteria zijn in eerste instantie ontworpen voor onderzoeksdoeleinden.
    Men wilde de onderzoekspopulatie eenduidig kunnen definiŽren waardoor de onderzoeksuitkomsten van deze groepen beter vergelijkbaar zouden zijn.
    In de praktijk echter, worden deze criteria gebruikt als diagnostische criteria.
    Deze aandoeningen worden daarom ook wel 'criteriadiagnosen genoemd ' (in het volgende hoofdstuk worden beide aandoeningen uitgebreid beschreven alsmede de criteria behorende bij elke diagnose).

    Deze functioneel somatische klachten bestaan uit diffuse, niet-specifieke en ambigue symptomen met een hoge prevalentie in het gezonde deel van de populatie.
    Voorbeelden zijn vermoeidheid, slaapproblemen, hoofdpijn, angst, duizeligheid of spier- en gewrichtspijn.
    Psychiater Feltz-Cornelis Ė cfr. 'Randomised Controlled Trial of a Collaborative Care Model with Psychiatric Consultation for Persistent Medically Unexplained Symptoms in General Practice' op : http://content.karger.com/ProdukteDB/produkte.asp?Doi=93949#AC & 'Functioneel somatische klachten in de huisartsenpraktijk' op : www.jules.be dd. 15-12-2007) wijst stress aan als sleutelwoord in een antwoord op de vraag waarom deze klachten bij sommigen tot ziekte en ziektegedrag leiden terwijl anderen gezond blijven.
    De balans tussen draagkracht en draaglast zou bij de mensen met ziektegedrag zoek zijn.
    De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie te Zwolle gaat uit van dezelfde disbalans (deze informatie over belasting versus belastbaarheid is verkregen uit een gesprek met dr Klatte, Revalidatie-arts bij De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie te Zwolle).
    Volgens dr Klatte, als Revalidatie arts werkzaam in De Vogellanden, gaat het niet zozeer om wťlke diagnose mensen hebben, maar om het proces van het ontrafelen van de oorzaak van de klachten.
    Er zou sprake zijn van een disbalans tussen belasting en belastbaarheid (cfr. bijlage 1).
    Deze disbalans presenteert zich bij elke patiŽnt anders.
    Krijgt de ene patiŽnt klachten die binnen de criteria van Fibromyalgie vallen, de andere patiŽnt kan te maken krijgen met klachten die onder de noemer CVS vallen.
    Volgens de Amerikaanse psychiaters Barsky en Borus zijn medisch onbegrepen klachten van alle tijden.
    Sociale en culturele omstandigheden bepalen vervolgens welke vorm de expressie en culturele beleving ervan zullen aannemen (cfr. 'Functioneel somatische klachten in de huisartsenpraktijk' op : www.jules.be dd. 15-12-2007).

    In de literatuur wordt gepubliceerd over CVS en Fibromyalgie als twee op zichzelf staande aandoeningen.
    De publicaties van Fukuda et al. (1994) en Wolfe et al. (1990) waarin CVS en Fibromyalgie als aandoeningen worden geclassificeerd voeden deze veronderstelling.
    Niet iedereen is het hier mee eens.
    Naar de heterogeniteit van CVS en Fibromyalgie als aandoening en alle functionele syndromen in het algemeen zijn verschillende studies gedaan.
    De vraag is of er sprake is van ťťn functioneel syndroom met een glijdende schaal of dat er sprake is van meerdere discrete syndromen.
    Het bestaan van discrete syndromen wordt in twijfel getrokken (Nimnuan et al. 2001, Hartman et al. 2004).
    In de definities van specifieke functionele syndromen bestaat een substantiŽle overlap (Wessely et al. 1999).
    De patiŽnten met ťťn functioneel syndroom komen vaak overeen met de criteria van andere syndromen.
    Ook niet-symptoom eigenschappen zoals geslacht, emotionele stoornissen, fysiologie, geschiedenis van mishandeling en misbruik tijdens de kinderjaren en moeilijkheden in de relatie dokter - patiŽnt worden door patiŽnten met verschillende functionele syndromen gedeeld.
    Door middel van een latente klassenanalyse hebben Sullivan et al. (2002) laten zien dat de symptomen van CVS en Fibromyalgie meer worden gekarakteriseerd door overeenkomsten dan door verschillen.

    In een review artikel geven Wessely et al. (1999) aan dat het bestaan van specifieke somatische syndromen voor een groot deel een artefact is van medische specialisatie.
    Doordat elke specialisatie te maken krijgt met medisch onverklaarde klachten heeft elke specialisatie ook een eigen functioneel syndroom.
    Zo zou Fibromyalgie volgens hen behoren tot het specialisme van de reumatologie en CVS tot het specialisme van de infectieziekten.

    In sommige gevallen worden CVS en Fibromyalgie door artsen, specialisten en wetenschappers afgedaan als Ďmodeziektení of een Ďhypeí (Twentse Courant 2003).
    De Nederlandse patiŽntenverenigingen (de ME/CVS stichting, de Stichting Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid en de ME/CVS vereniging) zijn het hier niet mee eens.
    Zij geven aan dat mensen met deze aandoeningen wel degelijk een ernstig invaliderende ziekte hebben die ook een medische oorzaak zou hebben.
    Deze patiŽntenorganisaties verwijzen veelvuldig naar onderzoek naar biologische oorzaken dat buiten Nederland plaatsvindt.
    Zij zijn van mening dat Nederlandse wetenschappers niet voldoende onderzoek doen naar de lichamelijke oorzaken en teveel de psychologische aspecten benadrukken.

    Kortom, het bestaan van lichamelijke klachten zonder duidelijk aan te wijzen oorzaak leidt tot vele discussies zowel in de wetenschappelijke literatuur als in de medische disciplines en de maatschappij.
    Deze discussies omvatten alle aspecten van de aandoeningen, van de naamgeving, eventuele oorzaken tot aan de gepropageerde behandelmethoden. CVS en Fibromyalgie zijn twee van deze controversiŽle aandoeningen.
    Het feit dat deze aandoeningen niet door iedereen erkend worden als legitieme reden voor ziektegedrag leidt tot veel frustraties bij patiŽnten en patiŽntenorganisaties.


    Lees verder : Deel II

    06-02-2008 om 20:52 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -

    Deel II


    1.2 - Doel en vraagstelling van het onderzoek

    Uit de voorgaande inleiding blijkt dat CVS en Fibromyalgie omstreden aandoeningen zijn.
    De afwezigheid van eenduidigheid omtrent deze aandoeningen maakt het er niet gemakkelijker op om in het dagelijkse leven met ťťn van deze aandoeningen te leven.
    Dit onderzoek belicht de psychosociale kant van het hebben van CVS of Fibromyalgie.
    Omdat beide aandoeningen niet medisch objectiveerbaar zijn, is ervoor gekozen om een vergelijkbare aandoening die wel medisch objectiveerbaar is, bij het onderzoek te betrekken.
    In dit geval is er gekozen voor Reuma aangezien de klachten, voornamelijk moeheid en pijn, in grote mate overeenkomen met CVS en Fibromyalgie.
    Door het betrekken van ReumapatiŽnten als derde groep kunnen resultaten van moeilijk objectiveerbare aandoeningen worden vergeleken met een objectiveerbare aandoening.
    Mogelijke verschillen in resultaten kunnen toegeschreven worden aan de mate van objectiveerbaarheid van de aandoening.

    De discussie en onzekerheid rondom de aandoeningen zou ervoor kunnen zorgen dat mensen een negatieve houding ten opzichte van mensen met CVS en Fibromyalgie ontwikkelen.
    Centraal in dit onderzoek staat het concept van stigmatisering.
    Stigmatisering is het opleggen van een negatief of wantrouwend oordeel door anderen of zichzelf (Goffman 1963).
    Het vermoeden is dat Fibromyalgie binnen de medische wereld en daardoor ook in de maatschappij als geheel meer erkend en geaccepteerd wordt dan CVS.
    Daarnaast zal de objectiveerbaarheid van de aandoening invloed hebben op de mate van stigmatisering.
    Er wordt daarom een gradatie verwacht in de mate van ervaren stigmatisering door mensen met CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    ReumapatiŽnten zullen de minste stigmatisering ondervinden, FibromyalgiepatiŽnten zullen een middenpositie innemen en de meeste stigmatisering zal worden ervaren door mensen met CVS.
    Deze gradatie is gebleken uit het onderzoek van Looper en Kirmayer (2004).
    Deze negatieve houding ten opzichte van mensen met CVS of Fibromyalgie kan door deze mensen ervaren worden in zowel het formele netwerk, bijvoorbeeld bij een artsenbezoek of tijdens de beroepsbeoefening als ook in het informele netwerk, bijvoorbeeld binnen het gezin of de vriendenkring.
    In het onderzoek wordt aandacht besteed aan verschillen in de ontvangen sociale steun en de tevredenheid hierover tussen de drie aandoeningen.
    Persoonlijkheidskenmerken kunnen een rol spelen bij het ontwikkelen of in stand houden van ziekte.
    Het is niet duidelijk of dit ook het geval is bij CVS of Fibromyalgie.
    In dit onderzoek wordt gekeken naar verschillen in neuroticisme binnen de drie aandoeningen.
    Naast stigmatisering, sociale steun wordt ingegaan op de kwaliteit van leven bij mensen met CVS en Fibromyalgie.
    De kwaliteit van leven wordt opgesplitst in sociaal- en psychisch functioneren.
    Het is interessant om te onderzoeken of de kwaliteit van leven bepaald wordt door de aandoening zelf (het medische model) of voornamelijk door psychosociale aspecten zoals stigmatisering en sociale steun.

    De vraagstelling van dit onderzoek luidt :

    ďZijn er verschillen in de impact van CVS, Fibromyalgie en Reuma op de ervaren kwaliteit van leven en heeft een grotere mate van ervaren stigmatisering en ontevredenheid met het sociale netwerk een negatievere invloed op deze kwaliteit van leven ?Ē


    1.3 - Relevantie van het onderzoek

    1.3.1 Maatschappelijke relevantie
    De groep patiŽnten met chronische onverklaarde lichamelijke klachten vormt een serieus gezondheidszorgprobleem en een maatschappelijk probleem.
    Langdurig arbeidsverzuim, blijvende arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en een sociaal isolement liggen op de loer.
    Maatschappelijke ontwrichting en grote emotionele en financiŽle kosten zijn vaak het gevolg (Mast, van der, 2006).
    Dit onderzoek is gedaan voor verschillende doelgroepen en kan daarom op verschillende manieren een maatschappelijke bijdrage leveren.
    Ten eerste voor de patiŽntengroep zelf.
    Zoals beschreven zorgt een diagnose ervoor dat mensen zich kunnen legitimeren voor hun ziekterol en dat ze zich kunnen beroepen op wetten en voorzieningen.
    Omdat CVS en Fibromyalgie onderwerp van vele discussies is zorgt dit ervoor dat de aandoeningen niet door iedereen serieus genomen worden.
    Mensen met CVS of Fibromyalgie moeten soms veel energie investeren in het verkrijgen van erkenning voor hun aandoening.
    Het onderzoek geeft meer informatie over de psychosociale gevolgen van CVS en Fibromyalgie.
    Dit zou een bijdrage kunnen leveren aan de (h)erkenning van en door de maatschappij van deze aandoeningen.
    Ten tweede de patiŽntenorganisaties.
    Deze organisaties ondervinden veel dezelfde problemen als de individuen wat betreft erkenning en acceptatie.
    Echter een patiŽntenorganisatie heeft als collectief vaak een functie om patiŽnten bij te staan bij problemen en te strijden voor (h)erkenning.
    Dit onderzoek kan een bijdrage leveren doordat het CVS en Fibromyalgie opnieuw onder de aandacht brengt en in het bijzonder de psychosociale gevolgen.
    PatiŽntenverenigingen kunnen deze mogelijkheid gebruiken om de resultaten onder de aandacht te brengen van overheidsinstanties (waar zij mee te maken hebben) en de politiek.
    Ten derde de (beleids)instanties en de medische disciplines.
    Dit verslag kan instanties en medische disciplines meer inzicht geven in
    CVS en Fibromyalgie en hoe dit het leven van de patiŽnten beÔnvloedt.

    1.3.2 Wetenschappelijke relevantie
    De laatste decennia is er veel onderzoek gedaan naar CVS en Fibromyalgie.
    Deze studies hebben verschillende aspecten van de aandoeningen belicht.
    In het begin van het onderzoek naar CVS en Fibromyalgie bestond dit voornamelijk uit het beschrijven van de aandoeningen zelf en het onderzoeken van eventuele oorzakelijke verbanden.
    In Nederland is deze focus de laatste jaren voor een deel verschoven naar het onderzoek naar hoe men het beste met de ziekte kan omgaan.
    Er zijn studies gedaan naar managementstrategieŽn, zoals coping, gericht op patiŽnten maar ook op behandelaars.
    Er is veel onderzoek naar effectieve behandelmethoden zoals Cognitieve Gedrags Therapie, revalidatie en Graded Excercise Therapie (Torenbeek et al. 2006, Prins et al. 2006).
    Ook de psychosociale beleving van de patiŽnten komt wat meer op de voorgrond te staan.
    Over stigmatisering van mensen met CVS en Fibromyalgie is nog weinig bekend.
    Dit onderzoek zou een aanvulling kunnen zijn op de al bestaande literatuur.


    1.4 - Opbouw van het verslag

    In hoofdstuk twee worden CVS, Fibromyalgie en Reuma uitgebreid beschreven aan de hand van de prevalentie, criteria en symptomen, mogelijke oorzaken en de behandeling.
    Hoofdstuk drie beschrijft het theoretische kader van deze scriptie.
    Achtereenvolgens wordt de literatuur over stigmatisering, sociale steun, persoonlijkheidskenmerken en als laatste de kwaliteit van leven beschreven.
    In dit hoofdstuk wordt ook het onderzoeksmodel met de hypothesen gepresenteerd.
    Het volgende hoofdstuk, hoofdstuk vier, beschrijft de wijze van dataverzameling en gebruikte methoden.
    De respondentenwerving en respons worden beschreven evenals de operationalisatie van de te meten variabelen en ontwikkeling van de vragenlijst.
    Hoofdstuk vijf beschrijft vervolgens wat de resultaten van het onderzoek zijn.
    Hoofdstuk zes, het laatste hoofdstuk, bevat de conclusies de discussie van de resultaten.



    Hoofdstuk 2. - CVS, Fibromyalgie en Reuma - Prevalentie, criteria en symptomen, oorzaken en behandeling


    Inleiding

    In dit hoofdstuk worden CVS, Fibromyalgie en Reuma uitgebreid beschreven in respectievelijk paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3.
    Per aandoening wordt ingegaan op de prevalentie, de criteria en symptomen, mogelijke oorzaken en de behandeling.
    Er wordt niet beoogd een allesomvattend overzicht te geven van de stand van zaken betreffende de literatuur aangaande deze aandoeningen.
    Het doel van dit hoofdstuk is een algemeen beeld te schetsen van elk van de aandoeningen.


    2.1 - Het Chronische Vermoeidheidssyndroom

    De aandoening CVS is geen nieuwe ziekte.
    Het ziektebeeld met de bijbehorende symptomen is de afgelopen 150 jaar meerdere malen beschreven door verschillende auteurs onder een verschillende naam (Bolk, 2005).
    In 1869 schetste Beard voor het eerst het beeld van de neurasthenie ('neurasthenie' wordt door Van Dale Nederlands Woordenboek (www.vandale.nl -) op de volgende wijze omschreven : 'ziekte gekenmerkt door sterke geestelijke en lichamelijke vermoeidheid en grote prikkelbaarheid') en in 1918 beschreef Oppenheimer de neurocirculatoire neurasthenie.
    Beide beelden werden gekenmerkt door vergelijkbare klachtenpatronen zoals nu gezien worden bij CVS.
    In 1957 werd de naam Myalgische Encephalomyelitis (ME) beschreven.
    Myalgisch betekent spierpijn en Encephalomyelitis duidt op een verspreide ontsteking van de hersenen en ruggenmerg.
    Deze ontstekingen zijn echter nooit aangetoond, waardoor door de wetenschappelijke wereld de voorkeur wordt gegeven aan de neutralere term CVS.
    Ook door de Gezondheidsraad, artsen en (beleids)instanties wordt de naam CVS geprefereerd (Gezondheidsraad, 2005).
    Door de World Health Organization (WHO) wordt CVS als ziektebeeld erkend en de aandoening is opgenomen in de internationale ziekteclassificatie, de ICD-10 (cfr. : www.who.int/en/ -.
    Echter, door de Nederlandse politiek wordt CVS niet als eigenstandige aandoening erkend.
    Nadat de Gezondheidsraad in 2005 een adviesrapport betreffende CVS Ė cfr. : http://www.gezondheidsraad.nl/pdf.php?ID=1167 - publiceerde was de eerste reactie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, dat hij CVS niet als een Ďeigenstandige aandoeningí kan erkennen, omdat hiervoor het wetenschappelijke bewijs ontbreekt (Bolk, 2005).
    Een citaat uit de rubriek Forum uit De Volkskrant van 7 februari 2005 (geciteerd in Bolk, 2005) luidt : ĎHet debat over CVS wordt ernstig gecompliceerd doordat het niet louter een medisch-wetenschappelijke exercitie is. Aan ziekte kunnen rechten worden ontleend op het gebied van de sociale verzekeringen. Wie lijdt aan een eigenstandige aandoening heeft meer kans op een WAO-uitkeringí.
    Het gevolg is dat mensen met CVS in Nederland regelmatig tegenwerking ondervinden bij het verkrijgen van hulp en / of een uitkering.
    Daarnaast ondervinden zij vaak problemen op sociaal en psychologisch gebied door de moeilijke legitimering van hun ziekte.

    2.1.1 Criteria & symptomen
    De kennis over het ontstaan en de oorzaken van CVS is gebrekkig : de klachten zijn variabel en weinig specifiek en eenvoudige diagnostische tests bestaan niet.
    In dit geval kan een casusdefinitie uitkomst bieden.
    Een casusdefinitie is een op consensus gebaseerde omschrijving van de aandoening (Gezondheidsraad, 2005).
    In 1994 is door de American Centres for Disease Control (CDC) een casusdefinitie opgesteld voor CVS (Fukuda et al. 1994).
    De criteria zijn : 'minstens zes maanden aanhoudende of steeds terugkerende vermoeidheid waarvoor geen lichamelijke verklaring is gevonden en die nieuw is, dat wil zeggen niet levenslang aanwezig, niet het gevolg is van voortdurende inspanning, nauwelijks verbetert met rust en het functioneren ernstig beperkt'.
    In combinatie met vier of meer van de volgende symptomen, gedurende zes maanden aanhoudend of regelmatig terugkerend en die er niet waren vůůr de vermoeidheid begon :

    • Zelfgerapporteerde verslechtering van geheugen of concentratievermogen

    • Keelpijn

    • Gevoelige hals- of okselklieren

    • Spierpijn

    • Gewrichtspijnen

    • Hoofdpijn

    • Niet-verfrissende slaap

    • Na inspanning gevoel van uitputting (malaise) gedurende 24 uur of langer.

    Exclusiecriteria :

    • Een andere aandoening of ziekte die de vermoeidheid (vermoedelijk) verklaart

    • Een psychotische, ernstige of bipolaire depressie (maar niet een ongecompliceerde depressie)

    • Dementie

    • Anorexia of bulimia nervosa

    • Alcoholmisbruik of het gebruik van drugs

    • Ernstig overgewicht.

    CVS heeft een grote overlap met andere onverklaarde aandoeningen zoals Fibromyalgie, het prikkelbaredarmsyndroom, meervoudige chemische overgevoeligheid en bepaalde oorlogssyndromen (Gezondheidsraad, 2005).
    In de literatuur wordt met name geschreven over de comorbiditeit van CVS en psychische symptomen.
    Vooral depressiviteit wordt vaak genoemd.
    De percentages van mensen met CVS in combinatie met psychische ziekten lopen sterk uiteen, van 35 tot 65 procent (Gezondheidsraad, 2005).

    2.1.2 Prevalentie
    De epidemiologische gegevens van CVS in Nederland zijn beperkt.
    Daarnaast is de prevalentie moeilijk vast te stellen omdat verschillende studies niet dezelfde definities gebruiken.
    Uit het onderzoek van Bazelmans et al. (1997) blijkt Nederland 17.000 CVSpatiŽnten te hebben (112 per 100.000).
    De auteurs geven hier zelf al aan dat dit een minimale schatting is.
    Uit ditzelfde onderzoek komt naar voren dat het merendeel van de patiŽnten vrouw is, namelijk 81 procent.
    De commissie van de Gezondheidsraad heeft het prevalentie onderzoek dat in Nederland is gedaan naast elkaar gezet en vergeleken met internationale cijfers.
    Zij komen met een schatting van tussen de 30 en 40 duizend mensen met CVS in Nederland.
    Driekwart of meer hiervan is vrouw (Gezondheidsraad, 2005).

    2.1.3 Mogelijke oorzaken
    Er zijn veel studies gedaan naar de mogelijke oorzaken van CVS.
    Veel somatische en psychosociale hypothesen zijn geŽxploreerd.
    Tot nu toe is er nog geen duidelijke oorzaak voor CVS gevonden.
    De vraag naar de oorzaak van CVS bestaat uit twee aspecten, de etiologie en de pathofysiologie.
    Etiologie gaat over het waardoor, welke omstandigheden maken dat iemand CVS krijgt.
    Pathofysiologie gaat over het hoe, welke biologische ontregelingen zijn er ? (Gezondheidsraad, 2005).
    In het algemeen wordt aangenomen dat de etiologie en pathogenese multifactoreel zijn.
    Dit betekent dat de ziekte wordt uitgelokt door een complex van factoren.
    De aandoening zou beter begrepen kunnen worden door onderscheid te maken in predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren (Prins et al. 2006).
    Predisponerende factoren zijn factoren die verschillen in kwetsbaarheid tussen mensen bepalen, de ene mens krijgt eerder CVS dan de andere.
    Uitlokkende factoren zijn omstandigheden die CVS bij daarvoor gevoelige mensen op gang brengen.
    Dit worden ook wel Ďtriggersí genoemd, instandhoudende factoren zijn factoren die ervoor zorgen dat de klachten in stand worden gehouden en staan het herstel in de weg.
    De genoemde drie factoren zijn alle etiologisch van aard.
    De gedachte is dat CVS alleen ontstaat als zowel predisponerende, uitlokkende ťn instandhoudende factoren in ťťn persoon samen komen (Gezondheidsraad, 2005).
    De gezondheidsraad geeft in zijn adviesrapport een overzicht van deze drie factoren :

    a/ Predisponerende factoren

    • Familiaire factoren
      Uit familie- en tweelingonderzoek komen aanwijzingen dat CVS familiaire aspecten heeft en dat genetische aanleg van belang zou kunnen zijn.

    • Geslacht
      CVS wordt vaker gezien bij vrouwen dan bij mannen.

    • Leergeschiedenis
      Wat mensen in hun jeugd meemaken (de Ďleergeschiedenisí) is van grote invloed op hun latere leven.
      Mensen met nare ervaringen in hun jeugd, zoals verwaarlozing, geweld of misbruik, ernstige ziekte van henzelf of naaste familieleden of andere traumaís, lijken kwetsbaarder dan anderen.
      Het is bekend dat vroegkinderlijke traumatische gebeurtenissen leiden tot een grotere gevoeligheid voor stressfactoren later in het leven.
      Het verband met CVS moet nog nader worden onderzocht.

    • Persoonlijkheid
      Er zijn aanwijzingen dat neuroticisme, een neiging tot overdreven zorgvuldigheid, faalangst, geen 'nee' kunnen zeggen en niet kunnen ontspannen tot een chronisch verhoogd stressniveau leidt.
      Dat zou mensen kwetsbaarder kunnen maken voor CVS.

    • Levensstijl
      Bepaalde levensstijlen, samenhangend met persoonlijkheid, kunnen chronische stress genereren, zoals een extreme gerichtheid op presteren of een dwangmatig streven naar controle en perfectie.
      CVS-patiŽnten maken dikwijls melding van een overactief leven vůůr ze CVS kregen, zoals mateloos (over)werken of excessief sporten, levensstijlen die een bron van chronische stress zijn.

    • Geringe lichamelijke activiteit
      Na de ziekte van Pfeiffer hebben mensen die daarvůůr een leven met weinig lichamelijke beweging leidden, meer kans op het ontwikkelen van CVS.
      Ook is er een aanwijzing dat weinig lichamelijke beweging in de jeugd de kans op CVS op latere leeftijd vergroot.

    b/ Uitlokkende factoren

    • Acute fysieke stress
      Ernstige verwondingen, langdurige slaapstoornissen, een zware operatieve ingreep of een zwangerschap en bevalling kunnen het begin vormen van CVS.
      Dit aspect is nog weinig onderzocht.
      Veel onderzoek is wel gedaan naar de betekenis van infecties bij het ontstaan van CVS, vooral omdat driekwart van de patiŽnten aangeeft dat de klachten met een infectie zijn begonnen.
      Er is onderzoek gedaan naar het Epstein-Barr virus, alledaagse infecties zoals een luchtweginfectie en andere infecties zoals een infectie met het hepatitis C virus en de ziekte van Lyme.

    • Acute psychologische stress
      Ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals het overlijden van een dierbare of verlating door een partner, kunnen CVS uitlokken, evenals andere al of niet aan arbeid gerelateerde, emotioneel belastende gebeurtenissen of situaties, zoals het gevoel niet te kunnen voldoen aan de verwachtingen van anderen.

    c/ Instandhoudende factoren

    • Fysieke inactiviteit
      Bewegingsarmoede kan een belangrijke bijdrage leveren aan de instandhouding van de klachten.
      Voor CVS na de ziekte van Pfeiffer is dat in elk geval overtuigend aangetoond.

    • Periodieke overactiviteit
      CVS-patiŽnten zijn nogal eens geneigd, zodra ze zich goed voelen, te veel te ondernemen met als gevolg extreme vermoeidheid, toenemend malaisegevoel en pijn en herstelproblemen.

    • Opvattingen over de aandoening
      Veel CVS-patiŽnten schrijven hun klachten toe aan strikt lichamelijke oorzaken.
      Somatische attributies leiden tot vermijding van lichamelijke activiteit en tot frequent doktersbezoek.
      Het idee dat men zelf geen invloed kan uitoefenen op de klachten, doet de klachten verergeren.
      Er zijn aanwijzingen dat dergelijke opvattingen herstel in de weg staan.

    • Verhoogde aandacht voor lichamelijke sensaties
      In situaties waarin men onder grote druk staat, kan men een sterke gerichtheid op lichamelijke sensaties ontwikkelen, zogeheten 'somatische hypervigilantie'.
      Fysiologische signalen die men normaal negeert, worden dan als bedreigend geÔnterpreteerd.
      Dit kan een versterking van vermoeidheidsklachten tot gevolg hebben en leiden tot gedrag dat beperkingen in stand houdt.

    • Gedrag van hulpverleners
      Er zijn aanwijzingen dat de benadering door de arts van invloed is op het ontwikkelen van CVS.
      Eenzijdige gerichtheid op de somatische kant (bijvoorbeeld het overdreven vaak doen van lichamelijk onderzoek) of op de psychologische kant (bijvoorbeeld psychologische oorzaken steeds weer onderstrepen) kan er toe leiden dat patiŽnten zich niet (h)erkend voelen.
      Ook onbegrip van de arts en falende communicatie waardoor het niet lukt een aanvaardbare verklaring aan de patiŽnt te geven, kunnen het ontstaan van onjuiste ideeŽn over de aandoening in de hand werken.
      Voor conflicterende boodschappen van diverse geraadpleegde hulpverleners geldt hetzelfde.

    • Sociale factoren
      Mensen in de omgeving van de patiŽnt kunnen diens rol als zieke versterken door ziektegedrag aan te moedigen en niet-functionele opvattingen te bevestigen.
      Het is niet uitgesloten dat anekdotische informatie in de populaire pers en op het internet, en bepaalde voorlichting van patiŽntenorganisaties een vergelijkbare invloed uitoefenen.
      Ziek zijn brengt een ander leefritme met zich mee.
      Naast ontegenzeggelijke nadelen, zijn daaraan soms ook voordelen verbonden.
      Dat is niet alleen zo bij CVS, maar bij ziek zijn in het algemeen.
      Die voordelen staan soms ongewild het herstel in de weg.
      Het gaat om zaken als verzorgd worden, extra aandacht krijgen en vrij zijn van verplichtingen en verantwoordelijkheden die schoolgaan, studeren, werk of huishoudelijke taken meebrengen.
      Eenmaal gewend aan dit leefritme, kost het patiŽnten vaak moeite terug te schakelen naar de situatie waarin de verantwoordelijkheden en verplichtingen weer op hen afkomen.

    Ook naar de pathofysiologie van CVS is veel onderzoek gedaan.
    In het rapport van de Gezondheidsraad wordt bij de beschrijving van de pathofysiologie geen onderscheid gemaakt naar verschillende functionele syndromen zoals CVS en Fibromyalgie.
    Hoewel over de onderliggende biologische mechanismen van lichamelijk onverklaarde aandoeningen nog maar weinig met zekerheid bekend is, wordt in het rapport van de Gezondheidsraad verwezen naar enkele verklaringsmodellen die afkomstig zijn uit de moderne neurowetenschappen.
    Deze modellen bieden de mogelijkheid om de kloof tussen somatisch en psychisch te overbruggen en vormen hiermee een goede basis voor het wetenschappelijk onderzoek.
    De Gezondheidsraad geeft hiermee duidelijk aan dat er afstand moet worden gedaan van de lichaam-geestdichotomie.
    Veel onderzoek is gericht op ontregelingen van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (HPAas).
    Een mechanisme dat beschreven wordt is zowel de hyperactiviteit als de hypoactiviteit van de HPA-as.
    Deze verhoogde of verlaagde activiteit heeft ernstig ziekmakende gevolgen.
    Daarnaast heeft de HPA-as een belangrijke functie in de regulatie van het immuunsysteem.
    Het is te verwachten dat ook andere neuroendocriene systemen, zoals het sympathische zenuwstelsel (met noradrenaline en adrenaline) en het dopaminerge systeem, ontregeld raken.
    Deze systemen staan immers niet los van elkaar : ontregelingen in het ene systeem brengen veranderingen teweeg in het andere.
    Een ander waardevol model gaat ervan uit dat psychobiologische sensitisatiemechanismen aan de basis van diverse lichamelijk onverklaarde klachten liggen.
    Het klachtenpatroon dat te zien is bij zowel CVS als Fibromyalgie duidt op een ontregeling van regelsystemen of van de communicatie tussen regelsystemen (centrale zenuwstelsel, het hormoonstelsel en het immuunsysteem).
    De oorzaak lijkt steeds terug te voeren op eenzelfde grondpatroon : een langdurige en ernstige verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en belasting, waardoor diverse homeostatische mechanismen (energiehuishouding, herstelprocessen, pijngevoeligheid) op den duur uit balans raken (Gezondheidsraad, 2005).

    2.1.4 Ė Behandeling
    Naarmate onverklaarde klachten langer bestaan en er niet adequaat op wordt gereageerd wordt de prognose voor herstel en werkhervatting ongunstig beÔnvloed.
    In het adviesrapport van de Gezondheidsraad (2005) wordt erop gewezen dat het niet zinvol is onbegrepen klachten af te doen als ĎpsychischĎ of met de opmerking Ďik kan niets vinden, dus u hebt nietsí.
    Bij patiŽntenorganisaties blijft het benoemen van de psychische component een moeilijke kwestie waarin zij soms het gevoel hebben dat Nederlandse onderzoekers lijnrecht tegenover hen staan.
    De Gezondheidsraad (2005) vindt dit geen vruchtbare discussie als het gaat om de behandeling van patiŽnten.
    Zij geven aan dat uit neurowetenschappelijk onderzoek dat de afgelopen decennia is gedaan, is gebleken dat psychologie en biologie twee aspecten van hetzelfde zijn.
    Wat betreft de behandeling van CVS dient er dus zeker geen scheiding te worden gemaakt tussen lichaam en geest.
    Hulpverleners zouden een proactieve houding moeten hebben.
    De huisarts en de bedrijfsarts spelen een centrale rol in het onderkennen van deze klachten bij patiŽnten of werknemers (Gezondheidsraad, 2005).
    Cognitieve Gedragstherapie (CGT) wordt beschreven als effectieve behandelmethode voor CVS (Rakib et al. 2005, Speckens et al. 1996).
    CGT is inherent verbonden aan een geleidelijke opbouw van lichamelijke activiteit, ook wel Graded Exercise training (GET) genoemd (Torenbeek et al. 2006, Prins et al. 2006, Gezondheidsraad 2005).
    CGT en GET zijn behandelingen van eerste keus, de Gezondheidsraad heeft geadviseerd om de capaciteit van deze behandeling in Nederland te vergroten.
    PatiŽntenorganisaties staan argwanend tegenover CGT als effectieve behandelmethode.
    In het adviesrapport (Gezondheidsraad, 2005) wordt dan ook niet gesproken over een panacee.
    De behandeling is intensief voor patiŽnten en zal niet voor iedereen succesvol zijn.
    Uit onderzoek blijkt dat circa 70% van de mensen met CVS baat heeft bij CGT.
    Succes betekent in deze context dat de patiŽnten weer op een min of meer normaal niveau kunnen functioneren.
    Dit zal niet op het niveau zijn zoals deze was voorafgaand aan CVS, maar zij hebben zich leren aanpassen aan hun eigen begrensde mogelijkheden.
    Omdat er bij CVS sprake is van een multifactoriŽle problematiek, is een belangrijk aspect van de behandeling dat deze multidisciplinair plaatsvindt.
    Op deze wijze kan het probleem vanuit biologische, psychologische en sociale aspecten worden benaderd.
    Biologische aspecten betreffen de lichamelijke belasting zoals, het verkrijgen van meer energie, een betere conditie, minder pijn en het langer kunnen uitvoeren van activiteiten zoals lopen, fietsen en zitten.
    Psychologische aspecten bestaan onder andere uit het beter leren omgaan met pijn, minder piekeren en minder somber zijn.
    Bij het sociale aspect kan gedacht worden aan werkhervatting, meer sociale contacten, sporten en recreatief bewegen, een dagbesteding en het vervullen van een gezinsrol.
    Bij deze multidisciplinaire aanpak zijn meerdere specialisten / behandelaars betrokken.
    Bijvoorbeeld een revalidatiearts, de huisarts, een psycholoog, een fysiotherapeut, een bewegingsagoog, een activiteitenbegeleider, een maatschappelijk werker.
    Het behandelteam zal per individu verschillen omdat het wordt aangepast aan de doelen en mogelijkheden van die persoon.


    2.2 - Fibromyalgie

    Het bewegingsapparaat bestaat uit botten, spieren en pezen.
    Ziekten aan het bewegingsapparaat worden aangeduid met de verzamelnaam reumatische aandoeningen.
    Fibromyalgie is een vorm van Reuma.
    Letterlijk betekent Fibromyalgie Ďpijn in bindweefsel en spierení.
    Het wordt ook wel wekedelenreuma genoemd.
    Toch wordt Fibromyalgie vaak apart van Reuma genoemd omdat deze aandoening onder de lichamelijk onverklaarde klachten / functionele syndromen valt.
    Fibromyalgie is opgenomen in de tiende revisie van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10) gepubliceerd door de WHO (cfr. : www.who.int/en/ )

    2.2.1 Criteria & symptomen
    Onder het Fibromyalgie syndroom wordt verstaan: een chronisch pijnsyndroom van het bewegingsapparaat, zonder aandoening van gewrichten of aanwijzingen voor ontstekingsactiviteit Ė cfr. : http://www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl/ -.
    De meest gebruikelijke symptomen zijn chronische, diffuse en algemene (spier)pijn en stijfheid.
    Pijn en vermoeidheid zijn de voornaamste klachten van Fibromyalgie: pijn wordt gerapporteerd door 95% van de leden van de FibromyalgiepatiŽnten vereniging (FES) en vermoeidheid door 88%.
    Naast deze klachten hebben mensen vaak last van stijfheid (81%) met name in de ochtend en na lange tijd in dezelfde houding te hebben gezeten / gestaan.
    Slaapproblemen worden door 61% genoemd en 56% geeft aan last te hebben van temperatuurgevoeligheid.
    De klachten verergeren door temperatuurwisselingen.
    Verder worden concentratiestoornissen (56%) en darmklachten (52%) genoemd.
    In mindere mate komen voor : gevoelloosheid / tintelingen (43%), chronische hoofdpijn (28%) en depressieve gevoelens en angsten (27%).

    Fig. 2.1 Ė Tenderpoints
    (Bron : Wolfe et al. 1990)
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 25

    Deze percentages zijn ontleend aan een ledenraadpleging door de FES in 2003.
    Omdat de symptomen niet-specifiek, onzichtbaar en subjectief zijn is het voor artsen moeilijk om een diagnose te stellen.
    In 1990 zijn door het American College of Reumatology (ACR) classificatiecriteria opgesteld voor Fibromyalgie (Wolfe et al. 1990).
    Er zijn twee criteria :

    • Een geschiedenis van wijdverspreide pijn.
      Deze pijn moet langer dan drie maanden aanwezig zijn.
      Er wordt van wijdverspreide pijn gesproken als deze aanwezig is in zowel de linker kant als de rechter kant van het lichaam en zowel onder als boven de taille.

    • Pijn in 11 van de 18 tenderpoints.
      De tenderpoints worden in figuur 2.1 afgebeeld.

    Net als bij CVS is er bij Fibromyalgie vaak sprake van het gelijktijdig optreden van meerdere aandoeningen.
    Weir et al. (2006) beschrijven sterke associaties met zeven condities die vaak genoemd worden bij Fibromyalgie.
    Deze zeven condities zijn : depressie, angst, hoofdpijn, prikkelbaredarmsyndroom, CVS, Systemische Lupus Erythematosus en ReumatoÔde Artritis.
    Depressiviteit komt veel voor bij FibromyalgiepatiŽnten (Ofluoglu et al. 2005).
    Volgens de studie van Stahl (2001) heeft ťťn derde van de mensen met Fibromyalgie depressieve symptomen.
    Daarnaast hebben veel mensen angststoornissen.

    2.2.2 Prevalentie
    Over de prevalentie van Fibromyalgie in Nederland zijn geen recente cijfers voorhanden.
    Een prevalentie onderzoek onder huisartsen in Nederland toonde een prevalentie van 157 per 100.000.
    In Nederland zouden 24.000 FibromyalgiepatiŽnten zijn (Bazelmans et al. 1997).
    In hetzelfde onderzoek wordt door de auteurs al aangegeven dat deze prevalentiecijfers een minimale schatting zijn als gevolg van de methodologische opzet (het enquÍteren van huisartsen).
    Een onderzoek in de VS beschrijft een incidentie van 6.88 per 1000 mannen per jaar en 11.28 per 1000 vrouwen per jaar.
    Zij geven geen cijfers over de prevalentie (Weir et al. 2006).
    De FES geeft op haar website een prevalentie van 2 op de 100 volwassenen.

    2.2.3 Mogelijke oorzaken
    De oorzaken van Fibromyalgie zijn net als bij CVS in te delen in etiologie en pathofysiologie.
    De biologische oorzaak van Fibromyalgie is niet bekend.
    De suggesties die zijn gedaan komen overeen met de pathofysiologie die beschreven is in paragraaf 2.1.3, de mogelijke oorzaken van CVS.
    De Gezondheidsraad heeft bij dit overzicht gekeken naar onverklaarde lichamelijke klachten in het algemeen en geen indeling gemaakt naar functionele syndromen.
    Fibromyalgie valt ook onder deze syndromen.
    Omdat de beschreven mechanismen overeen komen worden deze hier niet opnieuw beschreven.
    De etiologie is, evenals bij CVS, onderverdeeld in predisponerende, uitlokkende en instandhoudende factoren.
    Echter voor Fibromyalgie is de tot nu toe beschreven wetenschappelijke literatuur nog niet overzichtelijk weergegeven zoals dit door de in het Adviesrapport van de Gezondheidsraad is gedaan voor CVS.
    Er is onderzoek gedaan naar persoonlijkheidskenmerken die karakteristiek zouden zijn voor mensen met Fibromyalgie.
    Eigenschappen die genoemd worden zijn : perfectionisme, ijver, veeleisendheid voor zichzelf en anderen, het hebben van hoge normen en waarden, streven datgene wat men doet zo goed mogelijk te doen, de neiging snel te veel hooi op de vork te nemen en een sterk ontwikkeld plichtsbesef (Spanjer, 1994).
    In het eigen onderzoek van Spanjer (1994) waarin gekeken werd naar prestatiemotivatie, scoorden FibromyalgiepatiŽnten echter niet hoger dan de controle groep.
    Het is nog niet duidelijk of bepaalde persoonlijkheidskenmerken predisponerend zijn voor het ontwikkelen van Fibromyalgie.
    Stress wordt in veel onderzoeken genoemd als belangrijke factor bij het ontwikkelen en in stand houden van Fibromyalgie.
    Een trauma wordt beschreven als uitlokkende factor (Aaron et al. 1997).

    Net als bij CVS hebben vrouwen een groter risico (Winfield, 2001; Bergman, 2005).
    Omgevingsfactoren en socioculturele factoren spelen een rol.
    Misbruik tijdens de kinderjaren, hypervigilantie, coping strategieŽn, depressie en angst worden beschreven.
    Een virusinfectie zou een Ďtriggerí kunnen zijn voor de ontwikkeling van Fibromyalgie (Winfield, 2001).
    Ook de levensstijl is van invloed op het ontwikkelen van Fibromyalgie.
    Overmatige inspanning (Winfield, 2001) een lage sociaal-economische status (SES) en een laag opleidingsniveau (Bergman, 2005) worden beschreven als factoren die samenhangen met Fibromyalgie.


    Lees verder : Deel III

    06-02-2008 om 20:42 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel III


    2.2.4 Behandeling
    De behandeling van Fibromyalgie bestaat voornamelijk uit het leren omgaan met de klachten en het zo optimaliseren van de kwaliteit van leven.
    Omdat Fibromyalgie een pijnsyndroom betreft wordt in eerste instantie gedacht aan pijnmedicatie.
    Echter pijnmedicatie vormt slechts een aanvulling op andere behandeltherapieŽn.
    Pijnmedicatie is voornamelijk bedoeld om de vicieuze cirkel die kan ontstaan bij chronische pijn te doorbreken.
    Op lange termijn heeft pijnmedicatie weinig effect voor Fibromyalgie patiŽnten (FES).
    In het gebruik van pijnmedicatie schuilt een risico, namelijk dat men de pijngrens niet meer op het juiste moment voelt.
    Omdat de behandeling van Fibromyalgie er op gericht is de disbalans in belasting en belastbaarheid te herstellen is het van belang dat mensen het waarschuwingssignaal van het lichaam niet onderdrukken.
    Aan de andere kant kan pijnmedicatie behulpzaam zijn omdat mensen zich beter voelen, meer kunnen en het ervoor zorgt dat de pijn beter te verdragen is.
    Het gebruik van pijnmedicatie dient zorgvuldig te worden afgestemd.
    Overdag moeten patiŽnten proberen zonder pijnstilling binnen de pijngrenzen te blijven functioneren.
    Als er ís avonds pijn ontstaat en deze de nachtrust dreigt te verstoren kan men beter wel pijnmedicatie nemen.
    Nachtrust is essentieel voor herstel en verstoorde nachten kunnen leiden tot het verder inzakken van belastbaarheid (deze informatie over het gebruik van pijnmedicatie is afkomstig uit een gesprek met dr Klatte, Revalidatie arts bij De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie te Zwolle).
    Naast pijnmedicatie kunnen mensen met Fibromyalgie andere behandeltherapieŽn volgen.
    Evenals bij CVS hebben Cognitieve Gedragstherapie en Graded Exercise Therapie de voorkeur (Gezondheidsraad, 2005).
    Ook bij Fibromyalgie geldt dat een multidisciplinaire aanpak het meeste effect heeft.
    Bij Fibromyalgie kan gedacht worden aan een reumaconsulent.
    Deze kan informatie, instructie en individuele begeleiding geven.
    Een ergotherapeut kan adviseren over het vergemakkelijken van handelingen in het dagelijkse leven, bijvoorbeeld het huishouden, eten koken en persoonlijke verzorging.
    Vaak adviseert een ergotherapeut over het gebruik van aanpassingen of hulpmiddelen, die erg nuttig kunnen zijn voor mensen met Fibromyalgie omdat de spierkracht achteruit kan gaan.
    Een Mensendieck of Caesartherapie helpt mensen door hen een juiste houding en manier van beweging aan te leren.
    Eventueel kan hydrotherapie, oefeningen in het water, uitkomst bieden voor mensen die moeite hebben met fysiotherapie of fitness (FES).
    Al met al gaat het erom dat men meer inzicht krijgt in en het kunnen hanteren en optimaliseren van de beÔnvloedende factoren (fysiek / psychisch en sociaal).
    Hierdoor ontstaat een balans tussen belasting en belastbaarheid en daardoor weer een toename van deze belastbaarheid.
    Een verbeterde balans kan dan worden gezien als een optimaler dagschema, een meer samenhangende verhouding van inspanning en ontspanning / rust, het beter in staat zijn de eigen grenzen te bewaken en deze aan te geven.
    Een betere belastbaarheid is bijvoorbeeld dat de patiŽnt beschikt over een groter uithoudingsvermogen, meer kracht en mentale rust.
    Uiteindelijk is het doel dat pijn een minder grote rol in het leven speelt (deze informatie over het gebruik van pijnmedicatie is afkomstig uit een gesprek met dr Klatte, Revalidatie arts bij De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie te Zwolle).


    2.3 - Reuma

    Reuma is een verzamelnaam voor meer dan honderd verschillende aandoeningen.
    Deze kunnen in drie categorieŽn worden ingedeeld (cfr. : www.reumafonds.nl -) :

    • Ontstekingsreuma
      Dit zijn vormen van reuma met als belangrijkste kenmerk chronische ontstekingen aan de gewrichten.
      ReumatoÔde Artritis (RA) is de meest voorkomende vorm van ontstekingsreuma.

    • Artrose
      Dit is een niet-ontstekingsachtige aandoening.
      Bij artrose gaat het gewrichtskraakbeen in kwaliteit achteruit en wordt nieuw bot gevormd onder het kraakbeen en aan de gewrichtsranden.

    • Wekedelenreuma
      Dit zijn vormen van reuma die zich kenmerken door klachten aan de weke delen van het bewegingsapparaat.
      Het bewegingsapparaat bestaat uit de spieren, pezen en banden.
      Een bekende vorm van wekedelenreuma is Fibromyalgie.
      Deze aandoening is in de voorgaande paragraaf beschreven.

    2.3.1 Criteria en symptomen
    Er zijn alleen criteria opgesteld voor RA.
    Deze classificatiecriteria zijn opgesteld door het American College of Rheumatology (ACR) in 1987 (Arnett et al. 1988).
    Vier van de volgende criteria zijn vereist om de diagnose te kunnen stellen :
    - ochtendstijfheid
    - ontsteking van drie of meer gewrichten/gewrichtsgroepen
    - gewrichtsontsteking van handen of polsen
    - symmetrische gewrichtsontsteking
    - onderhuidse verdikkingen (reuma noduli)
    - reumafactor in het serum
    - gewrichtsbeschadigingen op rŲntgenfotoís.

    Artrose
    In het begin klagen patiŽnten vaak over het feit dat ze als het ware zand in het gewricht hebben.
    Later ontstaat pijn, vooral startpijn is typisch voor een artrose.
    Vooral bij het beginnen van een beweging en tijdens de eerste belasting van het gewricht wordt pijn ervaren.
    Daarna neemt de pijn weer geleidelijk af.
    Naarmate de beschadiging van het gewricht groter is, nemen deze klachten toe en ontstaat ten slotte ook rustpijn.
    Wanneer men de hand op het gewricht legt en een beweging uitvoert kan het gewrichtskraken worden gevoeld.
    De functie raakt geleidelijk steeds meer gestoord.
    Stijfheid kan aanwezig zijn, vooral na een rustperiode, en losse kraakbeenfragmenten kunnen verschijnselen van inklemming veroorzaken (Ďop slot schietení).
    De klachten blijven altijd beperkt tot het gewricht.
    Algemene ziekteverschijnselen komen niet voor (de Jong et al. 1998).

    ReumatoÔde Artritis
    RA uit zich vooral door verschijnselen van gewrichtsontstekingen, maar daarnaast komen vele zogenaamde 'extra-articulaire symptomen' voor.
    Dit zijn symptomen die buiten de gewrichten plaatsvinden.
    De eerste verandering wordt meestal gezien in het gewrichtsslijmvlies.
    De hoeveelheid gewrichtsslijmvlies neemt toe wat leidt tot een zwelling.
    Daarna treedt een degeneratie op van bot en kraakbeen waardoor deformiteiten van gewrichten optreden.
    Bij 15 Ė 30 % van de patiŽnten ontwikkelen zich zogenaamde 'reumatoÔde noduli'.
    Dit zijn knobbeltjes in het onderhuids bindweefsel, vooral gelokaliseerd aan de strekzijde van gewrichten.
    Ze kunnen echter ook in organen (hart, longen enzovoort) voorkomen.
    De Ďechte verschijnselení van de ziekte worden meestal voorafgegaan door zogenaamde 'voortekenen' zoals algemene malaise, koorts en gewichtsverlies.
    PatiŽnten kunnen klagen over klamme handen en voeten, prikkelingen in extremiteiten en het fenomeen van Raynaud.
    Dit laatste is het aanvalsgewijs koud en bleek worden van vingers, soms gevolgd door het ontstaan van zweertjes.
    Geleidelijk ontstaan meer specifieke verschijnselen zoals de symmetrische zwellingen van vinger- en teengewrichten.
    Soms begint het ziektebeeld ook met een aandoening van maar ťťn gewricht.
    De gewrichten zijn warm, rood en pijnlijk, de functie is meer of minder sterk beperkt, afhankelijk van het stadium van de ziekte.
    De pijn is vooral ís morgens het hevigst, evenals de stijfheid (ochtendstijfheid).
    Beide worden minder naarmate de dag vordert. In een later stadium van de ziekte ontstaan vervormingen van gewrichten.
    Zoals reeds beschreven zijn de klachten niet beperkt tot de gewrichten.
    Andere verschijnselen zijn onder andere : erythema palmare (rode verkleuring van de handpalm); pleuritis (longvliesontsteking); pericarditis (ontsteking van het hartzakje); noduli in onderhuids bindweefsel, longen en hart en verbindweefseling van deze organen.
    Soms komt het syndroom van SjŲgren voor, een combinatie van een hoornvliesontsteking en abnormaal droge mondslijmvliezen door een verminderde secretie door de traan- en speekselklieren en slijmproducerende kliertjes van de keelholte, waardoor een verminderde productie van traanvocht en speeksel ontstaat (de Jong et al. 1998).

    2.3.2 Prevalentie
    Ruim 2,3 miljoen Nederlanders hebben ťťn of meerdere vormen van reuma.
    Dat is 1 op de 5 mensen in ons land (cfr. : www.reumafonds.nl -).

    Artrose
    Artrose is de meest voorkomende vorm van reuma.
    Op oudere leeftijd wordt deze aandoening vrijwel bij iedereen aangetroffen.
    Indien ze zich op jongere leeftijd ontwikkelt, is een voorafgaand trauma (bijvoorbeeld een bloeding of fractuur in het gewricht) vrijwel altijd de oorzaak.
    Ruim 1.2 miljoen mensen in Nederland hebben artrose (Reumafonds).

    ReumatoÔde Artritis
    De prevalentie van RA is 5,5 per 1.000 mannen en 14,2 per 1000 vrouwen (gestandaardiseerd naar de bevolking van Nederland in 2000).
    In absolute aantallen : 43.400 mannen en 114.700 vrouwen.
    Hierbij is ervan uitgegaan dat RA niet voorkomt bij mensen onder de 20.
    Dit is geschat door het Epidemiologisch Preventief Onderzoek Zoetermeer (EPOZ) op basis van bevolkingsonderzoek (cfr. : www.RIVM.nl - RIVM Rapport 442003002, 1994).

    2.3.3 Mogelijke oorzaken

    Artrose
    De oorzaken van artrose zijn nog grotendeels onbekend.
    Echter, overgewicht, extreem gebruik van het gewricht en onregelmatigheden in het gewricht kunnen leiden tot de ontwikkeling van artrose.

    ReumatoÔde Artritis
    Aan RA ligt een immuunstoornis ten grondslag, maar het is niet bekend waarom deze stoornis optreedt.
    Erfelijke factoren lijken duidelijk een rol te spelen.
    Er zijn in het gewrichtssmeer vrijwel altijd immuunglobulinen aan te tonen.
    Deze immuuncomplexen activeren waarschijnlijk het complementsysteem en veroorzaken een vaatverwijding waardoor fagocyterende cellen worden aangetrokken.
    Dit zijn vooral granulocyten die de immuuncomplexen gaan fagocyteren.
    Na verloop van tijd gaan deze granulocyten te gronde waardoor schadelijke stoffen vrijkomen die verantwoordelijk zijn voor de beschadiging van het kraakbeen, waaruit zich vervolgens de ziekte verder ontwikkeld (de Jong et al. 1998).

    2.3.4 Behandeling

    Artrose
    D
    e behandeling bestaat uit algemene maatregelen zoals het voorkomen van overbelasting, vermageringsadviezen indien er overgewicht bestaat, lokale warmtetoediening en vormen van fysiotherapie.
    Pijnstilling kan tijdelijk ter ondersteuning van de behandeling gebruikt worden.
    In ernstige gevallen kunnen toegediende corticosteroÔden in de gewrichten kortdurend enige verlichting geven.
    Bij het bestaan van ontwikkelingsstoornissen, deformiteiten, lengteverschil in extremiteiten en dergelijke, kunnen orthopedische vormen van behandeling nuttig zijn (de Jong et al. 1998).

    ReumatoÔde Artritis
    Vooralsnog is alleen een symptomatische behandeling mogelijk.
    Het belangrijkste dat nagestreefd wordt is een vermindering van pijn en ontsteking, een behoud van functie en het voorkomen van gewrichtsdeformiteiten (de Jong et al. 1998).
    De behandeling kan opgesplitst worden in drie onderdelen :
    a/ Basisbehandeling
    - Rust en andere leefregels
    - De rust is onder te verdelen in algemeen lichamelijke rust en bewegingsbeperking van de aangedane gewrichten.
    Het eerste varieert van volledige bedrust bij ernstig zieke patiŽnten tot gedoseerde rust van een of meer uren naast de normale bedrust.
    Afhankelijk van het verdere beloop van het ziektebeeld dient dit meer of minder lang gecontinueerd te worden.
    Rust van de aangedane gewrichten wordt in de lichtere gevallen bereikt door de belasting te verminderen, in het geval van ernstig zieke patiŽnten wordt soms gebruik gemaakt van spalken.
    Het nieuwe dieet moet samengesteld en aangepast worden aan de individuele behoeften van de patiŽnt.
    In principe zijn alle soorten voedingsmiddelen toegestaan.
    Visolie schijnt een gunstige invloed te hebben; de pijn, zwelling en stijfheid nemen hierdoor af.
    - Oefentherapie - Naast rust dient de patiŽnt ook regelmatig te oefenen om de beweeglijkheid van gewrichten te behouden.
    In de actieve fase van het ziektebeeld dienen dit onbelaste oefeningen te zijn, in minder actieve stadia kan begonnen worden met belaste oefeningen.
    - Ontstekingsremmende pijnstillers - Als eerste worden in het algemeen salicylaten gegeven.
    Indien adequaat gedoseerd (vrij hoog) en regelmatig toegediend hebben ze een duidelijk ontstekingsremmend effect.
    - Andere middelen die gebruikt kunnen worden indien salicylaten onvoldoende helpen zijn onder andere ibuprofen, (Brufen) indometacine (Indocid) en diclofenacnatrium (Voltaren).
    Men noemt deze middelen niet-steroÔde anti-inflammatoire Ďdrugsí ofwel 'NSAIDsís'
    b/ Specifiek medicamenteuze therapie
    - Chloroquinedeivaten (antimalariamiddelen) - Bij mild verlopende vormen van reumatoÔde artritis kunnen antimalariamiddelen worden voorgeschreven in lage dosering.
    - Goudzouten - Deze blijken bij ongeveer 60% van de patiŽnten effect te sorteren.
    Het exacte werkingsmechanisme is niet bekend.
    - Penicillamine - Dit wordt in de minderheid van de gevallen gebruikt gezien het feit dat de toxiciteit van het middel hoog is.
    Ook hier in is het exacte werkingsmechanisme niet bekend.
    - CorticosteroÔden - Hoewel ze een duidelijke ontstekingsremmende werking hebben worden corticosteroÔden in de minderheid van de gevallen toegepast.
    Ze hebben nauwelijks enige invloed op het progressieve beloop van de ziekte en bovendien treedt vaak een recidief op na stoppen met de medicatie.
    De ernstige bijwerkingen vormen daarnaast een contra-indicatie voor langdurig gebruik van het middel.
    - Experimentele geneesmiddelen - Cystostatica zoals cyclofosfamide (Endoxan) worden zo nu en dan wel voorgeschreven bij patiŽnten met ernstige vormen van reumatoÔde artritis.
    In verband met de forse bijwerkingen wordt hiervan op zeer beperkte schaal gebruik gemaakt.
    c/ Chirurgische behandeling
    - Synovectomie - Dit is een verwijdering van het gewrichtsvlies.
    De waarde van de therapie is (nog) niet voldoende aangetoond.
    De behandeling is geÔndiceerd indien er een extreme pijnlijkheid bestaat van ťťn gewricht.
    - Kunstgewrichten - Vervanging van een aangetast gewricht door een prothese geeft vaak goede resultaten.
    De behandelingsmogelijkheden nemen snel toe met de steeds verdergaande ontwikkeling van nieuwe prothesen.
    - Artroplastieken - Bij een klein aantal patiŽnten is het mogelijk ťťn of meer gewrichten te reconstrueren.
    - Artrodese - Dit is het vastzetten van een gewricht.
    Deze methode wordt steeds minder toegepast gezien het feit dat vaak andere en meer functionele therapieŽn mogelijk zijn.


    2.4 - Conclusie

    In dit hoofdstuk zijn de drie aandoeningen die centraal staan in dit onderzoek uitgebreid beschreven aan de hand van de prevalentie, criteria & symptomen, de mogelijke oorzaken en eventuele behandelingsmogelijkheden.
    Ondanks dat er veel onderzoek wordt gedaan naar CVS en Fibromyalgie is er nog veel onduidelijkheid over deze aandoeningen.
    Deze onduidelijkheid leidt tot vele discussies en onvrede tussen verschillende groepen zoals, medici, beleidsinstanties, de politiek en patiŽnten(organisaties).



    Hoofdstuk 3. - Theoretisch kader - Stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven


    Inleiding

    In dit hoofdstuk wordt het theoretische kader van deze scriptie beschreven.
    Paragraaf 3.1 beschrijft het concept stigmatisering.
    De theorie over sociale steun en persoonlijkheidskenmerken wordt beschreven in paragraaf 3.2, respectievelijk 3.3. Kwaliteit van leven, bestaande uit sociaal en psychisch functioneren, wordt uiteengezet in paragraaf 3.4.
    Vervolgens wordt in paragraaf 3.5 het onderzoeksmodel en de onderzoeksvragen gepresenteerd.


    3.1 Stigmatisering

    Stigmatisering wordt door Goffman (1963) omschreven als : het opleggen van een negatief of wantrouwend oordeel door anderen of door zichzelf.
    Een stigma kan omschreven worden als het kenmerk waardoor de betrokkene in negatieve zin wordt onderscheiden.
    De oorsprong van het begrip stigma ligt bij de Oude Grieken.
    De term werd gebruikt voor tekens die men op iemands lichaam aanbracht om te laten zien dat diegene om de ťťn of andere reden niet best aangeschreven stond.
    Later, na de opkomst van het christendom werd de term gebruikt voor lichamelijke manifestaties van goddelijke genade die de vorm aannamen van de wondtekeningen van Christus.
    Daarnaast werd hij, als medische variant op deze religieuze variant, gebruikt voor lichamelijke tekenen van fysieke stoornissen (Goffman, 1963).
    Tegenwoordig wordt de term stigma meer algemeen gebruikt als iemand door een conditie of kenmerk wordt onderscheiden als cultureel (normatief) onacceptabel of Ďinferieurí en dus deviant.
    Stigmatisering (het toekennen van een stigma) heeft dus een duidelijk interpretatief en normatief karakter.
    Stigmatisering wordt geassocieerd met een grote variŽteit aan gezondheidsproblemen.
    De oorzaak van stigmatisering bij gezondheidsproblemen is verschillend.
    Deze kan voortkomen uit een functionele beperking, bijvoorbeeld een amputatie of littekens van brandwonden waardoor iemand een afwijkend uiterlijk heeft.
    Ook kan het voortkomen uit een psychische beperking, bijvoorbeeld iemand die schizofreen is met als gevolg dat veel mensen denken dat Ďhij gek geworden isí.
    Ook een te verbergen ziekte, zoals HIV, kan leiden tot stigmatisering.
    Stigmatisering kan dus te maken hebben met zichtbare en onzichtbare kenmerken.
    Goffman (1963) maakt op basis van zichtbaarheid onderscheid tussen de gediskwalificeerde en de potentieel gediskwalificeerde.
    Iemand kan ervan uit gaan dat zijn omgeving op de hoogte is van zijn afwijking of dat dit ter plaatse wel opgemerkt zal worden.
    Een litteken in het gezicht kan bijvoorbeeld moeilijk verborgen worden.
    Deze eerste groep noemt Goffman de gediskwalificeerde.
    Daarnaast zijn er mensen die niet direct als gediskwalificeerd worden aangemerkt maar hier

    wel potentie voor hebben: de potentieel gediskwalificeerde.
    Deze groep bestaat uit mensen die een afwijking hebben waarvan de omgeving niet op de hoogte is en die ook niet onmiddellijk zal worden opgemerkt.
    Iemand met bijvoorbeeld een wijnvlek op zijn benen kan ervoor kiezen altijd lange broeken aan te doen.

    3.1.1 Indelingen van stigmata
    Goffman (1963) heeft verschillende soorten stigmata in drie categorieŽn ingedeeld. Jones et al. (1984 in : Joachim en Acorn, 2000) hebben een specifiekere indeling gemaakt door middel van zes dimensies :

    De drie categorieŽn van Goffman (1963) :
    - Fysieke afwijkingen - Bijvoorbeeld een amputatie, littekens, kaalheid, blindheid, doofheid.
    - Karaktertrekken die door de samenleving als ongewenst worden beschouwd.
    Voorbeelden zijn eigenschappen als een zwakke wil, oneerlijkheid, verslaving of een psychiatrische aandoening.
    - De collectieve stigmata / Ďtribal stigmaí - Deze stigmatisering is het gevolg van het behoren tot een bepaald ras of religie.
    Deze vorm van stigmatisering wordt doorgegeven door familielijnen en alle leden van een groep worden in dezelfde mate gestigmatiseerd.

    De zes dimensies van Jones et al. (1984 in : Joachim en Acorn, 2000) :
    - Verhulbaarheid (concealability) - Deze dimensie verwijst naar de mate waarin de conditie verborgen kan worden.
    Zichtbaarheid speelt een belangrijke rol in het produceren van negatieve sociale reacties.
    Het is een belangrijk aspect van stigmatisering en bepaalt in grote mate de mogelijke managementstrategieŽn.
    - Het beloop van de conditie - Dit betreft de wijze waarop een conditie verandert gedurende de tijd en zijn uiteindelijke uitkomst.
    Bij gezondheidsgerelateerde stigmatisering is hierbij het verloop en de prognose van de ziekte van belang.
    - Spanning - Deze dimensie refereert naar de mate waarin de conditie / ziekte de sociale interactie belemmert.
    - Esthetische kwaliteiten - Deze heeft betrekking op de subjectieve reacties van de omgeving op het stigma.
    Deze dimensie is voornamelijk van belang bij mensen met een afwijkend uiterlijk, bijvoorbeeld door ernstige brandwonden.
    - De oorzaak van het stigma - Deze dimensie beschrijft de verantwoordelijkheid van het individu voor het stigma.
    Is het een conditie die aangeboren of verworven is ?
    Als de mate van verantwoordelijkheid voor het ontstaan van het stigma groot wordt geacht zullen mensen negatiever reageren op deze persoon.
    - Risico / gevaar - Deze dimensie richt zich op de gevaren die geassocieerd worden met het gestigmatiseerde individu.
    Bijvoorbeeld psychiatrische patiŽnten die in een woonwijk komen te wonen.
    In de context van gezondheid is vooral het aspect besmettelijkheid van belang.
    Over het algemeen geldt dat de omgeving zich sneller afkeert van individuen met een risicovol stigma.

    3.1.2 TheorieŽn over negatieve attitudes
    In de literatuur zijn meerdere theorieŽn beschreven over negatieve attitudes ten opzichte van mensen met gebreken.
    Wright (1988, in: Jason et al. 2002), is van mening dat drie hoofdfactoren de houding richting mensen met een gebrek beÔnvloeden.
    Dit zijn :
    - De opvallendheid van het gebrek (Saliency) - Dit refereert naar de mate waarin het gebrek duidelijk uitkomt en refereert naar de zichtbaarheid van het gebrek.
    Dit komt overeen met het onderscheid tussen de gediskwalificeerde en de potentieel gediskwalificeerde beschreven door Goffman en de eerste dimensie, Ďverhulbaarheidí beschreven door Jones.
    - De waarde (value) die toegekend wordt aan het gebrek - Deze waarde geeft aan of de eigenschap, het stigma, door de waarnemer of de maatschappij als geheel, als negatief wordt gezien.
    - De context - Hiermee wordt verwezen naar de context waarin de gestigmatiseerde persoon zich bevindt.
    Deze context betreft zowel de externe als de intrapsychologische context.
    De externe context bestaat uit de condities die aanwezig zijn op het moment van interpersoonlijk contact met het individu met het stigma.

    De theorie van Wright is goed toe te passen op CVS en Fibromyalgie.
    Opvallendheid is een belangrijke factor omdat mensen met CVS en Fibromyalgie zowel zichtbare als onzichtbare symptomen kunnen hebben.
    Het feit dat CVS en Fibromyalgie onzichtbaar kunnen zijn voor de omgeving geeft mensen de mogelijkheid om de aandoening succesvol te verbergen.
    Echter, het kan ook problemen opleveren als de omgeving niet op de hoogte is van de aandoening en daardoor het (ziekte)gedrag niet begrijpt.
    Mensen zouden dan zelf invulling kunnen geven aan de reden voor het afwijkende gedrag door bijvoorbeeld te denken dat iemand lui is of zich aanstelt.
    Ook de waarde die toegekend wordt is belangrijk in het geval van CVS en Fibromyalgie.
    De aandoeningen hebben aspecten die als negatief kunnen worden beschouwd.
    Een ziekte waarin de naam Ďvermoeidheidí voorkomt kan leiden tot een negatieve bias.
    Dit komt door het feit dat iedereen wel eens vermoeidheid ervaart.
    Daardoor zou het moeilijk kunnen zijn om de intensiteit van de vermoeidheid en de ernst van de bijkomende symptomen te kunnen inschatten.
    Daarnaast kunnen attitudes ook beÔnvloed worden door de persoonlijkheid en waarden van de observator.
    Iemand die van mening is dat individuen zonder zichtbare gebreken werkzaam zouden moeten zijn, zou een negatieve houding kunnen hebben ten opzichte van mensen met CVS en Fibromyalgie.
    Eveneens, iemand die denkt dat deze aandoeningen Ďtussen de oren zittení en CVS en Fibromyalgie niet als een legitieme medische ziekte beschouwt kan ook een negatieve houding ontwikkelen ten opzichte van iemand met deze symptomen.

    Een ander model is het minderheid-groep model (Jason et al. 2002).
    Aanhangers van dit model geloven dat mensen met een gebrek een minderheidsgroep zijn.
    De negatieve houding ten opzichte van deze mensen is gelijk aan de vooroordelen en discriminatie waar andere minderheidsgroepen mee te maken hebben.
    De verantwoordelijkheid van de beperking ligt dus niet bij de mensen zelf maar bij de omgeving en de maatschappij.
    Door de meerderheid worden de mensen met een afwijking geŽtiketteerd als deviant (volgens de geldende norm) en daarom door zowel instituties als de mensen om hen heen gestigmatiseerd.
    Mensen met CVS of Fibromyalgie worden vaak gezien als gebrekkig wegens hun onvermogen om te presteren of om te blijven presteren volgens de normen die door de gezonde mensen worden bepaald.
    Ze worden niet aangemoedigd door hun bazen, artsen, vrienden en familie om voldoende tijd te nemen om te herstellen of om hun vroegere levensstijl te wijzigen in een levensstijl die meer zou bijdragen aan hun gezondheid.

    Ook de overheid en de media spelen een rol.
    De manier waarop de overheid en de media deze aandoeningen hebben gepresenteerd als Ďniet bestaandí, Ďeen hypeí, Ďeen psychische aandoeningí of als een functie van een neurotisch overwerkte, gestresste levensstijl, heeft bijgedragen aan de vorming van het referentiekader waarbinnen mensen in de maatschappij CVS en Fibromyalgie plaatsen.
    De maatschappij in haar geheel is dus voor een deel verantwoordelijk voor de stigmatisering van mensen met CVS en Fibromyalgie.


    3.1.3 Ė Management

    Stigmatisering kan negatieve consequenties hebben voor de sociale identiteit van de persoon.
    De negatieve betekenis van het stigma wordt dan verbonden aan het individu.
    Het stigma wordt het bepalende aspect van het individu waardoor andere kenmerken van deze persoon worden gekleurd en overschaduwd.
    De identiteit van de persoon kan volledig worden overgenomen door het stigma.
    In de woorden van Goffman (1963) krijgt het deviante kenmerk een Ďmaster statusí.
    De sociale identiteit van de persoon met het stigma verandert hierdoor wat resulteert in een mindere mate van acceptatie van die persoon tijdens sociale interactie.
    Kansen die anders wel beschikbaar zouden zijn worden nu beperkt door het stigma.
    Mensen ontwikkelen daarom vaak strategieŽn om met de afwijking om te gaan.
    De aard van het stigma kan de ervaring van het individu beÔnvloeden.
    Al eerder werd onderscheid gemaakt tussen de gediskwalificeerde en potentieel gediskwalificeerde.
    In het geval van de potentieel gediskwalificeerde kan het individu op meerdere manieren reageren (Boot, 2001) :
    - hij of zij kan zichzelf als normaal presenteren, het stigma wordt dan geheimgehouden
    - hij of zij kan proberen het stigma te verhullen : men vermijdt situaties waarin herkenning van het stigma kan plaatsvinden of verhult de zichtbaarheid van het stigma; men kan zich terugtrekken uit het sociale leven door consequent publieke situaties te vermijden en contacten uit de weg te gaan die reacties vanwege het stigma kunnen uitlokken; het feit of de afwijking zichtbaar is of niet speelt dus een belangrijke rol : een niet direct zichtbaar stigma geeft meer mogelijkheden om ermee om te gaan in een sociale omgeving.

    Joachim en Acorn (2000) hebben hiervoor een theoretisch raamwerk ontwikkeld.

    Figuur 3.1 - Management bij zichtbare en onzichtbare aandoeningen
    (Bron : Joachim en Acorn, 2000)
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 39

    In dit raamwerk wordt de relatie tussen de zichtbaarheid van een chronische aandoening en de keuze om de aandoening voor jezelf te houden of juist de omgeving in te lichten, gepresenteerd.
    Dit hebben zij gedaan door middel van een meta-studie van kwalitatief onderzoek over dit onderwerp in combinatie met een overzicht van de kwantitatieve literatuur.
    Figuur 3.1 geeft dit theoretisch raamwerk weer.
    Voor de compleetheid is de hele figuur weergegeven.
    Voor mensen met CVS en Fibromyalgie geldt over het algemeen dat de afwijkende conditie, de aandoening, niet direct zichtbaar is.
    Dit betekent dat vooral de opties onder Ďonzichtbaarí voor hen relevant zijn.
    Deze opties zijn vetgedrukt.

    Het feit dat mensen niet altijd op de hoogte zijn van het gegeven dat iemand CVS, Fibromyalgie of Reuma heeft, kan voordelig zijn.
    Toch kunnen deze managementstrategieŽn, zoals geheimhouding of het verhullen van het stigma, negatieve consequenties voor het individu hebben.
    Logischerwijs benadelen deze strategieŽn de sociale positie en mogelijkheden tot sociale interactie.
    Daarnaast kunnen mensen zelf nog steeds het gevoel hebben een gebrek te hebben.
    Dit kan leiden tot een negatieve zelfperceptie, een verlies aan eigenwaarde en angst.
    Dit onderscheid in de vorm van vastgestelde of gevoelde stigmatisering is gemaakt door Scambler en Hopkins in relatie tot epilepsie (Jacoby, 1994).
    De eerste vorm van stigmatisering betreft de perioden waarin de persoon daadwerkelijk gestigmatiseerd wordt.
    De tweede vorm verwijst naar de schaamte die iemand heeft voor de betreffende eigenschap en de angst voor discriminatie.
    Een ander belangrijk aspect van stigmatisering dat naast zichtbaarheid een rol speelt is de verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de aandoening.
    Jones (1984 in: Joachim en Acorn, 2000) beschreef dit als de vijfde dimensie.
    Weiner (in : Dijker en Koomen, 1996) onderscheidt in zijn model van stigmatisering twee reacties op een gestigmatiseerde persoon : medelijden en boosheid.
    Deze emoties worden veroorzaakt door de mate waarin de deviante conditie als persoonlijk controleerbaar wordt gezien.
    Hoe meer men van mening is dat iemand zelf verantwoordelijkheid draagt voor het ontstaan van de ziekte hoe negatiever men zal reageren op deze persoon.
    Dit betekent dat mensen die ervan uitgaan dat iemand met CVS of Fibromyalgie die zelf schuld heeft aan het ontstaan hiervan op deze basis gestigmatiseerd kan worden.
    Een andere belangrijke strategie bestaat dan ook uit voorlichting.
    Mensen met CVS of Fibromyalgie kunnen uitleg geven over de mogelijke oorzaken, symptomen en behandelingen van hun aandoeningen.

    3.1.4 Stigmatisering in relatie tot CVS en Fibromyalgie
    CVS en Fibromyalgie zijn aandoeningen die in potentie stigmatiserend kunnen zijn.
    Vooral de onbekendheid met de ziekte en problemen met de (h)erkenning waardoor de ziekterol niet geheel gelegitimeerd is, geven aanleiding tot een negatieve houding.
    De naam CVS zou stigmatisering in de hand kunnen werken.
    Over het algemeen vinden patiŽnten dat de naam CVS de ernst van de ziekte neigt te minimaliseren.
    Om deze reden zijn er al meerdere verzoeken naar voren gebracht om deze naam te veranderen.
    De naam zou gewijzigd kunnen worden door middel van het gebruik van een eponym, dit is een bekende patiŽntenof onderzoekers naam.
    Een naam waaraan gedacht wordt is Ďthe Florence Nightingale Diseaseí.
    Een naam met een minder triviale klank of een meer medisch gebaseerde naam, zoals Myalgische Encefalopathie, zou ook een mogelijkheid zijn (Jason et al. 2002).
    De naam CVS zou in dit perspectief meer problemen geven dan de naam Fibromyalgie.
    Fibromyalgie is meer medisch gebaseerd en bevat geen termen die zouden kunnen leiden tot vooroordelen zoals de term Ďvermoeidheidí bij CVS.
    Asbring en Narvanen (2002) hebben 25 vrouwen met CVS en FM in Zweden geÔnterviewd

    om te onderzoeken hoe zij stigmatisering ervaren.
    Uit dit onderzoek blijkt dat vooral het feit dat mensen vraagtekens zetten bij het morele karakter van mensen met CVS en Fibromyalgie erg frustrerend te zijn.
    Externe symptomen zouden volgens veel vrouwen hun betrouwbaarheid verhogen.
    Daarnaast ervaren veel vrouwen dat hun symptomen door anderen worden verwezen naar psychische oorzaken.
    Stigmatisering komt niet alleen voor in de sociale omgeving.
    Veel vrouwen met CVS of Fibromyalgie voelen zich niet serieus genomen door hun arts.
    Twee citaten uit het artikel van Asbring en Narvanen (2002) laten dit duidelijk zien :

    ĎA common description was that the doctor was positively disposed toward the woman and her problem prior to the test results, but that his or her attitude changed toward her and signs of suspicion were expressed when negative test results were receivedí. (p. 153)

    ĎSome interviewees felt that certain doctors, in advance and without having carried out proper examinations, categorized their problems as fictitious or related to psychological reasons and this was experienced as deeply violatingí. (p. 153)

    Bij een prevalentie onderzoek naar CVS en Fibromyalgie gehouden in Nederland (Bazelmans, 1997) gaven 397 van de 4027 huisartsen die de enquÍte retourneerde een reden voor het niet of onvolledig invullen van de enquÍte.
    Van de huisartsen gaven er 27 (0.7%) aan dat zij de diagnose nooit stelden, de diagnose te moeilijk vonden of de diagnose ontoereikend vonden.
    Daarnaast waren er 37 (0.9%) huisartsen die de diagnose weigerden te stellen of aangaven geen geloof te hebben in het ziektebeeld.
    Er was een non-respons van 40% waarvan het waarschijnlijk is dat tussen de niet-respondenten meer huisartsen zitten die de diagnose niet accepteren dan tussen de huisartsen die wel hebben gereageerd.

    Het lijkt erop dat de mate van medische acceptatie van de verschillende aandoeningen effect heeft op de gevoelens van stigmatisering.
    Looper en Kirmayer (2004) hebben patiŽnten met CVS, Fibromyalgie en het spastische darm syndroom vergeleken met patiŽnten met Meervoudige Sclerose (MS), Reuma en de ziekte van Crohn.
    Het bleek dat gepercipieerde stigmatisering meer voorkwam bij de functionele somatische syndromen dan bij de controle groep die alleen bestond uit mensen met een objectiveerbare ziekte.
    Echter wanneer elk functioneel syndroom vergeleken werd met zijn eigen controle groep had alleen de CVSgroep (gematcht met MS) te maken met een hoger niveau van stigmatisering.
    Geopperd werd dat dit wellicht te maken heeft met de ambiguÔteit van de status als een medische conditie.
    De afwezigheid van dit effect voor Fibromyalgie is consistent met een hoger niveau van acceptatie van deze stoornis als een medische ziekte.


    Lees verder : Deel IV

    06-02-2008 om 20:36 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel IV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel IV



    3.2 - Sociale steun

    Mensen bevinden zich in netwerken.
    Er wordt onderscheid gemaakt tussen een formeel en informeel netwerk.
    Het informele netwerk wordt ook wel het sociale netwerk genoemd.
    De relaties binnen dit netwerk hebben andere kenmerken en verwachtingen dan de relaties binnen een formeel netwerk.
    Sociale steun kan opgevat worden als een kenmerk van de relatie tussen een persoon en zijn / haar maatschappelijke ondersteuning (Van Sonderen, 1993).
    Binnen een relatie kan sociale steun overgedragen worden in de vorm van interacties.
    Er wordt onderscheid gemaakt tussen interacties waarbij sprake is van een afgesproken verplichting tot tegenprestatie en interacties waarbij een dergelijke afspraak niet bestaat.
    Slechts het tweede type interacties valt onder het begrip sociale steun.
    Bij het onderzoek naar sociale steun kunnen twee aspecten worden onderscheiden.
    Ten eerste de omvang van het sociale netwerk.
    Dit geeft aan hoe groot de sociale steun in absolute zin is, namelijk hoeveel interacties het individu vanuit het sociale netwerk ontvangt.
    Ten tweede de tevredenheid over de sociale steun.
    Dit geeft aan in welke mate de ontvangen sociale steun tegemoet komt aan de behoefte aan sociale steun.
    Op het moment dat een individu minder sociale steun krijgt dan waar hij behoefte aan heeft dan bestaat er een tekort.

    De tevredenheid over de sociale steun is bij gezondheidsgerelateerde metingen van kwaliteit van leven belangrijker dan de omvang van het netwerk (Doeglas et al. 1996).
    Mensen met ReumatoÔde Artritis hebben een significant kleiner sociaal netwerk dan gezonde mensen (Fyrand et al. 2004).
    Toch is het merendeel tevreden over de ontvangen sociale steun (Doeglas et al. 1996).
    In het algemeen geldt voor iedereen dat vanuit het sociale netwerk warmte en affectie ontvangen wordt, waardoor men beter met tegenslag en dus ook met een ziekte kan omgaan.
    Gezondheidsuitkomsten en de kwaliteit van leven worden positief beÔnvloed door sociale steun. (Schoofs et al. 2004).
    Voor mensen met reuma leidt positieve sociale steun tot een verbeterde naleving van medicatieschemaís en revalidatie-uitkomsten.
    Andersom leidt een slechte kwaliteit tot verminderde psychologische adaptatie en een minder effectieve coping (Parker en Wright, 1997).
    Helaas heeft het hebben van een chronische aandoening een negatief effect op het sociale netwerk.
    De omvang van het netwerk neemt af en de verleende steun wordt minder (Fitzpatrick et al. 1988 in: Fyrand et al. 2002, Wortman en Conway 1985 in : Fyrand et al. 2002).
    Het hebben van een chronische ziekte als CVS en Fibromyalgie heeft voor deze mensen ook negatieve consequenties voor hun netwerk en de steun die zij daaruit ontvangen.
    Het netwerk van FibromyalgiepatiŽnten bleek in een studie van Bolwijn et al. (1994) meer beperkt te zijn dan dat van ReumapatiŽnten.
    Beide groepen, mensen met CVS en Fibromyalgie, ervaren geen hoog niveau van sociale steun (Schoofs et al. 2004).
    Volgens de studie van Prins et al. (2004) ervaren mensen met CVS vooral negatieve interacties en vinden zij de ontvangen sociale steun niet toereikend.


    3.3 Ė Persoonlijkheidskenmerken

    Over persoonlijkheidskenmerken zijn in dit onderzoek geen onderzoeksvragen opgesteld.
    De persoonlijkheidseigenschap neuroticisme wordt exploratief in de analyses meegenomen.
    In dit hoofdstuk wordt daarom kort aandacht besteed aan de theorie over persoonlijkheidskenmerken en neuroticisme in het bijzonder.
    Persoonlijkheid wordt door Eysenck (Sanderman et al. 1995) als volgt gedefinieerd :

    ĎÖa more or less stable and enduring organisation of a personís character, temperament, intellect and physique, which determines his unique adjustment to the environment.
    Character denotes a personís more or less stable and enduring system of connative behavior (will); temperament, his more or less stable and enduring system of affective behavior (emotion); intellect, his more or less stable and enduring system of cognitive behavior (intelligence); physique, his more or less stable and enduring system of bodily configuration and neuroendocrine endowment
    í.

    Deze definitie legt duidelijk de nadruk op stabiele kenmerken van de persoon en niet, zoals in sommige opvattingen, op kenmerken die sterk veranderen in de tijd.
    Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat er over langere tijd (10 tot 15 jaar) wel langzamerhand verschuivingen kunnen optreden in de hoogte van de gemeten eigenschappen.
    Gegeven het feit dat persoonlijkheidseigenschappen min of meer stabiele aan de persoon gebonden eigenschappen zijn, biedt het begrip persoonlijkheid interessante aanknopingspunten om, naast het opsporen van individuele verschillen, relaties te leggen met gedragingen, gezondheid en ziekte.
    Vanwege het individuele karakter en de genoemde stabiliteit kunnen persoonlijkheidseigenschappen een belangrijke rol spelen in de verklaring van (on)gezondheid.
    Enerzijds kunnen ze een onafhankelijk effect op gezondheidsuitkomsten hebben, anderzijds kunnen ze gekoppeld zijn aan andere gedragingen die weer van invloed kunnen zijn op de gezondheid (Sanderman et al. 1995).
    Wat betreft CVS en Fibromyalgie zijn er een aantal persoonlijkheidseigenschappen, die zouden kunnen gelden als risicofactoren voor het ontwikkelen van de aandoening.
    Deze eigenschappen zijn vermeld in paragraaf 2.1.3 bij de predisponerende factoren van CVS en in paragraaf 2.2.3 bij de mogelijke oorzaken van Fibromyalgie.
    In relatie tot gezondheid zijn neuroticisme en extraversie twee eigenschappen die van belang lijken.
    In dit onderzoek is alleen neuroticisme als persoonlijkheidseigenschap meegenomen.
    In de handleiding van de Eysenck Personality Questionaire (Sanderman et al. 1995) wordt neuroticisme als volgt beschreven : 'onder neuroticisme wordt, kort beschreven, emotionele instabiliteit verstaan'.
    Personen die hoog scoren op deze schaal zijn doorgaans gauw angstig en maken zich snel zorgen; ze zijn onderhevig aan stemmingswisselingen en voelen zich vaak gedeprimeerd.
    Hun belangrijkste eigenschap is dat zij constant gepreoccupeerd zijn met zaken die mis zouden kunnen gaan waar zij vervolgens met angst op reageren.
    In het algemeen kan worden gezegd dat neurotische personen vrij emotioneel reageren op allerhande gebeurtenissen en dat zij dit over het algemeen ook snel tonen.
    Deze emotionele reacties hebben tot gevolg dat zij soms irrationeel reageren op bepaalde situaties en zich daardoor minder snel kunnen aanpassen aan de betreffende situaties.
    Neurotische personen kunnen treffend worden omschreven als Ďpiekeraarsí.


    3.4 - Kwaliteit van leven

    Kwaliteit van leven wordt door de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) als volgt gedefinieerd (Kuyken et al. 1995) :

    ĎAn individualís perception of their position in life in the context of the cultural and value systems in which they live and in relation to their goals, expectations, standards and controlsí

    Deze definitie laat duidelijk zien dat de subjectieve ervaring van het individu een belangrijke component is van kwaliteit van leven.
    Kwaliteit van leven hang af van de maatschappij waarin het individu leeft en de normen en waarden die zij en anderen om hen heen hebben.
    Ondanks dat in de definitie ziekte niet expliciet wordt genoemd, is er veel onderzoek gedaan naar het (negatieve) effect van een ziekte op iemands ervaren kwaliteit van leven.
    Kwaliteit van leven wordt vaak opgedeeld in drie domeinen, namelijk : fysiek functioneren, psychisch functioneren, sociaal functioneren.
    Economisch functioneren wordt soms genoemd als vierde domein.
    Daarnaast wordt er meestal gevraagd naar een algemene beoordeling van de kwaliteit van leven in zijn geheel.
    In dit onderzoek wordt gekeken naar de kwaliteit van leven in het algemeen, het psychisch functioneren en het sociaal functioneren.
    ReumapatiŽnten rapporteren een lagere kwaliteit van leven over het algemeen (Bodur et al. 2005, Borman et al. 2007).
    Ondanks dat Fibromyalgie een onverklaarde aandoening is, wat zou kunnen leiden tot stigmatisering, is de kwaliteit van leven gelijk aan die van ReumapatiŽnten (Celiker en Borman, 2001, Ofluoglu et al. 2005).
    De kwaliteit van leven was voor beide groepen overigens wel negatief beÔnvloed.
    Ook voor mensen met CVS is de kwaliteit van leven een kwestie.
    Uit een onderzoek van Rakib et al. (2005) bleek dat zij zeer ontevreden waren met hun leven over het algemeen.

    3.4.1 Psychisch functioneren
    Het domein psychisch functioneren betreft de emotionele aspecten van kwaliteit van leven, zoals emotioneel welzijn en geluk.
    Belangrijke aspecten hiervan zijn nervositeit, depressie en angst.
    In dit onderzoek wordt het psychisch functioneren gemeten door middel van een depressieschaal.
    Anston et al ( 1986 in: Jacoby 1994) liet in zijn studie zien dat er een positief verband was tussen stigmatisering en depressie.
    De levenstevredenheid werd negatief beÔnvloed.
    Uit het onderzoek van Rakib et al. (2005) bleek dat depressieve symptomen statistisch de sterkste voorspeller (35% van de variantie) waren van kwaliteit van leven bij CVS patiŽnten.
    Ook mensen met Fibromyalgie en Reuma hebben depressieve symptomen (Ofluoglu et al. 2005).
    Uit de studie van Looper en Kirmayer (2004) bleek dat mensen met Fibromyalgie een hoger niveau van depressie hadden dan de groep met RA patiŽnten.
    Uit deze studie bleek ook dat depressie geassocieerd was met ervaren stigmatisering in alle groepen met functionele syndromen waaronder CVS en Fibromyalgie.

    3.4.2 Sociaal functioneren
    Het hebben van een chronische ziekte heeft een grote invloed op het dagelijkse leven.
    Sociaal functioneren betreft de mate waarin het individu in staat is om zijn sociale activiteiten te blijven uitvoeren.
    Er wordt meestal gevraagd naar de mogelijkheid die het individu heeft om zijn of haar persoonlijke interacties te onderhouden.
    Daarnaast wordt er vaak gekeken naar de maatschappelijke participatie.
    Zoals in de paragraaf over stigmatisering beschreven is, kan gevoelde of vastgestelde stigmatisering een negatieve invloed hebben op het sociaal functioneren.
    Door de houding van anderen zullen zij bepaalde activiteiten niet doen terwijl ze deze graag zouden blijven doen of vaker zouden willen doen.
    Ook kan het fysieke aspect van de aandoeningen gevolgen hebben voor het sociaal functioneren.
    De moeheid, pijn en gevoelens van algehele malaise leggen beperkingen op aan het persoonlijk, beroepsmatig en sociaal functioneren bij CVS patiŽnten.
    Niet zelden raken mensen in een sociaal isolement (Gezondheidsraad, 2005).
    Logischerwijs geldt dit ook voor mensen met Fibromyalgie en wellicht in mindere mate voor mensen met Reuma.


    3.5 - Onderzoeksmodel en hypothesen

    Het beschreven theoretisch kader is verwerkt in een onderzoeksmodel voor dit onderzoek.
    Door middel van de literatuurstudie en het onderzoeksmodel zijn er hypothesen opgesteld die de verwachting beschrijven over de relaties tussen de gepresenteerde variabelen.

    3.5.1 Het onderzoeksmodel
    De afhankelijke variabele is kwaliteit van leven die mensen met de verschillende aandoeningen ervaren, bestaande uit sociaal- en psychisch functioneren.
    De onafhankelijke variabelen zijn CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    Daarnaast zijn er de mediŽrende variabelen, stigmatisering en sociale steun.
    In figuur 3.2 worden alle variabelen die in het onderzoek zijn meegenomen ten opzichte van elkaar gepresenteerd.
    De pijlen laten zien welke hypothesen getoetst worden.

    Figuur 3.2 - Schematisch model van de onderzoeksvragen
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 47

    3.5.2 Hypothesen
    Vooraf aan de toetsing van de drie onderzoeksvragen worden de demografische variabelen per aandoening beschreven.
    Zijn er verschillen aan te wijzen wat betreft de demografische variabelen voor de drie verschillende aandoeningen ?
    Daarnaast wordt er exploratief gekeken of er een significant verschil is in persoonlijkheidskenmerken (geoperationaliseerd als neuroticisme) tussen de drie aandoening.

    De drie aandoeningen, CVS, Fibromyalgie en Reuma worden op basis van de demografische variabelen (leeftijd, geslacht, burgerlijke staat en opleidingsniveau) vergeleken.
    De verwachting is dat CVS en Fibromyalgie niet veel zullen verschillen.
    Wellicht is er een verschil tussen de moeilijk objectiveerbare aandoeningen CVS en Fibromyalgie en de objectiveerbare aandoening Reuma.

    a/ Wat is de (directe) invloed van de aandoeningen op de ervaren kwaliteit van leven ?
    Is er een significant verschil in ervaren kwaliteit van leven tussen de drie aandoeningen ?
    De assumptie is dat de subjectieve kwaliteit van leven voor alle drie de groepen negatief beÔnvloed wordt door de aandoening.
    Daarnaast wordt er verwacht dat de kwaliteit van leven niet veel zal verschillen tussen Reuma en Fibromyalgie maar dat mensen met CVS significant lager zullen scoren.

    - Psychisch functioneren
    Er wordt verwacht dat alle drie de groepen, Reuma, Fibromyalgie en CVS depressieve symptomen hebben.
    Mensen met Fibromyalgie en CVS zullen hoger scoren op de depressie schaal dan mensen met Reuma.
    Het is niet duidelijk of mensen met CVS hoger of lager zullen scoren dan mensen met Fibromyalgie.

    - Sociaal functioneren
    De assumptie is dat zowel mensen met Reuma als mensen met CVS en Fibromyalgie door hun aandoening beperkt zijn in hun sociaal functioneren.
    De verwachting is dat ReumapatiŽnten het minst worden beperkt.

    a/ Wat is de invloed van de aandoeningen op de ervaren mate van stigmatisering en bestaat hierin een gradatie ?
    Is deze gradatie terug te zien in de kwaliteit van leven ?
    Er wordt een gradatie tussen de drie aandoeningen verondersteld in de mate van ervaren stigmatisering.
    ReumapatiŽnten zullen de minste stigmatisering ondervinden, FibromyalgiepatiŽnten zullen een middenpositie innemen en de meeste stigmatisering zal ervaren worden door mensen met CVS.
    De assumptie is dat een hoge mate van ervaren stigmatisering zal leiden tot een lagere kwaliteit van leven.
    Daarnaast wordt onderzocht of er ervaringen zijn van stigmatisering door de medisch specialist.
    De verwachting is dat deze meer zal bestaan voor CVS dan voor Fibromyalgie omdat deze laatste aandoening vastgesteld wordt door middel van tenderpoints en meestal door een reumatoloog.
    Mensen met reuma zullen de minste ervaring hebben met stigmatisering door een specialist omdat zij over het algemeen onder behandeling zijn vaneen reumatoloog.
    De assumptie is dat hoe hoger de stigmatisering door de medisch specialist is, hoe lager de kwaliteit van leven zal zijn.

    c/ Wat is de invloed van de aandoeningen op de sociale steun ?
    Wat is de invloed van sociale steun op de kwaliteit van leven ?
    Hier wordt het indirecte verband van aandoening naar kwaliteit van leven gemeten via sociale steun.
    Sociale steun als fungeert als mediŽrende variabele.
    De veronderstelling is dat er verschil zal zijn in de omvang en de tevredenheid over de sociale steun tussen de drie aandoeningen.
    Voornamelijk de tevredenheid over de sociale steun zal voor mensen met CVS het laagst zijn, tussen Fibromyalgie en Reuma zal weinig verschil zijn.
    Wat betreft de invloed van sociale steun op kwaliteit van leven wordt er een hogere kwaliteit van leven verwacht naarmate men meer tevreden is over de sociale steun.


    3.6 Conclusie

    Als gevolg van het gebrek aan duidelijkheid over CVS en Fibromyalgie lijkt er potentie te bestaan voor gevoelens van stigmatisering.
    Omdat CVS meer problemen lijkt te geven wat betreft medische en maatschappelijke acceptatie, bestaat de veronderstelling dat er een gradatie zal zijn in de mate van stigmatisering van de drie aandoeningen.
    De minste stigmatisering zal ervaren worden door mensen met Reuma, Fibromyalgie zal een middenpositie innemen en de meeste stigmatisering worden ervaren door mensen met CVS.
    Waarschijnlijk is deze gradatie ook te zien in de ervaring van stigmatisering door de medisch specialist.
    Het is niet duidelijk wat voor rol persoonlijkheidskenmerken zoals neuroticisme precies spelen bij het ontstaan, uitlokken of instandhouden van CVS en Fibromyalgie.
    In dit onderzoek wordt hier exploratief naar gekeken.
    Mensen met een chronische ziekte kunnen veel steun en motivatie halen uit hun sociale omgeving.
    Het verkrijgen van sociale steun en de tevredenheid hierover lijkt een belangrijke mediŽrende variabele bij het bepalen van de kwaliteit van leven.
    De kwaliteit van leven in het algemeen wordt negatief beÔnvloed door alle drie de aandoeningen.
    Toch lijkt er een verschil te bestaan tussen CVS enerzijds en Fibromyalgie en Reuma anderzijds.
    De eerste groep lijkt meer problemen te ondervinden bij de waardering van hun leven.
    Dit zou wellicht kunnen komen door het verschil in medische acceptatie van de verschillende syndromen.
    In het onderzoeksmodel zijn hypothesen in een figuur weergegeven en de verwachtingen zijn per hypothese beschreven.



    Hoofdstuk 4. - Data & methoden


    Inleiding

    In dit hoofdstuk staan de dataverzameling en de methoden centraal.
    Paragraaf 4.1 gaat in op welke wijze de respondenten voor dit onderzoek zijn verworven.
    In paragraaf 4.2 wordt vervolgens de respons gepresenteerd.
    De meetschalen die zijn gebruikt voor de vragenlijst worden in paragraaf 4.3 beschreven en tot slot zal in paragraaf 4.4. de dataverwerking aan de orde komen.


    4.1 - Respondenten en procedure

    De onderzoekspopulatie van dit onderzoek bestaat uit mensen met CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    De respondentenwerving is verlopen aan de hand van de indeling in deze drie groepen.
    De periode van dataverzameling liep van begin april tot en met eind juni 2007.
    De eerste twee maanden betrof dit het plaatsen van een oproep.
    Deze oproep is geplaatst op de website van de ME-CVS stichting (www.me-cvs-stichting.nl -) en de website van de vereniging voor FibromyalgiepatiŽnten, de FES (www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl -).
    In deze oproep werd aangegeven dat het ging om een onderzoek naar de kwaliteit van leven van mensen met CVS en Fibromyalgie en Reuma.
    Ondanks dat mensen met Reuma op een andere wijze geworven zijn, werden voor de volledigheid alle drie de aandoeningen in de oproep vermeld.
    Mensen met CVS en Fibromyalgie konden zich door middel van een email of telefonisch opgeven om deel te nemen aan het onderzoek.
    In de oproep was duidelijk aangegeven dat alle verzamelde gegevens anoniem verwerkt zouden worden.
    Op het moment dat de vragenlijst half mei afgerond was heeft iedereen die zich had aangemeld een email ontvangen met daarin de link naar de digitale vragenlijst.
    Het was ook mogelijk om de vragenlijst schriftelijk in te vullen : deze werd dan verstuurd inclusief een retourenvelop.
    Door het plaatsen van een oproep op de websites konden eventuele respondenten zich al opgeven om deel te nemen aan het onderzoek voordat de vragenlijst klaar was, waardoor de periode van dataverzameling met twee maanden werd verlengd.
    De eerste weken van de dataverzameling leek de opgave van mensen met Fibromyalgie achter te blijven bij de opgave van mensen met CVS.
    Om toch aan voldoende respondenten uit elke groep te komen is dezelfde oproep ook geplaatst op twee patiŽntenfora voor mensen met Fibromyalgie.
    Zodra de vragenlijst digitaal beschikbaar was is de tekst van de oproepen op de websites en de patiŽntenfora gewijzigd.
    Respondenten konden daarna direct via een link bij de vragenlijst komen en deze digitaal invullen.

    De Sportgeneeskundige Afdeling van de Isala Klinieken te Zwolle heeft voor hun eigen administratie een bestand met mensen die deelnemen aan het programma voor mensen die Ďchronisch moeí zijn.
    In overleg zijn er 50 mensen aangeschreven met de vraag of zij wilden deelnemen aan het onderzoek.
    De adresgegevens zijn opgezocht en verwerkt door de secretaresse van de Sport Geneeskundige Afdeling.
    Deze mensen hebben een brief ontvangen met een korte uitleg over het onderzoek, informatie over de verwerking van de verzamelde data en de waarborging van de anonimiteit.
    In de brief is de link naar de digitale vragenlijst vermeld, daarnaast konden zij telefonisch een schriftelijke vragenlijst opvragen.
    ReumapatiŽnten zijn benaderd via de reumatologiepoliís van de Isala Klinieken te Zwolle op beide locaties (de Wezenlanden en het Sophia Ziekenhuis).
    Met de secretaresses is afgesproken dat zij gedrukte oproepen aan de patiŽnten zouden uitdelen.
    Dit is gedurende zes weken gedaan.
    Deze manier van respondentenwerving bleek niet zo goed te werken voor deze doelgroep.
    Dit zou het gevolg kunnen zijn van de over het algemeen hogere leeftijd van mensen met Reuma.
    Hierdoor zijn zij over het algemeen minder bekend met internet en wellicht was de drempel om telefonisch contact op te nemen te hoog.
    Een andere reden zou kunnen zijn dat mensen vonden dat ze teveel moeite moesten doen voor deelname.
    Zodra de ontwikkeling van de vragenlijst dan ook was afgerond zijn er 200 vragenlijsten gedrukt.
    Ongeveer 50 exemplaren zijn vervolgens samen met een retourenvelop uitgedeeld bij de Reumatologiepoliís.
    Op deze wijze is geprobeerd de drempel voor deelname aan het onderzoek zo laag mogelijk te houden.
    Desondanks verliep de instroom van respondenten met Reuma langzaam.
    Via de Reumaconsulent van de Reumatologiepoli van ziekenhuis De Wezenlanden te Zwolle is er een contact ontstaan met de voorzitter van de Reuma PatiŽnten Vereniging regio Zwolle.
    Deze vereniging organiseert verschillende activiteiten voor haar leden.
    Eťn activiteit daarvan is het huren van een therapiebad bij Groot Stokkert te Wapenveld zodat patiŽnten hier kunnen zwemmen.
    In overleg zijn hier schriftelijke vragenlijsten inclusief retourenveloppen uitgedeeld.
    Op dezelfde locatie was een week later een Interregionale Dag van de Beweging georganiseerd door regionale patiŽntenverenigingen van de Reumabond.
    Op deze dag konden verschillende organisaties, bijvoorbeeld een vereniging voor fysiotherapie, een stichting voor Nordic-Walking, zich presenteren.
    Ook is de ReumapatiŽnten Vereniging regio Groningen benaderd met de vraag of zij een oproep wilde plaatsen op hun website.
    Daarnaast zijn er oproepen geplaatst op twee patiŽntenfora voor mensen met Reuma, namelijk : www.reumaforum.nl - en www.prikpagina.nl -.
    De website van het tijdschrift Psychologie Magazine heeft op verzoek ook een oproep geplaatst.
    Deze website heeft geen doelgroep wat betreft een bepaalde aandoening dus deze manier van respondentenwerving betrof alle drie de groepen.


    4.2 Ė Respons

    In totaal hebben 84 mensen met CVS, 165 mensen met Fibromyalgie en 85 mensen met Reuma de vragenlijst ingevuld.
    De steekproefgrootte is derhalve 338.
    In tabel 4.1 staat per aandoening weergegeven op welke wijze de respondentenwerving heeft plaatsgevonden evenals het totale aantal respondenten dat de vragenlijst heeft ingevuld.

    Tabel 4.1 - Overzicht respondentenwerving
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    - p. 52


    4.3 - Operationalisering en meetinstrumenten

    De data voor dit onderzoek zijn verzameld door middel van schriftelijke en digitale vragenlijsten.
    De gehele vragenlijst is weergegeven in bijlage 2.
    De vragenlijst begint met algemene vragen over het ziekteverloop.
    Om de respondenten te kunnen classificeren wordt allereerst gevraagd met welke aandoening men is gediagnosticeerd.
    Indien er sprake is van meerdere aandoeningen kan men aangeven welke van deze aandoeningen in de ogen van de respondent het meest ingrijpend op hun leven is.
    Bij de analyses waarbij de respondenten zijn ingedeeld in groepen van de betreffende aandoeningen, CVS / Fibromyalgie / Reuma, is uitgegaan van het antwoord dat gegeven is bij vraag twee.

    Ook worden er vragen gesteld over hoeveel artsen / specialisten men heeft bezocht en nu nog bezoekt, wat de ziekteduur is en of de diagnose direct juist is gesteld.
    Daarnaast worden er drie algemene vragen over de gezondheid gesteld.
    In de eerste vraag wordt geÔnformeerd naar wat men over het algemeen van de eigen gezondheid vindt.
    De andere twee vragen gaan over de hoeveelheid pijn en vermoeidheid die men de afgelopen week heeft ervaren.
    Men kan dit aangeven door middel van een rapportcijfer van 1 tot 10 (10 staat voor heel erg veel).
    In de vragenlijst zijn zes meetschalen opgenomen.
    Deze schalen zullen hieronder worden beschreven.
    De vragenlijst eindigt met algemene vragen over het geslacht, de leeftijd, het opleidingsniveau, de burgerlijke staat en de werkstatus.
    Om achteraf de respondentenwerving te kunnen verantwoorden wordt als laatste gevraagd op welke wijze men bij de vragenlijst terecht is gekomen.

    4.3.1 Stigmatisering
    Stigmatisering wordt gemeten door twee schalen.
    Ten eerste een stigmatiseringschaal.
    Deze schaal is opgesteld door Lennon et al. (1989) om stigmatisering te meten bij patiŽnten met aangezichtspijn.
    Op het moment dat deze schaal werd ontwikkeld was aangezichtpijn nog een onverklaarde aandoening.
    De oorspronkelijke schaal was Engelstalig en is voor dit onderzoek vertaald in het Nederlands.
    Alle items zijn door drie personen onafhankelijk van elkaar vertaald.
    In overleg zijn vervolgens de items met de beste weergave van het oorspronkelijke Engelse item gekozen.
    De schaal bestaat uit vier subschalen met in totaal 22 items.
    De vier subschalen zullen hieronder worden beschreven.

    - Persoonlijkheid
    De eerste subschaal meet de problemen met de persoonlijkheid.
    Deze refereert naar de verwachting van patiŽnten dat mensen om hen heen de assumptie hebben dat hun ziekte voortkomt uit gebreken in hun persoonlijkheid of psychische problemen.
    De items reflecteren de verwachting dat anderen op een stigmatiserende of afwijzende wijze zouden reageren als ze op de hoogte zouden zijn van hun conditie.
    Deze schaal bestaat uit vijf items en heeft in de Engelse versie een Chonbachís alpha van 0.82 (Lennon et al. 1989).
    Een voorbeeld van een item is : 'zodra mensen weten dat ik CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma heb, proberen ze te achterhalen of dat komt door gebreken in mijn persoonlijkheid'.

    - Vervreemding
    Deze subschaal meet het gevoel van alleen zijn en een gevoel van onbegrepenheid als gevolg van de aandoening.
    De subschaal vervreemding bestaat uit zes items en heeft in de Engelse versie een Chronbachís alpha van 0.84 (Lennon et al. 1989).
    Een voorbeeld van een item uit deze schaal is : 'door CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma voel ik me erg anders dan andere mensen'.

    - Geheimhouding
    De derde schaal, geheimhouding, meet het verbergen van de aandoening voor de omgeving.
    De schaal heeft in de Engelse versie een chronbachís alpha van 0.72 en bestaat uit zes items (Lennon et al. 1989).
    Een voorbeeld van een item is : 'ik heb geleerd dat het het beste is om de last die ik heb van CVS / Fibromyalgie / Reuma voor mezelf te houden'.

    - Onthulling
    De laatste en vierde subschaal is onthulling en gaat over het bekendmaken van de aandoening met het doel om de omgeving voor te lichten.
    Deze subschaal bestaat uit vijf items en heeft in de Engelse versie een chronbachís alpha van 0.72 (Lennon et al. 1989).
    Een voorbeeld van een item uit deze schaal is : 'ik denk dat het goed is de mensen in mijn naaste omgeving uit te leggen wat CVS / Fibromyalgie inhoudt'.

    De eerste twee schalen meten samen de waargenomen stigmatisering en de laatste twee de managementstrategieŽn om met stigmatisering om te gaan.
    De antwoordcategorieŽn lopen van helemaal mee oneens (1) tot helemaal mee eens (6) zoals in het oorspronkelijke artikel (Lennon et al. 1989).
    Men kan een totaalscore hebben van minimaal 22 tot maximaal 132, waarbij een hoge score een hoge mate van ervaren stigmatisering betekent.

    Nadat deze stigmatiseringschaal is vertaald en afgenomen bij de respondenten van dit onderzoek is er een factoranalyse en betrouwbaarheidsanalyse gedaan.
    De factoranalyse is gedaan met gebruik van de principale componenten analyse.
    Hieruit bleek dat de schaal bestond uit vier subschalen.
    Er zijn twee items uit de schaal verwijderd omdat deze niet boven de 0.20 laden op de ongeroteerde eerste factor.
    Dit zijn item 3 ĎDe meeste mensen hebben het idee dat iemand met CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma emotioneel net zo stabiel is als ieder anderí en item 16 ĎIk heb zelden de behoefte te verbergen dat ik CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma hebí.
    Beide items waren gespiegeld, waarschijnlijk is hierdoor verwarring ontstaan over de antwoordcategorieŽn.
    Een betrouwbaarheidsanalyse geeft een alpha van 0.91 voor de subschaal persoonlijkheid (item 1, 2, 4, 5) en vervreemding (item 6 t/m 11)een 0.81.
    De derde subschaal, geheimhouding, (item 12 t/m 15, 17) heeft een alpha van 0.55 en onthulling (item 18 t/m 22) heeft een alpha van 0.77.

    Ten tweede wordt stigmatisering gemeten door een schaal over de tevredenheid van patiŽnten met zijn of haar specialist.
    Dit wordt gemeten door middel van de ĎAmerican Board of International Medicin Questionnaireí (ABIM).
    De ABIM (Stump et al. 1995) meet de ervaring van de respondent ten aanzien van de houding van zijn of haar specialist / arts.
    Oorspronkelijk bestond de schaal uit tien items.
    Twee voorbeelden van items uit deze schaal zijn: ĎMijn specialist behandelt me als gelijke en doet nooit arrogant of neerbuigend tegen mijí en ĎMijn specialist toont belangstelling voor mij als mensí.
    Twee vragen zijn toegevoegd aan de originele schaal.
    Dit zijn item 11 ĎVindt u dat u voldoende hulp heeft in verband met uw CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma ?í en item 12 ĎBij wie bent / was u voor uw CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma onder behandeling ?í.
    De respondenten kunnen per stelling aangeven of de houding (1) Ďheel veel minder dan ik prettig vindí was, (2) Ďveel minder dan ik prettig vindí, (3) Ďminder dan ik prettig vindí of (4) Ďprecies zoals ik prettig vindí.
    Een factoranalyse met gebruik van de principale componenten analyse laat zien dat de schaal bestaat uit ťťn factor.
    Omdat item 12 een meerkeuzevraag is en geen stelling weergeeft is dit item niet meegenomen in de factoranalyse en telt hij ook niet mee voor de schaalscore.
    De schaalscore kan lopen van minimaal 11 tot maximaal 44.
    Een hoge score betekent dat de respondent tevreden is met hoe zijn of haar specialist met hem omgaat.
    Een betrouwbaarheidsanalyse geeft een hoge Chronbachís alpha van 0.95.

    4.3.2 Sociale steun
    In dit onderzoek wordt sociale steun gemeten door twee schalen, de SSL-I (Sociale Steun Lijst Ė Interacties) en de SSL-D (Sociale Steun Lijst Ė Discrepanties) (Van Sonderen, 1993).
    Door van Sonderen worden interacties en discrepanties in zes typen steun onderverdeeld.
    Dit zijn :
    - alledaagse emotionele ondersteuning
    - emotionele ondersteuning bij problemen
    - waarderingssteun
    - instrumentele ondersteuning
    - social companionship (elkaars gezelschap zoeken)
    - informatieve ondersteuning (m.b.t. het gedrag van de betrokkene).

    De originele lijst bestaat uit 64 items, 34 items per schaal.
    De schalen die in dit onderzoek worden gebruikt zijn ingekorte versies van deze originele schaal en bestaan uit 6 items per schaal.
    In totaal zijn er 12 items.
    Elke vraag beslaat ťťn van de zes typen steun zoals deze hierboven uiteengezet zijn.
    De eerste schaal vraagt steeds aan de respondent naar een gebeurtenis.
    Deze vragen beginnen allemaal met de zin : 'gebeurt het wel eens dat...'.
    Een voorbeeld van een item is : Ďmen u aandacht of genegenheid toont, bijvoorbeeld met een knuffel of een liefkozing of aandachtig naar u luistert ?í
    De antwoordcategorieŽn van deze schaal bestaan uit (1) zelden of nooit, (2) af en toe, (3) regelmatig en (4) erg vaak.
    De vraag naar de discrepanties volgt direct op deze eerste vraag en wordt als volgt gesteld : ĎBent u hier tevreden over ?í
    Respondenten kunnen deze vraag beantwoorden met : (1) 'mis ik, zou ik graag meer willen', (2) 'mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde', (3) 'precies goed zo' en (4) 'gebeurt te vaak'.
    De interactie- en discrepantie vragen wisselen elkaar steeds af zodat elke vraag bestaat uit een a en b component.
    De eerste schaal heeft een score van 1 (zelden of nooit) tot 4 (erg vaak).
    Men kan een schaalscore hebben van minimaal 6 tot maximaal 24.
    Een hoge score betekent veel steun.
    Bij de discrepantieschaal gaat het erom of de respondent een tekort in sociale steun ervaart.
    De scores zijn als volgt gehercodeerd: 3 en 4 wordt 1 en 1 wordt 3.
    De somscore is minimaal 6 en maximaal 18.
    Een hoge score betekent dat de respondent een groot tekort aan sociale steun ervaart.
    Een betrouwbaarheidsanalyse geeft voor de eerste schaal (item 1 t/m 6) een Chronbachís alpha van 0.76 en voor de tweede schaal (item 1b t/m 6b) een Chronbachís alpha van 0.82.


    Lees verder : Deel V

    06-02-2008 om 20:30 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel V


    4.3.3 Persoonlijkheids kenmerken
    Persoonlijkheid wordt gemeten door de Eysenck Personality Questionnaire (EPQ) (Sanderman et al. 1995).
    In dit onderzoek wordt alleen neuroticisme gemeten.
    Hiervoor is gebruik gemaakt van de verkorte en gereviseerde versie van de EPQ (de EPQ-RSS).
    Deze schaal bestaat uit 48 items met de schalen psychoticisme, extraversie, neuroticisme en sociale wenselijkheid.
    Alleen van de subschaal neuroticisme, bestaande uit 12 items, is gebruik gemaakt.
    Twee voorbeelden van items zijn : ĎVoelt u zich weleens Ďgewoon miserabelí zonder dat daar reden voor is ?í en ĎAls u in een pijnlijke situatie bent geweest, zit dat u dan nog lang dwars ?í
    De vragen zijn te beantwoorden met 'Ja' of 'Nee'.
    De Ja-vragen krijgen bij de scoring de waarde 1 en de Nee-vragen de waarde 0.
    De scores op de Ja-vragen worden vervolgens opgeteld.
    De minimale score is 0 en de maximaal mogelijke score is 12.
    Een hogere score houdt in dat iemand meer voldoet aan de persoonlijkheidseigenschap neuroticisme.
    Een betrouwbaarheidsanalyse geeft een Chronbachís alpha van 0.85.

    4.3.4 Kwaliteit van leven
    Kwaliteit van leven wordt in dit onderzoek geoperationaliseerd door de twee aspecten sociaal en psychisch functioneren.

    - Psychisch functioneren
    Psychisch functioneren wordt gemeten door het meten van symptomen van een depressie.
    In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van de Center for Epidemiologic Studies-Depression (CES-D).
    De CES-D schaal is ontwikkeld in het kader van het ĎCommunity Mental Health Assessmentí (CMHA) programma.
    Dit CMHA programma werd in 1969 in de Verenigde Staten geÔnitieerd door stafleden van het ĎCenter for Epidemiologic Studiesí (CES) van het ĎNational Institute of Mental Healthí. De CES-D is ontwikkeld met het doel om depressieve symptomen bij bevolkingsgroepen vast te kunnen stellen.
    Doordat wordt gevraagd naar de situatie in de afgelopen week meet de CES-D geen chronische depressie maar registreert de depressieve gevoelens die als gevolg van een bepaalde gebeurtenis kunnen ontstaan (Bouma et al. 1995).
    De items worden voorafgegaan door de vraag of de respondent het antwoord wil aankruisen dat het beste zijn of haar gevoel van de afgelopen week weergeeft.
    Twee voorbeelden van items zijn : ĎWas ik gelukkig ?í en ĎHad ik moeite mijn gedachten bij mijn bezigheden te houden ?í.
    De antwoordcategorieŽn bestaan uit : (1) 'zelden of nooit' (minder dan 1 dag), (2) 'soms of

    weinig' (1-2 dagen), (3) 'regelmatig' (3-4 dagen) en (4) 'meestal of altijd' (5-7 dagen).
    De scoring van de items loopt van 0 tot 3 in volgorde van de antwoordcategorieŽn.
    Er zijn vier items Ďpositiefí geformuleerd.
    Dit zijn de items, 4, 8, 12 en 16.
    Deze items zijn gehercodeerd alvorens de scores te sommeren.
    De minimaal mogelijke score is 0 en de maximale is 60.
    Hoe hoger de score des te meer gevoelens van een depressie aanwezig zijn.
    Een score van 16 wordt beschouwd als een cut-off point.
    De mensen met een score van 16 of hoger worden beschouwd als Ďpossible casesí.
    Een betrouwbaarheidsanalyse geeft een Chronbachís alpha van 0.92.

    - Sociaal functioneren
    Om sociaal functioneren te meten is een schaal opgesteld.
    Deze schaal bestaat uit 15 items die alle betrekking hebben op een sociale activiteit.
    Bijvoorbeeld : naar de bioscoop of het theater gaan, voor je plezier winkelen of chatten op het internet.
    De introductietekst vraagt de respondent de huidige situatie te vergelijken met de situatie voorat hij of zij de aandoening kreeg.
    Per activiteit zijn er vier antwoordcategorieŽn : (1) 'heb ik nooit gedaan', (2) 'zou ik vaker willen doen', (3) 'doe ik even vaak' en (4) 'zou ik minder vaak willen doen'.
    Omdat het niet gaat om de frequentie van de activiteit maar de tevredenheid over het sociaal functioneren zijn de scores gehercodeerd.
    Score 1,3 en 4 wordt 0 en score 2 wordt 1.
    Een factoranalyse met gebruik van een principale componentenanalyse laat zien dat alle items op ťťn factor laden.
    Eťn item (Ďkerkdiensten bezoekení) scoorde lager dan 0.40 op de factor en is verwijderd uit de schaal.
    De minimale somscore is 0 en de hoogst mogelijke score is 14.
    Een hoge score betekent meer onvrede over het sociaal functioneren.
    Een betrouwbaarheidsanalyse laat een Chronbachís alpha zien van 0.82.

    4.3.5 Overzicht meetinstrumenten
    Tabel 4.2 geeft een overzicht van de gebruikte schalen.
    Van elke schaal wordt weergegeven uit hoeveel items deze bestaat, hoeveel antwoordcategorieŽn er zijn en wat de range is.
    Ook zijn de gemiddelden en standaarddeviaties van de schalen weergegeven.
    In de laatste kolom staat wat de betrouwbaarheid van het meetinstrument is, weergegeven door middel van Chronbachís alpha.

    Tabel 4.2 - Overzicht meetinstrumenten
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p.58

    In het overzicht is te zien dat alle schalen een goede alpha hebben.
    De Chonbachís alpha van de subschaal ĎGeheimhoudingí van de Stigmatiseringschaal is met 0.58 aan de lage kant.


    4.4 Ė Poweranalyse

    Een poweranalyse berekent het onderscheidend vermogen van een toets.
    De power van de toets is de kans dat een Nul-Hypothese terecht wordt verworpen.
    Met andere woorden, de beslissing ten gunste van de alternatieve hypothese (de hypothese die door de onderzoeker is opgesteld) is correct.
    De minimale power in dit onderzoek is gesteld op tachtig.
    Door middel van een poweranalyse is bekeken hoeveel respondenten er per onderzoeksgroep nodig zijn om een power van tachtig te behalen.
    Voor het berekenen van de power moet de hoogte van de gewenste effect-size vastgesteld worden.
    De effect-size geeft de mate van opvallendheid van de meting weer.
    Om deze effect-size te kunnen berekenen is kennis van de standaarddeviatie van de betreffende schaal nodig.
    Omdat de poweranalyse is uitgevoerd om de steekproefomvang te kunnen bepalen was op dat moment de standaarddeviatie niet bekend.
    Er is daarom gekozen voor een standaard effect-size van 0.5.
    Een effect-size van 0.2 wordt in het algemeen beschreven als een klein effect, 0.5 een middelgroot effect en 0.8 als een groot effect.
    Voor alle toetsen geldt dat je voor een effect-size van 0.5 minimaal 64 respondenten per onderzoeksgroep nodig hebt wil je een power van tachtig behalen.
    De omvang van de drie groepen die in dit onderzoek worden gebruikt zijn allen boven de 64 respondenten.
    Dit betekent dat de statistische analyses die worden gedaan allemaal een power van minimaal 80% hebben en een effect-size van 0.5 kunnen opsporen.


    4.5 Ė Dataverwerking

    De vragenlijst is uitgewerkt met het software programma Teleform.
    Dit programma biedt de mogelijkheid om vragenlijsten zowel digitaal als schriftelijk aan te bieden aan de respondenten.
    Van de vragenlijsten die digitaal worden ingevuld worden de data direct weggeschreven naar de server.
    Een voordeel van digitale vragenlijsten is dat je kan instellen of een vraag meerkeuze is.
    De respondent kan bij een enkelvoudige vraag nooit twee Ďhokjesí aanklikken.
    Daarnaast wordt ingetypte tekst altijd goed weergegeven door de computer.
    De schriftelijke vragenlijsten zijn achteraf gescand.
    Deze vragenlijsten zijn ťťn voor ťťn geverifieerd om kleine foutjes, zoals het dubbel aankruisen van antwoorden, niet leesbare teksten en niet volledig ingekleurde Ďhokjesí eruit te halen.
    Bij dubbel aangekruiste antwoorden is ervoor gekozen om het meest neutrale antwoord te kiezen.
    Uiteindelijk komen zowel de schriftelijke als de digitale data bijeen in een SPSS-file.
    De data zijn geanalyseerd door middel van het statistische programma SPSS 12.0 (Statistical Package for the Social Science).
    Voor het analyseren van gebruikte meetschalen zijn factoranalyses en betrouwbaarheidstoetsen gebruikt.
    De exploratie van de data liet zien dat niet alle variabelen voldeden aan de assumptie van een normale verdeling.
    De variabelen die dit toelieten zijn getoets door middel van ANOVA en t-toetsen.
    Bij de overige variabelen is gebruik gemaakt van de Kruskal-Wallis toets en de Mann-Whitney toets.
    Daarnaast is gebruik gemaakt van meervoudige regressieanalyses.
    Van de variabele Ďaandoeningí zijn twee dummy variabelen gemaakt, namelijk CVS en Fibromyalgie.
    Hierdoor is het mogelijk om steeds de relatieve invloed van deze twee aandoeningen ten opzichte van reuma te meten.
    Bij de meervoudige regressieanalyse zijn de respondenten die ťťn van de schalen die opgenomen zijn in de regressieanalyse niet volledig hadden ingevuld uit de analyse weggelaten.
    Hierdoor kunnen de uitkomsten beter vergeleken worden.



    Hoofdstuk 5. - Resultaten


    Inleiding

    In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek beschreven.
    In de tabellen die in dit hoofdstuk zijn weergegeven wordt Fibromyalgie afgekort als FM.
    De eerste paragraaf, paragraaf 5.1 geeft een beschrijving van de respondenten betreffende de demografische variabelen.
    In deze paragraaf wordt ook de mate van neuroticisme per aandoening beschreven.
    Paragraaf 5.2 geeft per aandoening een kort overzicht van de belangrijke variabelen.
    De volgende paragraaf, paragraaf 5.3, beschrijft de resultaten van de kwaliteit van leven.
    Ten eerste als een beoordeling van de kwaliteit van leven in het algemeen door middel van een rapportcijfer.
    Ten tweede door de twee domeinen psychisch functioneren en sociaal functioneren.
    In paragraaf 5.4 wordt ingegaan op stigmatisering.
    Er wordt onderscheid gemaakt in gevoelens van stigmatisering door de omgeving en de houding van de medisch specialist.
    Daarnaast wordt de invloed van stigmatisering op de kwaliteit van leven beschreven.
    Paragraaf 5.5 beschrijft de sociale steun.
    In deze paragraaf wordt beschreven hoe mensen met de drie verschillende aandoeningen sociale steun ervaren.
    Ook wordt er ingegaan op de relatie tussen sociale steun en kwaliteit van leven.
    In de laatste paragraaf, paragraaf 5.6 worden de aandoeningen, stigmatisering en sociale steun in relatie tot elkaar bekeken.
    Er wordt beschreven welke variabelen de meeste bijdrage leveren aan de verschillende dimensies van kwaliteit van leven.


    5.1 - Beschrijving van de respondenten naar demografische variabelen

    In totaal hebben 334 respondenten deelgenomen aan dit onderzoek.
    Dit zijn 84 mensen met CVS, 165 mensen met Fibromyalgie en 85 mensen met Reuma.
    In tabel 5.1 zijn per aandoening de scores weergegeven voor het geslacht, de leeftijd, de burgerlijke staat, de opleiding en het wel of niet hebben van een betaalde baan.
    Vrouwen zijn in de meerderheid bij alle drie de aandoeningen.
    Bij CVS bestaat 88% van de respondenten uit vrouwen en bij Fibromyalgie en Reuma is het percentage vrouwen respectievelijk 96 en 73.
    Uit ander onderzoek is gebleken dat vrouwen een grotere kans hebben om met ťťn van deze aandoeningen gediagnosticeerd te worden (Bazelmans et al. 1997, Gezondheidsraad 2005, Weir et al. 2006, www.RIVM.nl ).
    De gemiddelde leeftijd van de respondenten is 44 jaar (M=44.0, SD=13.8, range=15 / 87 n=332).
    Van de CVS patiŽnten is de gemiddelde leeftijd 40 jaar (M=39.7, SD=12.8, range=15/67 n=84) en van FibromyalgiepatiŽnten 42 jaar (M=41.7, SD=11.3, range=19/66, n=165).
    Van de respondenten met CVS en Fibromyalgie bevindt het merendeel (respectievelijk 57% en 58%) zich in de leeftijdscategorie van 31 t/m 50 jaar.
    Dit is overeenkomstig met ander onderzoek naar deze aandoeningen (Bazelmans et al. 1997).
    ReumapatiŽnten zijn ouder, de gemiddelde leeftijd is 53 jaar (M=52.9, SD=15.5, range=20/87n=83).
    Het grootste percentage (55.3%) bevindt zich in de hoogste leeftijdscategorie, boven de 51 jaar.
    Ook de groep van ReumapatiŽnten komen wat betreft geslacht en leeftijd overeen met ander onderzoek (Fyrand et al. 2000, Doeglas et al. 1996).

    Tabel 5.1 - Beschrijving van de respondenten naar geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, opleiding en werk
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 62

    De meeste respondenten hebben een partner.
    Dit is 63% van de mensen met CVS, 86% van de mensen met Fibromyalgie en 74% van de mensen met Reuma.
    Het percentage werkenden is het hoogst bij mensen met Fibromyalgie (51%) gevolgd door mensen met Reuma (31%).
    Een opvallend laag percentage (26%) van de mensen met CVS heeft een betaalde baan.
    Het is redelijkerwijs aan te nemen dat de hogere leeftijd een rol speelt bij het lage percentage werkenden onder de ReumapatiŽnten.
    Met name het verschil tussen CVS en Fibromyalgie is interessant.
    De vraag of men als gevolg van de aandoening is gestopt met werken wordt door 67% van de mensen met CVS met een ĎJaí beantwoord.
    Dit percentage is 33% bij FibromyalgiepatiŽnten.
    Men zou zich kunnen afvragen of dit een gevolg is van de mate van beperkingen die de aandoening geeft.
    Fysieke beperkingen zijn in dit onderzoek niet meegenomen waardoor op deze vraag geen antwoord kan worden gegeven.

    5.1.1 Neuroticisme
    De persoonlijkheidseigenschap neuroticisme is niet in dezelfde mate aanwezig bij de drie aandoeningen.
    Mensen met Fibromyalgie scoren met een gemiddelde van 7.5 (M=7.5, SD=3.3, range 0/12, n=160) het hoogst (cfr. tabel 5.2).
    Reuma patiŽnten scoren het laagst (M=4.8, SD=3.0, range= 0/12, n=76) en mensen met CVS nemen een middenpositie in (M=6.4, SD=3.4, range=0/12, n=82).

    Tabel 5.2 - Gemiddelde en standaarddeviaties van neuroticisme
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 63

    De drie aandoeningen zijn statistisch significant verschillend van elkaar.
    Een causaal verband kan hiermee niet worden aangetoond.
    Het is niet duidelijk of de aandoening van invloed is op de mate van neuroticisme of dat de mate van neuroticisme invloed heeft op het ontstaan of in stand houden van de aandoening.


    5. 2 - Overzicht van de variabelen per aandoening

    In tabel 5.3 staan de gemiddelden en standaard deviaties weergegeven voor de belangrijke variabelen in dit onderzoek.
    Bijlage 3 geeft een correlatietabel van deze variabelen.

    Tabel 5.3 - Overzicht van de variabelen per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 64

    De laatste kolom van de tabel geeft een overzicht van de scores die zijn beschreven in ander onderzoek waarbij deze schalen zijn gebruikt.
    Wat betreft stigmatisering scoren mensen met CVS en Fibromyalgie op alle subschalen hoger dan mensen met aangezichtspijn.
    ReumapatiŽnten scoren steeds lager, alleen op de subschaal vervreemding scoren zij iets hoger dan de mensen met aangezichtspijn.
    Hetzelfde geldt voor de tevredenheid over de medisch specialist. Mensen met CVS en Fibromyalgie scoren gemiddeld lager en ReumapatiŽnten scoren gemiddeld hoger dan mensen met Tinnitus.
    Op de Neuroticisme schaal en de depressieschaal scoren zowel CVS en Fibromyalgie als ReumapatiŽnten hoger dan de referentiegroep.
    Met name op de depressieschaal is gemiddeld erg hoog gescoord door alle drie de groepen.
    De kwaliteit van leven wordt alleen door de moeilijk objectiveerbare aandoeningen lager gescoord dan mensen met aangezichtspijn.


    5.3 - Kwaliteit van leven

    Kwaliteit van leven is gemeten door respondenten te vragen hun eigen kwaliteit van leven door middel van een rapportcijfer (1-10) te beoordelen.
    Daarnaast zijn de domeinen psychisch functioneren en sociaal functioneren gemeten door middel van een depressieschaal en een schaal voor sociaal functioneren.
    De volgende onderzoeksvraag wordt behandeld :

    'Wat is de (directe) invloed van de aandoeningen op de ervaren kwaliteit van leven ?
    Is er een significant verschil in ervaren kwaliteit van leven tussen de drie aandoeningen ?
    '

    5.3.1 Kwaliteit van leven in het algemeen
    Op de vraag hoe men de kwaliteit van hun leven zou beoordelen met een rapportcijfer wordt gemiddeld met een 5.8 (SD=1.7) gescoord.
    Op het moment dat men speculeert over de kwaliteit van leven als er geen sprake zou zijn van de betreffende aandoening gaat deze score met gemiddeld 2.6 (SD=1.8) omhoog naar 8.4 (SD=1.2) (cfr. Tabel 5.4).
    ReumapatiŽnten beoordelen hun kwaliteit van leven het hoogst (M=6.8, SD=1.1), gevolgd door mensen met Fibromyalgie (M=5.8, SD=1.5).
    Mensen met CVS scoren gemiddeld het laagst (M=4.9, SD=1.9).
    Een vijf kan worden geÔnterpreteerd als een Ďonvoldoendeí.
    FibromyalgiepatiŽnten en ReumapatiŽnten scoren met een bijna zes respectievelijk zeven een : Ďvoldoendeí en een Ďruim voldoendeí.

    Tabel 5.4 - Kwaliteit van leven per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 65

    Het verschil tussen de gemiddelde beoordelingen van de drie groepen aandoeningen is significant (F(2,323)=30.445 p<0.001).
    Een Post-Hoc analyse (Bonferroni) laat zien dat alle aandoeningen onderling significant verschillen.
    De inschatting van de kwaliteit van leven op het moment dat er geen sprake zou zijn van de aandoening levert beoordelingen op die voor alle aandoeningen een ruime acht opleveren.
    Een acht kan in de Nederlandse taal worden geÔnterpreteerd als Ďgoedí.
    De scores liggen niet ver uit elkaar en het verschil tussen de groepen is niet significant (F(2, 319)=0.23, p=0.793).
    Het feit dat de beginscores ver uit elkaar liggen voor de drie aandoeningen betekent dat er gemiddeld voor de ene groep meer punten bij moeten komen dan voor de andere groep om tot een ongeveer gelijke speculatie te komen.
    Deze indirecte meetmethode geeft aan dat CVS een grotere impact heeft op de kwaliteit van het leven dan Fibromyalgie. Fibromyalgie heeft vervolgens een grotere impact dan Reuma.

    De drie aandoeningen zijn vergeleken met het gemiddelde cijfer gegeven door een normale populatie in Nederland.
    In tabel 5.5 is te zien dat zowel de medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen als de mensen met Reuma significant lager scoren dan deze referentiegroep.

    Tabel 5.5 - Kwaliteit van leven per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 66

    Naast de vraag of respondenten hun kwaliteit van leven met een rapportcijfer wilden beoordelen is er gevraagd hoe zij hun eigen gezondheid zouden beoordelen.
    De beoordeling van de gezondheid (figuur 5.1) komt overeen met hoe respondenten van de verschillende aandoeningen hun kwaliteit van leven beoordelen.
    Het grootste percentage van de mensen met CVS vindt hun gezondheid ĎSlechtí (52.4%) tegenover 17.6% van de FibromyalgiepatiŽnten en 1.2% van de ReumapatiŽnten.
    De meeste FibromyalgiepatiŽnten vinden hun gezondheid ĎMatigí (48.5%, CVS: 38.1% en Reuma: 40%). ĎGoedí of ĎZeer goedí wordt voornamelijk door mensen met Reuma gescoord (51.8%, CVS: 9.5% en FM: 33.3%).
    De resultaten laten zien dat, in overeenkomst met de verwachting, de kwaliteit van leven van alle drie de groepen negatief beÔnvloed wordt door de aandoening.

    Figuur 5.1 - Kwaliteit van leven per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 66

    5.3.2 Psychisch functioneren

    Beide medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen scoren hoog op de depressieschaal.
    Mensen met CVS scoren gemiddeld 25.0 (SD=10.7, range= 2/49, n=83) FibromyalgiepatiŽnten scoren iets lager (M=23.8, SD=10.6, range=3/54, n=150) (cfr. Tabel 5.6).
    ReumapatiŽnten scoren het laagst met een gemiddelde van 13.3 (SD=8.9, range=0/32, n=72).
    Een Post-Hoc test (Bonferroni) laat zien dat CVS en Fibromyalgie niet significant van elkaar verschillen. CVS en Fibromyalgie verschillen beide wel significant van Reuma (p<0.001)

    Tabel 5.6 - Depressieve gevoelens per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 67

    Als de drie aandoeningen vergeleken worden met gemiddelden van een onderzoek onder kankerpatiŽnten en de gezonde controlegroep (Bouma et al. 1995) zijn alle combinaties statistisch significant (cfr. tabel 5.5).
    Dit betekent dat patiŽnten van alle drie de aandoeningen gemiddeld meer gevoelens van depressie hebben dan mensen met kanker of gezonde mensen.
    Het cut-off point is een score van 16 of hoger.
    Mensen met een score van 16 of hoger kunnen worden beschouwd als Ďpossible casesí voor het hebben van een depressie.
    Dit moet gezien worden als een ruwe indicatie (Bouma et al. 1995).
    Het percentage dat zich boven het cut-off point bevindt is voor alle aandoeningen groot (cfr. figuur 5.2).
    Mensen met Reuma hebben het kleinste percentage (30.6%).
    Van de 72 respondenten die deze schaal hebben ingevuld kan bijna 31% worden beschouwd als depressief.
    Mensen met CVS hebben het grootste percentage Ďpossible casesí (78.6%).

    Figuur 5.2 - Depressieve gevoelens in %
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 67

    Ruim driekwart van de CVS patiŽnten kan beschouwd worden als depressief.
    Het percentage van de mensen met Fibromyalgie ligt slechts negen procent lager (69.7%).
    De verwachting dat alle drie de groepen, Reuma, CVS en Fibromyalgie, depressieve symptomen zouden hebben wordt hiermee bevestigd.
    Het percentage depressieve mensen is binnen elk van de aandoeningen bijzonder hoog.
    De assumptie dat beide moeilijk objectiveerbare aandoeningen hoger zouden scoren op de depressieschaal dan mensen met reuma is hiermee aangetoond.
    Vooraf was het niet duidelijk of mensen met CVS hoger of lager zouden scoren dan mensen met Fibromyalgie.
    Uit dit onderzoek blijkt dat CVS patiŽnten iets hoger scoren, zowel gemiddeld als in proportie, met een score boven het cutoff point, dan FibromyalgiepatiŽnten, maar dit verschil is statistisch niet significant.

    5.3.3 Sociaal functioneren
    Een hoge score op deze schaal betekent dat men een bepaalde sociale activiteit vaker wil doen.
    ReumapatiŽnten scoren gemiddeld het laagst (M=4.70, SD=3.16, range=0/12, n=73) en mensen met CVS scoren gemiddeld het hoogst (M=9.62, SD=2.74, range=0/14, n=80) (cfr. Tabel 5.7).

    Tabel 5.7 - Sociaal functioneren per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 68

    Dit betekent dat mensen met CVS het minst tevreden zijn over hun sociale activiteiten.
    Een Post-Hoc test (Bonferroni) laat zien dat er een statistisch significant verschil is tussen zowel CVS en Fibromyalgie als tussen CVS, Fibromyalgie en Reuma.

    De verwachting was dat zowel mensen met Reuma, als mensen met CVS en Fibromyalgie door hun aandoening in hun sociaal functioneren werden beperkt.
    Deze verwachting blijkt te kloppen.
    Ook de assumptie dat de groep mensen met Reuma het minst zouden worden beperkt in hun sociaal functioneren is aangetoond.


    5.4 - Stigmatisering

    Stigmatisering is op twee manieren gemeten.
    Door middel van een stigmatiseringschaal en door respondenten te vragen hoe tevreden zij zijn over de houding van de medisch specialist naar hen toe.
    De volgende onderzoeksvraag wordt behandeld :

    ďWat is de invloed van de aandoeningen op de ervaren mate van stigmatisering en bestaat hierin een gradatie ?
    Is deze gradatie terug te zien in de kwaliteit van leven ?
    Ē

    5.4.1 Ervaringen van stigmatisering
    De stigmatiseringschaal bestaat uit vier subschalen.
    ĎPersoonlijkheidí meet de verwachting van patiŽnten dat mensen om hen heen de assumptie hebben dat hun ziekte voortkomt uit gebreken in hun persoonlijkheid.
    ĎVervreemdingí meet gevoelens van eenzaamheid en of respondenten zich onbegrepen / anders voelen als gevolg van de aandoening.
    Samen meten deze twee schalen de gevoelens van stigmatisering.
    De overige twee schalen meten de managementstrategieŽn om met de stigmatisering om te gaan.
    Dit zijn Ďgeheimhoudingí en Ďonthullingí.
    Omdat bij de laatste twee schalen de nadruk ligt op management wordt bij de resultaten vooral ingegaan op de eerste twee subschalen.
    ĎPersoonlijkheidí laat een gradatie zien waarbij CVS patiŽnten het hoogst scoren (M=4.0, SD=1.2, range 1.25/6, n=83) en ReumapatiŽnten gemiddeld het laagst (M=2.0, SD=1.1, range 1/6, n=83) (cfr. Tabel 5.8).

    Tabel 5.8 - Stigmatisering per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 69

    Mensen met CVS gaan dus vaker uit van de assumptie dat hun omgeving CVS als een gevolg van gebreken in hun persoonlijkheid zien of is ontstaan door psychische problemen.
    De drie aandoeningen zijn statistisch significant verschillend van elkaar.
    De gemiddelden van Fibromyalgie en CVS liggen niet ver uiteen.
    Toch blijkt dat CVS patiŽnten zich vaker gestigmatiseerd voelen dan FibromyalgiepatiŽnten.
    Dit is duidelijk te zien aan de percentages in de frequentieverdeling (cfr. figuur 5.3).
    Een score van 2 of lager op de subschaal betekent dat de patiŽnt zich niet gestigmatiseerd voelt.
    Een score hoger dan 4 houdt in dat de respondent zich wel gestigmatiseerd voelt.
    Slechts 10% van de CVS patiŽnten scoort lager of gelijk aan 2, bij Fibromyalgie is dit percentage bijna 20%.
    Ruim 30% van de mensen met Fibromyalgie scoort hoger dan 4 terwijl dit percentage bij CVS ruim 45% is.

    De subschaal ĎVervreemdingí laat voor alle drie de aandoeningen een hoger gemiddelde zien dan de subschaal ĎPersoonlijkheidí.
    Het blijkt dat men zich meer gestigmatiseerd voelt in de vorm van een gevoel van eenzaamheid en het zich onbegrepen voelen dan dat men zich gestigmatiseerd voelt als gevolg van het idee dat mensen in de omgeving de aandoeningen relateren aan psychische problemen.
    Alleen voor mensen met CVS lijkt ĎPersoonlijkheidí een iets grotere rol te spelen.
    De gradatie zoals deze te zien was bij persoonlijkheid is niet aanwezig bij ĎVervreemdingí.
    Het verschil in gemiddelden is niet significant tussen Fibromyalgie en CVS.
    De scores van deze beide aandoeningen verschillen wel significant van de gemiddelde score van ReumapatiŽnten.

    Figuur 5.3 - ĎPersoonlijkheidí in %
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 70

    Figuur 5.4 - ĎVervreemdingí in %
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 70

    Het feit dat geen van de moeilijk objectiveerbare aandoeningen 2 of lager scoort en van de reumapatiŽnten slechts 5% laat duidelijk zien dat mensen uit al de drie groepen zich in een bepaalde mate gestigmatiseerd voelen (cfr. figuur 5.4).
    Mensen met Reuma zijn gelijk verdeeld over de categorieŽn Ďmatig vervreemdí en Ďwel vervreemdí (respectievelijk 47% en 48%).
    De groepen CVS en Fibromyalgie laten een overduidelijke stijgende lijn zien tussen Ďmatig vervreemdí (respectievelijk 21% en 18%) en Ďwel vervreemdí (respectievelijk 79% en 82%).
    Dit betekent dat vooral mensen met CVS en Fibromyalgie zich gestigmatiseerd voelen.
    De resultaten in tabel 5.8 laten zien dat alle respondenten gebruik maken van managementstrategieŽn.
    ĎOnthullingí wordt iets vaker gebruikt dan ĎGeheimhoudingí.
    Alleen bij ĎGeheimhoudingí is er sprake van een significant verschil tussen de drie aandoeningen.

    Samenvattend kan gezegd worden dat de mensen met moeilijk objectiveerbare aandoeningen zich duidelijk meer gestigmatiseerd voelen dan de mensen met Reuma.
    Alleen in de subschaal ĎPersoonlijkheidí valt hierin een gradatie te onderkennen zoals deze werd verwacht.
    ReumapatiŽnten scoren gemiddeld het laagst, mensen met CVS scoren gemiddeld het hoogst en de groep met FibromyalgiepatiŽnten neemt een tussenpositie in.
    Wat betreft ĎVervreemdingí scoren mensen met CVS en Fibromyalgie significant verschillend van Reuma.
    De managementstrategieŽn ĎGeheimhoudingí en ĎVervreemdingí worden beide ongeveer even vaak gebruikt door de drie aandoeningen.


    Lees verder : Deel VI


     

    06-02-2008 om 20:18 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel VI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -

    Deel VI


    5.4.2 Gevoelens van stigmatisering en kwaliteit van leven
    De hypothese over de invloed van stigmatisering op de kwaliteit van leven veronderstelde dat naarmate men meer gevoelens heeft van stigmatisering men een lagere kwaliteit van leven zal hebben.
    Een regressieanalyse (tabel 5.9) laat zien dat deze hypothese klopt.
    Deze regressieanalyse is uitgevoerd met alleen ĎPersoonlijkheidí en ĎVervreemdingí als verklarende variabelen (in paragraaf 5.6 wordt een meervoudige regressieanalyse uitgevoerd zodat de effecten van stigmatisering ook bekeken kunnen worden op het moment dat er gecontroleerd wordt voor andere verklarende variabelen).
    Stigmatisering zorgt ervoor dat men het leven in het algemeen met een gemiddeld lager rapportcijfer beoordeelt, gemiddeld vaker leidt tot depressieve gevoelens en men gemiddeld meer beperkt wordt in het sociaal functioneren.

    Tabel 5.9 - Invloed van stigmatisering op kwaliteit van leven
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 72

    5.4.3 Tevredenheid over de medisch specialist
    Over het algemeen zijn reumapatiŽnten het meest tevreden over de houding van hun specialist (M=40.5, SD=5.8, range=17/44, n=80) (cfr. tabel 5.8).
    Mensen met CVS zijn gemiddeld het minst tevreden (M=31.8, SD=9.4, range=11/44, n=80).

    Tabel 5.10 - De mate van tevredenheid over de medisch specialist per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 72

    Uit tabel 5.10 valt af te lezen dat alle groepen significant van elkaar verschillen.

    Een kruistabel (cfr. tabel 5.11) geeft meer inzicht in de wijze waarop de drie aandoeningen van elkaar verschillen.
    De tabel laat zien hoe de drie aandoeningen zijn verdeeld over drie categorieŽn van ontevreden tot zeer tevreden over de specialist.

    Tabel 5.11 - De mate van tevredenheid over de medisch specialist per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 73

    Gezien de lage scores in de categorie Ďontevredení kan gesteld worden dat de meeste respondenten (redelijk) tevreden zijn over de specialist.
    Toch is er duidelijk een gradatie te zien in de mate waarin respondenten binnen verschillende aandoeningen tevreden zijn over hun specialist.
    Het meest in het oog springend is dat bijna drie kwart (73%) van de ReumapatiŽnten zeer tevreden is over hun specialist (een score van 40 of hoger).
    Mensen met Fibromyalgie zijn verdeeld over Ďredelijk tevredení (46%) en Ďzeer tevredení (44%).
    Tweederde (63%) van de mensen met CVS is redelijk tevreden over hun specialist.

    Kortom, CVS patiŽnten zijn over het algemeen iets minder tevreden dan FibromyalgiepatiŽnten, ReumapatiŽnten zijn verreweg het meest tevreden.
    Vooraf werd verwacht dat mensen met Reuma de minste ervaring zouden hebben met stigmatisering door hun medisch specialist.
    Ook werd verwacht dat mensen met CVS zich meer gestigmatiseerd zouden voelen door hun medisch specialist dan mensen met Fibromyalgie.
    De bovenstaande resultaten komen overeen met deze verwachtingen.

    5.4.4 Tevredenheid over de medisch specialist en kwaliteit van leven
    Er is gesteld dat hoe hoger de stigmatisering door de medisch specialist is, hoe lager de kwaliteit van leven zal zijn.
    In tabel 5.12 is te zien dat ruim de helft (61%) van de mensen die ontevreden zijn over hun specialist gemiddeld een onvoldoende scoort voor hun algemene kwaliteit van leven.
    Het is opvallend dat bijna een kwart van de zeer tevreden mensen gemiddeld een zeer lage kwaliteit van leven ervaart.
    De significante correlatiecoŽfficiŽnt (.351) laat zien dat er een verband is tussen de mate van tevredenheid over de specialist en de algemene kwaliteit van leven die men ervaart.

    Tabel 5.12 - Invloed van de tevredenheid met de specialist op de kwaliteit van leven
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 74

    Zijn mensen die minder tevreden zijn ook vaker depressief ?
    Met andere woorden, wat is de invloed van de houding van de specialist op de kwaliteit van leven gemeten als symptomen van een depressie ?

    Tabel 5.13 - De invloed van tevredenheid met de specialist op symptomen van depressie
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 74

    Tabel 5.13 laat zien dat het overgrote deel van de ontevreden mensen (85%) gevoelens van een depressie ervaart.
    Echter ook van de mensen die redelijk tevreden en zeer tevreden zijn, is de meerderheid depressief.
    Er is wel een dalende lijn te zien: hoe meer tevreden, hoe kleiner de kans is dat men in de categorie depressief valt.
    De verwachting dat mensen die meer tevreden zijn minder depressief zijn gaat voor een kleine groep mensen op.
    Dat dit verband niet duidelijker naar voren komt is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat het percentage depressieve mensen ontzettend hoog is in de hele onderzoeksgroep (67%).
    Op het moment dat deze analyse apart wordt uitgevoerd voor mensen met Reuma en mensen met CVS en Fibromyalgie bij elkaar is te zien dat de hypothese meer op gaat voor mensen met Reuma.
    Van de zeer tevreden ReumapatiŽnten is 73.5% niet depressief.
    Bij CVS en Fibromyalgie is dit percentage 31.3%.
    Kwaliteit van leven wordt ook uitgedrukt in sociaal functioneren.

    De vraag is of de tevredenheid over de specialist een positieve relatie heeft met het sociaal functioneren van de respondenten.
    Tabel 5.14 laat zien dat van de zeer tevreden mensen 53% niet beperkt wordt in het sociaal functioneren.

    Tabel 5.14 - Invloed van tevredenheid over de specialist op het sociaal functioneren
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 75

    Mensen die minder tevreden zijn worden meer beperkt in hun sociaal functioneren.
    Ook hier is te zien dat er wel een verband is, maar dat dit verband niet erg sterk is.

    Samengevat kan gezegd worden dat de tevredenheid over de specialist een positieve invloed heeft op de kwaliteit van leven in het algemeen en de dimensie sociaal functioneren.
    Over het algemeen zijn respondenten die meer tevreden zijn over de houding van hun specialist en dus op dit vlak de minste stigmatisering ervaren, het meest te spreken over hun kwaliteit van leven.
    Alleen voor gevoelens van depressie lijkt de mate van tevredenheid geen invloed te hebben.
    Uit de analyses komt duidelijk naar voren dat dit verband wordt beÔnvloed door andere variabelen.


    5.5 - Sociale steun

    Sociale steun bestaat uit interacties, de hoeveelheid aan ontvangen sociale steun en discrepanties, de tekorten die men ervaart in de ontvangen sociale steun.
    De volgende onderzoeksvraag wordt behandeld :

    ďWat is de invloed van de aandoeningen op de sociale steun ?
    En wat is de invloed van de sociale steun op de kwaliteit van leven ?
    Ē

    5.5.1 Interacties & discrepanties
    In tabel 5.15 is te zien dat CVS, Fibromyalgie en Reuma allemaal ongeveer ťťnzelfde niveau van interacties ervaren.
    Echter de patiŽnten uit deze drie groepen aandoeningen zijn in verschillende mate tevreden over de sociale steun.
    Hoe hoger de score op de discrepantieschaal, hoe groter het tekort is dat men ervaart.

    Tabel 5.15 - Interacties en discrepanties per aandoening
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 76

    Mensen met CVS en Fibromyalgie zijn beide ongeveer even tevreden over de sociale steun die zij ontvangen.
    De mensen met deze twee aandoeningen ervaren een groter tekort dan mensen met Reuma gemiddeld ervaren.

    Deze bevindingen komen niet helemaal overeen met wat vooraf verwacht werd.
    De assumptie was dat voornamelijk mensen met CVS een tekort in sociale steun zouden ervaren en dat er tussen de mensen met Fibromyalgie en Reuma weinig verschil zou zitten.
    Het blijkt dat er wel verschil is tussen de mate van tevredenheid over de sociale steun van mensen met Reuma en Fibromyalgie, terwijl dit niet het geval is tussen mensen met CVS en Fibromyalgie.

    5.5.2 Sociale steun en kwaliteit van leven
    De assumptie is dat een grotere omvang van, en meer tevredenheid ůver de ontvangen sociale steun zal leiden tot een betere kwaliteit van leven.

    Tabel 5.16 - De invloed van sociale steun op de kwaliteit van het leven
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 77

    In tabel 5.16 is te zien dat alleen de interacties van invloed zijn op de beoordeling van de kwaliteit van leven in het algemeen (in paragraaf 5.6 wordt een meervoudige regressieanalyse uitgevoerd zodat de effecten van sociale steun ook bekeken kunnen worden op het moment dat er gecontroleerd wordt voor andere verklarende variabelen).
    De verwachting was dat een groter netwerk zou leiden tot een hogere algemene kwaliteit van leven.
    De resultaten komen niet overeen met de hypothese.
    De invloed van sociale steun op depressie en sociaal functioneren komt wel overeen met de vooraf opgestelde verwachting.
    Voornamelijk een ervaren tekort aan sociale steun lijkt een negatieve invloed uit te oefenen op deze domeinen van kwaliteit van leven.


    5.6 - De invloed van stigmatisering en sociale steun op de kwaliteit van leven

    In deze paragraaf wordt de invloed van de aandoening, stigmatisering, sociale steun en neuroticisme (vooraf is er geen hypothese opgesteld over de invloed van neuroticisme op de kwaliteit van leven; tijdens de analyses is deze variabele exploratief meegenomen en bleek hij wel invloed uit te oefenen; om deze reden wordt neuroticisme in deze paragraaf gepresenteerd als een verklarende variabele) op de kwaliteit van leven beschreven.
    Vooraf was de vraag gesteld of de kwaliteit van leven voornamelijk bepaald werd door de aandoening (het medische model) of dat deze gemedieerd werd door sociale variabelen zoals sociale steun en stigmatisering.
    Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene kwaliteit van leven en de twee domeinen van kwaliteit van leven: depressie en sociaal functioneren.

    5.6.1 Kwaliteit van het leven in het algemeen
    De kwaliteit van leven in het algemeen is gemeten door respondenten te vragen een rapportcijfer te geven voor hun kwaliteit van leven over het algemeen.
    Een 1 stond voor slechtst mogelijke kwaliteit van leven en een 10 stond voor best mogelijke kwaliteit van leven.
    In paragraaf 5.3 kwam al naar voren dat mensen met CVS hun kwaliteit van leven het laagst beoordelen, ReumapatiŽnten het hoogste cijfer geven en Fibromyalgie een tussenpositie inneemt.
    Door middel van een meervoudige regressieanalyse wordt nu gekeken of de meeste invloed wordt uitgeoefend door de aandoeningen, stigmatisering, sociale steun of neuroticisme.
    Tabel 5.17 laat de resultaten van de regressieanalyse zien.
    De regressieanalyse bestaat steeds uit vijf stappen.
    Stap drie is tweemaal afzonderlijk uitgevoerd.
    De eerste maal voor stigmatisering en de tweede maal voor sociale steun.
    Hiervoor is gekozen zodat gekeken kan worden naar de bijdrage van sociale steun zonder dat er gecontroleerd wordt voor de bijdrage van stigmatisering.
    Het totale model verklaart 34% van de variantie.
    De aandoeningen, gecontroleerd voor de demografische variabelen, verklaren 15% van de variantie.
    De directe invloed van de aandoeningen op de algemene kwaliteit van leven is voor CVS ten opzichte van Reuma (Ŗ= -.534 p<0.001) groter dan voor mensen met Fibromyalgie ten opzichte van Reuma (Ŗ= -.334 p<0.001).
    Dit verschil tussen CVS en Fibromyalgie blijft in alle stappen in stand.
    Op het moment dat alleen stigmatisering wordt toegevoegd zijn zowel vervreemding als de mate van tevredenheid over de specialist significant van invloed op de kwaliteit van leven.
    Echter, zodra de volgende blokken in de regressie worden toegevoegd blijft alleen vervreemding over als significante variabele.
    Stigmatisering en sociale steun leveren in stap drie beide een bijdrage van 9% aan het model.
    Zowel stigmatisering en sociale steun hebben een mediŽrende invloed op het verband tussen de aandoeningen en de kwaliteit van leven (vooraf is er geen hypothese opgesteld over de invloed van neuroticisme op de kwaliteit van leven. Tijdens de analyses is deze variabele exploratief meegenomen en bleek hij wel invloed uit te oefenen. Om deze reden wordt neuroticisme in deze paragraaf gepresenteerd als een verklarende variabele.).
    Vooraf is er geen hypothese opgesteld over de invloed van neuroticisme op de kwaliteit van leven.
    Tijdens de analyses is deze variabele exploratief meegenomen en bleek hij wel invloed uit te oefenen.
    Om deze reden wordt neuroticisme in deze paragraaf gepresenteerd als een verklarende variabele.
    Uit de Betaís is af te leiden dat stigmatisering de invloed van de aandoeningen meer medieert dan sociale steun.
    Het is opvallend dat zodra neuroticisme aan het model wordt toegevoegd, Fibromyalgie geen significante bijdrage meer levert.
    Uiteindelijk zijn CVS, vervreemding, sociale steun : discrepanties en neuroticisme significante voorspellers in het model.

    Tabel 5.17 - Regressieanalyse voor kwaliteit van leven in het algemeen
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 79

    Samengevat kan worden gezegd dat de kwaliteit van leven in het algemeen vooral bepaald wordt door de aandoening zelf, in het bijzonder de aandoening CVS.
    Stigmatisering speelt een rol in de vorm van vervreemding en bij sociale steun is de onvrede over de ontvangen sociale steun belangrijk.

    5.6.2 Psychisch functioneren
    Mensen met gevoelens van een depressie kwamen voor bij zowel CVS en Fibromyalgie als Reuma.
    Het percentage mensen met symptomen van een depressie was het hoogst voor CVS (78.6%) en Fibromyalgie (69.7%).
    Met behulp van een meervoudige regressieanalyse is onderzocht op welke wijze de verschillende variabelen de mate van een depressie kunnen verklaren.
    In totaal wordt 58% van de variantie in depressie verklaard door de demografische variabelen, de aandoeningen, stigmatisering, sociale steun en neuroticisme (tabel 5.18).
    De grootste bijdragen worden geleverd door de aandoeningen (17%) en neuroticisme (16%).
    Ook in deze regressieanalyse is stap 3 afzonderlijk voor stigmatisering en sociale steun gedaan.
    In deze stap verklaarde stigmatisering en sociale steun ongeveer even veel variantie in depressie (respectievelijk 14% en 13%).

    Tabel 5.18 - Regressieanalyse voor depressie
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 80

    De directe invloed van CVS (Ŗ= .534, p<0.001) en Fibromyalgie (Ŗ = .471, p<0.001) ten opzichte van Reuma op depressie is erg groot.
    De invloed wordt bij elke toevoeging van een verklarende variabele kleiner maar blijft in alle stappen significant.
    Net als bij de kwaliteit van leven in het algemeen heeft het hebben van CVS een grotere invloed dan Fibromyalgie ten opzichte van Reuma.
    Hoe meer stigmatisering men ervaart, voornamelijk in de vorm van vervreemding (Ŗ =.328 p<0.001) en in mindere mate als gevolg van de houding van de specialist (Ŗ =-.126 p<0.5), hoe meer gevoelens van een depressie men heeft.
    Stigmatisering heeft een mediŽrende invloed op de bijdrage van de aandoeningen.
    Sociale steun medieert ook maar in mindere mate dan stigmatisering.
    Een tekort aan sociale steun (Ŗ =.456, p<0.001) heeft een grote invloed op depressie.
    Het is opvallend dat alle invloed van sociale steun op depressie verdwijnt zodra neuroticisme wordt toegevoegd.
    Neuroticisme is een belangrijke verklarende variabele in het model van depressie.
    Dit is zowel te zien aan de toename van de verklaarde variantie als aan de verminderde Betaís in de rest van het model.

    Kort samengevat, depressie wordt voornamelijk verklaard door neuroticisme gevolgd door de invloed van CVS en Fibromyalgie ten opzichte van Reuma.

    5.6.3 Sociaal functioneren
    Bij sociaal functioneren is respondenten gevraagd om van een aantal sociale activiteiten aan te geven of zij deze activiteit als gevolg van hun aandoening minder vaak deden dan gewenst.
    Sociaal functioneren bleek het minst beperkt te zijn voor mensen met Reuma en het meest voor mensen met Fibromyalgie.
    Door middel van een meervoudige regressieanalyse is onderzocht welke variabelen de meeste invloed uitoefenen op sociaal functioneren (tabel 5.19).
    De totaal verklaarde variantie door het hele model is 40%.
    Na controle voor demografische variabelen hebben beide moeilijk objectiveerbare aandoeningen ten opzichte van reuma een grote invloed op het sociaal functioneren (CVS Ŗ = .619, p<0.001; FM Ŗ=.449, p<0.001).
    Ook hier heeft CVS een grotere invloed dan Fibromyalgie.
    De aandoeningen verklaren 21% van het model.
    Dit betekent dat de helft van de verklaarde variantie door de aandoeningen wordt verklaard.
    In stap drie is er ook voor sociaal functioneren een aparte regressie uitgevoerd voor stigmatisering (verklaart 8%) en sociale steun (verklaart 5%).
    Stigmatisering heeft een grotere mediŽrende invloed dan sociale steun.

    Sociaal functioneren is het enige model waarin stigmatisering in de vorm van persoonlijkheid een significante rol speelt.
    Uiteindelijk blijken zowel ĎPersoonlijkheidí (Ŗ = .144, p<0.05) en ĎVervreemdingí (Ŗ = .162, p<0.05) als de mate van tevredenheid met de specialist (Ŗ = -.108, p<0.05) significante voorspellers voor de mate waarin de respondent zich beperkt voelt in zijn of haar sociaal functioneren.
    Daarnaast is dit model het enige model waarbij in het complete model de interacties (Ŗ =.232, p<0.01) van sociale steun belangrijker lijken te zijn dan de tevredenheid over de interacties (Ŗ = .205, p<0.05).

    Tabel 5.19 - Regressieanalyse voor sociaal functioneren
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 82

    De meervoudige regressieanalyse laat zien dat het hebben van CVS of Fibromyalgie het sociaal functioneren aanzienlijk beperkt ten opzicht van mensen met Reuma.
    Sociale steun in de vorm van interacties speelt een rol bij het voorspellen van het sociaal functioneren.
    Stigmatisering heeft in mindere mate invloed.


    5.7 Ė Conclusie

    In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het onderzoek beschreven.
    De betrokken variabelen zijn door middel van gemiddelden en frequenties uitgebreid beschreven en getoetst.
    Er is gekeken naar significante verschillen in uitkomsten tussen de aandoeningen CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    De resultaten laten zien dat de medische moeilijk objectiveerbare aandoeningen significant verschillen van de referentiegroep Reuma.
    Stigmatisering en onvrede over de ontvangen sociale steun hebben beide een negatieve invloed op de kwaliteit van leven.
    Vervolgens is er met behulp van meervoudige regressieanalyses gekeken naar de invloed van de verschillende variabelen op kwaliteit van leven waarbij gecontroleerd is voor onderlinge relaties.
    Hieruit blijkt dat de aandoeningen steeds een groot deel van de variantie verklaarden.
    Zowel stigmatisering als sociale steun hebben een mediŽrende invloed op de relatie tussen de aandoeningen en de kwaliteit van leven.
    Een opvallende bevinding is dat neuroticisme bij de regressieanalyse van depressie een groot aandeel had in de verklaarde variantie, zelfs nadat rekening is gehouden met de invloed van de overige variabelen.



    Hoofdstuk 6. - Conclusie en discussie


    Inleiding

    In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de in hoofdstuk 5 beschreven resultaten ingegaan op de onderzoeksvragen die voor dit onderzoek zijn opgesteld.
    In paragraaf 6.1 worden de conclusies van het onderzoek beschreven.
    Vervolgens wordt in paragraaf 6.2, de discussie, een kritische blik geworpen op het onderzoek en de onderzoeksresultaten.


    6.1 Conclusie

    De vraagstelling van dit onderzoek luidde als volgt :

    ďZijn er verschillen in de impact van CVS, Fibromyalgie en Reuma op de ervaren kwaliteit van leven en heeft een grotere mate van ervaren stigmatisering en ontevredenheid met het sociale netwerk een negatievere invloed op deze kwaliteit van leven ?Ē

    Deze vraagstelling leidde tot drie onderzoeksvragen met bijbehorende hypothesen.
    De onderzoeksvragen zijn afgebeeld in het onderzoeksmodel in figuur 6.1.

    Figuur 6.1 - Schematisch model van de onderzoeksvragen
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 84

    Het blijkt dat alle drie de aandoeningen, CVS, Fibromyalgie en Reuma, een negatieve impact hebben op de algemene kwaliteit van leven als er wordt gevraagd naar rapportcijfers.
    De gemiddelden laten zien dat alle respondenten lager scoren dan de Nederlandse populatie die haar kwaliteit van leven in het algemeen beoordeelt met een 7.6 (CVS: M= 4.9, FM: M= 5.8, Reuma: M=6.8).
    Het hebben van Reuma heeft een negatieve impact op de kwaliteit van leven, maar de rapportcijfers van mensen met CVS en Fibromyalgie zijn significant lager.
    Mensen met Fibromyalgie scoren een hele punt lager en mensen met CVS zelfs bijna twee punten.
    Hieruit blijkt dat een medisch moeilijk objectiveerbare aandoening een veel grotere impact heeft op de kwaliteit van het leven in het algemeen dan een objectiveerbare aandoening.
    Ditzelfde is te zien als er gekeken wordt naar de impact van de aandoeningen op het domein psychisch functioneren.
    Het percentage depressieve mensen is voor alle drie de onderzoeksgroepen erg hoog.
    Mensen met Reuma scoren gemiddeld 13.3: deze groep had een percentage van 30.6% dat boven het cut-off point van 16 of hoger scoorde en dus als Ďpossible casesí voor een depressie gezien mogen worden.
    Maar mensen met CVS en Fibromyalgie scoren aanzienlijk hoger (CVS: M=25.0, FM: M=23.8).
    Van de mensen met CVS kan ruim drie kwart (78.6%) beschouwd worden als depressief.
    Het percentage van de mensen met Fibromyalgie ligt slechts 9% lager (69.7%).
    Ook het andere domein van kwaliteit van leven, sociaal functioneren, laat zien dat de medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen een grotere negatieve impact hebben dan de referentie groep Reuma.
    Respondenten zijn gevraagd bij een aantal sociale activiteiten aan te geven of zij deze activiteit als gevolg van de aandoening minder vaak deden dan gewenst.
    ReumapatiŽnten geven dit het minst vaak aan.
    Mensen met CVS rapporteren het grootste tekort in sociaal functioneren (Reuma: M=4.7, FM:M=7.4, CVS: M=9.6).
    Ook uit de meervoudige regressieanalyse blijkt dat CVS en Fibromyalgie ten opzichte van Reuma steeds een grotere negatieve invloed ervaren op de kwaliteit van leven.
    Na controle voor demografische variabelen verklaren CVS en Fibromyalgie steeds veel van de variantie (algemene KvL: 14.5%, depressie: 16.7%, sociaal functioneren 20.5%).
    De vraag was of de drie aandoeningen een verschillende impact zouden hebben op de ervaren (algemene) kwaliteit van leven.
    Het onderzoek heeft aangetoond dat alle drie de aandoeningen een negatieve invloed hebben op de algemene kwaliteit van leven en op de domeinen psychisch- en sociaal functioneren.
    Het blijkt dat het hebben van een medisch moeilijk objectiveerbare aandoening een grotere impact heeft dan het hebben van een wel objectiveerbare aandoening.
    Bij de kwaliteit van leven in het algemeen en het domein sociaal functioneren is er daarnaast onderscheid te maken tussen CVS en Fibromyalgie.
    Het blijkt dat de kwaliteit van leven in het algemeen en het sociaal functioneren negatiever wordt beÔnvloed door CVS dan door Fibromyalgie.

    Welke rol speelt stigmatisering nu in het leven van mensen met CVS, Fibromyalgie en Reuma ?
    Zoals verwacht speelt stigmatisering een grotere rol in het leven van mensen met een medisch moeilijk objectiveerbare aandoening dan bij mensen met de objectiveerbare aandoening Reuma.
    Het blijkt dat gevoelens van eenzaamheid en zich anders voelen als gevolg van de aandoening, de subschaal Vervreemding, een grotere rol speelt dan de verwachting dat de omgeving de aandoening ziet als een gevolg van een psychisch probleem, de subschaal Persoonlijkheid.
    Gevoelens van ĎVervreemdingí zijn van toepassing op alle drie de aandoeningen (Reuma:M=4.0, FM: M=4.9, CVS: M=4.9).
    Deze gemiddelden laten zien dat behalve mensen met CVS en Fibromyalgie, ook ReumapatiŽnten een bepaalde vorm van stigmatisering ervaren.
    CVS- en FibromyalgiepatiŽnten scoren gemiddeld wel significant hoger dan de referentie groep Reuma.
    De subschaal ĎPersoonlijkheidí laat een significante gradatie zien waarbij mensen met CVS zich het meest gestigmatiseerd voelen (M=4.0), gevolgd door mensen met Fibromyalgie (M=3.4).
    Voor mensen met Reuma speelt deze vorm van stigmatisering nauwelijks een rol (M=2.0).
    Deze resultaten laten zien dat gevoelens van eenzaamheid of het gevoel anders te zijn als gevolg van de aandoening (ĎVervreemdingí) ook voorkomen bij een aandoening die erkend wordt en goed te diagnosticeren is.
    Terwijl het idee dat men denkt dat de ziekte het gevolg is van een psychisch probleem alleen speelt bij CVS en Fibromyalgie.
    Dit kan verklaard worden door de mate van acceptatie en erkenning van de aandoening.
    Gevoelens van eenzaamheid en / of anders zijn kunnen bestaan bij elke chronische ziekte.
    De resultaten laten zien dat mensen met CVS en Fibromyalgie hier wel meer last van hebben.
    Echter, het idee dat men denkt dat een ziekte een gevolg is van een gebrek in de persoonlijkheid of een psychisch probleem van de patiŽnt, laat een veel directere vorm van stigmatisering zien.
    In tegenstelling tot ĎVervreemdingí is deze vorm van stigmatisering veel meer van toepassing op aandoeningen die medisch moeilijk objectiveerbaar zijn, waarover veel discussie bestaat en daardoor minder geaccepteerd / erkend worden.
    Dit onderzoek toont aan dat patiŽnten op verschillende manieren stigmatisering ondervinden.
    De mate van acceptatie / erkenning van de aandoening is van invloed op de ervaringen van stigmatisering.

    Een andere vorm van stigmatisering is de houding van de medisch specialist.
    Als gevolg van de moeilijke objectiveerbaarheid van de aandoeningen CVS en Fibromyalgie kan er potentie bestaan voor een onplezierige bejegening van de medische specialist.
    Uit het onderzoek blijkt dat de mate van tevredenheid over de medisch specialist voornamelijk wordt bepaald door welke aandoening de respondent heeft.
    De meest tevreden respondenten waren de ReumapatiŽnten (M= 40.5).
    Mensen met CVS waren het minst tevreden over hun medisch specialist (M=31.8).

    De resultaten laten zien dat gevoelens van stigmatisering een rol spelen in het leven van de respondenten.
    Door middel van een meervoudige regressieanalyse is onderzocht of stigmatisering zorgt voor een lagere kwaliteit van leven.
    Na controle voor demografische variabelen en CVS en Fibromyalgie verklaart stigmatisering 9% van de variantie in de algemene kwaliteit van leven, 13.6% in depressie en 7.7% in sociaal functioneren.
    Het blijkt dat vooral gevoelens van ĎVervreemdingí een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van leven.
    Respondenten die zich als gevolg van de aandoening onbegrepen en / of anders voelen geven een lager cijfer voor hun kwaliteit van leven, hebben meer last van depressieve gevoelens en ervaren een grotere beperking in hun sociaal functioneren.
    De mate van tevredenheid over de houding van de medisch specialist oefent een minimale invloed uit op de kwaliteit van leven.
    Op het moment dat men minder tevreden is over de specialist wordt de kwaliteit van leven in het algemeen lager beoordeeld.
    Daarnaast zijn ze vaker depressief en minder tevreden over het sociaal functioneren.

    Naast stigmatisering is er in dit onderzoek gekeken naar de rol die sociale steun speelt bij mensen met CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    De omvang van de sociale steun, de interacties, bleken weinig te verschillen voor de drie aandoeningen (CVS: M=13.4, FM: M=13.4, Reuma:M=13.8).
    De mate waarin de respondenten tevreden waren ůver de sociale steun die zij ontvangen wordt wel door de aandoeningen beÔnvloed.
    Mensen met CVS rapporteren het grootste tekort in sociale steun (M=10.5).
    CVS patiŽnten zijn niet significant verschillend van mensen met Fibromyalgie (M=10.4).
    De beide medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen zijn significant minder tevreden over hun sociale steun dan mensen met Reuma (M=8.8).
    Vervolgens is met behulp van een meervoudige regressieanalyse bekeken of sociale steun van invloed is op de kwaliteit van leven.
    Sociale steun verklaart 9.3% van de variantie in de algemene kwaliteit van leven, 13.3% in depressie en 5% in sociaal functioneren.
    De resultaten laten zien dat de mate van tevredenheid met de verkregen sociale steun een rol speelt bij de kwaliteit van leven in het algemeen en bij depressie.
    Respondenten die minder tevreden zijn over de sociale steun, zijn vaker depressief en beoordelen de kwaliteit van leven in het algemeen met een lager rapportcijfer.
    Alleen bij het domein sociaal functioneren zijn de interacties belangrijker dan de tevredenheid ůver de interacties.
    Een logische verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat men met een groter netwerk beter in staat is om het niveau van sociaal functioneren op hetzelfde peil te houden vergeleken met de periode voor het ontstaan van de aandoening. In relatie tot depressie is dus niet de kwantiteit maar de kwaliteit van de sociale steun van belang.

    Vooraf is er geen hypothese opgesteld over de mate waarin neuroticisme van invloed is op de verschillende vormen van kwaliteit van leven.
    Uit de resultaten blijkt dat mensen met CVS en Fibromyalgie gemiddeld hoger scoren op de Neuroticisme schaal dan mensen met Reuma (CVS: M=6.4, FM: M=7.5, Reuma: M=4.8).
    Een opvallend resultaat is dat neuroticisme na controle van alle overige variabelen een relatief groot deel van de variantie verklaart in het regressiemodel van depressie (16%).


    6.2 Ė Discussie

    De conclusie dat het hebben van Reuma, CVS en Fibromyalgie een negatieve impact heeft op de algemene kwaliteit van leven komt overeen met de literatuur (Bodur et al. 2005, Borman et al. 2007, Rakib et al. 2005).
    Echter, de verwachting dat mensen met Fibromyalgie en Reuma dezelfde mate van kwaliteit van leven zouden ervaren (Celiker en Borman, 2001; Ofluoglu et al. 2005) komt niet naar voren in dit onderzoek.
    FibromyalgiepatiŽnten beoordelen hun kwaliteit van leven significant lager dan mensen met Reuma.
    Een opvallend resultaat van dit onderzoek is het hoge percentage van depressieve mensen bij CVS en FibromyalgiepatiŽnten.
    Uit een onderzoek naar CVS bleek al dat depressieve gevoelens een grote rol spelen in het leven van een CVS patiŽnt (Rakib et al. 2005).
    Onderzoek naar Fibromyalgie laat verschillende percentages zien, van 20% (Kirmayer et al. 1988) tot 65% (Alfici et al. 1989) en 71% (Hudson et al. 1985).
    Deze percentages zijn geciteerd in het onderzoek van Schoofs et al. (2004).
    Deze onderzoeken laten zien dat de in dit onderzoek gevonden percentages niet uitzonderlijk zijn.
    In overeenkomst met het onderzoek van Looper en Kirmayer (2004) rapporteren mensen met moeilijk objectiveerbare aandoeningen meer stigmatisering dan de mensen met een wel objectiveerbare aandoening.
    De ervaring van CVS- en FibromyalgiepatiŽnten dat hun ziekte door de sociale omgeving beschouwd wordt als een aandoening met een psychische oorzaak komt overeen met eerder onderzoek (Asbring en Narvanen 2002).
    Onderhavig onderzoek laat in overeenstemming met ander onderzoek (Bolwijn et al. 1994, Schoofs et al. 2004) zien dat de sociale steun van CVS- en FibromyalgiepatiŽnten beperkt is.
    Toch blijkt niet de omvang maar de tevredenheid ůver de sociale steun het meest van belang bij de verklaring van kwaliteit van leven.
    Dit werd al eerder aangetoond in het onderzoek van Douglas et al. (1996).
    Een ander opvallend resultaat is dat neuroticisme een grote rol speelt bij de verklaring van depressie, zelfs na controle van alle andere variabelen.
    Neuroticisme wordt beschreven als een belangrijke eigenschap die invloed zou kunnen uitoefenen op de gezondheid (Sanderman et al. 1995).
    Het hebben van neurotische trekken zou mensen kwetsbaarder kunnen maken voor het ontwikkelen van CVS of Fibromyalgie (Gezondheidsraad 2005).

    De beschreven resultaten en conclusies moeten met voorzichtigheid worden geÔnterpreteerd.
    Causale verbanden kunnen niet met zekerheid worden vastgesteld.
    Voor een aantal verbanden is de causaliteit redelijk logisch vast te stellen omdat een relatie in de omgekeerde richting minder aannemelijk zou zijn.
    Bij de invloed van bijvoorbeeld stigmatisering op gevoelens van een depressie is het moeilijker om causaliteit vast te stellen.
    Het zou kunnen zijn dat een hoge mate van stigmatisering leidt tot meer depressieve gevoelens : echter het feit dat iemand depressief is kan ook tot gevolg hebben dat men meer sensitief is voor het beoordelen van interacties als zijnde stigmatiserend.
    Het is daarom van belang om bij het interpreteren van de conclusies te bedenken dat deze resultaten gebaseerd zijn op een momentopname.
    Een meting over de tijd zou meer uitsluitsel kunnen geven over de causaliteit van de gemeten verbanden.

    Mensen met CVS en Fibromyalgie konden zichzelf opgeven voor deelname aan het onderzoek via een oproep op websites.
    Mensen met Reuma is op een aantal locaties gevraagd een vragenlijst in te vullen.
    Er is hierdoor mogelijk geen goede afspiegeling van de populatie van mensen met CVS, Fibromyalgie en Reuma.
    Dit had niet voorkomen kunnen worden, omdat mensen met CVS en Fibromyalgie niet landelijk geregistreerd zijn.
    De onderzoekspopulatie komt wat betreft geslacht en leeftijd wel overeen met andere studies naar deze aandoeningen.
    Een landelijk registratiesysteem voor alle functionele syndromen zou toekomstig onderzoek ten goede komen.
    Voor de medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen, CVS en Fibromyalgie, zijn inclusie criteria vastgesteld met betrekking tot onderzoeksdoeleinden.
    Voor dit onderzoek was het echter ondoenlijk om de diagnose door een externe deskundige vast te laten stellen / te bevestigen.
    Er is vanuit gegaan dat de respondenten die de vragenlijsten hebben ingevuld legitiem de diagnose gebruiken en dat zij dus voldoen aan deze criteria.
    De gebruikte vragenlijst is zeer zorgvuldig samengesteld aan de hand van literatuurstudie.
    De meeste meetinstrumenten die zijn gebruikt zijn in Nederland gevalideerd en zijn psychometrisch goed bevonden.
    De betrouwbaarheidsanalyses leverden voor alle schalen een goede alpha op.
    Tijdens het schrijven van het onderzoeksvoorstel is er kritiek geuit op de het gebruik van de aandoening Reuma als referentiegroep.
    Reuma zou als aandoening te algemeen zijn en omvat meerdere ziekten met verschillende uitingsvormen.
    Daarbij is Fibromyalgie een aandoening die onder de reumatische aandoeningen valt.
    Er is voor gekozen om dit niet te wijzigen om het onderzoek niet te complex te maken.
    Door te kiezen voor ťťn vorm van Reuma wordt de respondentenwerving bemoeilijkt.
    Daarnaast ging het om de vergelijkbaarheid en niet om inhoudelijke details van de aandoening.
    Het feit dat Fibromyalgie een reumatische aandoening is had geen consequenties omdat de aandoening binnen dit onderzoek als aparte groep geanalyseerd is.


    Lees verder : Deel VII

     

    06-02-2008 om 20:12 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel VII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel VII


    Implicaties voor de praktijk en suggesties voor toekomstig onderzoek
    Het percentage depressieve mensen binnen de groep CVS en Fibromyalgie is uitzonderlijk hoog in dit onderzoek.
    Maar de causaliteit is moeilijk vast te stellen : is de depressie een gevolg of een oorzaak van de aandoening ?
    Desondanks is dit een signaal dat er binnen het behandelplan aandacht moet zijn voor eventuele depressieve klachten.
    Ook zou er aandacht moeten zijn voor neuroticisme bij mensen met CVS en Fibromyalgie.
    Het is belangrijk te weten of mensen ziek worden door psychische klachten of dat deze klachten juist het gevolg zijn van de aandoening.
    Eerder onderzoek wijst er op dat neuroticisme samenhangt met psychosomatische symptomen en niet met somatische uitdrukkingen van psychologische stress (Rosmalen et al. 2006).
    Toekomstig onderzoek zou zich kunnen richten op de oorzaken van deze hoge depressiescores en het bestaan van neuroticisme bij mensen die lijden aan deze aandoeningen.
    Daarnaast zou er meer aandacht moeten zijn voor de gevoelens van stigmatisering die mensen met CVS en Fibromyalgie rapporteren.
    Stigmatisering wordt in verband gebracht met depressieve klachten (Looper en Kirmayer, 2004; Anston et al. 1986 in: Jacoby 1994).
    Wellicht zou voorlichting over deze aandoeningen kunnen bijdragen aan de (h)erkenning van CVS en Fibromyalgie door de medische wereld en de maatschappij.
    Uit dit onderzoek blijkt dat mensen met CVS steeds slechter af waren dan mensen met Fibromyalgie.
    Het zou daarom interessant zijn om in een volgend onderzoek ook fysieke beperkingen mee te nemen.
    Er kan dan onderzocht worden of het verschil in de kwaliteit van leven door de mate van fysieke beperking wordt veroorzaakt.
    Voor toekomstig onderzoek zou er ook gedacht kunnen worden aan kwalitatief onderzoek.
    Met kwalitatief onderzoek is er meer interactie met de respondent waardoor er dieper kan worden ingegaan op bijvoorbeeld gevoelens van mensen.
    De interviewer kan op vragen doorvragen en ziet de emotie van de respondent bij het beantwoorden van de vragen.
    Ook geeft een kwalitatief onderzoek de gelegenheid voor het vertellen van eigen ervaringen en belevingen van de respondent.
    Vooral bij een concept als stigmatisering kan de subjectieve beleving van de respondent interessante informatie opleveren.
    Het zou, tot slot, informatief kunnen zijn om naast mensen met CVS en Fibromyalgie ook de naaste omgeving bij het onderzoek te betrekken.
    Uit dit onderzoek komt naar voren dat alle drie de aandoeningen ongeveer ťťnzelfde niveau van sociale steun ontvangen (interacties).
    Toch bestaat er een gradatie wat betreft de tevredenheid over deze ontvangen sociale steun (discrepanties).
    Door het netwerk en de sociale steun van de respondent beter in kaart te brengen kan het achterliggende mechanisme onderzocht worden.
    Hebben mensen met een bepaalde aandoening meer steun nodig ?
    Daarnaast kan door het netwerk van de respondent te ondervragen aandacht worden besteed aan het verschil tussen vastgestelde en gevoelde stigmatisering zoals beschreven door Scambler en Hopkins (in: Jacoby 1994).
    Men zou bijvoorbeeld de omgeving een attitudetest kunnen afnemen en deze uitslag vervolgens vergelijken met de ervaringen van stigmatisering door de respondent.

    Dit onderzoek heeft laten zien dat het hebben van een chronische aandoening een negatieve impact heeft op de kwaliteit van leven en dat deze impact voor de drie verschillende aandoeningen verschillend is.
    Voor de medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen, CVS en Fibromyalgie, is deze impact aanzienlijk groter dan voor de referentie groep Reuma.
    Het blijkt dat mensen met CVS over het algemeen het slechtst af zijn.
    De mate van stigmatisering door de sociale omgeving speelt een belangrijke rol bij het ervaren van negatieve gevolgen van een aandoening.
    Stigmatisering blijkt te worden beÔnvloed door de mate van acceptatie en erkenning van de aandoening.
    Mensen met CVS en Fibromyalgie ervaren aanzienlijk meer gevoelens van stigmatisering dan mensen met Reuma.
    In het bijzonder speelt de gedachte dat de omgeving hun ziekte wijt aan een psychisch probleem en de bejegening door de medische specialist een belangrijke rol.
    Een hoge mate van stigmatisering heeft vervolgens een negatieve invloed op de kwaliteit van leven.
    Bij sociale steun is dezelfde trend aanwezig.
    Mensen met CVS en Fibromyalgie zijn het minst tevreden over de sociale steun die zij ontvangen.
    Deze onvrede over de sociale steun heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van leven.
    Ook neuroticisme blijkt een grote rol te spelen in de verklaring van een domein van kwaliteit van leven : depressie.

    De van te voren geformuleerde verwachting dat wat betreft (aspecten van) de kwaliteit van leven en stigmatisering ReumapatiŽnten het best zouden scoren, CVS patiŽnten het slechtst en mensen met Fibromyalgie een tussenpositie zouden innemen, moet enigszins worden bijgesteld. Hoewel de resultaten laten zien dat ReumapatiŽnten inderdaad het best scoren en mensen met CVS vrijwel steeds het slechtst, blijkt dat de onderzoeksuitkomsten van FibromyalgiepatiŽnten slechts iets beter zijn en dat deze verschillen niet altijd significant zijn.

    Van een tussenpositie is hierdoor geen sprake.



    Bronvermelding


    1. Aaron, L.A., L.A. Bradley, G.S. Alarcůn, M. Triana-Alexander, R.W. Alexander, M.Y. Martin, K.R. Alberts (1997) - Perceived physical and emotional trauma as precipitating events in fibromyalgia with health care seeking and disability status but not pain severity - Arthritis and Rheumatism, 40, p. 453-460
      Objective - We examined relationships between perceived physical and emotional trauma that occur prior to or that initiate, pain onset and health care seeking for fibromyalgia syndrome (FMS).
      We also assessed associations between perceived trauma and levels of health care usage, symptom severity, functional disability and receipt of disability compensation among patients with FMS.
      Methods - We evaluated these variables using interviews and standardized instruments in a consecutive series of FMS patients and community residents who met the American College of Rheumatology criteria for FMS but had not sought medical care (nonpatients).
      Results - Emotional trauma was associated with status as an FMS patient independently of demographics, physical trauma and sexual/physical abuse (P = 0.007).
      Among patients, emotional trauma was related to a high number of physician visits (P = 0.013), functional disability ratings (P = 0.012) and fatigue (P = 0.029), but physical trauma was associated with receipt of disability compensation (P = 0.019).
      Trauma history was not related to pain severity or pain thresholds.
      Conclusion - Perception of physical trauma is a greater determinant of disability compensation for FMS than is perceived emotional trauma, symptom severity or functional disability.
      Effort should be devoted to understanding the social and legal factors underlying this observation, as well as to reducing high health care usage among FMS patients with emotional trauma.
      Cfr. : http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/abstract/112213095/ABSTRACT?CRETRY=1&SRETRY=0

    2. Arnett, F.C., S.M. Edworhty, D.A. Bloch, D.J. McShane, J.F. Fries, N.S. Cooper, L.A. Healey, S.R. Kaplan, M.H. Liang, H.S. Luthra, (1988) - The American Rheumatism Association 1987 revised criteria for the classification of rheumatoid arthritis - Arthritis and Rheumatism, 31(3), p. 315-324
      The revised criteria for the classification of rheumatoid arthritis (RA) were formulated from a computerized analysis of 262 contemporary, consecutively studied patients with RA and 262 control subjects with rheumatic diseases other than RA (non-RA).
      The new criteria are as follows :
      - morning stiffness in and around joints lasting at least 1 hour before maximal improvement
      - soft tissue swelling (arthritis) of 3 or more joint areas observed by a physician
      - swelling (arthritis) of the proximal interphalangeal, metacarpophalangeal or wrist joints
      - symmetric swelling (arthritis)
      - rheumatoid nodules
      - the presence of rheumatoid factor and
      - radiographic erosions and/or periarticular osteopenia in hand and/or wrist joints.
      Criteria 1 through 4 must have been present for at least 6 weeks.
      Rheumatoid arthritis is defined by the presence of 4 or more criteria and no further qualifications (classic, definite or probable) or list of exclusions are required.
      In addition, a "classification tree" schema is presented which performs equally as well as the traditional (4 of 7) format.
      The new criteria demonstrated 91-94% sensitivity and 89% specificity for RA when compared with non-RA rheumatic disease control subjects.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/3358796

    3. Asbring, P., en A. Nšrvšnen, (2002) - Womenís Experiences of Stigma in Relation to Chronic Fatigue Syndrome and Fibromyalgia - Qualitative Health Research, 12(2), p. 148-160
      Chronic fatigue syndrome and fibromyalgia are characterized by being difficult to diagnose and having an elusive etiology and no clear-cut treatment strategy.
      The question of whether these illnesses are stigmatizing was investigated through interviews with 25 women with these illnesses.
      The women experienced stigmatization primarily before receiving a diagnosis and the diffuse symptomatology associated with the illnesses were significant for stigmatization.
      Stigma consisted of questioning the veracity, morality and accuracy of patient symptom descriptions and of psychologizing symptoms.
      Coping with stigma was also explored and found to comprise both withdrawal and approach strategies, depending on the individual's circumstances and goals.
      Also read the comment on this article 'Women experienced chronic fatigue syndrome and fibromyalgia as stigmatising' by S. Wessely, Guy's, King's and St Thomas's School of Medicine and Institute of Psychiatry, London, UK - Qual Health Res. 2002 Feb;12(2):148-60 - PMID: 12440469 at : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12440469 -.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11837367

    4. Bazelmans, E., J.H.M.M. Vercoulen, J.M.D.Galama, C. van Weel, J.W.M. van der Meer en G. Bleijenberg, (1997) - Prevalentie van het chronische-vermoeidheidssyndroom en het primaire-fibromyalgiesyndroom in Nederland - Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141 (31) p. 1520-1523

    5. Bergman, S. (2005) - Psychosocial aspects of chronic widespread pain and fibromyalgia - Disability and Rehabilitation, 27 (12), p. 675-683
      Purpose - To study the impact on health status as measured by SF-36 in groups of subjects having chronic musculoskeletal pain with different degree of generalization : no chronic pain (NCP), chronic regional pain (CRP), chronic widespread pain (CWP), CWP with a stricter 'Manchester' definition (CWP-M) and clinically defined fibromyalgia (FM).
      The study also examines the association between psychosocial and lifestyle background variables and these pain-groups.
      Method - A cross-sectional study with a postal survey to 3928 subjects, constituting a representative sample of the adult general population, followed by clinical examination in a selected group of subjects with CWP. CWP and FM were diagnosed according to ACR 1990 fibromyalgia criteria.
      Health status was measured by SF-36 Health Survey.
      Results - Patients with CWP, CWP-M and FM were found to present with more severe impairment of health status than the other two population groups.
      Several psychosocial factors, such as belonging to a lower socio-economic group, being an immigrant, living in a compromised housing area, having lower educational level, experiencing lower social support and having a family history of chronic pain, were associated with the populations with CWP and FM.
      Conclusions - The spectrum of impact on health and association to background variables, with respect to a stricter definition of CWP, indicates that these factors are important to attend to in the understanding and management of CWP and FM.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16012060?dopt=Abstract

    6. Bodur, H., P. Borman, Y. ÷zdemir, C. Atan, G. Kural, (2005) - Quality of life and life satisfaction in patients with Behcetís disease - Relationship with disease activity Ė Clinical Rheumatology, 25: p. 329-333
      Quality of life (QoL) and life satisfaction (LS) are important outcome factors in chronic inflammatory conditions such as BehÁet's disease (BD).
      The aim of this study was to investigate QoL and LS in patients with BD and determine the relationship with disease activity.
      Forty-one patients with BD and 40 control subjects were involved in the study.
      Demographic properties were obtained.
      Disease activity was assessed by Turkish version of BD Current Activity Form (BDCAF) in BD patients.
      QoL and psychological well-being were assessed by Nottingham Health Profile (NHP) and Life Satisfaction Index (LSI), respectively, in both patients and control groups.
      The related disease activity measures of QoL and LS were determined.
      Twenty-two male and 19 female BD patients with a mean age of 33.3Ī9.3 years and 20 male and 20 female control subjects with a mean age of 33.3Ī4.1 years were involved.
      According to BDCAF, no patient had central nervous system involvement.
      Thirty-four patients had headache, 33 patients had fatigue, 30 patients had articular involvement, 29 had mucocutaneous lesions, 27 had gastrointestinal involvement, 21 patients had ocular involvement and 7 patients had vascular involvement.
      The scores of all dimensions of NHP were significantly higher and the mean score of LSI was significantly lower in BD patients than in control subjects (p<0.001).
      Correlation analysis indicated that the scores of fatigue, joint involvement and oral ulcers were the most related factors for physical domains of NHP, whereas joint involvement and genital ulcers were the most related activity measures for psychosocial subscales of NHP.
      LS was found to be most related with the scores of patient's and physician's impression of disease activity and joint involvement.
      In conclusion, patients with BD have impaired QoL and disturbed psychological well-being.
      Current management strategies focusing on fatigue, arthralgia, mucocutaneous lesions and efforts to measure psychosocial aspects and symptoms of the patients by their point of view will help to improve QoL and raise the LS in patients suffering from BD.
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/l007j52508v80315/

    7. Bolwijn, P.H., M.H. van Santen-Hoeufft, H.M. Baars, S. van der Linden, (1994) Ė Social network characteristics in fibromyalgia and rheumatoide arthristis - Arthritis Care Research, p. 46-9
      Purpose - To describe trends in the personal social network characteristics of the fibromyalgia patients compared with the network of patients with another chronic disorder such as rheumatoid arthritis (RA).
      Methods - A structured interview was applied to 10 fibromyalgia patients and 10 matched RA patients.
      Results - The networks of the 10 fibromyalgia and 10 RA patients were comparable in most respects, namely : the small number of intimate friends, the reliance for support on the spouse and the physician and the relative lack of new social contacts.
      Furthermore, the fibromyalgia networks were closed networks within a small geographic area.
      These networks lacked initiative to establish and maintain relations and can hardly fulfill the patients' psychosocial needs.
      Conclusion - Based on small numbers, the study provides some evidence that social networks of patients with fibromyalgia are more restricted than those of RA patients.
      Further studies should include larger numbers of patients to clarify cause and effect relationships and to suggest new directions in the treatment of chronic disorders such as fibromyalgia.
      Cfr. : http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/abstract/112204239/ABSTRACT

    8. Boot, J.M.D., (2001) - Inleiding in de medische sociologie - Koninklijke Van Gorcum BV Ė ISBN : 9023237188
      ďDe medische sociologie wordt hier niet gepresenteerd als een afgesloten Ďbody of knowledgeí, maar als een fascinatie met ziekte, gezondheid en zorg als sociale verschijnselen die vanuit een steeds wisselende gezichtshoek worden bekeken.Ē schreef Paul Schnabel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 1995, ten aanzien van de vorige druk.
      ďSamengevat: een informatief, overzichtelijk en helder geschreven inleiding met een beperkt aantal zwakke plekken.Ē beweert Joop Jaspers, Medische Antropologie, 1996, ten aanzien van de vorige druk.
      Al sinds 1977 neemt de Inleiding in de medische sociologie een prominente plaats in binnen het onderwijs aan aankomende beroepsbeoefenaren in de zorgsector.
      J.M.D. Boot heeft de uitgave midden jaren negentig ingrijpend herzien.
      De Ďstate of the artí van de medisch sociologisch discipline werd opnieuw verwoord in sociologische begrippen en theorieŽn en toegepast op gezondheid, ziekte en (gezondheids)zorg.
      De zevende druk is benut om de meest recente ontwikkelingen qua sociologisch denken en onderzoeksresultaten toe te voegen en om de in het verleden geconstateerde Ďzwakke plekkení te elimineren door de waardevolle commentaren van recensenten, docenten en studenten te verwerken.
      Actualisering van illustratieve tekstboxen zorgt voor een goede aansluiting van deze sociologische theorie en praktijk op de maatschappelijke realiteit van ziekte, gezondheid en (gezondheids)zorg.
      Cfr. : http://www.vangorcum.nl/nl/snpage.asp?ID=3536

    9. Borman, P., G. Gur Toy, S. Babaoglu, H. Bodur, D. Ciliz, N. Alli, (2007) - A comparative evaluation of quality of life and life satisfaction in patients with psoriatic and rheumatoid arthritis - Clinical Rheumatology, 26, p. 330-334
      Both rheumatoid arthritis (RA) and psoriatic arthritis (PsA) have a negative impact on patients' quality of life (QOL).
      The aim of this study was to compare QOL and life satisfaction in patients with RA and PsA.
      Forty patients with PsA, 40 patients with RA and 40 healthy control subjects were included in the study.
      Demographic data and clinical characteristics including age, sex, disease duration, erythrocyte sedimentation rate (ESR), C-reactive protein (CRP), peripheral pain assessed by visual analog scale (VAS) and Larsen scores of hand X-rays were recorded.
      Nottingham Health Profile (NHP) was used to evaluate QOL and Life satisfaction index (LSI) was used to measure psychological well-being in both groups.
      The demographic data of the subjects were similar between the groups.
      The scores of all NHP subscales were significantly higher and the scores of LSI were significantly lower in PsA and RA patients than in control subjects.
      The inflammation markers including ESR, CRP, pain by VAS and Larsen scores were found to be significantly higher in RA patients.
      The scores of LSI were similar between the groups.
      Although the scores of physical domains of NHP (pain and physical disability) were statistically higher in RA patients (p<0.05), the scores of psychosocial subgroups of NHP were similar between RA and PsA patients (p>0.05).
      Both PsA and RA patients had disturbed QoL and decreased life satisfaction.
      In conclusion, peripheral joint damage, inflammation and physical disability are significantly greater in RA but psychosocial reflection of QOL and life satisfaction are the same for both groups which can be explained by the additional impact of skin disease in patients with PsA.
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/klu/10067/2007/00000026/00000003/00000298

    10. Bouma, J., A. V. Ranchor, R. S. Sanderman, E. Van Sonderen, (1995) - Het meten van symptomen van depressie met de CES-D - Een handleiding - Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken, Rijksuniversiteit Groningen - ISBN 90 72156 25 0
      In veel onderzoek is het wenselijk om niet alleen de algemene gezondheidstoestand te meten, maar ook een specifiek aspect daarvan.
      Vooral psychische klachten, al dan niet als gevolg van moeilijkheden of vervelende gebeurtenissen, fungeren vaak als uitkomstmaat.
      De CES-D is een instrument waarmee de omvang van depressieve symptomen goed kan worden vastgesteld.
      Met dit instrument kunnen niet alleen 'ernstige gevallen' worden gedetecteerd, maar ook personen met mildere symptomen.
      In deze uitgave worden gegevens uit diverse studies gepresenteerd.
      Cfr. : http://www.rug.nl/gradschoolshare/research_tools/tools/cesd

    11. Brussee, L. (2003) - Tinnitus ďeen permanente stoorzenderĒ - De invloed van tinnitus op het dagelijks functioneren en de kwaliteit van leven - Uitgave Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid, Rijksuniversiteit Groningen
      Tinnitus (oorsuizen) kan de kwaliteit van leven van iemand ernstig aantasten.
      Het voortdurende lawaai in het hoofd is voor velen een zware geestelijke belasting die het plezier in het leven behoorlijk kan beÔnvloeden en het normaal functioneren Ėsoms ernstig- kan belemmeren.
      Mensen in de omgeving reageren vaak met onbegrip.
      Het is moeilijk te begrijpen voor de omgeving dat iemand een geluid hoort dat er niet is.
      Ook dat draagt bij aan de geestelijke belasting van de patiŽnt.
      Om een beeld te krijgen van de psychosociale gevolgen van tinnitus op het dagelijks leven van de patiŽnt, is door de KNO-kliniek van het AZG gevraagd sociaal-wetenschappelijk onderzoek op dit terrein uit te voeren.
      De respondenten zijn verkregen uit het patiŽntenbestand van de KNO artsen uit het AZG met medewerking van de kliniek.
      PatiŽnten die gedurende het onderzoek (mei t/m december 2002) op consult kwamen bij een KNO arts in het AZG, hebben deze enquÍte ontvangen.
      Uiteindelijke hebben zestig van de vierenzeventig mensen de enquÍte teruggestuurd.
      De respons van dit onderzoek komt daarmee op 81,1 %.
      Uit de literatuur is gebleken dat tinnitus gevolgen heeft voor het psychisch, fysiek en sociaal functioneren.
      Daarnaast bleek de persoonlijkheid van iemand met tinnitus van invloed te zijn op de mate waarin tinnitus het psychisch, fysiek en sociaal functioneren beÔnvloedt.
      In dit onderzoek is een aantal onderdelen van het dagelijks leven van mensen met tinnitus onderzocht.
      De probleemstelling van dit onderzoek luidt als volgt : ďWat is de invloed van tinnitus op het dagelijks functioneren en de kwaliteit van leven ?Ē
      Deze probleemstelling is beantwoord door middel van de onderstaande onderzoeksvragen.
      a/ Leidt een slecht fysiek functioneren tot een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven ?
      Het fysiek functioneren bestaat in dit onderzoek alleen uit de klinische/medische aspecten van tinnitus.
      De luidheid van tinnitus blijkt van invloed te zijn op de beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Echter omdat de suisanalyse maar bij 23 van de 60 respondenten is afgenomen moet met deze conclusie de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen.
      De duur van de tinnitus en gehoorverlies zijn niet van invloed op de beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Verder blijkt dat als tinnitus verergert bij lawaai, eentonig geluid of stress dit van negatieve invloed is op de beoordeling van de kwaliteit van leven.
      De factor vermoeidheid blijkt niet van invloed te zijn.
      b/ Leidt een slecht sociaal functioneren tot een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven ?
      Het optreden van veranderingen op het werk (bijvoorbeeld, minder gaan werken, het nemen van meer pauzes of het stoppen met werken) hangt samen met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Het ervaren van problemen met bepaalde activiteiten (bijvoorbeeld telefoneren, vergaderen of activiteiten die veel concentratie vereisen) blijkt echter niet samen te hangen met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Uit dit onderzoek blijkt dat een lagere hoeveelheid verkregen sociale steun niet samenhangt met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Een lagere mate van tevredenheid over deze verkregen sociale steun blijkt echter wel samen te hangen met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Over het algemeen genomen hebben mensen met tinnitus minder contact met vrienden of goede kennissen en houden ze zich minder bezig met bepaalde vrijetijdsactiviteiten vergeleken met de periode voordat ze tinnitus hadden.
      Het hebben van minder contact met vrienden of goede kennissen en het minder deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten hangt ook samen met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      Daarnaast blijkt ook dat een slechtere kwaliteit van de gezins-/partnerrelatie en een grote mate van eenzaamheid samenhangen met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      c/ Leidt een slechter psychisch functioneren tot een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven ?
      Een lagere zelfwaardering en depressieve gevoelens hangen samen met een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      d/ Leidt een geringe mate van gepercipieerde controle tot een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven ?
      Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat het gevoel dat men minder controle over het leven heeft leidt tot een lagere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      e/ Gaat een neurotische persoonlijkheid gepaard met een slechter fysiek, sociaal en psychisch functioneren van mensen met tinnitus ?
      Uit dit onderzoek blijkt dat een neurotische persoonlijkheid van invloed is op het sociaal en psychisch functioneren.
      Een neurotische persoonlijkheid gaat gepaard met: minder sociale steun, minder contact met vrienden of kennissen, minder activiteiten op het gebied van vrije tijd, eenzaamheid, een slechtere partner-/familierelatie, een lagere zelfwaardering, meer depressieve gevoelens, een gevoel dat men minder controle over het leven heeft en een slechtere beoordeling van de kwaliteit van leven.
      f/ Gaat een lagere tevredenheid met de zorg gepaard met een slechter fysiek, en psychisch functioneren ?
      De respondenten uit dit onderzoek zijn over het algemeen tevreden over hun KNO arts.
      Daarnaast blijkt dat een lagere tevredenheid van zorg niet gepaard gaat met een luidere tinnitus, een lagere zelfwaardering of meer depressieve gevoelens.
      De beoordeling van de kwaliteit van leven door mensen met tinnitus is hoger naarmate men sociaal goed functioneert (weinig veranderingen op het werk en geen of weinig gevoelens van eenzaamheid), psychisch goed functioneert, het gevoel heeft controle te hebben over het leven en men niet een neurotische persoonlijkheid heeft.
      Naast de bovengenoemde probleemstelling is ook onderzocht of de meetschaal Tinnitus Handicap Inventory (THI) bruikbaar is voor verder onderzoek.
      Naar aanleiding van de resultaten van de factoranalyse, de mokkenanalyse, de betrouwbaarheidsanalyse en de correlaties met de kwaliteit van leven (sub)schalen kan geconcludeerd worden dat de drie subschalen van de THI niet goed tot hun recht komen, maar dat de THI in zijn geheel wel goed bruikbaar is.
      Tinnitus is dus van invloed op veel aspecten van het dagelijks functioneren en de kwaliteit van leven.
      Het is van groot belang dat hier in de hulpverlening aandacht aan wordt besteed.
      Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2003/Tinnitus/stoorzendertinnitus.pdf

    12. Celiker, R., P. Borman, (2001) - Fibromyalgia versus rheumatoid arthritis Ė A comparison of psychological disturbance and life satisfaction - Journal of Musculoskelet Pain, 9, p. 35-45
      Objectives - The aim of this study was to compare the intensity of anxiety, depression and hopelessness in fibromyalgia syndrome [FMS] and rheumatoid arthritis [RA] patients and to determine the differences of life satisfaction in these patient groups.
      Methods - Twenty patients with RA, 20 patients with FMS and 20 healthy control subjects were included in this study.
      All the subjects were female.
      The Beck Depression Inventory [BDI], Spielberger State and Trait Anxiety Inventory [STAI] and Beck Hopelessness Scale [BHS] were used to evaluate psychological disturbance and the life satisfaction index [LSI] was used to measure psychological well-being.
      Results - The mean BDI scores were higher in both the FMS and RA groups, trait anxiety scores in FMS and state anxiety scores in RA were significantly higher compared with the control group.
      The mean BHS score was higher in the RA group.
      The LSI results were similar in FMS and RA but significantly lower than the control group.
      The BDI was found to be correlated with functional status which was measured by health assessment questionnaire in the RA group.
      There was a negative correlation between LSI and STAI in both the FMS and RA groups but LSI was correlated with BDI only in the RA group.
      Conclusion - In conclusion, life satisfaction was similar in RA and FMS patients although RA patients were more disabled because of the arthritic disease.
      Both depression and anxiety were predictors of low life satisfaction in RA, but in FMS only anxiety had a negative role on life satisfaction.
      Cfr. : http://www.haworthpress.com/store/ArticleAbstract.asp?ID=39889

    13. Dijker, A.J. en W. Koomen, (1996) - Stigmatisering van zieken en gehandicapten Ė Een integratie van cognitieve en emotionele componenten - Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 51 p. 252-260
      Cfr. : http://dare.uva.nl/record/14697


    Lees verder : Deel VIII


     

    06-02-2008 om 20:02 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel VIII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel VIII



    1. Doeglas, D., T. Suurmeijer, S. Briancon, T. Moum, B. Krol, A. Bjelle, R. Sanderman, W. van der Heuvel, (1996) - An international study on measuring social support Ė Interactions and satisfaction - Social Science Medical Volume, 43(9) p. 1389-1397
      Over the past two decades, a large number of social support studies has been conducted, using a considerable number of questionnaires for the measurement of social support (see for example Vaux 1988, Sarason et al. 1990, Van Sonderen 1990, Van Sonderen 1991, Gallaghan and Morrissey 1993, Krol et al. 1993).
      The complexity of the subject is the main reason for this phenomenon, which has led to a lot of confusion both theoretically and empirically. Due to differences in theoretical analysis of the construct, instruments vary and, consequently, the nature of the social support measured will vary as well.
      A worthwhile taxonomy of social support was developed by Procidano and Heller (1983).
      They defined social networks as the social connections provided by the environment.
      Besides a structural network component, comprising a set of properties like density, reciprocity, sex composition and homogeneity of oneís network, they also identified a functional network component.
      The latter is being referred to as Ďsocial supportí and includes e.g. emotional support, the provision of information, material aid and companionship.
      This is what Schwarzer and Leppin (1991) have called the relational content component of the social network structure.
      The functional network component, i.e. social support, comprises supportive interactions as well as perceptions of social support.
      Whereas actual supportive interactions are objective transactions of social support, the perception of being supported depends on the perceptions of the Ďactorsí involved, which are a subjective quality.
      In former research, perceptions of social support were found to be most closely related to health-outcome (Van Sonderen 1991, Gallaghan and Morrissey 1993, Sherbourne and Stewart 1991, Helgeson 1993).
      Perceiving certain interactions as being supportive (i.e. the satisfaction with the support provided) is based on the subjective definition of the situation (in terms of Ďneedsí) as well as on the expectations with respect to that situation (e.g. the availability of supportive structures and the experience of having sufficiently been supported in the past).
      Therefore, the number of interactions gives important information.
      In its most primary form it indicates the presence or absence of supportive interactions.
      In this respect, Procidano and Heller (1983) have stated that as the perception of being supported depends upon supportive interactions, perceived support and the support provided are not identical. Perceived social support is defined by them as Ďthe extent to which an individual believes that his or her need for support, information and feedback are fulfilledí.
      It corresponds to Thoitsí (1982) definition of social support, which is Ď... the degree to which a personís basic social needs are gratified through interaction with othersí.
      Both definitions refer to the satisfaction people experience, which depends on both the actual number of supportive interactions that were provided and the need for such supportive interactions.
      Consequently, although most explicit in the latter definition, the interactions as well as the satisfaction with these supportive interactions are relevant in both.
      How exactly the support mechanism works is not completely understood.
      With respect to supportive interactions, receivers are directly provided with instrumental or material help, information and companionship.
      These transactions directly contribute to the solution of some kind of problem or desire.
      What is transmitted in case of supportive interactions with respect to emotional support is more difficult to understand, because these transactions have to do with feelings and are as such intangible.
      Satisfaction with the support provided is completely a state of mind and is partly based on supportive interactions that have been provided before.
      This feeling of being supported (or not) is also intangible and its positive effect on health must be sought in the physiological reactions in the human body (Cohen and Wills 1985).
      To measure actual social support, an instrument was developed based on the above mentioned theoretical considerations, which takes both supportive interactions and satisfaction with these interactions into account.
      This instrument has been used in a large, multi-centre, international, longitudinal and multi-disciplinary study on Ďsocial support and rheumatoid arthritisí and recently Suurmeijer et al. (1995) have analyzed the first part of this social support instrument which assesses supportive interactions or transactions, the Social Support Questionnaire for Transactions (SSQT).
      The second part of the social support instrument, developed to measure Ďsatisfaction with supportive transactionsí, runs parallel to (the subscales and items of) the SSQT and is called the Social Support Questionnaire for Satisfaction with the provided supportive transactions (SSQS).
      Based on a further conceptual analysis of the construct of social support, Suurmeijer et al. (1995) distinguished four main types of social support: a social-emotional type versus an instrumental type of social support and a Ďcrisisí or Ďproblem-orientedí type versus an Ďeverydayí or Ďdailyí type of social support.
      Built on Lin (1986), the daily social-emotional type of support was further divided into a Ďsocialí or Ďrelationalí and an Ďemotionalí component.
      In this manner they arrived at five components or subscales of social support : ĎSocial Companionshipí (SC), ĎDaily Emotional Supportí (DES) and ĎProblem-oriented Emotional Supportí (PES) within the socialemotional type of social support, while the instrumental type of social support consisted of two components : the ĎDaily Instrumental Supportí (DIS) and the ĎProblem-oriented Instrumental Supportí (PIS).
      Together, these components constitute the SSQT.
      The components or subscales of the SSQT were invariant across four different countries, which makes the SSQT suitable for international comparative research (Suurmeijer et al. 1995).
      A satisfactorily internal consistency (Cronbachís a) was found for all subscales but one (DIS).
      The first aim of this study is to examine the structure and the psychometric properties of the SSQS.
      Since the SSQS runs parallel with the (items and components of the) SSQT, the SSQS is expected to show the same intended five component structure as was found for the SSQT.
      The second purpose of the present study is to explore whether it is preferable to use the SSQT or the SSQS separately or both together.
      Hereto, the relative contribution of both instruments in explaining the level of quality of life outcome is explored.
      Cfr. : http://dissertations.ub.rug.nl/FILES/faculties/ppsw/2000/d.m.doeglas/c4.pdf

    2. Fukuda, K., (1994) - The chronic fatigue syndrome - A comprehensive approach to its definition and study - International Chronic Fatigue Syndrome Study Group - Annual Internal Medicine, 121(12), p. 953-59
      The chronic fatigue syndrome is a clinically defined condition characterized by severe disabling fatigue and a combination of symptoms that prominently features self-reported impairments in concentration and short-term memory, sleep disturbances and musculoskeletal pain.
      Diagnosis of the chronic fatigue syndrome can be made only after alternative medical and psychiatric causes of chronic fatiguing illness have been excluded.
      No pathognomonic signs or diagnostic tests for this condition have been validated in scientific studies; moreover, no definitive treatments for it exist.
      Recent longitudinal studies suggest that some persons affected by the chronic fatigue syndrome improve with time but that most remain functionally impaired for several years.
      Cfr. : http://www.annals.org/cgi/content/full/121/12/953

    3. Fyrand, L., T. Moum, A. Finset, A. Glennas, (2002) - The impact of disability and disease duration on social support of women with rheumatoid arthritis - Journal of Behavioral Medicine, 25(3), p. 251-268
      The objective was to investigate the impact of physical disability and disease duration on the amount of social support received by female patients with rheumatoid arthritis.
      Two hundred sixty-four patients were assessed in a cross-sectional study.
      Disease duration had a negative relationship to daily emotional support; the length of disease duration was related to less emotional support.
      A combination of long disease duration and high disability was related to a low degree of problem-oriented emotional support.
      High physical disability was associated with less social companionship.
      Patients with high disability and few friends and patients with high disability and few neighbours reported less social companionship than patients with high disability and four or more friends or three or more neighbours.
      The combination high disability and few friends were associated with less problem-oriented instrumental support.
      Number of friends, age and personality type all contributed to the variance in social support.
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/whbac14ne1680x8v/

    4. Fyrand, L., T. Moum, L. Wichstrom, A. Finset, A. Glennas, (2000) - Social network size of female patients with rheumatoid arthritis compared to healthy controls Ė Scandinavian Journal of Reumatology, 29 p. 38-43
      To estimate how rheumatoid arthritis (RA), the disease duration and level of physical disability, influence the total size of patients' social network and the size of different subsets.
      Two hundred sixty four female patients (mean age 57 yrs) with RA of more than 6 yrs duration (mean 20 yrs) were compared to 61 healthy controls matched for sex, age and residential area.
      Network size was measured by Social Network Delineation Questionnaire (SNDQ), physical disability by Health Assessment Questionnaire (HAQ).
      RA patients had a significantly smaller total network compared to the healthy controls (RA: 15.8 persons; Controls: 18.1), mostly due to a significant difference in the subset of important others in favour of the controls (RA: 1.1; Controls: 2.3).
      There were no significant differences regarding the network size of family, friends and neighbours.
      The same results remained after statistical control for sociodemographic variables.
      Neither disease duration nor physical disability had any significant association with network size.
      The interaction analysis did, however, show that non-working patients with long disease duration (>15 yrs) had fewer important others than occupationally active patients.
      Furthermore, a high degree of physical disability was related to a smaller number of friends for patients >57 yrs than for equally disabeled patients below this age.
      Most patients with RA seem to maintain contact with the family network-members, despite the challenges connected with chronic disease.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=1294478

    5. Gezondheidsraad, (2005) - Het chronische-vermoeidheidssyndroom - Den Haag : Gezondheidsraad, publicatie nr. 2005/02 Ė ISBN : 90-5549-554-9
      Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
      Bijna ieder mens voelt zich wel eens moe of zelfs uitgeput.
      Meestal weet men hoe dat komt en gaat het vanzelf of na wat extra rust over.
      Bij het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) is dat niet zo.
      PatiŽnten met CVS voelen zich voortdurend moe en uitgeput en hebben daarbij ook allerlei andere lichamelijke klachten.
      CVS is ook bekend als ĎMEí (myalgische encephalomyelitis), een term die de commissie niet gebruikt omdat die ten onrechte suggereert dat er een ontsteking is van hersenen en ruggenmerg.
      CVS is een controversiŽle aandoening.
      Zowel binnen als buiten de medische wereld zijn er mensen die wel en mensen die niet in het bestaan ervan geloven.
      Dat heeft onder meer tot grote meningsverschillen geleid over het vermogen van CVS-patiŽnten om arbeid te verrichten en daarmee over het recht op een uitkering.
      CVS is een reŽle, ernstig invaliderende aandoening
      Het staat vast dat CVS beperkingen oplegt aan het persoonlijk, beroepsmatig en sociaal functioneren.
      De levenskwaliteit van CVS-patiŽnten is lager dan die van gezonde mensen.
      De symptomen fluctueren en dat maakt hen onzeker.
      Zij zijn gedwongen hun activiteiten te wijzigen, hebben geen fut meer voor sociale activiteiten, werken is er vaak niet meer bij, contacten met collegaís verdwijnen en hun financiŽle situatie verslechtert.
      Niet zelden raken zij in een sociaal isolement.
      Voor het dagelijks functioneren zijn patiŽnten op hulp van anderen aangewezen.
      Omstanders nemen hun toestand niet altijd serieus en doen die af met de reactie Ďdat het wel psychisch zal zijní.
      PatiŽnten verwachten van hun arts dat hij verbetering in hun toestand brengt, maar krijgen vaak te horen dat de oorzaak van deze klachten onbekend is en dat behandeling ontbreekt.
      Via internet, patiŽntenvereniging of mensen in hun omgeving horen zij verhalen over mensen die al jaren CVS hebben.
      Zij komen gemakkelijk terecht in een situatie zonder toekomstperspectief, die vele jaren aanhoudt.
      Spontaan herstel is mogelijk, maar is eerder uitzondering dan regel.
      Voor zover onderzocht, herstelt op de lange duur tien procent of minder van de volwassenen met CVS spontaan.
      Voor jonge patiŽnten is de prognose aanzienlijk beter: de meerderheid herstelt spontaan na enige maanden tot jaren.
      De internationaal erkende casusdefinitie (CDC-94-criteria) is de standaard
      De kennis over het ontstaan en de oorzaken van CVS is gebrekkig, de klachten zijn variabel en weinig specifiek en eenvoudige diagnostische tests zijn er niet.
      In dit soort gevallen kan een casusdefinitie Ė een op consensus gebaseerde omschrijving van de aandoening Ė uitkomst bieden.
      De internationaal erkende casusdefinitie van CVS is die van de Amerikaanse Centres for Disease Control (CDC) uit 1994 (kader).
      Casusdefinitie Chronische-vermoeidheidssyndroom van de Amerikaanse Centres for Disease Control, 1994
      * Diagnostische criteria
      : minstens 6 maanden aanhoudende of steeds terugkerende vermoeidheid waarvoor geen lichamelijke verklaring is gevonden en die
      - nieuw is, dat wil zeggen niet levenslang aanwezig
      - niet het gevolg is van voortdurende inspanning
      - nauwelijks verbetert met rust
      - het functioneren ernstig beperkt.
      In combinatie met vier of meer van de volgende symptomen, gedurende zes maanden aanhoudend of regelmatig terugkerend en die er niet waren vůůr de vermoeidheid begon :
      - zelfgerapporteerde verslechtering van geheugen of concentratievermogen
      - keelpijn
      - gevoelige hals- of okselklieren
      - spierpijn
      - gewrichtspijnen
      - hoofdpijn
      - niet-verfrissende slaap
      - na inspanning gevoel van uitputting (malaise) gedurende 24 uur of langer.
      * Exclusiecriteria :
      - een andere aandoening of ziekte die de vermoeidheid (vermoedelijk) verklaart
      - een psychotische, ernstige of bipolaire depressie (maar niet een ongecompliceerde depressie)
      - dementie
      - anorexia of bulimia nervosa
      - alcoholmisbruik of het gebruik van drugs
      - ernstig overgewicht.
      Elke casusdefinitie is een constructie voor de praktijk met arbitraire elementen en met beperkingen.
      Het bestaan van criteria betekent bijvoorbeeld nog niet dat er een ziekte is Ė in de zin van een specifiek, welomschreven ziekteproces Ė waarmee die criteria corresponderen.
      Dat zal nog moeten blijken.
      Beperkingen van de CDC-definitie zijn dat de symptoomcriteria niet zijn gevalideerd en dat de definitie in de eerste plaats is gemaakt voor wetenschappelijk onderzoek.
      Om het inzicht in aard en verloop van de aandoening te vergroten, is op dit moment de toepassing van de CDC-94-definitie aan te bevelen in onderzoek en praktijk.
      Daarmee is overigens niet gezegd dat onderzoek en behandeling van chronische vermoeidheid beperkt moet blijven tot patiŽnten die aan de CDC-94-criteria voldoen.
      Vermoedelijk zijn er in Nederland tussen de 30.000 en de 40.000 CVS-patiŽnten
      De commissie onderstreept dat dit cijfer niet meer is dan een ruwe schatting.
      Betrouwbare epidemiologische gegevens over CVS zijn schaars.
      Variaties in de toegepaste casusdefinities en het feit dat niet alle patiŽnten een huisarts consulteren, zijn daar debet aan.
      Het merendeel van de patiŽnten is volwassen, maar de aandoening komt ook bij jongeren voor.
      Ruim driekwart is vrouw.
      Prevalentiecijfers van BelgiŽ, Frankrijk en Duitsland zijn er niet.
      Nederlandse gegevens over CVS bij mensen van verschillende etnische herkomst ontbreken eveneens.
      Onderzoek naar een mogelijk verband tussen CVS en beroep is niet gedaan.
      De arts-patiŽntrelatie is van invloed op het verloop van moeheidsklachten.
      Niet alleen het instrumentele handelen van de arts bepaalt de uitkomst bij klachten als chronische vermoeidheid, maar ook het affectieve handelen.
      Het is belangrijk dat artsen de klachten en de patiŽnt serieus nemen, investeren in een goede relatie met de patiŽnt, ruimte bieden voor emoties en uitleg geven over de diverse kanten van vermoeidheid.
      Strikte opvattingen over lichamelijke en psychische oorzaken zetten de relatie tussen arts en patiŽnt onder druk en houden voortgang in het onderzoek tegen
      Lichamelijke en psychische oorzaken van CVS worden vaak tegenover elkaar geplaatst.
      Een steeds terugkerende kwestie die bij patiŽntenorganisaties leeft, is of CVS een neurologische of psychiatrische aandoening is.
      De commissie vindt dat geen vruchtbare discussie als het om de behandeling van patiŽnten gaat.
      Het neurowetenschappelijk onderzoek van de afgelopen decennia heeft laten zien dat psychologie (bijvoorbeeld gedrag) en biologie (bijvoorbeeld biochemische processen) twee aspecten zijn van hetzelfde.
      Het is niet het een ůf het ander maar het een ťn het ander.
      Acceptatie van deze inzichten bevordert het noodzakelijke gezamenlijke perspectief van arts en patiŽnt en biedt nieuwe ingangen voor het onderzoek naar de oorzaken van CVS.
      Het maken van onderscheid tussen etiologie en pathofysiologie schept helderheid in discussies over de oorzaken van CVS
      Etiologie gaat over het Ďwaardoorí: welke omstandigheden maken dat iemand CVS krijgt ?
      Pathofysiologie gaat over het Ďhoeí: welke biologische ontregelingen zijn er ?
      Dit onderscheid is cruciaal bij het ordenen van de grote hoeveelheid gegevens die variŽren in abstractieniveau en afkomstig zijn uit diverse domeinen en bij het vertalen van bevindingen in nieuwe hypotheses voor onderzoek.
      Ook biedt het een goed aanknopingspunt voor het gesprek met patiŽnten.
      De etiologie van CVS staat onder invloed van een scala van factoren
      Een gangbare indeling van etiologische factoren is die in :
      - Predisponerende factoren
      Factoren waardoor de ene mens eerder CVS krijgt dan de andere : familiaire (wellicht genetische) factoren, geslacht, leergeschiedenis (ervaringen in de vroege jeugd), persoonlijkheid, levensstijl en lichamelijke activiteit.
      - Uitlokkende factoren
      Factoren die bij daarvoor gevoelige personen CVS op gang kunnen brengen : acute stress, zowel fysieke stress (een ernstige verwonding, langdurige slaapstoornissen, een zware operatieve ingreep of een infectie), als acute psychologische stresssituaties.
      - Instandhoudende factoren
      Factoren die het herstel in de weg staan : fysieke inactiviteit, periodieke overactiviteit, foutieve of niet-helpende opvattingen over de aandoening, verhoogde aandacht voor lichamelijke sensaties, inadequaat gedrag van hulpverleners en sociale factoren.
      Hoewel het tegendeel vaak wordt beweerd, zijn chronische infecties geen instandhoudende factor.
      Modellen uit de moderne neurowetenschappen vormen een goede basis voor het pathofysiologisch onderzoek naar CVS
      CVS is een van de vele syndromen met lichamelijk onverklaarde klachten, waartoe bijvoorbeeld ook fibromyalgie en het prikkelbaredarmsyndroom behoren.
      Het pathofysiologisch onderzoek heeft zich tot nu toe vooral gericht op de aspecten waarin een syndroom zich van andere syndromen onderscheidt, zonder dat dit veel heeft opgeleverd.
      De syndromen komen vaak in combinatie voor en vertonen opvallende overeenkomsten.
      Het klachtenpatroon bij deze aandoeningen duidt op een ontregeling van regelsystemen of van de communicatie tussen regelsystemen.
      Duidelijke afwijkingen van afzonderlijke parameters zijn er zelden.
      De ontregeling lijkt terug te voeren op eenzelfde grondpatroon : een langdurige en ernstige verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en belasting.
      Door een situatie van chronische stress raken homeostatische mechanismen, zoals energiehuishouding en herstelprocessen uit balans en veranderen pijngevoeligheid en perceptie.
      Goed onderbouwde verklaringsmodellen uit de moderne neurowetenschappen ondersteunen deze gedachtegang.
      Deze modellen bieden de mogelijkheid de kloof te overbruggen tussen somatisch en psychisch en vormen een goede basis voor de ontwikkeling van nieuwe onderzoekshypotheses.
      ĎRust roestí is de rode draad in het beleid bij moeheidsklachten
      Moeheid is in het algemeen een signaal om het kalmer aan te doen, maar totale rust doet de conditie geen goed en houdt de klachten uiteindelijk in stand.
      De patiŽnt met moeheidsklachten moet het advies krijgen te doen wat hij nog kan, zo nodig na aanpassing van werk(tijden) in overleg met de bedrijfsarts of met huisgenoten als de patiŽnt geen baan heeft.
      Moeheid heeft vaak een Ďgewoneí oorzaak : overbelasting of stress.
      Voorwaarde voor herstel is dat de patiŽnt die oorzaken onder ogen ziet en er actief mee aan de slag gaat.
      Rust zonder meer kan vermijdingstendensen versterken, ziekteverzuim verlengen en een proces van maatschappelijke marginalisatie in gang zetten.
      Openheid over de beoordeling van de mogelijkheid om te werken is beslist noodzakelijk
      Bedrijfs- en verzekeringsartsen zullen patiŽnten moeten uitleggen dat niet, zoals zij vaak denken, de diagnose en de oorzaak van een aandoening bepalend zijn voor hun recht op arbeidsverzuim of op een uitkering, maar dat het gaat om uitingen en gevolgen van ziekte.
      Die worden in de praktijk beoordeeld aan de hand van drie zaken :
      - Algemeen functioneren - Iemand die door ziekte of gebrek in het algemeen niet kan functioneren, kan ook niet werken; wanneer hij op enigerlei wijze wel kan functioneren, zijn ook al snel bepaalde vormen van arbeid mogelijk.
      - Consistentie - Ziekte, beperkingen en dalende arbeidsparticipatie moeten logisch samenhangen en consistent zijn.
      Als dat niet zo is, kan onvermogen om te werken niet aan ziekte worden toegeschreven.
      - Probleemanalyse - Arbeidsomstandigheden bepalen slechts een deel van de draaglast van mensen.
      Inzicht in de psychosociale context is essentieel voor het oordeel over arbeidsgeschiktheid.
      Bedrijfs- en verzekeringsartsen zullen open moeten zijn over deze beoordelingsprincipes.
      Dit kan het aantal misverstanden en meningsverschillen rond mogelijkheden van CVS-patiŽnten om te werken verkleinen.
      Adequate patiŽntenzorg vereist richtlijnen voor de diagnostiek en begeleiding van patiŽnten met moeheidsklachten
      Er is een grote variatie in de diagnostiek en de begeleiding van patiŽnten met moeheidsklachten in het algemeen en met CVS in het bijzonder.
      Dit betreft zowel de gang van zaken bij huisartsen als die bij bedrijfs- en verzekeringsartsen.
      PatiŽnten hebben het recht op een uniforme benadering en werkwijze.
      De commissie zet de hoofdlijnen uiteen van het beleid bij moeheidsklachten, in het bijzonder CVS.
      De vertaling daarvan in richtlijnen voor het beleid is een zaak van het Nederlands Huisartsengenootschap, het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde en de Nederlandse Vereniging voor Verzekerings-geneeskunde.
      Het is dringend gewenst dat Het chronische-vermoeidheidssyndroom zij eerst om de tafel gaan zitten om afspraken te maken over gezamenlijke uitgangspunten en over samenwerking op dit vlak.
      Er is extra aandacht nodig voor CVS bij jonge mensen
      Jongeren met CVS kunnen vaak niet meer een gewoon schoolprogramma volgen, huiswerk maken, normale afstanden fietsen of lopen, sporten en aan andere sociale activiteiten deelnemen.
      CVS bedreigt de normale, leeftijdsadequate ontwikkeling, zoals het streven naar autonomie en identiteit en het zich losmaken van de ouders.
      Artsen wordt afgeraden de diagnose CVS vůůr het tiende jaar te stellen, omdat de klachtenpresentatie op die leeftijd in hoge mate afhankelijk is van de interpretatie van de ouders.
      Niet-functionele attributies van de ouders kunnen het herstel van de jongere in de weg staan.
      Daarom is het raadzaam de patiŽnt en de ouders afzonderlijk te spreken.
      Dat bevordert bovendien het gevoel van autonomie van de jongere.
      Cognitieve gedragstherapie (CGT) is een effectieve behandeling
      Behandelingen voor CVS zijn er te kust en te keur, vooral te vinden op het internet.
      Slechts weinige zijn op werkzaamheid getoetst.
      In systematic reviews van de interventies voor CVS komt CGT naar voren als een effectieve behandeling.
      Het behandeleffect van CGT is duurzaam gebleken en verslechtering van de toestand door CGT is niet aangetoond.
      CGT is echter geen panacee.
      De behandeling is intensief, vraagt veel van de patiŽnt en heeft bij circa 70 procent van de patiŽnten succes.
      Succes betekent dat de patiŽnt weer op een min of meer normaal niveau kan functioneren.
      Veel succesvol behandelde patiŽnten zullen echter niet meer op hun oude niveau van functioneren terugkomen, maar hebben zich leren aanpassen aan hun eigen, begrensde mogelijkheden.
      Sommigen ervaren dat als een verlies dat zij moeten verwerken.
      Zelfwerkzaamheid is een essentieel onderdeel van CGT.
      PatiŽnten motiveren om de therapie te ondernemen is erg belangrijk.
      CGT is onlosmakelijk verbonden met een geleidelijke opbouw van lichamelijke activiteit ('graded exercise training' (GET)).
      Of GET zonder enige vorm van CGT effectief is, wordt op dit ogenblik in Engeland onderzocht.
      De patiŽntenpopulatie is divers en niet iedereen is gebaat bij CGT volgens het huidige protocol.
      Door meer en minder intensieve varianten van CGT te ontwikkelen kan men het aanbod en de behoefte beter op elkaar afstemmen.
      Uitbreiding van de behandelingscapaciteit is nodig
      CGT voor CVS-patiŽnten is alleen structureel beschikbaar in Nijmegen.
      Er staan ruim 300 patiŽnten op de wachtlijst.
      Voor een adequate zorgverlening is uitbreiding nodig van de behandelcapaciteit, bijvoorbeeld door de vorming van specifiek op chronische vermoeidheid gerichte centra zoals in Nijmegen of van centra die zich meer in den brede toeleggen op onderzoek en behandeling van stressgebonden aandoeningen.
      Een knelpunt bij schaalvergroting is dat maar weinig psychologen over de benodigde expertise beschikken.
      Meer aandacht in de opleiding van psychologen voor de gedragstherapeutische aanpak van lichamelijke klachten is noodzakelijk, niet alleen voor de behandeling van patiŽnten met CVS, maar voor alle patiŽnten met lichamelijk onverklaarde klachten.
      Een multidisciplinaire benadering is een voorwaarde voor goed wetenschappelijk onderzoek naar CVS.
      De kennis over CVS vertoont grote hiaten.
      Tal van onopgeloste kwesties vragen om nieuw wetenschappelijk onderzoek.
      Een zoektocht naar ťťn specifieke oorzaak van CVS is niet vruchtbaar gebleken en zal vermoedelijk niet leiden tot een verklaring van het scala van symptomen en verschijnselen.
      Een daadwerkelijke vergroting van het inzicht in de oorzaken en de behandeling van CVS vergt een multidisciplinaire aanpak waarin de diverse factoren in samenhang bestudeerd worden.
      Cfr. : http://www.gr.nl/pdf.php?ID=1167

    6. Goffman, E. (1963) Ė Stigma - Notes on the management of spoiled identity Ė Englewood Cliffs, N.J.: Prentice-Hall Ė Touchstone, June 15, 1986 Ė ISBN-10 : 0671622447 / ISBN-13 : 978-0671622442
      About the Author
      Erring Goffman was born in Manville, Alberta (Canada) in 1922. He came to the United States in 1945 and in 1953 received his Ph.D. in sociology from the University of Chicago.
      He was professor of sociology at the University of California at Berkeley until 1968 and thereafter was Benjamin Franklin Professor of Anthropology and Sociology at the University of Pennsylvania in Philadelphia.
      Dr. Goffman received the MacIver Award in 1961 and the In Medias Res Award in 1978.
      He was a Fellow of the American Academy of Arts and Sciences.
      He died in 1983.
      Book Description
      '
      Stigma' is an illuminating excursion into the situation of persons who are unable to conform to standards that society calls normal.
      Disqualified from full social acceptance, they are stigmatized individuals.
      Physically deformed people, ex-mental patients, drug addicts, prostitutes or those ostracized for other reasons must constantly strive to adjust to their precarious social identities.
      Their image of themselves must daily confront and be affronted by the image which others reflect back to them.
      Drawing extensively on autobiographies and case studies, sociologist Erving Goffman analyzes the stigmatized person's feelings about himself and his relationship to "normals".
      He explores the variety of strategies stigmatized individuals employ to deal with the rejection of others and the complex sorts of information about themselves they project.
      In 'Stigma' the interplay of alternatives the stigmatized individual must face every day is brilliantly examined by one of America's leading social analysts.
      Cfr. : http://www.amazon.com/Stigma-Notes-Management-Spoiled-Identity/dp/0671622447

    7. Hartman, T., C. Olde, P.L.B. Lucassen, E. H. van de Lisdonk, H.H.J. Bor, C. Van Weel, (2004) - Chronic functional somatic symptoms - A single syndrome ? - British Journal of General Practice, 54, p. 922-927
      Background - Reliable longitudinal data of patients with functional somatic symptoms in general practice are lacking.
      Aims - To identify distinctive features in patients with chronic functional somatic symptoms and to determine whether these symptoms support the hypothesis of the existence of specific somatic syndromes.
      Design of study - Observational study, with a comparison control group.
      Setting - Four primary care practices affiliated with the University of Nijmegen in the Netherlands.
      Method - One hundred and eighty-two patients diagnosed between 1998 and 2002 as having chronic functional somatic symptoms and 182 controls matched by age, sex, socioeconomic status and practice were included.
      Data on comorbidity, referrals, diagnostic tests and hospital admissions over a period of 10 years prior to the diagnosis were collected.
      Medication use and number of visits to the general practitioner (GP) were extracted from the moment computerised registration was started.
      Results - In the 10 years before the diagnosis of chronic functional somatic symptoms, significantly more patients than controls presented functional somatic symptoms in at least two body systems and used more somatic and psychotropic drugs.
      They visited the GP twice as much, statistically had significantly more psychiatric morbidity and were referred more often to mental health workers and somatic specialists.
      The number of patients undergoing diagnostic tests was higher for patients with chronic functional somatic symptoms than for controls, but hospital admissions rates were equal.
      Conclusion - Patients with chronic functional somatic symptoms have a great diversity of functional somatic symptoms.
      They use more somatic and psychotropic drugs than controls in the years before diagnosis.
      Moreover, they show high rates of referrals and psychiatric morbidity.
      The diversity of symptoms of patients with chronic functional somatic symptoms supports the concept that symptoms do not cluster in well defined distinct syndromes.
      Therefore, patients with chronic functional somatic symptoms should preferably not be classified into medical subspecialty syndromes.
      Cfr. : http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=1326111

    8. Hemert A.M. van, M.W. Hengeveld, J.H. Bolk, H.G.M. Rooijmans, J.P. Vandenbroucke, (1993) - Psychiatric disorders in relation to medical illness among patients of a general medical out-patient clinic - Psychological Medicine, 23, p. 167-73
      In many patients clinical care in general medical settings is complicated by the presence of psychiatric disorders in addition to the presenting physical symptoms.
      In the present study the prevalence and type of psychiatric disorders was assessed in relation to the medical diagnostic findings in a general internal medicine out-patient clinic.
      The Present State Examination, a standardized psychiatric interview, was used to detect psychiatric disorders in 191 newly referred patients.
      Psychiatric disorders were found to be particularly prevalent among patients with medically ill-explained or unexplained symptoms.
      The prevalence of psychiatric disorders was 15% for patients with a medical explanation for their presenting symptom, 45% for patients with ill-explained and 38% for those with unexplained symptoms.
      Approximately 40% of the patients with psychiatric disorders met DSM-III-R criteria for somatization disorder or hypochondriasis, suggesting that these disorders contributed in particular to general medical out-patient referrals.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8475204?dopt=Abstract

    9. Jacoby, A. (1994) - Felt versus enacted stigma - A concept revisited - Evidence from a study of people with epilepsy in remission - Social Science Medicine, 38(2) p. 269-274
      Epilepsy is, in the majority of cases, a short-lived and self-limiting clinical condition.
      However, individuals labelled as epileptic frequently continue to feel stigmatised, even after their seizures remit.
      This paper describes the nature and extent of stigma in a group of individuals with epilepsy in remission.
      The distinction between 'felt' and 'enacted' stigma is examined and found to be supported by the data.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez

    10. Joachim, G., en S. Acorn, (2000) - Stigma of visible and invisible chronic conditions - Journal of Advanced Nursing, 32(1), p. 243-248
      Nurses deliver care to people with various forms of chronic illnesses and conditions.
      Some chronic conditions, such as paraplegia, are visible while others, such as diabetes, are invisible.
      Still others, such as multiple sclerosis, are both visible and invisible.
      Having a chronic illness or condition and being different from the general population subjects a person to possible stigmatization by those who do not have the illness.
      Coping with stigma involves a variety of strategies including the decision about whether to disclose the condition and suffer further stigma or attempt to conceal the condition or aspects of the condition and pass for normal.
      We present a beginning framework that describes the relationship between the elements of stigma and the decision to disclose or hide a chronic condition based on its visibility or invisibility.
      The specific aims were to combine the results from a meta-study on qualitative research with a review of the quantitative literature, then develop a theoretical framework.
      Although an understanding of how patients cope with stigmatizing conditions is essential for nurses who aim to deliver comprehensive individualized patient care, there is little current literature on this subject.
      The relationship between visibility and invisibility and disclosure and non-disclosure remains poorly understood.
      A framework to facilitate a deeper understanding of the dynamics of chronic illnesses and conditions may prove useful for practice.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10886457?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      DocSum

    11. Jong, J.T.E. de, D.J.M. de Vries, M.J. Zaagman-van Buuren, (1998) Ė Interne geneeskunde - Bohn Stafleu van Loghum Ė ISBN10 : 9031340804 | ISBN13 : 9789031340804
      'Interne geneeskunde' is bestemd voor kwalificatieniveau 5 (HBO-verpleegkunde) en vormt een onderdeel van het leer- en vormingsgebied gezondheidsproblematiek.
      Het boek is bestemd voor de hoofd- en differentiatiefase van de opleiding.
      In 22 hoofdstukken worden alle aspecten van de interne geneeskunde behandeld.
      Deze geven de student een goede basis voor de deelkwalificaties 406 en 506.
      Daar waar dat mogelijk is een 'vertaling' gegeven naar het verpleegkundig handelen.
      De zorgvrager voor en na onderzoek of behandeling krijgt voorts specifieke aandacht in de desbetreffende verpleegkundeboeken in de BGO-reeks.
      Cfr. : http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-Start?Section=BOOK&BOL_OWNER_ID=1001004001912948

    12. Kuyken, W. J. Orley, M. Power, (1995) - The World Health Organization quality of life assessment (WHOQOL) - Position paper from the World Health Organization - Social Science and Medicine, 41(10) p. 1403-1409
      This paper describes the World Health Organization's project to develop a quality of life instrument (the WHOQOL).
      It outlines the reasons that the project was undertaken, the thinking that underlies the project, the method that has been followed in its development and the current status of the project.
      The WHOQOL assesses individuals' perception of their position in life in the context of the culture and value systems in which they live and in relation to their goals, expectations, standards and concerns.
      It has been developed collaboratively in several culturally diverse centres over four years.
      Piloting of the WHOQOL on some 4500 respondents in 15 cultural settings has been completed.
      On the basis of this data the revised WHOQOL Field Trial Form has been finalized and field testing is currently in progress.
      The WHOQOL produces a multi-dimensional profile of scores across six domains and 24 sub-domains of quality of life.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8560308

    Lees verder : Deel IX


     

    06-02-2008 om 19:53 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel IX
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
     
     

    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel IX


    1. Lipowski, Z.J., (1988) Ė Somatization - The concept and its clinical application - American Journal of Psychiatry, 145, p. 1358-1368
      Somatization, a tendency to experience and communicate somatic distress in response to psychosocial stress and to seek medical help for it, poses a major medical, social and economic problem.
      It is most often associated with depressive and anxiety disorders and constitutes the core of somatoform disorders.
      Its persistent form is especially costly and difficult to prevent and manage.
      The author discusses the prevalence, clinical manifestations, etiology and treatment of somatization and presents a critical review of somatoform disorders.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/3056044?ordinalpos=3&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      DocSum

    2. Looper, K.J., en L.J. Kirmayer, (2004) - Perceived stigma in functional somatic syndromes and comparable medical conditions - Journal of Psychosomatic Research, 57, p. 373-378
      Objective - To determine if patients with functional somatic syndromes (FSS) perceive greater levels of stigma than patients with comparable medical conditions that have a clear medical pathology.
      Methods - Patients with chronic fatigue syndrome (CFS), fibromyalgia (FM) or irritable bowel syndrome (IBS) were compared to multiple sclerosis (MS), rheumatoid arthritis (RA) and inflammatory bowel disease (IBS), respectively.
      Results - There were greater levels of perceived stigma in the combined group of FSS compared to the medical control group.
      When each FSS was compared to its matched control group, only CFS had a higher level of perceived stigma.
      These results remained when controlling for other variables relevant to stigma.
      Conclusions - The higher level of perceived stigma in CFS may be due to the ambiguity of its status as a medical condition.
      The absence of this effect in FM and IBS is consistent with a greater level of acceptance of these disorders as medical illnesses.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15518673

    3. Parker, J.C. en G.E. Wright, (1997) - Assessment of psychological outcomes and quality of life in the rheumatic diseases - Arthritis Care and Research, 10(6), p. 406-412
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9481232?dopt=Abstract

    4. Prins, J.B., J.W.M. van der Meer en G. Bleijenberg, (2006) - Chronic fatigue syndrome - The Lancet, 367(28), p. 346-355
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0140673606680732

    5. Muijzer, A. (2006) - Aangezichtspijn de baas - Een onderzoek naar de kwaliteit van leven, pijnbeleving en acceptatie van aangezichspijnpatiŽnten - Een uitgave van de Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid, Rijksuniversiteit Groningen

    6. Nimnuan, C., S. Rabe-Hesketh, S. Wessely, M. Hotopf, (2001) - How many functional somatic syndromes ? - Journal of Psychosomatic Research, 51, p. 549-557
      Objective - Patients with medically unexplained symptoms are given diagnoses dependent upon the particular medical specialty consulted--irritable bowel syndrome in gastroenterology, fibromyalgia in rheumatology and others.
      The purpose of this paper is to establish whether these 13 different syndromes are discrete entities.
      Methods - Consecutive new patients in seven outpatient clinics at two general hospitals were recruited.
      Patients completed questionnaires measuring symptoms and demographic data.
      Case notes were reviewed to ascertain whether the presenting symptoms were medically explained 3 months after the initial visit.
      Results - Complete data were available for 550 subjects.
      With 37 unexplained symptoms included in the model, 30% of the total variance could be explained by one factor using unrotated principal component analysis.
      When the 13 identified functional syndromes were included, it was evident that functional syndromes could not be assumed to be independent.
      A two-factor model was the best fit for the present data after rotation.
      Conclusions - This study suggests that the existence of distinct functional somatic syndromes (FSSynd) as defined clinically in medicine should be reconsidered.
      Cfr. : http://lib.bioinfo.pl/pmid:11595242

    7. Nimnuan C, M. Hotoph, S. Wessely, (2001) - Medically unexplaned symptoms Ė An epidemiological study in seven specialities - Journal of Psychosomatic Research, 51, p. 361-367
      Objectives - This study aimed to estimate the prevalence and risk factors for medically unexplained symptoms across a variety of specialities.
      Methods - A cross-sectional survey was conducted at two general hospitals in southeast London between 1995 and 1997.
      Eight hundred and ninety consecutive new patients from seven outpatient clinics were included.
      Demographic and clinical characteristic variables were assessed.
      Results - Five hundred eighty-two (65%) of the subjects surveyed returned completed questionnaires.
      A final diagnosis was available in 550 (62%).
      Two hundred twenty-eight (52%) fulfilled criteria for medically unexplained symptoms.
      The highest prevalence was in the gynecology clinic (66%).
      After adjustment for confounders, medically unexplained symptoms were associated with being female, younger and currently employed.
      Psychiatric morbidity per se was not associated with the presence of medically unexplained symptoms, but was more likely in those complaining of multiple symptoms.
      Those with medically unexplained symptoms were less disabled, but more likely to use alternative treatment in comparison with those whose symptoms were medically explained.
      Patients with medically unexplained symptoms were more likely to attribute their illness to physical causes as opposed to lifestyle factors.
      Conclusions - Medically unexplained symptoms are common across general/internal medicine and represent the most common diagnosis in some specialities.
      Medical behavior, training and management need to take this into account.
      Cfr. : http://lib.bioinfo.pl/pmid:11448704

    8. Ofluoglu, D., N. Berker, Z. GŁven, N. Canbulat, I. T. Y1lmaz, ÷. Kayhan, (2005) - Quality of life in patiŽnts with fibromyalgia syndrome and rheumatoid arthritis Ė Clinical Rheumatology, 24 p. 490-492
      The objective of this study was to determine and compare the quality of life (QOL) of patients with fibromyalgia syndrome (FS) and rheumatoid arthritis (RA) and to assess patients psychological and functional status in each group.
      This prospective study included 62 female FS patients and 60 female RA patients diagnosed by the American College of Rheumatology criteria.
      The Turkish translations of the Arthritis Impact Measurement Scale II (AIMS II) and Beck Depression Index (BDI) were given to all of the patients and they were asked to complete the two questionnaires.
      The scores of AIMS II, pain and QOL were evaluated in the FS and RA groups.
      There were no statistically significant differences between the FS and RA groups (p>0.05) in terms of QOL.
      The affect subgroup scores of the AIMS II and BDI were highly correlated in the FS and RA groups (p<0.002, r=0.85 and p<0.05, r=0.80, respectively).
      The results show that the QOL is negatively but similarly affected in FS and RA groups.
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/k344580442243386/

    9. Prins, J.B., E. Bos, M.J.H. Huibers, P. Servaes, S.P. van der Werf, J.W.M. van der Meer, G. Bleijenberg, (2004) - Social support and the persistence of complaints in chronic fatigue syndrome - Psychotherapy and Psychosomatics, 73 p. 174-182
      Background - Several studies suggested that the surroundings of chronic fatigue syndrome (CFS) patients are of importance in the persistence of complaints.
      Contrary to what was expected, participation in support groups has not led to clinical improvement.
      The purpose of the present study was to describe social support in CFS patients as compared with other fatigued and non-fatigued groups.
      Further, changes in social support and the influence of social support on the course of CFS over a period of more than 1 year were studied in patients with and without treatment.
      Methods - Baseline data were assessed in 270 CFS patients, 150 disease-free breast cancer patients, 151 fatigued employees on sick-leave and 108 healthy subjects using the Social Support List and Significant Others Scale.
      CFS patients were followed in cognitive behaviour therapy (CBT), guided support groups and natural course at 8 and 14 months.
      Results - CFS patients and fatigued employees reported more negative interactions and insufficiency of supporting interactions than cancer patients and healthy controls.
      No differences in frequency of supporting interactions were found.
      Negative interactions decreased significantly after treatment with CBT, but did not change in support groups or natural course.
      In the natural course, higher fatigue severity at 8 months was predicted by more negative interactions at baseline.
      Conclusions - In CFS patients and fatigued employees, social support is worse than in disease-free cancer patients and healthy controls.
      Lack of social support was identified as a new factor in the model of perpetuating factors of fatigue severity and functional impairment in CFS.
      Cfr. : http://content.karger.com/ProdukteDB/produkte.asp?Doi=76455

    10. Prins, J.B., W.M van der Meer, G. Bleijenberg, (2006) - Chronic fatigue syndrome Ė The Lancet, 367, p. 346-355
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0140673606680732

    11. Rakib, A., P.D. White, A.J. Pinching, B. Hedge, N. Newbery, W.K. Fakhoury en S. Priebe, (2005) - Subjective quality of life in patients with chronic fatigue syndrome - Quality of Life Resources, 14. p. 11-19
      The aim of this study was to (1) assess Subjective Quality of Life (SQOL) of patients with Chronic Fatigue Syndrome (CFS) using a generic concept and to compare the findings with those in groups with mental disorders and healthy subjects and (2) investigate whether and, if so, to what extent socio-demographic and clinical variables predict SQOL in CFS patients.
      Seventy-three patients diagnosed with CFS were randomly selected and interviewed from two specialised clinics.
      CFS was diagnosed using the Oxford Criteria.
      SQOL was assessed on the Manchester Short Assessment of Quality of Life (MANSA) and Health-Related Quality of Life (HRQOL) on the Medical Outcome Study Short-Form 36 (MOS) SF-36.
      A battery of mood and symptom questionnaires, including the Symptom Checklist Questionnaire (SCL-90-R), was administered to assess various aspects of symptomatology as potential predictor variables.
      Multiple regression analyses were conducted to identify predictors of SQOL.
      Overall, SQOL was low in CFS patients and less favourable than in groups with mental disorders and healthy subjects.
      Satisfaction was particularly low with life as a whole, leisure activities and financial situation.
      Whilst SQOL was only moderately correlated with HRQOL, the SCL-90-R score, especially SCL-90-R
      Depression scale score, was the best predictor of SQOL explaining 35% of the variance. HRQOL and generic SQOL appear distinct despite some overlap.
      The findings underline that SQOL is significantly disrupted in CFS patients.
      Depressive symptoms are statistically the strongest Ďpredictorí of SQOL, although the direction of the relationship is not established.
      These data suggest that treatment of depression associated with CFS, regardless of causation, could help to improve SQOL in CFS patients.
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/klu/qure/2005/00000014/00000001/00001693;
      jsessionid=1ai5vlhsp92k6.alice?format=print

    12. Rosmalen, J.G.M., J. Neeleman, R.O.B. Gans en P. de Jonge (2006) - The association between neuroticism and self-reported common somatic symptoms in a population cohort - Journal of Psychosomatic Research, 62. p. 305-311
      Objective - To test the hypotheses that (1) neuroticism is associated with self-reported somatic symptoms; (2) this association is especially found with regard to psychosomatic symptoms; and (3) it is not solemnly explained by somatic reflections of psychological distress.
      Methods - We studied the cross-sectional association between neuroticism (as measured by EPQ-RSS-N), psychological distress (as measured by GHQ-12 sum score) and the occurrence of 22 common somatic symptoms by linear and logistic regression analyses in a population cohort of 6894 participants.
      Results - Neuroticism is more strongly associated with the total number of somatic symptoms reported (beta=.32) than GHQ-12 sum score (beta=.15) and well-established risk markers such as gender (beta=.11) and age (beta=.04).
      Neuroticism was associated with all symptoms in individual logistic regressions controlled for age, gender and psychological distress.
      Neuroticism is significantly more strongly related to psychosomatic symptoms (beta=.36) than to infectious/allergic symptoms (beta=.28).
      Conclusion - In a large, population-based cohort, we confirmed that neuroticism is associated with self-reported somatic symptoms.
      The associations were not attributable to somatic reflections of psychological distress associated with neuroticism and were relatively strong with respect to psychosomatic symptoms.
      Future studies should include both objective and subjective measures of health to study the mechanisms that connect neuroticism and ill health.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/17324681

    13. Sanderman, R., W. A. Arrindell, A. V. Ranchor, H. J. Eysenck, S. B.G. Eysenck, (1995) - Het meten van persoonlijkheidskenmerken met de Eysenck Personality Questionnaire (EPQ) - Een handleiding - Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken, Rijksuniversiteit Groningen - ISBN 90 72156 26 9
      Op het terrein van onderzoek naar gezondheid(sklachten) is er de laatste tijd weer meer aandacht voor de rol die persoonlijkheidskenmerken kunnen spelen.
      Vooral de invloed van de aspecten Neuroticisme en Extraversie springen in het oog.
      Naast deze twee dimensies meet de EPQ ook Psychoticisme en Sociale Wenselijkheid.
      Het instrument wordt inmiddels in veel landen gebruikt, op uiteenlopende onderzoeksgebieden.
      In deze uitgave worden gegevens gepresenteerd van zowel een lange als een verkorte versie van de EPQ, verzameld in diverse studies.
      Cfr. : http://www.rug.nl/gradschoolshare/research_tools/tools/epq

    14. Schoofs, N., D. Bambini, P. Ronning, E. Bielak, J. Woehl, (2004) - Death of a Lifestyle - The Effects of Social Support and Healthcare Suport on the Quality of Life of Persons With Fibromyalgia and / or Chronic Fatigue Syndrome - Orthopaedic Nursing, 23(6), p. 364-374
      Purpose - The purpose of this study was to investigate how social support and healthcare support affect the quality of life of persons with fibromyalgia and chronic fatigue syndrome.
      Method - A constant comparison method was used for the qualitative portion of the research and descriptive correlational methods were used for the quantitative portion.
      Conclusion - This mixed design research study suggested that social support, unlike healthcare support, is related to Quality of Life (QOL).
      It was also evident that subjects suffering from CFS and/or FMS do not experience high levels of social support.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=pubmed&uid=15682879&cmd=showdetailview&indexed=google

    15. Shlaes, J.L., L.A. Jason en J.R. Ferrari, (1999) - The development of the chronic fatigue syndrome atttude test - A psychometric Analysis - Evaluation and the Health Professions, 22(4) p. 442-465
      Chronic Fatigue Syndrome (CFS) is characterized by debilitating symptoms including persistent or relapsing fatigue.
      As a result of CFS, some individuals experience significant stigma that is attached to this illness.
      Many medical professionals are skeptical of the validity of the illness and employers often fail to appreciate the seriousness of the symptoms.
      Although negative attitudes greatly affect the lives of individuals with CFS, there is presently no measurement of attitudes toward this illness and people who have CFS.
      The purpose of the present studies was to create a scale that measures attitudes toward individuals with CFS - the Chronic Fatigue Attitudes Test (CAT) - and to assess the scale's reliability and validity.
      The 13-item scale was created using several constructs outlined in the literature regarding negative attitudes toward people with CFS, disabilities and AIDS.
      Theoretical implications of the findings and the utility of the CAT are discussed.
      Cfr. : http://www.co-cure.org/infores7.htm

    16. Sonderen, E. Van, (1993) - Het meten van sociale steun met de Sociale Steun Lijst - Interacties (SSL-I) en Sociale Steun Lijst - Discrepanties (SSL-D) - Een handleiding - Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken, Rijksuniversiteit Groningen - ISBN : 90 72156 59 5
      Sociale steun is een begrip dat de laatste jaren voorkomt in talrijke verslagen over onderzoek rond ziekte en welbevinden.
      Tegelijkertijd blijkt uit deze verslagen dat niet duidelijk is wat onder sociale steun verstaan moet worden en hoe het gemeten moet worden.
      Op basis van grondig conceptueel onderzoek zijn enkele instrumenten geconstrueerd die (aspecten van) sociale steun betrouwbaar en valide kunnen meten.
      Inmiddels is er met enkele van deze instrumenten ervaring opgedaan in uiteenlopende onderzoeken.
      In deze uitgave worden de resultaten met betrekking tot het meten van de hoeveelheid verkregen steun (SSL-I) en de tevredenheid over de verkregen steun (SSL-D) op een rijtje gezet.
      Cfr. :
      - http://www.rug.nl/gradschoolshare/research_tools/tools/ssli_ssld
      - http://www.rug.nl/gradschoolshare/research_tools/Assessment_tools/SSL-I_en_SSL-D_handleiding.pdf?as=pdf

    17. Spanjer, J. (1994) - Is er een kenmerkende persoonlijkheidsstructuur bij fibromyalgiepatiŽnten ? - Onderzoek naar prestatiemotivatie en coping Ė Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 138(43) p. 2145-2149
      'Is there a characteristic personality profile in patients with fibromyalgia ? - Study of achievement motivation and coping'
      Spanjer J, Gemeenschappelijke Medische Dienst, Bedrijfsvereniging voor Gezondheid, Groningen - Ned Tijdschr Geneeskd. 1994 Oct 22;138(43):2145-9 - PMID: 7969585
      Objective - To study the characteristic personality and coping which is presumed in literature in primary fibromyalgic syndrome (PFS).
      Design - Case control study.
      Setting - Gemeenschappelijke Medische Dienst, Groningen, the Netherlands.
      Method - From February 1st to October 1st, 1993, 46 PFS patients were collected and compared with a control group of subjects matched for age and sex.
      Both groups were asked to complete the PMT and UCL (standardised Dutch tests for achievement motivation and coping).
      For both tests standard values are known. 35 PFS patients and 32 controls completed the tests.
      Results - The achievement motivation in both groups was within normal range.
      The PFS patients as well as the controls had significantly higher scores on 'palliative reaction' and 'depressive reaction'.
      The PFS patients had a higher score on the coping style 'reassuring thoughts' than the controls (p < 0.05).
      Conclusion - The characteristic personality features described in literature could not be confirmed.
      However, PFS patients did have a higher score on the coping style 'reassuring thoughts' compared with the controls.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/7969585

    18. Speckens, A.E.M., A.M. van Hemert, Ph. Spinhoven, K.E. Hawton, J.H. Bolk en H.G.M. Rooijmans, (1996) - Gunstige effecten van cognitieve gedragstherapie voor onverklaarde lichamelijke klachten - Een gerandomiseerd onderzoek - Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140 p. 1227-1232

    19. Stahl, S.M. (2001) Ė Fibromyalgia - The enigma and the stigma - Journal of Clinical Psychiatry, 62(7) p. 501-502
      Although numerous issues need to be resolved about fibromyalgia, including defining pathophysiology, patient population, symptom assessments and agents to use for treatment, this entity is on the verge of emerging as a legitimate syndrome in medicine and psychiatry.
      Cfr. : http://www.psychiatrist.com/pcc/brainstorm/br6207.htm

    20. Stump N.E., P. R. Dexter, W.M. Tierney, F.D. Wlinsky, (1995) - Measuring patient satisfaction with physicians among older and diseased adults in a primary care municipal outpatient setting - An examination of tree instruments - Medical Care, 33, p. 958-972
      Cfr. : http://links.jstor.org/sici?sici=0025-7079(199509)33%3A9%3C958%3AMPSWPA%3E2.0.CO%3B2-Y

    21. Sullivan, P.F., W. Smith, D. Buchwald, (2002) - Latent class analysis of symptoms associated with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia - Psychological Medicine, 32, p.881-888
      Background - Chronic fatigue syndrome and fibromyalgia continue to be perplexing conditions of unknown validity.
      Aetiological and symptomatic heterogeneity is likely and the distinctiveness of these disorders remains unclear.
      Our aims were to investigate empirically symptomatic heterogeneity in chronic fatigue syndrome and fibromyalgia.
      Methods - Latent class analysis was applied to data from 646 patients who met accepted criteria for chronic fatigue syndrome and/or fibromyalgia who were systematically evaluated at a specialist fatigue clinic.
      Thirty-two symptoms commonly found in chronic fatigue syndrome and fibromyalgia were entered into the latent class analysis.
      Results - We chose to interpret a four class solution.
      The classes appeared to differ in a graded fashion (rather than qualitatively) for symptom endorsements, pre-morbid characteristics and comorbidity with panic disorder and major depression.
      Conclusions - These results were unexpected given the usual assumption of the distinctiveness of chronic fatigue syndrome and fibromyalgia.
      These results support a conceptualization of chronic fatigue syndrome and fibromyalgia as being characterized by greater similarities than differences.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=13785974

    22. Torenbeek, M., C.A.J. Mes, M.J. van Liere, K.M.G. Schreurs, R. ter Meer, G.C. Kortleven, C.G.M. Warmerdam, (2006) - Gunstige resultaten van een revalidatieprogramma met cognitieve gedragstherapie en gedoseerde fysieke activiteit bij patiŽnten met het chronische-vermoeidheidssyndroom - Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 150(38), p. 2088-2094
      Favourable results of a rehabilitation programme with cognitive behavioural therapy and graded physical activity in patients with the chronic-fatigue syndrome
      Objective - To determine whether a specific course of interdisciplinary rehabilitation might lead to clinically significant changes in fatigue, experienced disability and physical function in patients with the chronic-fatigue syndrome (CFS).
      Design - Prospective and uncontrolled.
      Method - 'Het Roessingh', a rehabilitation centre in Enschede, the Netherlands, has developed an interdisciplinary clinical rehabilitation programme for patients with CFS in cooperation with the 'Nijmeegs Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid' ['Chronic-Fatigue Knowledge Centre'] in Nijmegen, the Netherlands.
      In this programme, physical, mental and social activities are gradually increased on the basis of cognitive behavioural principles and graded activity.
      Of the 127 successive persons who enrolled for the therapy during the period from August 2000 to December 2004, 99 fulfilled the inclusion criteria; they had a median duration of symptoms of 6 years.
      The results oftreatment were evaluated by a measurement with the 'Checklist individuele spankracht' ['Checklist individual muscle tone'] before and after treatment and the scores on the 'PatiŽntspecifieke beperkingen' ['Patient-specific disability'] and the Short form-36.
      The measured data were complete in 74 patients.
      Results - Before rehabilitation, the levels of fatigue, disability and distress were high.
      After treatment, the studied population showed significant improvement in fatigue, experienced disability and physical function.
      The magnitude of the improvement was generally 'average'.
      At the end of treatment, 70% of the patients were clinically less fatigued, 68% experienced less disability and 55% functioned better physically.
      In 34% the level of fatigue was normalised after treatment, but 9.5% of the patients was more fatigue.
      Conclusion - The rehabilitation programme offered for CFS led to significant improvements in function and fatigue.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=18123090

    23. Veenhoven, R. (1998) - Vergelijken van geluk in landen - Sociale Wetenschappen, 41, p. 58-84
      Comparing happiness across nations
      The livability of a society is likely to reflect in the happiness of its members.
      Therefore, several studies have compared happiness in nations.
      In these studies, average happiness is measured by responses to questions in surveys.
      The responses appear to differ markedly across nations.
      Reported happiness is currently highest in North-West European nations and lowest in the former communist nations and in the third world.
      These findings meet much reservation.
      There is doubt about both the cross-cultural comparability of responses to survey questions on happiness, and about the value of happiness as an indicator of societal quality.
      This paper takes stock of the qualms and reviews the available evidence.
      Next to direct checks of specific misgivings it reports some indirect tests.
      None of the misgivings is supported by the data. It is concluded that happiness
      Inleiding
      Deze bijdrage gaat over vergelijkend onderzoek naar geluk.
      De vraag is vergelijking van geluk tussen landen eigenlijk wel mogelijk is.
      Die vraag heeft twee achtergronden : enerzijds het besef dat vergelijking tussen landen sowieso veel problemen met zich meebrengt (cfr. dit nummer) en anderzijds twijfels over vergelijkbaarheid van geluk in het bijzonder.
      Geluk geldt als iets dat moeilijk meetbaar is en cultureel hoogst variabel.
      Beantwoording van deze vraag gaat als volgt : eerst wordt kort vermeld wat het gangbare onderzoek inhoudt en welke methode daarbij gehanteerd worden, daarna wordt een overzicht gegeven van de bedenkingen tegen deze onderzoekspraktijk, vervolgens worden die bezwaren empirisch getoetst daarbij gebruikmakend van de gegevens die deze onderzoekstraditie inmiddels heeft opgeleverd.
      Het zal blijken dat het onderwerp zich goed leent voor het gebruikelijke kwantitatieve multi-variate onderzoek.
      Anders dan bij de andere thema's in dit nummer is het object van onderzoek.
      .../...
      Slot
      De vraag was of geluk in landen vergeleken kan worden.
      Het antwoord luidt bevestigend.
      Geluk laat zich goed meten met behulp van grootschalige publieks-enquetes.
      De verschillen tussen landen die daarbij aan het licht treden kunnen niet worden afgedaan als meetfouten.
      De verschillen zijn ook niet zonder betekenis, maar duiden op wezenlijke variatie in leefbaarheid van de samenleving.
      Die conclusie strookt niet met de gangbare opvatting.
      Het onderwerp geluk heeft de naam onvergelijkbaar te zijn.
      Die reputatie berust op enige misverstanden.
      Eťn van die misverstanden is dat vaak nogal losjes over het 'geluksbegrip' gesproken wordt en dat daarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de geluk alszodanig en opvattingen over wat gelukkig maakt.
      Het eerste blijkt universeel en is derhalve in principe vergelijkbaar tussen landen; vrijwel alle mensen weten wel ongeveer inhoeverre ze voldoening in het leven scheppen.
      De opvattingen over wat bevorderlijk is voor geluk lijken meer gebonden aan plaats en tijd.
      Dit verschil doet zich ook voor bij gezondheid.
      Gezond of ziek is voor alle mensen het zelfde, maar er is veel culturele variatie in de zaken waaraan men het toeschrijft.
      Een hiermee verband houdende misvatting is vervolgens dat die cultureel variabele opvattingen het ervaren geluk zouden bepalen.
      Die gedachte vloeit voort uit de hierboven genoemde constructionistische theorieŽn van geluk.
      Bij het onderwerp gezondheid doet die vermenging zich in veel mindere mate voor, omdat we weten dat de feitelijke gezondheidstoe-stand slechts marginaal beÔnvloed wordt door opvattingen over gezondheid.
      Kanker blijft kanker of men het nu toeschrijft aan verkeerde voeding of betovering.
      Bij geluk is dat niet zo evident.
      Menigeen denkt dat geluk afhangt van de mate waarin de realiteit overeenstemt met het gangbare geluksideaal.
      Zoals hierboven al aangegeven, blijkt dat echter niet zo te zijn.
      Geluk wordt niet zozeer afgemeten aan idealen, maar eerder afgeleid uit gevoelsmatige ervaring.
      Uit die onberede-neerde gevoelens spreken universele behoeften (nader uitgewerkt in Veenhoven 1996c).
      Daarom is het niet zo vreemd dat empirisch onderzoek meer overeenkomst in geluk aan het licht brengt dan theoretisch relativisten ooit hebben kunnen bevroeden.
      Cfr. : http://www2.eur.nl/fsw/research/veenhoven/Pub1990s/98b-fulln.pdf

    24. Waal M.W.M. de, I.A. Arnold, J.A.H. Eekhof, A.M. van Hemert (2006) Ė Somatoforme stoornissen in de huisartsenpraktijk - Prevalentie, functionele beperkingen en comorbiditeit met angst en depressie - Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 150 (12), p. 671-676
      Somatoform disorders in general practice -
      Mw. M.W.M. de Waal - Promotoren : Prof.Dr. W.J.J. Assendelft & - Prof.Dr. P. Spinhoven, Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), Promoties Geneeskunde Donderdag 21 september 2006
      Klachten als hoofdpijn, rugpijn en moeheid die niet verklaard kunnen worden door lichamelijke mankementen worden ook wel somatoforme stoornissen genoemd als ze langer dan zes maanden aanhouden.
      Ingrid Arnold en Margot de Waal onderzochten hoe vaak het voorkomt en wat de huisarts voor deze patiŽnten kan betekenen in de zogenaamde Somatization study of the University of Leiden (SOUL).
      Vanwege grote verschillen tussen de patiŽnten pleiten de promovendi voor verschillende behandelingen variŽrend van het verbeteren van de gebruikelijke zorg door de huisarts tot het doorverwijzen van chronische patiŽnten naar professionals die in somatoforme stoornissen gespecialiseerd zijn.
      Aangezien somatoforme stoornissen vaak samengaan met angst en depressie, kunnen deze het beste tegelijkertijd behandeld worden.
      Cfr. : http://www.lumc.nl/4030/samenvattingen/200609/dewaal.html#Samenvatting:

    25. Weir, P.T., G.A. Harlan, F.L. Nkoy, S.S. Jones, K.T. Hegmann, L. H. Gren, J.L. Lyon, (2006) - The incidence of Fibromyalgia and its associated comorbidities - A population-based retrospective cohort study based on international classification of diseases, 9th revision codes - Journal of clinical rheumatology, 12, p. 124-128
      Background - The epidemiology of fibromyalgia is poorly defined.
      The incidence of fibromyalgia has not been determined using a large population base.
      Previous studies based on prevalence data demonstrated that females are 7 times more likely to have fibromyalgia than males and that the peak age for females is during the childbearing years.
      Objective - We have calculated the incidence rate of fibromyalgia in a large, stable population and determined the strength of association between fibromyalgia and 7 comorbid conditions.
      Methods - We conducted a retrospective cohort study of a large, stable health insurance claims database (62,000 nationwide enrollees per year).
      Claims from 1997 to 2002 were examined using the International Classification of Diseases, 9th Revision, Clinical Modification (ICD-9-CM) codes to identify fibromyalgia cases (ICD code 729.1) and 7 predetermined comorbid conditions.
      Results - A total of 2595 incident cases of fibromyalgia were identified between 1997 and 2002.
      Age-adjusted incidence rates were 6.88 cases per 1000 person-years for males and 11.28 cases per 1000 person-years for females.
      Females were 1.64 times (95% confidence interval = 1.59-1.69) more likely than males to have fibromyalgia.
      Patients with fibromyalgia were 2.14 to 7.05 times more likely to have one or more of the following comorbid conditions : depression, anxiety, headache, irritable bowel syndrome, chronic fatigue syndrome, systemic lupus erythematosus and rheumatoid arthritis.
      Conclusion - Females are more likely to be diagnosed with fibromyalgia than males, although to a substantially smaller degree than previously reported and there are strong associations for comorbid conditions that are commonly thought to be associated with fibromyalgia.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16755239

    Lees verder : Deel X


     

    06-02-2008 om 19:45 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel X
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel X


    1. Wessely, S., C. Nimnuan, M. Sharpe, (1999) - Functional somatic syndromes - One or many ? - The Lancet, 354, p. 936-939
      We review the concept and importance of functional somatic symptoms and syndromes such as irritable bowel syndrome and chronic fatigue syndrome.
      On the basis of a literature review, we conclude that a substantial overlap exists between the individual syndromes and that the similarities between them outweigh the differences.
      Similarities are apparent in case definition, reported symptoms and in non-symptom association such as patients' sex, outlook and response to treatment.
      We conclude that the existing definitions of these syndromes in terms of specific symptoms is of limited value; instead we believe a dimensional classification is likely to be more productive.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10489969?dopt=Abstract
      Also read the comments on this article :
      Comment in :
      Functional somatic syndromes
      - Colby J. :
      Lancet. 1999 Dec 11;354(9195):2078; author reply 2078-9
      - Goudsmit E. & Shepherd C. : Lancet. 1999 Dec 11;354(9195):2078; author reply 2078-9
      - Beales D.L. & de Sousa LA. : Lancet. 1999 Dec 11;354(9195):2079
      - Jason L.A., Taylor R.R., Song S., Kennedy C., Johnson D. : Lancet. 1999 Dec 11;354(9195):2079-80
      - Madill P.V. : Lancet. 1999 Dec 11;354(9195):2080

    2. Winfield, J.B. (2001) - Does pain in fibromyalgia reflect somatization ? - Arthritis & Rheumatism, 44(4) p. 751-753
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11315913

    3. Wolfe, F., (1990) - The American College of Rheumatology 1990 Criteria for the Classification of Fibromyalgia of the Multicenter Criteria Committee Ė Arthritis Rheumatology 33(2), p. 160-172
      To develop criteria for the classification of fibromyalgia, we studied 558 consecutive patients : 293 patients with fibromyalgia and 265 control patients.
      Interviews and examinations were performed by trained, blinded assessors.
      Control patients for the group with primary fibromyalgia were matched for age and sex and limited to patients with disorders that could be confused with primary fibromyalgia.
      Control patients for the group with secondary-concomitant fibromyalgia were matched for age, sex and concomitant rheumatic disorders.
      Widespread pain (axial plus upper and lower segment plus left- and right-sided pain) was found in 97.6% of all patients with fibromyalgia and in 69.1% of all control patients.
      The combination of widespread pain and mild or greater tenderness in greater than or equal to 11 of 18 tender point sites yielded a sensitivity of 88.4% and a specificity of 81.1%.
      Primary fibromyalgia patients and secondary-concomitant fibromyalgia patients did not differ statistically in any major study variable and the criteria performed equally well in patients with and those without concomitant rheumatic conditions.
      The newly proposed criteria for the classification of fibromyalgia are : 1) widespread pain in combination with 2) tenderness at 11 or more of the 18 specific tender point sites.
      No exclusions are made for the presence of concomitant radiographic or laboratory abnormalities.
      At the diagnostic or classification level, the distinction between primary fibromyalgia and secondary-concomitant fibromyalgia (as defined in the text) is abandoned.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/2306288


    Internetsites

    1. Functioneel somatische klachten in de huisartsenpraktijk
      © http://users.castel.nl/~voss01 - Bron : Artsennet, Fibromyalgie Public Relations Site
      'Gebukt onder de Geest' - cfr. : http://www.geneeskundeboek.nl/leesverder.pl?isbn=9789026515705 - is de passende titel van een recent overzicht waarin psychiater Mirek Kabela vrijwel alle functioneel somatische klachten behandelt waarmee artsen wel eens te maken krijgen :
      - fibromyalgie, whiplash
      - chronisch vermoeidheidssyndroom
      - prikkelbare darmsyndroom
      - angststoornissen, hypochondrie en noem maar op...
      Maar de Britse onderzoekers S. Wessely, C. Nimnuan en M. Sharpe gooien ze, in The Lancet van 11 september vorig jaar, oneerbiedig gezegd allemaal op een hoop.
      Ook Christina van der Feltz-Cornelis, als psychiater verbonden aan het Psychiatrisch Centrum Amsterdam, denkt dat het weinig zinvol is, al te veel onderscheid te maken tussen de verschillende syndromen.
      Ze is gepromoveerd op de behandeling van somatiserende patiŽnten in de huisartsenpraktijk.
      Anderhalf jaar geleden begon ze een consultatiebureau waar huisartsen terechtkunnen met vragen over patiŽnten met onbegrepen klachten.
      ďSomatiserenĒ, zegt ze : ďDat doet iedereen wel eens. Maar soms neemt het een ziekelijke vorm aanĒ.
      Je hebt primaire somatiseerders mensen die karakterologisch de neiging hebben na een voor hen ingrijpende gebeurtenis te somatiseren.
      Elke huisartsenpraktijk kent er wel een paar.
      Bij secundaire somatiseerders blijkt achter de klachten een psychiatrisch ziektebeeld schuil te gaan : veelal angststoornissen of klachten van depressieve aard.
      Ofschoon deze patiŽnten in sterke mate disfunctioneren, is na de onderkenning van het werkelijke probleem de prognose behoorlijk goed. 30 tot 40 procent van de spreekuurpopulatie bezoekt de huisarts wel eens met dit soort klachten.
      Virulent
      Medisch onbegrepen klachten zijn van alle tijden.
      Maar sociale en culturele omstandigheden bepalen welke vorm de expressie en beleving ervan zullen aannemen.
      De Amerikaanse psychiaters Arthur Barsky en Jonathan Borus.
      Gelijke verzamelingen van goedaardige symptomen krijgen verschillende diagnostische labels en worden toegeschreven aan verschillende oorzaken in verschillende tijden.
      Zo loopt er volgens hen een directe lijn van het in 1871 door Da Costa beschreven irritable heart syndrome, dat gepaard gaat met hyperventilatie, pijn in de hartstreek waarbij geen cordiale afwijking aantoonbaar is en vermoeidheid, via het soldatenhart en de shell shock, die voor het eerst opdoken in de Eerste Wereldoorlog, naar het recente Golfsyndroom.
      En de aandoeningen die voorheen werden aangeduid als schrijverskramp, telegrafistenkramp of railway spine, heten nu RSI of het chronisch whiplash syndroom.
      Niettemin verschillen hedendaagse patiŽnten in een aantal opzichten van hun historische voorlopers.
      Ze zijn bijvoorbeeld veel minder opgelucht wanneer blijkt dat na grondige medische analyse geen afwijkingen worden gevonden.
      Dat medici aan gezag en prestige hebben ingeboet, is daar deels debet aan, zo menen Barsky en Borus.
      Maar ook de invloed van de media willen ze niet uitvlakken.
      Die hebben nogal eens de neiging functionele somatische syndromen te presenteren als ging het om virulente epidemieŽn.
      Epidemie is overigens geen onterechte benaming, vinden Barsky en Borus.
      Aanvankelijk lijkt het er wel degelijk op dat er sprake is van een besmettelijke haard of een toxische stof.
      Maar, zeggen ze, dat is gezichtsbedrog.
      Wie beter kijkt, zal vaak zien dat de ziekte zich verspreidt langs de lijnen van interpersoonlijke communicatie.
      Blind
      Volgens Wessely c.s. kent vrijwel elk medisch specialisme zijn eigen functioneel somatische syndroom (cfr. kader).
      Dit draagt bij aan de opvatting dat elk van deze syndromen een op zichzelf staand fenomeen vertegenwoordigt.
      Maar juist dat wordt in toenemende mate betwijfeld.
      Na grondig vergelijken en analyseren, zien we iets heel anders, beweren de Britse onderzoekers.
      Het is, menen ze, als de situatie van de olifant en de blinde : de blinde betast telkens een ander lichaamsonderdeel, maar die blijven verschillend en vooral onafhankelijk dat de delen een groter geheel vormen, komt niet bij hem op.
      De onderzoekers hebben goede argumenten voor hun veronderstelling.
      Zo vinden ze een grote mate van overlap in de definities van de verschillende syndromen.
      PatiŽnten die gediagnosticeerd zijn voor een bepaald functioneel somatisch syndroom, blijken vaak ook te beantwoorden aan de criteria voor een ander.
      Dus patiŽnten met functionele buikklachten hebben vaak ook symptomen die wijzen op het chronisch vermoeidheidsyndroom, chronische hyperventilatie, fibromyalgie, spanningshoofdpijn of non-ulcer dyspepsie.
      Een opmerkelijk verschijnsel versterkt dat idee nog dezelfde patiŽnt kan over een langere periode het slachtoffer menen te zijn van verschillende aandoeningen.
      Dit fenomeen staat bekend als 'pathosplasticiteit'.
      De hoge co-morbiditeit met psychiatrische symptomen completeert de argumentatie.
      Zo komen die symptomen vaker voor bij patiŽnten met fibromyalgie dan bij een vergelijkbare groep patiŽnten met reumatoÔde artritis.
      Ook voor patiŽnten die kampen met het prikkelbare darmsyndroom gaat dat op, zeker als ze worden vergeleken met hun somatische tegenvoeters die last hebben van een darminfectie.
      De Noorse psycholoog H. Ursin is op statistische gronden wat voorzichtiger.
      Uit factoranalyse van de voornaamste functionele klachten zou blijken dat het in essentie om vier onafhankelijke symptoomcomplexen (of dimensies) gaat : spierpijn, gastrolintestinale problemen, allergieŽn en pseudo-neurologische klachten, zoals duizeligheid, vermoeidheid, slaapstoornissen, angst en depressiviteit.
      Sommige patiŽnten scoren hoog op alle vier de dimensies, sommigen op minder dan vier, maar steeds geldt dat er geen correlatie is te vinden tussen de score op de ene en op de andere dimensie.
      Toch neigt ook Ursin ertoe om ťťn gemeenschappelijke conditie te veronderstellen.
      Pathosfysiologie
      Bijna alle onderzoekers die zich met functioneel somatische klachten hebben beziggehouden, wijzen erop dat het gaat om diffuse, niet-specifieke en ambigue symptomen met een hoge prevalentie in het gezonde deel van de populatie.
      Vermoeidheid, slaapproblemen, hoofdpijn, spier en gewrichtspijn, misselijkheid en andere gastrolintestinale symptomen, angst, depressiviteit, duizeligheid we hebben er allemaal wel eens last van.
      Waarom leiden ze bij sommigen dan tot ziekte en ziektegedrag ?
      Psychiater Christina van der Feltz-Cornelis : ďWaar het steeds weer op neerkomt, is dat bij deze mensen de balans tussen draagkracht en draaglast zoek is. Hun copingmechanismen zijn niet goed. Ze sturen niet bij op basis van levensgebeurtenissenĒ.
      Stress blijkt het sleutelwoord.
      Mensen die onder stress staan (op het werk of privť) zijn eerder geneigd ambigue lichamelijke symptomen toe te schrijven aan ziekte dan aan normale fysiologie.
      Daar komt bij dat veel stressoren angst veroorzaken en dat verlaagt de pijndrempel en de tolerantie voor pijn.
      Wessely c.s. waarschuwen, niet te vervallen in een veel gemaakte fout.
      Functionele klachten zijn niet all in the mind, stellen ze.
      Integendeel, de klachten hangen zeer waarschijnlijk samen met een veranderd functioneren van het centrale zenuwstelsel.
      Van der Feltz-Cornelis daarover : ďWe worstelen in de geneeskunde nog altijd met die onzalige erfenis van Descartes de splitsing van lichaam en geest. Gelukkig begrijpen we tegenwoordig meer van de interactie tussen lichaam en geest. Angst jaagt het sympatische zenuwstelsel aan en dat leidt tot hartkloppingen, darmstoornissen en dergelijke. Maar nog steeds is onvoldoende duidelijk hoe het centrale zenuwstelsel, met name de cerebrale gebieden en het perifere zenuwstelsel precies samenhangenĒ.
      Ook psycholoog H. Ursin pleit ervoor vage klachten niet uitsluitend te bezien als ůf psychologisch ůf somatisch.
      Hij spreekt liever van subjectieve health complaints en kiest voor wat hij noemt een psychobiologische benadering en verklaringswijze.
      ďPatiŽnten die gebukt gaan onder dit soort klachten kunnen minder hebben, zijn sneller moe en hun pijnwaarneming is sterker dan normaalĒ, constateert hij.
      Met name de wijze waarop het zenuwstelsel omgaat met (externe) prikkels speelt daarbij volgens hem een cruciale rol.
      Herhaald gebruik van synapsen kan leiden tot een verandering in de synaptische efficiency neemt die toe dan is er sprake van sensitisatie, neemt die af, van habituatie.
      Cognities
      Sensitisatie van met name het limbisch systeem zou aan de basis liggen van somatisatie.
      Het idee is dat de drempel waarop bepaalde onderdelen daarvan actief worden, is verlaagd na (elektrische of chemische) stimulatie.
      Het gaat daarbij om een tijdelijke sensitisatie van limbische neuronen, met name die in de amygdala.
      Deze hersenstructuur is nauw betrokken bij emotionele activatie.
      Het is niet helemaal duidelijk waarom bij deze patiŽnten deze en andere neuronale structuren zo gevoelig zijn geworden, maar volgens Ursin zijn hier cognitief psychologische factoren in het spel.
      Het gaat hier om drie soorten factoren : predisponenerende, uitlokkende en instandhoudende.
      Tot de eerste categorie behoort iemands constitutie en eventuele eerdere ervaringen met ziekte.
      De tweede groep factoren wordt gevormd door mechanismen die leiden tot lichamelijke sensaties zonder dat er sprake is van een ernstige somatische aandoening.
      Ten slotte zijn er de cognities van de patiŽnt.
      Als die denkt dat de sensaties worden veroorzaakt door een ernstige ziekte kan dat allerlei gevolgen hebben.
      Zo verhoogt het zijn aandacht voor die sensaties, waardoor ze sterker tot het bewustzijn doordringen en zijn emotionele arousal, waardoor de sensaties als zodanig in sterkte toenemen.
      Huisarts Henriette van der Horst, verbonden aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, heeft dit mechanisme uitgewerkt voor de pathofysiologie van functionele buikklachten.
      Het begint allemaal op visceraal niveau daar is sprake van een uitlokkende factor, bijvoorbeeld een maagdarminfectie.
      Ten gevolge daarvan treedt er een tijdelijke verandering in de darmreceptoren op.
      Dan begint een tweede proces er ontstaat een geconditioneerde reactie op een willekeurige sensatie uit de darmen of er is sprake van een autonome respons op een stresssituatie - denk aan diarree bij een examen.
      De patiŽnt interpreteert deze sensaties als schadelijk.
      Onder normale omstandigheden blijven deze viscerale gewaarwordingen tot een minimum beperkt, maar allerlei factoren kunnen volgens Van der Horst de oplettendheid voor dit soort gebeurtenissen verhogen.
      Ze wijst bijvoorbeeld op afwijkende gezondheidsopvattingen, maar ook op de fnuikende rol van onbewuste aandachtsprocessen.
      Er bestaat naar haar idee een logische samenhang tussen viscerale sensaties, gezondheidsopvattingen en omgevingsreacties, die elkaar beÔnvloeden en versterken.
      Dat daarbij cognities (de interpretatie van de patiŽnt) een wezenlijke rol spelen, staat voor haar buiten kijf.
      Het feit dat cognitieve gedragstherapie vaak effectief is gebleken bij de behandeling van functionele buikklachten, is daarvoor bovendien een belangrijke aanwijzing.
      Iatrogeen
      Wessely c.s. zien geen er geen heil in de behandeling van patiŽnten met functionele klachten geheel in handen te geven van psychiaters.
      Dat komt, zeggen ze, neer op Ďhet vervangen van het ene monolithische perspectief door het andere'.
      Zij verwachten veel van de huisarts, eventueel bijgestaan door psychiaters of psychologen.
      Dat garandeert een brede benadering van de problemen.
      ďWe stellen voor een einde te maken aan de overtuiging dat elk functioneel somatisch syndroom een apart specialisme vereist. Dat is overigens geen nieuwe opvatting. In de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw is dat al eens bepleit door artsen die een grote mate van overeenkomst ontwaarden in wat toen heette psychosomatische syndromen. De geschiedenis herhaalt zich, en misschien kunnen we daar nu eens wat van leren,Ē zeggen de Britse onderzoekers.
      Vroegtijdige ontdekking en behandeling van somatisatie is essentieel.
      Vertraging kan de patiŽnt alleen maar bevestigen in het idee dat hij ziek is.
      Maar ook snelle hulp biedt helaas niet altijd de gewenste uitweg.
      Somatiserende patiŽnten klagen vaak niet in verhouding tot de pathologische bevindingen.
      Dat kan de basis zijn voor een sluimerend conflict tussen arts en patiŽnt.
      Artsen willen deze mensen helpen, maar somatiserende patiŽnten hebben het vaak nodig om onder behandeling van artsen te blijven.
      Hoe je het ook wendt of keert, artsen zullen moeten erkennen dat sommige van deze patiŽnten niet te genezen zijn.
      Ursin waarschuwt artsen in ieder geval voor al te uitgebreide (en dure !) onderzoekingen.
      Ze kunnen een iatrogene werking hebben.
      Ursin : ďHet gevaar bestaat dat patiŽnten daardoor nog sensitiever worden voor milde of gematigd normale lichaamsverschijnselen. Artsen focussen op somatische klachten, maar falen in het stellen van een adequate diagnose of het bedenken van een therapieĒ.
      Hij voegt daar nog aan toe : ďDat probleem kan zich in versterkte mate voordoen als mensen uit andere culturen worden geconfronteerd met de westerse geneeskunde, hetgeen kan resulteren in een eindeloze, maar vruchteloze zoektocht naar een organische etiologieĒ.
      Functionele syndromen per specialisme
      - Allergologie : multiple chemische sensitiviteit
      - Cardiologie : atypische pijn op de borst
      - Gynaecologie : premenstrueel syndroom
      - Interne geneeskunde : prikkelbare darmsyndroom
      - KNO heelkunde : globusgevoel
      - Microbiologie : chronisch (postviraal) vermoeidheidssyndroom
      - Neurologie : spanningshoofdpijn
      - Pulmonologie : hyperventilatie
      - Reumatologie : fibromyalgie (ontleend aan Wessely c.s. The Lancet 1999; 354: 936-9).
      Cfr. :
      -
      http://ftp.castel.nl/~voss01/artsen/somatische_klachten_in_de_huisartsenpraktijk.htm
      - www.jules.be dd. 15-12-2007
      Geraadpleegd op : 14-06-2007

    2. Van Dale
      Cfr. : www.vandale.nl
      Geraadpleegd op : 11-08-2007

    3. Nationale Vereniging voor Fibromyalgie-PatiŽnten 'Eendrachtig Sterk' (FES)
      Cfr. : www.fibromyalgiepatientenvereniging.nl
      Geraadpleegd op : 05-07-2007

    4. De ME/CVS-Stichting Nederland
      De patiŽntenorganisatie voor mensen met het Chronische-Vermoeidheidssyndroom (CVS) of Myalgische Encephalomyelitis (ME)
      Cfr. : www.me-cvs-stichting.nl
      Geraadpleegd op : 05-07-2007

    5. Reumafonds Ė Sterk in Beweging
      Cfr. : www.reumafonds.nl
      Geraadpleegd op : 09-07-2007

    6. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
      Cfr. : www.rivm.nl
      Geraadpleegd op : 11-07-2007

    7. The World Health Organization
      Cfr. : http://www.who.int/en/
      Geraadpleegd op : 11-08-2007

    8. Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
      Natasha Verbakel - Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) - © Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid
      Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/root/Rapporten/2007/stigmatisering/?FullItemRecord=ON
      Geraadpleegt in oktober 2007

    Bijlagen


    Bijlage I - Belasting versus belastbaarheid

    (De informatie die beschreven wordt in deze bijlage is verzameld door middel van een interview met dr Klatte, revalidatiearts bij De Vogellanden, Centrum voor Revalidatie, te Zwolle)

    Klachten zijn het gevolg van een verstoord evenwicht tussen de belastbaarheid van het lichaam en de belasting die wij het lichaam opleggen.
    Deze klachten uiten zich bij iedereen anders, de ťťn ervaart veel pijn - de tenderpoints bij Fibromyalgie - terwijl de ander vooral kampt met overmatige vermoeidheid - het Chronische Vermoeidheidssyndroom -.
    Volgens deze zienswijze is het niet zozeer de naamgeving, diagnose, die van belang is maar het feit dat beide syndromen het gevolg zijn van de verstoring in het evenwicht.

    Deze belastbaarheid ligt voor een ďgezondĒ mens rond de 100%, echter door meerdere factoren kan deze belastbaarheid afnemen.
    De factoren kunnen fysiek, psychisch en sociaal van aard zijn.
    Fysiek bijvoorbeeld door een blessure, psychisch als gevolg van stress en sociaal als gevolg van overbevraging uit de sociale omgeving.
    De factoren kunnen beide intern als ook extern zijn, een voorbeeld van een externe factor is een omgeving die veel druk op een persoon legt.
    Een interne factor kan bijvoorbeeld een verstoring van de hormoonbalans zijn of een karaktereigenschap.
    Interne en externe factoren beÔnvloeden elkaar en zullen in veel gevallen een versterkende werking hebben (gehad).

    Deze factoren kunnen gelegen zijn in het heden en in het verleden, de stress kan een relatief nieuwe ervaring zijn terwijl deze ook latent aanwezig kan zijn over de jaren heen als gevolg van bijvoorbeeld misbruik in de kinderjaren.
    Als de belasting van het lichaam bij deze verminderde belastbaarheid stand houdt, wordt er overbelasting gecreŽerd.
    In figuur 1 is dit goed te zien.
    De geleidelijk afnemende lijn laat zien dat de belastbaarheid afneemt.
    Ondanks dat de fluctuerende lijn rond de 100% blijft (ongeveer de normale belastbaarheid) wordt er nu toch overbelasting gecreŽerd.

    Ook aan de andere kant van de weegschaal, de belasting, kunnen de beschreven factoren het evenwicht verstoren.
    De beschreven stress als factor die de belastbaarheid van het lichaam beÔnvloed kan ook een verstoring van het evenwicht betekenen als deze drukt op de belasting.
    Figuur 2 laat dit zien.
    Stel dat iemand een belastbaarheid van 100% heeft, maar continu te kampen heeft met hoge stress, dan is de belasting te hoog.
    Uiteindelijk zal deze persoon klachten gaan ervaren.
    Elke keer dat de belasting boven de lijn van de belastbaarheid komt wordt er overbelasting gecreŽerd.

    Figuur 1. - Overbelasting door verminderde belastbaarheid
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 98

    Figuur 2. - Overbelasting door verminderde belastbaarheid
    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 98

    Echter met alleen het reduceren van de activiteiten is men niet geheel geholpen, omdat de belasting altijd in perspectief van de belastbaarheid moet worden geplaatst, dient men er bij het reduceren van activiteiten rekening mee te houden dat de belastbaarheid ook is afgenomen.
    De afname van de belasting kan dus niet absoluut worden gezien maar altijd relatief.
    Het kan zijn dat er overbelasting blijft bestaan, terwijl men tůch minder activiteiten onderneemt.
    Dit is het typische beeld van het chronisch vermoeidheidssyndroom en FibromyalgiepatiŽnten.
    Deze mensen leveren wel in maar boeken geen vooruitgang in hun algehele conditie, de klachten van pijn en vermoeidheid blijven bestaan.

    PatiŽntencategorie
    De beschreven syndromen zijn niet in te delen in bepaalde sociale- psychologische- en / of demografische eigenschappen van mensen.
    Het kan iedereen treffen omdat bij elk Ďsoortí mens het evenwicht tussen belastbaarheid en belasting verstoord kan worden.
    Er zijn zoals beschreven meerder factoren die invloed hebben en veel combinaties die bij verschillende mensen uiteindelijk tot klachten kunnen leiden.
    Belangrijk om op te merken is wel dat deze verstoring bij iedereen in het dagelijkse leven optreedt.
    Iedereen gaat wel eens over zijn grenzen heen, alleen de meeste mensen kunnen dit zelf oplossen.

    Behandeling / prognose
    De behandeling begint met het ontraffelen van het complex aan factoren die de verstoring tussen belastbaarheid en belasting hebben veroorzaakt.
    Omdat factoren zowel fysiek, als sociaal en psychologisch kunnen zijn en deze mensen vaak al jaren met de klachten rondlopen is het verwarrend wat nu precies de oorzaak is.
    Om de balans tussen belasting en belastbaarheid weer in evenwicht te krijgen moet men hun eigen lichaam beter leren kennen.
    De grenzen van belastbaarheid, het gevoel ďnu begint het te zeurenĒ moeten herkend worden en men moet leren deze grens te bewaken.
    Door dit te doen zal de curve van belasting net onder de grens van belastbaarheid fluctueren.
    Omdat er nu geen overbelasting meer ontstaat, hoewel iedereen af en toe wel over de grens heen gaat, heeft het lichaam de tijd om te herstellen.
    Het niveau van belastbaarheid zal geleidelijk stabiliseren en na verloop van tijd geleidelijk toenemen.

    Ook sociaal / psychologisch heeft deze benadering voordelen.
    Doordat men leert activiteiten te doseren en goed te plannen heeft men na een activiteit niet steeds rust nodig omdat ervoor wordt gezorgd dat de belasting van verschillende spiergroepen / lichaamsdeling verdeeld wordt.
    Door middel van verschillende op elkaar volgende activiteiten kan men dus gedurende de dag rustig aan bezig blijven.
    Dit zal leiden tot een hoger rendement van de dag dan wanneer men steeds een activiteit doet en vervolgens een tijd is Ďuitgeschakeldí om weer bij te komen.
    Daarnaast heeft dit het positieve effect voor de patiŽnt omdat deze het idee heeft weer wat gedaan te krijgen.
    Men voelt zeer weer volwaardig omdat ze bepaalde rollen kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld de rol als moeder.
    Dit zal vervolgens bijdragen aan de motivatie voor de behandeling.

    Uiteindelijk zullen deze mensen een verhoogde belastbaarheid bereiken, tevens hebben zij geleerd om beter om te gaan met de belasting van hun lichaam.
    Het evenwicht is weer in balans en na deze behandeling kunnen zij weer goed functioneren in het dagelijkse leven.


    Bijlage II - Vragenlijst Chronisch Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie en Reuma

    In deze vragenlijst wordt steeds gesproken over het Chronische Vermoeidheidssyndroom-ME, Fibromyalgie en Reuma.
    Bij elke vraag is alleen de aandoening die u heeft op u van toepassing.
    Dus als u Reuma heeft dan hebben CVS-ME en Fibromyalgie geen betrekking op uw situatie en andersom.

    Wilt u er alstublieft op letten alle vragen te beantwoorden ?

    1. Met welke aandoening(en) bent u gediagnostiseerd ?
      (u mag meerdere aandoeningen selecteren)
      - CVS-ME
      - Fibromyalgie
      - Reuma

    2. Als u bij vraag 1 meerdere aandoeningen heeft geselecteerd, welke van deze aandoeningen ervaart u dan als het meest ingrijpend ?
      - CVS-ME
      - Fibromyalgie
      - Reuma

    3. Door wie is de aandoening die u bij vraag 2 heeft geselecteerd gediagnostiseerd ?
      - De huisarts
      - De reumatoloog
      - Zelf
      - Iemand anders, namelijk : ................. ...

    4. Hoeveel jaar geleden kreeg u voor het eerst last van de symptomen van CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma ?
      (als u het niet precies weet vult u dan een schatting in)
      .......... jaar

    5. Na de eerste klachten, hoe lang duurde het voordat u met deze klachten naar de huisarts ging ?
      .......... maanden

    6. Werd de juiste diagnose direct gesteld ?
      - Ja (ga naar vraag 8)
      - Nee

    7. Hoe vaak werd er een onjuiste diagnose gesteld ?
      .......... keer

    8. Hoe lang duurde het voordat de juiste diagnose is gesteld ?
      .......... maanden

    9. Hoeveel artsen / specialisten heeft u in totaal bezocht voor uw aandoening ?
      .......... artsen / specialisten

    10. Hoeveel artsen / specialisten bezoekt u op dit moment voor uw aandoening ?
      .......... artsen / specialisten

      De volgende drie vragen gaan over uw gezondheid in het algemeen

    11. Wat vindt u, over het algemeen genomen, van uw gezondheid ?
      - Uitstekend
      - Zeer goed
      - Goed
      - Matig
      - Slecht

    12. Als u een rapportcijfer zou moeten geven, hoeveel pijn heeft u dan de afgelopen week gehad ?
      (1 = helemaal geen pijn, 10 = heel erg veel pijn)
      ..........

    13. Als u een rapportcijfer zou moeten geven, hoe moe heeft u zich dan de afgelopen week gevoeld ?
      (1 = helemaal niet moe, 10 = heel erg moe)

      ..........

    Wanneer u uw huidige activiteiten vergelijkt met dezelfde activiteiten voor u CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma kreeg, doet u deze activiteiten als gevolg van uw aandoening dan minder vaak dan u zou willen, vaker, of precies genoeg ?
    Wilt u per vraag het antwoord dat het beste past bij uw ervaringen aankruisen ?

    - Heb ik nooit gedaan
    - Zou ik vaker willen doen
    - Doe ik even vaak
    - Zou ik minder vaak willen doen

    1. Boodschappen doen
    2. Voor mijn plezier winkelen
    3. Voor mijn plezier wandelen of fietsen
    4. Gezelschapsspelletjes doen (bij u of anderen thuis)
    5. Tijd besteden aan een hobby (niet in lesverband)
    6. Voor de gezelligheid telefoneren
    7. Voor de gezelligheid chatten op internet
    8. Op bezoek gaan, bijvoorbeeld bij kinderen, familie of kennissen
    9. Bezoek bij mij thuis ontvangen
    10. Kerkdiensten bezoeken
    11. Bestuurswerk doen voor een club, kerk, bond, vereniging e.d.
    12. Deelnemen aan een activiteit van een club, kerk, bond, vereniging e.d.
    13. Naar een restaurant of cafť gaan
    14. Naar de bioscoop of het theater gaan
    15. Vrijwilligerswerk doen


    De volgende vragen gaan over hoe andere mensen in het algemeen reageren op uw aandoening.
    Wilt u per vraag het antwoord dat het beste past bij uw ervaringen aankruisen ?

    - Helemaal mee oneens
    - Mee oneens
    - Enigszins mee oneens
    - Enigszins mee oneens
    - Mee eens
    - Helemaal mee eens

    1. Zodra mensen weten dat ik CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma heb, proberen ze te achterhalen of dat komt door gebreken in mijn persoonlijkheid
    2. Veel mensen gaan er van uit dat CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma een teken van persoonlijke zwakte is
    3. De meeste mensen hebben het idee dat iemand met CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma emotioneel net zo stabiel is als ieder ander
    4. Veel mensen gaan er van uit dat iemand die CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma heeft ook een diepgeworteld psychisch probleem heeft
    5. Mensen hebben de neiging om CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma in verband te brengen met psychiatrische problemen
    6. Alleen mensen die zelf CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma hebben kunnen me helemaal begrijpen
    7. Een van de problemen met CVSME / Fibromyalgie / Reuma is dat mensen niet geloven dat je er echt veel last van hebt
    8. Ik heb wel eens gewenst dat mensen zouden kunnen zien hoeveel pijn ik heb
    9. Door CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma voel ik me erg anders dan andere mensen
    10. De meeste mensen hebben geen idee wat het is om CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma te hebben
    11. Ik voel me vaak helemaal alleen door mijn pijn
    12. Ik heb mensen in mijn naaste omgeving gevraagd om aan niemand te vertellen dat ik CVSME / Fibromyalgie / Reuma heb
    13. Als ik een goede vriend zou hebben die CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma heeft, dan zou ik hem of haar adviseren om dit alleen aan zeer goede vrienden te vertellen
    14. Als een werkgever bij wie je solliciteert zou weten dat je CVSME / Fibromyalgie / Reuma hebt, dan is de kans groot dat je de baan niet krijgt
    15. Als ik zou denken dat een werkgever mensen met CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma zou discrimineren, dan zou ik niet solliciteren op die baan
    16. Ik heb zelden de behoefte te verbergen dat ik CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma heb
    17. Ik heb geleerd dat het het beste is om de last die ik heb van CVSME / Fibromyalgie / Reuma voor mezelf te houden
    18. Ik denk dat het goed is om de mensen in mijn naaste omgeving uit te leggen wat CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma is
    19. Ik doe extra mijn best om mensen te vertellen over de mogelijke oorzaken van CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma
    20. Nadat ik wist dat ik CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma had, ben ik begonnen met anderen voor te lichten over mijn ervaringen
    21. Ik vind het mijn plicht om anderen voor te lichten over de problemen die men ondervindt door CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma
    22. Als ik een nieuwe vriendschap zou sluiten, dan zou ťťn van de eerste dingen zijn de ander voor te lichten over CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma



    Lees verder : Deel XI

     

    06-02-2008 om 19:33 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven - Deel XI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

    Het Chronische Vermoeidheidssyndroom, Fibromyalgie & Reuma
    - Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en kwaliteit van leven -


    Deel XI


    Wilt u achter elke uitspraak het antwoord aankruisen dat het beste uw gevoel of gedrag van de afgelopen week weergeeft

    - Zelden of nooit (minder dan 1 dag)
    - Soms of weinig (1-2 dagen)
    - Regelmatig (3-4 dagen)
    - Meestal of altijd (5-7 dagen)

    1. Stoorde ik me aan dingen, die me gewoonlijk niet storen
    2. Had ik geen zin in eten, was mijn eetlust slecht
    3. Bleef ik maar in de put zitten, zelfs als familie of vrienden probeerden me er uit te halen
    4. Voelde ik me even veel waard als ieder ander
    5. Had ik moeite mijn gedachten bij mijn bezigheden te houden
    6. Voelde ik me gedeprimeerd
    7. Had ik het gevoel dat alles wat ik deed me moeite kostte
    8. Had ik goede hoop voor de toekomst
    9. Vond ik mijn leven een mislukking
    10. Voelde ik me bang
    11. Sliep ik onrustig
    12. Was ik gelukkig
    13. Praatte ik minder dan gewoonlijk
    14. Voelde ik me eenzaam
    15. Waren de mensen onaardig
    16. Had ik plezier in het leven
    17. Had ik huilbuien
    18. Was ik treurig
    19. Had ik het gevoel dat mensen me niet aardig vonden
    20. Kon ik maar niet op gang komen


    De volgende vragen gaan over uw tevredenheid met de arts / specialist, bij wie u ander behandeling bent voor uw CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma en hoe deze met u omgaat.
    Vindt u de wijze waarop hij / zij u behandelt (helemaal) niet prettig of juist precies wat u prettig vindt.
    Wilt u per vraag het antwoord dat het beste bij uw ervaringen past aankruisen ?
    (Als u bij meerdere specialisten onder behandeling bent, geeft u dan aan hoe u in het algemeen over artsen / specialisten denkt. Als u op dit moment niet onder behandeling bent, neemt u dan een arts / specialist uit het verleden in gedachten bij het beantwoorden van de vragen)

    - Heel veel minder dan ik prettig vind
    - Veel minder dan ik prettig vind
    - Minder dan ik prettig vind
    - Precies zoals ik prettig vind

    1. Als mijn specialist me onderzoekt, vertelt hij wat hij doet en waarom hij dat doet.
    Ook vertelt hij wat hij heeft gevonden
    2. Mijn specialist behandelt me als gelijke en doet nooit arrogant of neerbuigend tegen mij
    3. Mijn specialist moedigt me aan om vragen die ik heb, met hem te bespreken.
    Hij geeft dan op begrijpelijke wijze uitleg.
    Hij gaat mijn vragen niet uit de weg en betuttelt me evenmin
    4. Mijn specialist legt me alles uit wat ik moet weten over mijn klachten.
    Hij legt uit hoe ze zijn ontstaan en hoe het naar verwachting verder zal gaan
    5. Mijn specialist laat me rustig uitpraten, zonder me telkens in de rede te vallen.
    Hij luistert goed en stelt goede vragen
    6. Mijn specialist bespreekt met me, welke keuzes ik heb en hij wil weten waar mijn voorkeur naar uitgaat
    7. Mijn specialist begroet me in het algemeen hartelijk en hij is vriendelijk tegen me
    8. Mijn specialist toont belangstelling voor mij als mens
    9. Mijn specialist gebruikt begrijpelijke woorden als hij met me praat over mijn klachten en hoe hij die wil behandelen
    10. Mijn specialist vertelt me in het algemeen alles en hij is eerlijk tegen me
    11. Vindt u dat u voldoende hulp heeft in verband met uw CVS / FM / Reuma ?
    12. Bij wie bent /was u voor uw CVS / FM (Reuma) onder behandeling ?
    (u mag meerdere hokjes aankruisen)

    - De huisarts
    - De reumatoloog
    - De sportarts
    - De maatschappelijk werker
    - De psycholoog
    - Anders, namelijk ...................


    Nu volgt een lijst vragen waarin telkens over Ďmení gesproken wordt.
    Het is de bedoeling dat u onder Ďmení de mensen verstaat waar u mee omgaat (dus het geheel van familieleden, vrienden, kennissen, buren, collegaís et. cetera).
    Wilt u er vraag het antwoord dat het beste past bij uw ervaringen aankruisen ?

    1a. Gebeurt het wel eens dat men u aandacht of genegenheid toont, bijvoorbeeld met een knuffel of een liefkozing of aandachtig naar u luistert ?

    - Zelden of nooit
    - Af en toe
    - Regelmatig
    - Erg vaak

    1b. Bent u hier tevreden over ?

    Mis ik, zou ik graag meer willen
    Mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde
    Precies goed zo, ik zou het niet vaker of minder vaak willen
    Gebeurt te vaak, het zou prettig zijn als het minder vaak gebeurde

    2a. Gebeurt het wel eens dat men u emotionele steun geeft bij problemen, bijvoorbeeld door u goede raad te geven, gerust te stellen of te troosten of u op te vrolijken ?

    - Zelden of nooit
    - Af en toe
    - Regelmatig
    - Erg vaak

    2b. Bent u hier tevreden over?

    - Mis ik, zou ik graag meer willen
    - Mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde
    - Precies goed zo, ik zou het niet vaker of minder vaak willen
    - Gebeurt te vaak, het zou prettig zijn als het minder vaak gebeurde

    3a. Gebeurt het wel eens dat men u laat merken dat u gewaardeerd wordt, bijvoorbeeld door u om raad te vragen, u een compliment te geven of u in vertrouwen te nemen ?

    - Zelden of nooit
    - Af en toe
    - Regelmatig
    - Erg vaak

    3b. Bent u hier tevreden over ?

    - Mis ik, zou ik graag meer willen
    - Mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde
    - Precies goed zo, ik zou het niet vaker of minder vaak willen
    - Gebeurt te vaak, het zou prettig zijn als het minder vaak gebeurde

    4a. Gebeurt het wel eens dat men u praktische hulp biedt, bijvoorbeeld door u spullen te lenen, informatie te geven of te helpen bij huishoudelijke klusjes ?

    - Zelden of nooit
    - Af en toe
    - Regelmatig
    - Erg vaak

    4b. Bent u hier tevreden over ?

    - Mis ik, zou ik graag meer willen
    - Mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde
    - Precies goed zo, ik zou het niet vaker of minder vaak willen
    - Gebeurt te vaak, het zou prettig zijn als het minder vaak gebeurde

    5a. Gebeurt het wel eens dat men leuke dingen met u doet, bijvoorbeeld door u zomaar op te bellen, bij u op bezoek te komen of u ergens voor uit te nodigen (een etentje, winkelen, naar de film) ?

    - Zelden of nooit
    - Af en toe
    - Regelmatig
    - Erg vaak

    5b. Bent u hier tevreden over ?

    - Mis ik, zou ik graag meer willen
    - Mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde
    - Precies goed zo, ik zou het niet vaker of minder vaak willen
    - Gebeurt te vaak, het zou prettig zijn als het minder vaak gebeurde

    6a. Gebeurt het wel eens dat men u opbouwende kritiek geeft, bijvoorbeeld door u te laten weten hoe uw gedrag overkomt op anderen of u laat weten wat men van u verwacht of waarom u misschien iets niet goed deed ?

    - Zelden of nooit
    - Af en toe
    - Regelmatig
    - Erg vaak

    6b. Bent u hier tevreden over ?

    - Mis ik, zou ik graag meer willen
    - Mis ik niet echt, maar het zou prettig zijn als het iets vaker gebeurde
    - Precies goed zo, ik zou het niet vaker of minder vaak willen
    - Gebeurt te vaak, het zou prettig zijn als het minder vaak gebeurde


    De volgende vragen gaan over hoe u in bepaalde situaties reageert.
    Wilt u de volgende vragen met 'Ja' of 'Nee' beantwoorden ?
    Er zijn geen goede of foute antwoorden.
    Het is niet nodig dat u erg lang over de vragen nadenkt.

    Ja /Nee

    - Gaat uw stemming dikwijls op en neer ?
    - Voelt u zich wel eens Ďgewoon miserabelí zonder dat daar reden voor is ?
    - Raakt u snel geÔrriteerd ?
    - Bent u nogal gauw in uw gevoelens gekwetst ?
    - Komt het nogal eens voor dat u schoon genoeg hebt van de dingen ?
    - Vind u uzelf een zenuwachtig (nerveus, gespannen) iemand ?
    - Vind u uzelf een piekeraar (tobber) ?
    - Vindt u uzelf een gespannen persoon ?
    - Als u in een pijnlijke situatie bent geweest, zit dat u dan nog lang dwars ?
    - Lijdt u aan nervositeit ?
    - Voelt u zich vaak eenzaam ?
    - Wordt u vaak gekweld door schuldgevoelens ?


    De volgende twee vragen gaan over uw leven in het algemeen

    1. Hoe zou u in het algemeen de kwaliteit van uw leven beoordelen ?
    (hoe tevreden bent u met uw leven, alles bijeen genomen ?)
    Kruist u hieronder een getal op de schaal van 1 tot 10 aan.

    - Slechtst mogelijke kwaliteit van leven : 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
    - Best mogelijke kwaliteit van leven : 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

    2. Hoe zou u uw kwaliteit van leven beoordelen indien u deze aandoening niet zou hebben ?
    Kruist u hieronder een getal op de schaal van 1 tot 10 aan

    - Slechtst mogelijke kwaliteit van leven : 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
    - Best mogelijke kwaliteit van leven : 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10


    Ten slotte willen we u nog een aantal algemene vragen stellen :

    1. Wat is uw geslacht ?
    Man / Vrouw

    2. Wat is uw leeftijd ?
    .......... jaar

    3. Wat is uw burgerlijke staat ?
    - Alleenstaand
    - Samenwonend
    - Partner, niet samenwonend
    - Getrouwd
    - Gescheiden
    - Weduwe / weduwnaar

    4. Wat is uw hoogst genoten opleiding ?
    - Lager algemeen onderwijs (basisonderwijs of een deel hiervan)
    - Lager beroepsonderwijs (Bijv. LTS, LHNO, LEAO enz.)
    - Middelbaar algemeen onderwijs (Bijv. ULO, MULO, MAVO enz.)
    - Middelbaar beroepsonderwijs (Bijv. MTS, BUTS, MBA, MEAO enz.)
    - Hoger algemeen onderwijs (Bijv. VWO, HBS, HAVO, gymnasium enz.)
    - Hoger beroepsonderwijs (Bijv. HTS, HEAO enz.)
    - Wetenschappelijk onderwijs

    5. Heeft u op dit moment een betaalde baan ?
    Ja / Nee

    6. Bent u als gevolg van CVS-ME / Fibromyalgie / Reuma gestopt met werken of minder gaan werken ?
    - Ja
    - Ja, minder gaan werken
    - Nee

    7. Op welke wijze bent u bij dit onderzoek terecht gekomen ?
    - Via een oproep gekregen bij de reumatoloog
    - Via een oproep op de website van de CVS-ME stichting
    - Via een oproep op de website van de FES
    - Via een oproep op de website van het psychologie magazine
    - Via een oproep gekregen van de sportarts
    - Via een oproep op een forum
    - Anders, namelijk : ....................


    Dit is het einde van de vragenlijst.
    Hartelijk dank voor het invullen.

    Heeft u nog vragen en / of opmerkingen ten aanzien van deze vragenlijst of het onderzoek dan kunt u deze emailen naar het volgende adres : N.J.Verbakel@med.umcg.nl -


    Bijlage III Ė Correlatietabel

    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJ
    Verbakel_Wewi_versie.pdf
    Ė p. 111


    Cfr. : http://umcg.wewi.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/Rapporten/2007/stigmatisering/scriptieNJVerbakel
    _W
    ewi_versie.pdf

    06-02-2008 om 19:32 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    05-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wat eten we morgen ? - Kies ik gezond ? - Doe de test !
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     
     
     

    Wat eten we morgen ?

    Kies ik gezond ?

    - Doe de test ! -

    Het is belangrijk dat iemand zicht krijgt op zijn of haar reŽle voedingsgewoonten en deze ook erkent.
    Pas dan kan actie ondernomen worden om mogelijk verkeerde voedingsgewoonten te verbeteren.
    Een objectieve diagnose van het voedingspatroon is daarbij belangrijk.
    Hierbij kunt u best de hulp van een diŽtist(e) inroepen.
    Elke diŽtist zal vooraleer advies te geven gedetailleerd navraag doen naar uw eetgewoonten : dit noemen we de '
    voedingsanamnese
    '.
    DiŽtisten zijn getraind om dit professioneel en objectief te doen, waarbij het juist inschatten van de gebruikte porties, de frequentie van het verbruik en het opsporen van eventueel Ď
    vergeten
    í drankjes en hapjes belangrijke elementen zijn.
    Het bijhouden van een Ď
    eetdagboek
    í is dan ook vaak de eerste opdracht voor al wie zijn voedingspatroon wil verbeteren.
    Aan de hand van de complete voedingsinname kan de diŽtist(e) dan verder de omrekening maken naar de energieopname en de aanwezige voedingsstoffen.
    Op basis hiervan kan een zeer persoonlijk voedingsadvies worden gegeven dat niet gebaseerd is op beperkingen maar op mogelijkheden.

    Het ministerie van Volksgezondheid heeft in april 2006 het 'Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan' voorgesteld.
    Met dit initiatief wil de overheid iedereen aanmoedigen om gezond en evenwichtig te eten en te leven, en zo ziektes te voorkomen.
    Correcte en verstaanbare informatie is hierbij heel belangrijk en daarom werd de brochure '
    Lekker aanbevolen voor jong en minder jong
    ' Ė cfr. : http://www.fedis.be/files/docs/publicaties/Algemene%20gids.pdf - opgesteld.
    Deze gids staat boordevol betrouwbare en duidelijke tips over gezonde eetgewoontes en fysieke activitiet.
    Daarnaast is er ook een website waarop u nog veel meer informatie vindt.
    Waag u zeker ook eens aan het spel '
    Eetniealles' op een amusante manier krijgt u snel heel veel inzicht in uw dagelijkse eet- en leefgewoontes.


    Cfr. : http://www.benevita.be/portal/nl/Dossiers/Nutritionnew/advice




    De (slechte) voedingsgewoonten van de Belgen

    Test-Aankoop


    De Belg eet graag, maar niet gezond

    Staat onze Bourgondische inborst garant voor een gezonde levensstijl ?
    Test-Aankoop kreeg van bijna 1600 volwassen Belgen en 150 adolescenten een antwoord op een uitgebreide vragenlijst over onder meer de consumptie van voedingsmiddelen, het eetgedrag en het lichaamsbeeld.
    Meer dan ťťn Belg op twee eet ongezond of veeleer ongezond, slechts 1% eet zeer gezond.
    De respondenten blijken ook weinig kennis te hebben over of gevoelig te zijn voor info over hun (slechte) voedingsgewoonten en over de impact daarvan op hun gezondheid.
    Het gewicht van de Belg baart hen meer zorgen op esthetisch vlak dan op het vlak van gezondheid.
    Nochtans kampt 30% van de volwassen Belgen met overgewicht en is 11% zwaarlijvig.
    Het veelvuldig nuttigen van fastfood en van een aantal kant- en klare gerechten liggen alleszins mee aan de basis daarvan.
    Met de nieuwe interactieve CD-rom en praktische gids ďGezond GenietenĒ - cfr. :
    http://www.test-aankoop.be/map/src/403491.htm - hoopt Test-Aankoop alvast zijn steentje bij te dragen tot een gezonde, evenwichtige en smakelijke voeding.
    Met de CD-rom kan men onder meer zijn eigen voedingspatroon vergelijken met concrete aanbevelingen en Ö zijn leven beteren !


    Het bord van de Belg onder de loep

    Test-Aankoop hield een enquÍte over de consumptie van voedingsmiddelen, het eetgedrag, het lichaamsbeeld etc. bij een representatief staal van de bevolking in 4 landen : BelgiŽ, ItaliŽ, Spanje en Portugal.
    1567 volwassen Belgen en 154 adolescenten stuurden hun specifieke vragenlijsten in.
    De balans van deze enquÍte - die werd afgenomen in januari en februari 2006 - oogt niet erg positief.


    61 % eet ongezond

    Vele Belgen eten ongezond (11%) of veeleer ongezond (50%).
    Ze hebben tevens een ontoereikende kennis over de relatie tussen voeding en gezondheid, schatten hun gewicht en bmi (body mass index Ė cfr. :
    http://www.voedingscentrum.nl/voedingscentrum/Public/Dynamisch/gewicht+en+dieet/gezond+
    gewicht/body+mass+index.htm
    -) fout in en laten zich, als ze al hun voedingspatroon in vraag stellen, niet in de eerste plaats leiden door gezondheidsmotieven, maar eerder door esthetische beweegredenen.

    De Belg eet veel te weinig frequent groenten en fruit.
    Waar de aanbeveling luidt deze levensmiddelen minstens 5 keer per dag te eten en bij elke maaltijd, zegt 60 % van de Belgen minder dan 1 keer per dag fruit te eten.
    Nog eens 31 % eet minder dan 2 keer per dag een stuk fruit.
    De cijfers voor groenten zijn al niet veel beter : 32 % minder dan 1 keer per dag en 49 % minder dan 2 keer per dag.
    Voeding die weliswaar belangrijk is vanwege de voedingswaarde, maar toch beter met mate wordt geconsumeerd zoals vlees, vetstoffen etc. wordt door een belangrijk deel van de bevolking dan weer tť frequent op het menu gezet.
    Een kwart van de Belgen eet minstens 3 keer per dag producten uit de categorie vlees, gevogelte, vis, eieren (aanbeveling = 1 ŗ 2 keer per dag).

    Van de drie hoofdmaaltijden is het ontbijt de minst populaire.
    Dit geldt voor volwassenen, maar nog meer voor adolescenten, die ook veel vaker tussen de maaltijden eten.
    Slechts een schamele 9 % van de adolescenten houdt het bij de 3 hoofdmaaltijden.
    16 % van de volwassen Belgen gaat maandelijks 5 keer of vaker bij een fastfoodrestaurant of frituur langs.
    Bij adolescenten bedraagt dat percentage zelfs het dubbele 31 %.
    75 % van de volwassenen meldt wekelijks minder dan 3,5 uur lichaamsbeweging te nemen (wandelen, zwemmen etc.).
    Ook 44 % van de Belgische adolescenten beweegt te weinig.
    De aanbevelingen luidden om minimaal 30 minuten per dag lichaamsbeweging te nemen.

    Al bij al blijkt niet minder dan 61 % van de Belgen veeleer tot zeer ongezond te eten.
    Slechts van 1 % kan gezegd worden dat ze zeer gezond eten.
    Supplementen en preparaten, die door een aanzienlijk deel van de respondenten van de enquÍte (46 %) worden gebruikt, zijn in dat geval volledig overbodig.


    Gewicht overschat en onderschat

    Via gegevens die het mogelijk maakten de bmi van de ondervraagden te berekenen, komt Test-Aankoop tot de conclusie dat 30 % van de volwassen Belgen met overgewicht kampt (d.i. een bmi gelijk aan of hoger dan 25) en dat een kleine 11 % zwaarlijvig is (bmi gelijk aan of hoger dan 30).
    Overgewicht komt meer voor bij mannen dan vrouwen.
    Het percentage zwaarlijvige vrouwen is ongeveer even hoog als dat van zwaarlijvige mannen.
    Uit de gegevens van de Belgische adolescenten valt af te leiden dat 7 % te veel weegt en dat 3 % zwaarlijvig is.

    Zowel overschatting als onderschatting van het eigen gewicht en de eigen lichaamsomvang zijn legio.
    6 op 10 mensen met een normaal gewicht, menen dat ze te zwaar zijn.
    4 op 10 te magere mensen denken dan weer het ideale gewicht te hebben.
    Deze scheefgetrokken beeldvorming draagt er natuurlijk niet toe bij dat eventuele foute voedingsgewoonten op de gepaste manier zouden worden gecorrigeerd.

    De enquÍte peilde tevens via een hele rist uitspraken de mate waarin de Belgen geÔnformeerd zijn over de link tussen voeding en gezondheid.
    Ook op dat vlak komen ze er maar bekaaid af.
    Al bij al bleek slechts 26 % van de Belgen veeleer goed tot zeer goed geÔnformeerd te zijn over voeding en gezondheid.

    Een aantal misverstanden moet nog uit de wereld geholpen worden :
    - 39% van de Belgen denkt verkeerdelijk of kan niet antwoorden dat je van aardappelen dik wordt
    - het is niet waar dat olie minder vet is dan boter, toch denkt 67% van wel of weet het niet
    - rundvlees is niet gevaarlijk voor de gezondheid, maar 36% denkt van wel of weet het niet
    - meer dan zestig uitspraken over voeding en eetgedrag passeerden de revue en velen sloegen de bal compleet mis.

    Informatie kan ook gehaald worden van etiketten.
    Helaas leest ťťn op tien nooit het etiket op de voedingsproducten, 4 op 10 Belgen lezen ze af en toe.
    Tot slot komt uit de bevraging ook de ďmodeĒ naar voor om voedingssupplementen te nemen.
    Niet minder dan 46% of bijna de helft van de ondervraagden nemen regelmatig voedingssupplementen zoals multivitaminen (17%), vitamine C (16%), Omega 3 (13%).


    Gezond genieten : het kan !

    Blijft natuurlijk de vraag hoe mensen ertoe kunnen worden aangezet hun voedingspatroon daadwerkelijk aan te passen en zich beter te richten naar de aanbevelingen.
    Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan van minister R. Demotte Ė cfr. :
    http://www.mloz.be/cms/Common/NVGP-B%20def.pdf - bestaat, maar blijft volgens Test-Aankoop voorlopig wat onbekend.
    Met een nieuwe interactieve cd-rom en praktische gids helpt Test-Aankoop de consument gezond, evenwichtig en toch smakelijk te eten.
    In de gids vindt de lezer niet minder dan 100 eenvoudige en lekkere recepten en tal van raadgevingen en tips om bereidingen lichter te maken of een flinke dosis vitamines en mineralen te nuttigen !
    Vooral uniek aan de cd-rom is het gebruiksvriendelijk programma om een persoonlijk voedingsplan op te stellen, uw goede en slechte eetgewoontes op te sporen, uw calorieverbruik en gewichtscurve op te volgen, geliefkoosde recepten in te voeren en meteen het boodschappenlijstje er bij te krijgen, ...
    Kortom : Test-Aankoop werkt gestaag verder aan de uitvoering van een eigen Voedings- en Gezondheidsplan op maat van eenieder.

    De praktische gids (met CD-ROM) is te verkrijgen bij Test-Aankoop en kost Ä 29,50 voor de leden en Ä 36,88 voor de niet-leden.
    De gids kan besteld worden op :
    http://www.test-aankoop.be/map/src/403491.htm -.


    Cfr. : http://www.test-aankoop.be/map/src/404323.htm




    Computer zegt hoe gezond je eet

    'Wat eten we morgen' prijst jongeren groenten en fruit aan


    Andrť Peeters
    Het Nieuwsblad, 05-01-2008


    Het is al zo moeilijk om volwassenen ervan te overtuigen dat ze elke dag 300 gram groenten en twee stuks fruit moeten eten.
    Welke heksentoeren moet je dan niet uithalen om jongeren zover te brengen ?
    Het project 'Wat eten we morgen' heeft daarvoor een lessenpakket.

    Gezonde voeding is een hip thema maar nooit was het zo moeilijk om de theorie in de praktijk om te zetten.
    Het hoort ook niet meteen bij de leefwereld van jongeren.
    Projectleidster Femke Paulussen : 'Als we de kans op ziekten kunnen verkleinen door enkele doordachte keuzes in de supermarkt, is het toch interessant die jongeren te informeren over eetgewoonten.'
    Laat ze maar met een winkelkarretje op zoek gaan naar vezels, vitaminen en variatie.

    Lerares Katrien Beyers bracht het lessenpakket naar het Lyceum van Deurne, bij Antwerpen.
    'Niets is belangrijker dan een stevig ontbijt', zegt ze en de 15- en 16-jarige meisjes van de klas 4STW luisteren aandachtiger naar haar uitleg dan je zou verwachten.
    Even een rondvraag : vijf leerlingen ontbijten geregeld, zeven niet.
    Een leerling : 'Ik eet 's morgens pannenkoeken, is dat gezond ?'

    Om het ontbijt aantrekkelijker te maken, bestaan er alternatieven zoals Actimel, yoghurt met vezels en ontbijtgranen met extra mineralen.
    Beyers : 'De reclame zegt dat je van sommige middelen meer energie krijgt. Geloof je dat allemaal ?'
    Een leerling : 'Er is iets van Danone en als je dat eet, krijg je een mooiere huid. Dat geloof ik toch niet.'

    De meisjes geloven zonder meer dat er geen mirakeloplossingen bestaan om een ongezonde levensstijl te compenseren.
    Zij kennen de voedingsdriehoek, die aanduidt welke stoffen we nodig hebben om gezond te leven en in welke hoeveelheid.
    'Sinds twee jaar zit onderaan in de driehoek een strook beweging ', zegt de lerares : 'Als je wil vermageren en je eet gezond, ga je zeker gewicht verliezen. Maar je lichaam raakt daaraan gewend en dus moet je ook bewegen, 1 uur per dag minimum. Je moet echt actief bezig zijn. Op de computer werken is niet zo actief, trappen op en af lopen wel. Als je maar 1 uur thuis helpt, ook poetsen en zo, hoef je niet eens naar de fitness.'


    Waarom bruin brood ?

    De leerlingen krijgen een eerste opdracht : 'Stel een dagmenu op volgens de richtlijnen van de actieve voedingsdriehoek.'
    Als hulp krijgen zij een kookboek van KAV, 'Koken voor elke dag' (cfr. :
    http://www.kav.be/nl/getpage.asp?i=116&cat=Culinair -).
    'Welke charcuterie, juffrouw ?'
    De magere.
    'Waarom bruin brood ?'
    Veel meer granen.
    'Vijf boterhammen met kaas. Kun je niet variŽren ?'

    De meisjes hebben een hele week alles genoteerd wat ze gegeten en gedronken hebben.
    Met die gegevens trekken ze naar de computers.
    Op de website :
    http://vig.kanker.be/Content/Question/Info.aspx Ė vinden ze het interactieve programma : 'Driehoek in actie : test jezelf'.
    Dat vraagt alle gegevens over de voeding en de lichaamsinspanningen van de vorige dag.
    Als die ingevuld zijn, worden ze omgezet in een gepersonaliseerde en vertekende voedingsdriehoek.
    Zo word je met de neus op de (on)gezonde feiten geduwd.

    Intussen kan de lerares nog wat stimulansen geven : 'Hebben jullie niet meer melk gedronken, niet meer water ? Sommige meisjes hebben last van hun rug. Dat kan voortkomen van niet goed functionerende nieren.'

    Marlyn is klaar en leest de resultaten van haar persoonlijke actieve voedingsdriehoek : 'Je drinkt meer melk dan normaal. Geen probleem. Voldoende water drinken is een aanbeveling die je duidelijk nog niet kent. Je mag best wat meer graanproducten en aardappelen eten. Voor fruit ben je op de goede weg maar het kan beter. Beperk het snoepen. Ho, niet overdrijven met koolhydraten. Proficiat, je eet voldoende vezels.'

    Ook Dana krijgt veel lof maar ook twee waarschuwingen : 'Let op, je neemt meer vetten in dan nodig. Pas op, te veel eiwitten in je voeding. Bij te veel eiwitten worden je nieren zwaar belast.'
    Alle antwoorden zijn verrassend doelgericht en persoonlijk, met veel tips.

    Deze meisjes zullen hun resultaten ongetwijfeld aan vrienden en vriendinnen en thuis laten zien.
    Als ze er nu nog wat rekening mee houden, zullen ze morgen beter eten.

    'Wat eten we morgen' Ė cfr. : http://www.cagnet.be/showpage.php?pageID=74 - is een initiatief van het Centrum Agrarische Geschiedenis, Cera, de Vlaamse Overheid (Beleidsdomein Landbouw en Visserij) en Plattelandsklassen.
    Meer info : Femke Paulussen Ė Tel. : 016 32 35 27 Ė E-mail :
    femke.paulussen@cagnet.be -.


    Cfr. : http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?ArticleID=G1S1M74Q9




    10 Tips


    1. eet gevarieerd

    2. wees matig met vet, suiker en zout

    3. eet volop meervoudige koolhydraten en vezels : aardappelen, brood en granen, veel groenten en fruit

    4. eet drie maaltijden per dag en beperk je tussendoortjes tot twee per dag

    5. neem regelmatig lichaamsbeweging

    6. drink dagelijks tenminste 1,5 l vocht (wees matig met alcohol)

    7. hou je gewicht op peil

    8. bereid en bewaar voedingsmiddelen met de nodige zorg : goede hygiŽne vermijdt voedselvergiftiging en een juiste bereiding bewaart alle voedingsstoffen

    9. hou rekening met de aanwezigheid van schadelijke stoffen : beperk het gebruik van voedingsmiddelen met bewaarmiddelen, nitraten, hormonen en kleurstoffen (lees de verpakkingen)

    10. neem voldoende maal-íTIJDí.


    Cfr. : http://server.anywize.net/tandartsen/voedingsadvies.html




    Kies ik gezond ?

    Voedingscentrum


    Hoe gezond eet jij bij je ontbijt, je lunch, je warme maaltijd en tussendoor ?

    Dit is dť plek om antwoord te krijgen op die vragen.

    Hoe werkt het ?

    Voor elk eetmoment van de dag kun je aangeven welke producten jij vaak eet en hoe gezond je denkt dat die producten zijn (alle eetmomenten vind je bovenaan dit scherm :

    - Ontbijt - Lunch - Warme maaltijd - Tussendoor -

    Natuurlijk laten wij je daarna zien hoe gezond die producten ťcht zijn.
    We werken met drie kleuren : groen, oranje en rood.
    Het is vast wel duidelijk wat we daarmee bedoelen: groen = goed, oranje = neutraal, rood = minder goed.

    ĎKies ik gezond ?í is bedoeld om je te laten zien wat gezonde en wat minder gezonde keuzes zijn binnen een groep vergelijkbare producten.
    Overigens is het zo dat je best eens minder goede producten kunt eten die je lekker vindt, als je voor de rest maar gezonde keuzes maakt.


    Maar nu is het tijd om te checken hoe jij ervoor staat

    Cfr. : http://www.kiesikgezond.nl/www/scripts/stap1.php?t=1




    Andere stesten vind je op :




    Meer spel, test en doe

    Voedingscentrum


    Tests


    Animaties

    • Kijk in de pizzaketen
      Informatieve animatie waarbij een klik op elk ingrediŽnt van de pizza laat zien wat er nodig is voor de productie van een 'eenvoudige' pizza


    Recepten


    Spelletjes


    Overig

    • Screensaver
      Download de Bac-Vechten screensaver.

    • Boertje ?
      Verstuur een e-card over borstvoeding.

    • Vleesinformatie
      Weet u waar de slavink vandaan komt ?
      Of hoeveel vet erin zit ?

      Zoek het op !

    • De interactieve Groente- en fruitwijzer 
      De interactieve Groente- en fruitwijzer geeft van veel groente- en fruitsoorten onder meer verkrijgbaarheid, kooktijd, benodigde hoeveelheid, bereidingsstoffen en belangrijke voedingsstoffen.
      Sorteer de gegevens naar wens met een druk op de knop.

    • De database 'Voeden kan hier'
      Zoek een attractiepark, restaurant of andere gelegenheid in een plaats naar keus die je alle ruimte biedt om je baby aan de borst te leggen in een rookvrije omgeving.


    Cfr. : http://www.voedingscentrum.nl/voedingscentrum/Private/Overig/Meer+speel+test+en+doe.htm



    Eet je gezond !

    Patricia Schutte Ė OnLibri.nl., 2007 - ISBN : 978-87-7061-107-6

    Gratis een dieetboek downloaden ?
    Probeer dan eens het ď
    eet je gezond dieetĒ

    Cfr. :
    http://onlibri.nl/e-books/gezondheid/52_download.aspx

     

    05-02-2008 om 23:33 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Diabetesvoeding - Test jezelf of je wel zó gezond eet
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  















    Vlaamse Diabetes Vereniging

    organiseert een spreekbeurt


    Diabetesvoeding

    Test jezelf of je wel gezond eet


    Spreekbeurt

    Mevr. Mireille Marcipont
    (diŽtiste)

    op

    23 februari 2008 om 10 u

    in het

    Cultureel centrum Strombeek Bever
    Gemeenteplein
    1853 Strombeek-Bever

    Inkom : 2 euro
    (koffie tijdens de pauze inbegrepen)




    Cfr. : http://www.diabetes-vdv.be/afdelingen/vlaamsbrabant/131/centraalbrabant/activiteiten/254/diabetes
    voedingtestjezelfofjewelzogezondeet.aspx


     

    05-02-2008 om 23:19 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    04-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SLIM - Behandel eerst de oorzaak van uw overgewicht voordat u aan een dieet begint...
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






















     SLIM

    Behandel eerst de oorzaak van uw overgewicht voordat u aan een dieet begint
    - Met een duidelijke uitleg
    hoe u deze oorzaken herkent en wat u er aan moet doen -

    Cora de Fluiter
     03-02-2008 -
    © Cora de Fluiter :
    CoradeFluiter@yahoo.com


    Bij het schrijven van mijn boek, "SLIM", is een grote groep mensen met overgewicht betrokken.
    Zij helpen mij om het boek zo duidelijk mogelijk te schrijven.

    Mijn boek zal pas begin 2009 in de winkels te koop zijn.
    Om u nu al een beetje een indruk te geven waar het boek over gaat plaats ik elke maand ťťn pagina van de eerste twee hoofdstukken op het internet.


    Inhoudsopgave

    1. Inleiding

    2. Wat ontbreekt er aan de bekende diŽten

      • Overgewicht is te vergelijken met koorts

      • Karin, 24 jaar, 1m69, 105 kilo BMI =36.76

      • Kees, 55jaar, 1m80, 97 kilo, BMI = 30

      • Een goede behandeling begint bij een juiste diagnose

      • Marjan, 42jaar, 1m75, 95 kilo, BMI = 31

      • Referenties

    3. Ontdek de oorzaak van uw overgewicht - vanaf dit hoofdstuk alleen in het boek

    4. Behandel de oorzaak van uw overgewicht

    5. Hyperinsulinemie dieet

    6. Voorkomen is beter dan genezen

    7. Ondersteuning via de website

    8. De recepten


    Oorzaken van overgewicht

    • 25% van alle overgewicht wordt door hyperinsulinemie veroorzaakt dat zich kenmerkt doordat u gewicht rond het middel vasthoudt

    • 10% door een koolhydraatverslaving, een stoornis waarbij u somber wordt als u koolhydraten probeert te verminderen

    • 5% door een onopgemerkte schildklier deficiŽntie een stoornis waarbij u het vaak koud heeft en veel moe bent

    • 10% door een testosteron deficiŽntie bij mannen die zich kenmerkt door een bierbuik en een verminderd libido

    • 5% door zaken als PMS, medicijngebruik, voedingstekorten, chronische stress en een verminderd verzadigingsgevoel.


    Herken de oorzaak van overgewicht

    • Overgewicht is net als koorts, een symptoom van vele verschillende ziekten of stoornissen

    • Als de oorzaak van uw overgewicht niet behandeld wordt, is een dieet dweilen met de kraan open

    • Dit boek helpt u daarom bij het herkennen en behandelen van de oorzaak van uw overgewicht.


    Voorkomen is beter dan genezen

    • Tijdens de zwangerschap kunt u al stappen ondernemen waardoor uw kind minder kans heeft op overgewicht

    • Een opvoeding waardoor het natuurlijke verzadigings- gevoel in stant gehouden wordt vermindert ook overgewicht op latere leeftijd.


    ďIk weet bijna zeker dat ik dikker ben geworden door een schildklierprobleem. Ik heb het altijd koud, ben vaak moe en houdt geen haar meer op mijn hoofd. Maar mijn huisarts zegt dat mijn TSH binnen de referentiewaarden valt en dat er dus niets met mij aan de hand is. Wat moet ik nu ?Ē

    Dat zou ook u kunnen overkomen want een aantal lichamelijke oorzaken van overgewicht worden niet door artsen opgemerkt.


    Web site als aanvulling op het boek

    Bij dit boek hoort een website die speciaal voor u, als lezer, is gemaakt.
    Alleen lezers van dit boek krijgen toegang.
    De website voorziet in de volgende zaken :

    1. Extra aanvullende informatie waarin vanuit het boek naar verwezen wordt zoals :
      - samenvattingen van alle gebruikte wetenschappelijke studies
      - informatie voor uw arts en
      - extra informatie over voedingsmiddelen die gebruikt kunnen worden.

    2. Ondersteuning van artsen en therapeuten bij de uitvoering van de adviezen in het boek.
      U kunt bij hen terecht voor een professioneel advies.

    3. Contact tussen lezers om met elkaar ervaringen te delen, zoals goede recepten, tips bij behandeling etc.

    4. Digitale kookclub ter ondersteuning van de lezers van het boek.

    5. Digitale ďMeet and GreetĒ sessies met de auteur.


    Wetenschap als basis voor dit boek

    De laatste tien jaar is er binnen het wetenschappelijke onderzoek op het gebied van overgewicht sprake van een ware revolutie.
    Sinds de ontdekking van het hormoon leptine dat door vetweefsel wordt afgeven om de hersenen te laten weten hoeveel energievoorraden in het lichaam zijn opgeslagen en van het hormoon grehline dat vanuit de maag het hongergevoel aanstuurt is de wetenschap in een stroomversnelling beland waar voorlopig nog geen einde aan is gekomen.

    Dit boek probeert al deze nieuwe ontwikkelingen op een heldere en overzichtelijke wijze te presenteren zodat u deze nieuwe vindingen in de praktijk kunt toepassen bij uw strijd tegen de kiloís.

    Voor dit boek is gebruik gemaakt van de ďNational Library of MedicineĒ ook wel ďPubMedĒ genoemd.
    U kunt, als u dit wilt, al de gebruikte wetenschappelijke artikelen nalezen via de website die bij dit boek hoort.


    Als u dat wilt kunt u mij ook helpen bij mijn werk
    U kunt uw mening of uw suggestie kenbaar maken via
    dit forum
    Lees ook
    de reacties van anderen.

    Met vriendelijke groet,
    Cora de Fluiter.


    Cfr. : http://www.coradefluiter.nl/

    04-02-2008 om 00:54 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Blog als favoriet !

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Raadpleeg steeds je arts !
    Inhoud blog
  • Tijd om afscheid te nemen...
  • Fibromyalgie in het kort
  • Leden ME/CVS Vereniging unaniem tegen CBO-voorstel
  • Blood donation, XMRV & chronic fatigue syndrome
  • Illness duration and coping style in chronic fatigue syndrome
  • Review confirms PTSD in Gulf vets - Panel finds many reports of multisymptom illnesses
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel I
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel II
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel III
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IV
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel V
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VI
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VIII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IX
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel X
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel XI
  • When do symptoms become a disease ?
  • Burnout
  • Gepest ? - Zet de juiste stappen
  • Voldoet jouw werkplek aan de ARBO-normen ?
  • Chiropractie - Vrijspraak voor Simon Singh in smaadzaak
  • ME/CVS ? - Werk mee aan onderzoek naar tegemoetkoming chronisch zieken !
  • Magical Medicine - How to make a disease disappear
  • A new hypothesis of chronic fatigue syndrome - Co-conditioning theory
  • A light in the darkness - Good news ahead for XMRV ?
  • Zomertijd - Help je biologische klok
  • Beter van de bedrijfsarts
  • De invloed van economisering op het werk van artsen
  • Chronisch Vermoeidheidssyndroom (IOCOB)
  • Gezond brein, gezonde darmen
  • A retrospective review of the sleep characteristics in patients with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
  • Opdracht voor het volgende kabinet : afschaffing van het UWV
  • Test maakt validering pijn bij ME/CVS patienten mogelijk
  • Surprise discovery that HIV retrovirus hides in bone marrow offers new hope for eradication
  • A doctor's roadmap for dealing with the problems of ME/CFS
  • De Terug Plezant Club
  • Het retrovirus XMRV - Waar of niet waar ?
  • Being homebound with chronic fatigue syndrome - A multidimensional comparison with outpatients
  • Oplaaiende symptomen ME patient verraden ontstekingsreactie
  • UWV : 'ME/CVS is ziekte in zin van arbeidsongeschiktheid'
  • Een succesverhaal met Vistide in de strijd tegen ME/CVS - Een verhaal over herstel
  • Depressie
  • Hoe stressvol is je leven ?
  • Making the diagnosis of CFS/ME in primary care - A qualitative study
  • A new system of evaluating fibromyalgia and chronic fatigue
  • Nijmeegs onderzoek haalt CVS-doorbraak onderuit
  • Psychotherapie bij depressie overschat
  • Secrets of novel retrovirus unfolding
  • XMRV : 'missing link' bij ME/CVS ?
  • Reeves, hoofd van CDC CVS onderzoeksprogramma, gaat weg
  • Constant agony of an ME sufferer
  • Canon van de geneeskunde in Nederland
  • Dr. Frank dieet
  • Defeatism is undermining evidence that chronic fatigue syndrome can be treated
  • Cellular and molecular mechanisms of interaction between the neuroendocrine and immune systems under chronic fatigue syndrome in experiment
  • Zo zorg je voor weerstand - Houd je lichaam in optimale conditie
  • Fibromyalgie Vlaanderen Nederland - Dr. Bauer
  • Bussemaker komt terug op erkenning CVS
  • Postexertional malaise in women with chronic fatigue syndrome - Laboratioriumonderzoek bevestigt inspanningsintolerantie bij ME/CVS
  • Ze vertelden stervende dochter dat ze een leugenaar was - Interview met ME moeder Criona Wilson
  • Bijwerkingen antidepressiva erger dan gedacht
  • Bereken je BMI
  • Host range and cellular tropism of the human exogenous gammaretrovirus XMRV
  • The Brain Boosting B-12 - Hydroxocobalamin
  • Vertaling Canadese criteria ME/CVS
  • Slapeloosheid & osteopathie
  • Het Advies- en meldpunt ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
  • Association between serum ferritin [stored iron] level and fibromyalgia syndrome
  • Dr. Mikovits XMRV Seminar (videos)
  • Zorgen voor een ander (2010) - Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Herwin je veerkracht - Omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
  • Je eten bepaalt je slaap
  • Dierenleed
  • ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Understanding fibromyalgia pain
  • Hyperalgesia in chronic fatigue syndrome
  • Wegwijzer psychische problemen
  • Positieve psychologie
  • Fietsen in de sneeuw...
  • Tips tegen de koude
  • Failure to detect the novel retrovirus XMRV in chronic fatigue syndrome
  • Nieuwe behandeling VermoeidheidCentrum zeer effectief
  • Een Zalig Kerstfeest en een gezond en voorspoedig 2010 !
  • Taming stressful thoughts
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel I
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel II
  • Canadese kriteria voor kinderen ook geschikt om onderscheid te maken tussen "milde" en "ernstige" gevallen
  • Stop met piekeren
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel I
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel II
  • Making a Difference in ME/CFS (Chronic Fatigue Syndrome) and FM
  • Psychotherapie - Van theorie tot praktijk
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel I
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
  • Fibromyalgie
  • Europees instrument spoort fibromyalgie op
  • Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
  • Cognitieve gedragstherapie bij depressie
  • Nooit meer hetzelfde...
  • Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
  • SOS ! Hulp voor ouders
  • Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
  • The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
  • Verdedig je tegen wintervirussen
  • 7 geheimen die vrouwen verzwijgen
  • Eťn op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
  • Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIX
  • Doe een wens... - Make a wish...
  • 7 geheimen die mannen verzwijgen
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXX
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - GRATIS !
  • Af en toe een geheim is juist gezond
  • FM/CVS en verzekeringen - Info voor thesis
  • Mogelijke doorbraak MS-behandeling
  • Wees een winterdepressie voor
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel I
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel II
  • The Guaifenesin Story
  • A virus linked to chronic fatigue syndrome - Dr. Nancy Klimas interviews
  • Don't wait for a cure to appear
  • Gezonde chocoladeletters van Sinterklaas
  • Oorzaken van puisten
  • Sporten beter dan pauzeren bij RSI
  • Alles voor het goeie doel !!
  • Gewoon gelukkig zijn...
  • Chronic Fatigue Syndrome - La b√™te noire of the Belgian Health Care System
  • Persoonlijkheidstests
  • Vaccinatie risicogroepen H1N1
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer - Een update (Greta)
  • Weersfactoren oorzaak van hoofdpijn
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part I
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part II
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part III
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IV
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part V
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VI
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VIII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IX
  • Challenges to conventional thinking about mind and body
  • What is CFS and what is ME ?
  • CVS-Referentiecentra - Opheffing en sluiting
  • Heb ik voldoende ontspanning ?
  • 7 tips tegen een overactieve blaas
  • Wallen en kringen onder de ogen
  • Recovered CFS/ME Patient Goes to Washington, D.C.
  • Chronische vermoeidheid zit niet tussen de oren
  • Dr. Bauer heeft mijn leven gered
  • Has your marriage been damaged by fibromyalgia or chronic fatigue syndrome ?
  • Vijf grootste bedreigingen gezondheid
  • Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen
  • Je beste antistresstip
  • Sufferers of chronic fatigue see life as a balancing act
  • Te hard gewerkt...
  • Prof. Dr. Johann Brauer op mijn blog
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer
  • Is de griepprik gevaarlijk ?
  • Griep en verkoudheid - Deel I
  • Griep en verkoudheid - Deel II
  • Support the 500 Professionals of the IACFS/ME
  • Slanker met je hartritme
  • Enzym veroorzaakt gevolgen slaaptekort
  • Now we can get down to business
  • XMRV and chronic fatigue syndrome
  • Verslaving is een behandelbare hersenziekte
  • Kopstukken filosofie - Oktober 2009
  • Gek op je werk
  • Fikse schadevergoeding om antidepressivum
  • ME/CFS patients have retrovirus (XMRV) on YouTube

    Foto

    Archief per week
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    postduif
    blog.seniorennet.be/postdui
    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!