NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • Air Conditioning Repair
  • Air Conditioner Service And Repair Real Estate
  • Air Conditioner Service And Repair Restaurants
  • Air Conditioner Repair Area
  • Air Conditioner Repair Advice

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • Kevin Durant half-court 3 broken 3 caps 06 Marion first (Bobbykic)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • achetez viagra en suisse (SnezhanaCek)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • best price free viagra pills (SwetlanaCek)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • Kevin Durant again!Data abnormal 5.7 seconds a really throw let knights to despair (Bobbykic)
        op Kuitkramp - Deel III
  • libera vendita viagra (SnezhanaCek)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • A god of death du!Kevin Durant ignored no defensive play four points (Bobbykic)
        op Fibromyalgie - Chronische slaapstoornissen
  • buy cialis drug online rx (WiktoriyaCek)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • japan viagra (SwetlanaCek)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • viagra date generic (SwetlanaCek)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • How to squirt when masturbating. Painful first black cock. Urdu Sex Videos. (Hpnwu172h)
        op Vluchten in het werk
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    mijn_mooiste_kiekjes
    blog.seniorennet.be/mijn_mo
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    lady488
    blog.seniorennet.be/lady488
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    blendofbeauty
    blog.seniorennet.be/blendof
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    lenie1953
    blog.seniorennet.be/lenie19
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    barcelona
    blog.seniorennet.be/barcelo
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie Patiënten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    03-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen






    Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk
     
    Deel II




    1. Omgaan met ziekte of handicap
      Leren.nl
      .../...
      - Pijn :
      http://www.leren.nl/rubriek/gezondheid/omgaan_met_ziekte_of_handicap/pijn/
      .../...
      - Reuma :
      http://www.leren.nl/rubriek/gezondheid/omgaan_met_ziekte_of_handicap/reuma/
      Cfr. : http://www.leren.nl/rubriek/gezondheid/omgaan_met_ziekte_of_handicap/

    2. Onderwijs voor kinderen met een chronische ziekte
      KennisRing - Sociale zekerheid, (laatste wijziging) 03-01-2008
      Cfr. :
      http://www.socialezekerheid.nl/smartsite.dws?id=35501

    3. Re-integratie
      Arbo-portaal.nl
      Is een van uw werknemers ziek ?
      Help deze dan zo goed mogelijk om weer aan de slag te komen.
      Dat is een verantwoordelijkheid die overigens bij u samen ligt.
      Ook als de werknemer niet volledig herstelt, maar gedeeltelijk arbeidsgeschikt blijft.
      Een snelle, gerichte aanpak van het ziekteverzuim helpt voorkomen dat mensen onnodig arbeidsongeschikt worden en in de WIA terechtkomen.
      Om het voor u aantrekkelijk te maken om een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst te houden of te nemen, kunt u een beroep doen op verschillende re-integratie-instrumenten.
      Deze instrumenten kunnen de mogelijke financiële risico’s die werkgevers ervaren beperken.
      Wat moet ?
      U geeft de ziekmelding binnen een week door aan de bedrijfsarts of arbodienst.
      Als de werknemer zes weken ziek is, maakt uw arbodienst een probleemanalyse.
      Hierin staat waarom de werknemer niet kan werken, wat zijn mogelijkheden zijn en wanneer hij weer aan het werk zou kunnen.
      U weet van de arbodienst wat de werknemer nog kan.
      Samen met uw werknemer maakt u nu een Plan van Aanpak.
      Bekijk hoe de werknemer zo snel mogelijk weer aan de slag komt.
      En hoe u hem daarbij kunt helpen.
      U moet een casemanager aanstellen die het nakomen van de afspraken bewaakt.
      Begin ook met een re-integratiedossier.
      Meld hierin alle afspraken en activiteiten die u en de werknemer ondernemen.
      Wil de werknemer in de toekomst een WIA-uitkering aanvragen, dan is dit dossier belangrijk.
      UWV kijkt dan namelijk of u en uw medewerker genoeg hebben gedaan aan de re-integratie.
      Heeft u de werknemer nog niet ziek gemeld bij UWV ?
      Doe dit dan uiterlijk in de dertiende ziekteweek van uw zieke werknemer.
      Is de werknemer na anderhalf jaar nog niet beter ?
      Dan krijgt hij een WIA-aanvraag thuisgestuurd.
      Samen met u bekijkt hij dan of hij een WIA-uitkering gaat aanvragen.
      U bent verplicht uw zieke werknemer terug te begeleiden naar het eigen werk.
      Wanneer dat niet mogelijk is, moet passend werk gevonden worden.
      Dit kan in uw bedrijf zijn, maar ook in een ander bedrijf.
      Gedurende de eerste twee jaar bent u verplicht het loon van de zieke werknemer door te betalen.
      Wat mag ?
      Wanneer uw zieke werknemer (na lange tijd) terugkeert in het bedrijf, kan het verstandig zijn het werk voorzichtig op te bouwen.
      In overleg met de bedrijfsarts en de werknemer kunt u de werknemer bijvoorbeeld laten beginnen 'op arbeidstherapeutische basis'.
      Zo went hij weer aan het werk.
      Officieel is uw werknemer dan nog wel ziek.
      Wat helpt ?
      Snelle re-integratie :
      - start de re-integratie vanaf de eerste ziektedag.
      - ga uit van wat uw werknemer nog wel kan, in plaats van wat hij niet kan.
      - vraag hulp aan uw arbodienst of een re-integratiebedrijf.
      - laat UWV of uw arbodienst naar het Plan van Aanpak kijken.
      - ga na welke subsidies en voorzieningen UWV u biedt.
      - werk samen met andere MKB-bedrijven voor de re-integratie van een zieke werknemer bij een andere werkgever.
      Cfr. :
      http://www.arboportaal.nl/arbo_a_tm_z/r/re-integratie#documentContent

    4. Re-integratie – FAQ
      Arbo-portaal.nl
      Re-integratie
      - Wanneer doet wie wat bij de re-integratie van een zieke werknemer ?
      - Het plan van aanpak voor de re-integratie van een zieke werknemer is afgekeurd door UWV. De arbodienstverlener, de zieke werknemer én de werkgever vinden het een goed plan. Kan de werkgever bezwaar aantekenen ?
      Re-integratie bij een ander bedrijf
      - In een bedrijf ziet de werkgever geen mogelijkheden meer voor een arbeidsgehandicapte werknemer. Hoe regelt hij een andere baan ?
      Re-integratiebedrijf
      - Welke instanties, naast de arbodienst, kunnen een bedrijf helpen bij de verzuimaanpak ?
      - Wat is het verschil tussen een arbodienstverlener en een re-integratiebedrijf ?
      Cfr. :
      http://www.arboportaal.nl/faq/arbo-verzuimbeleid/re-integratie/re-integratie

    5. Re-integratie inspanning
      Arbo-portaal.nl
      Op het moment dat uw werknemer ziek is en er is een meningsverschil tussen u en de zieke werknemer dan kunt u de zieke werknemer niet zomaar ontslaan; er geldt bij ziekte namelijk een ontslagverbod.
      Het meningsverschil bij ziekte spitst zich vaak toe op het feit dat de werknemer onvoldoende meewerkt aan zijn re-integratie.
      Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van onvoldoende meewerken aan de re-integratie als uw werknemer :
      - zonder goede redenen ziek thuis blijft.
      - tegen de beoordeling van de bedrijfsarts in en zonder goede reden weigert om aangepast werk te doen.
      - na een deskundigenoordeel (vroeger: second opinion) – die verklaart dat de werknemer gezond is – weigert weer aan de slag te gaan.
      - onvoldoende of niet meewerkt aan zijn re-integratie binnen uw bedrijf.
      - zonder geldige reden te laat terug komt van vakantie tijdens ziekte.
      Wat moet ?
      U en uw werknemer zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan.
      Beide partijen moet zich aan de regels van die arbeidsovereenkomst houden.
      Die regels staan in het Burgerlijk Wetboek, maar kunnen ook staan in uw CAO of in uw ziekteverzuim- en re-integratieregeling.
      Wanneer uw werknemer ziek is, is de Wet Verbetering Poortwachter ook van toepassing.
      Die stelt dat u en uw werknemer zich beiden voldoende moeten inspannen voor een snelle terugkeer naar het werk.
      Om te voorkomen dat uw werknemer onvoldoende kan meewerken aan zijn re-integratie, moet u :
      - passend werk binnen uw bedrijf aanbieden, bijvoorbeeld werken in deeltijd. met een aangepast takenpakket of met een aangepaste werkplek
      - een andere functie aanbieden of een baan bij een andere werkgever wanneer terugkeer naar de oude functie niet mogelijk is.
      Wat mag ?
      Werkt uw werknemer onvoldoende mee aan zijn re-integratie, dan kunt u een aantal maatregelen nemen :
      - u kunt uw werknemer door de bedrijfsarts laten onderzoeken
      - u kunt een deskundigenoordeel bij UWV aanvragen
      - u kunt de loonbetaling aan uw werknemer stopzetten
      - u kunt een ontslagprocedure starten; u moet dan wel aantonen dat uw werknemer niet ziek is, bijvoorbeeld via een verklaring van de bedrijfsarts.
      Is uw werknemer het niet eens met het oordeel van de bedrijfsarts, dan kan ook hij een deskundigenoordeel aanvragen bij UWV.
      Bij zo’n oordeel bekijken verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen de situatie en helpen ze de re-integratie weer op te pakken.
      Is uw werknemer volgens het deskundigenoordeel in staat om te werken, dan moet hij weer aan de slag gaan.
      Wat helpt ?
      Bespreek veranderingen en aanpassingen aan het werk op tijd met uw werknemers.
      Maak uw werknemers duidelijk dat ze hier altijd met u over kunnen praten.
      Luister goed naar uw werknemers; zij weten vaak het beste wat de knelpunten in hun werk zijn en hoe problemen kunnen worden voorkomen.
      Cfr. :
      http://www.arboportaal.nl/arbo_a_tm_z/r/re-integratie-inspanning

    6. Re-integratievoorzieningen voor mensen met een handicap of chronische ziekte
      KennisRing - Sociale zekerheid, (laatst gewijzigd op) 26-05-2009
      Welke voorzieningen en financiële regelingen zijn er om weer aan het werk te gaan of te blijven en waar kunt u ze aanvragen ?

      Veel mensen met een ziekte of handicap kunnen gewoon werken.
      Ze hebben soms alleen wat aanpassingen, hulp of financiële steun nodig.
      De verzamelnaam hiervoor is 'voorzieningen'.
      Het UWV betaalt veel voorzieningen voor mensen met een arbeidshandicap.
      Sommige voorzieningen betaalt het UWV helemaal, andere voor een deel.
      Cfr. :
      http://www.socialezekerheid.nl/smartsite.dws?id=36922

    7. Re-integreren met een handicap of chronische ziekte
      KennisRing - Sociale zekerheid, (laatste wijziging) 26-05-2009
      Re-integreren met een ziekte of handicap.
      Wat komt daarbij kijken ?
      Welke ondersteuning kunt u krijgen bij uw terugkeer naar werk ?
      Bij wie moet u zijn voor een re-integratietraject ?
      Welke financiële ondersteuning en voorzieningen zijn er ?
      Re-integreren betekent 'weer aan het werk gaan'.
      Re-integreren kan bijvoorbeeld aan de orde zijn tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid.
      Mensen met een ziekte of handicap hebben vaak problemen met werken of het vinden van werk.
      De volgende regelingen en organisaties kunnen u helpen bij uw re-integratie :
      - Het UWV, de gemeente of uw werkgever moet hulp bieden bij uw terugkeer naar werk.
      Vaak betekent dit dat u een re-integratietraject krijgt.
      Daarvoor kan het UWV, de gemeente of uw werkgever een gespecialiseerd re-integratiebedrijf inschakelen.
      - Er zijn regelingen om de re-integratie van mensen met een ziekte of handicap te bevorderen :
      ° voorzieningen voor werknemers.
      Bijvoorbeeld een aanpassing op de werkplek of een aanvulling op uw loon.
      Arbeidsongeschikten die als zelfstandige gaan werken kunnen sommige voorzieningen ook krijgen;
      ° financiële regelingen voor werkgevers.
      Bijvoorbeeld een subsidie om de kosten van grote aanpassingen te betalen.
      Deze regelingen verlagen de drempel om iemand met een ziekte of beperking in dienst te nemen;
      ° de sociale werkvoorziening;
      ° re-integratievoorzieningen van de gemeenten.
      Cfr. :
      http://www.socialezekerheid.nl/smartsite.dws?id=36921

    8. Regelingen voor werkgevers van mensen met een beperking of chronische ziekte
      KennisRing - Sociale zekerheid, (laatste wijziging) 26-05-2009
      Ook handig om te weten : regelingen waarvan uw werkgever profijt kan hebben (voordelen voor werkgevers van mensen met een ziekte of handicap).
      Veel werkgevers zijn bang om mensen met een ziekte of handicap aan te nemen.
      Ze denken dat deze mensen vaker ziek zijn of minder presteren dan gezonde werknemers.
      Of ze zien op tegen de kosten van aanpassingen in het bedrijf.
      Hierdoor is het voor mensen met een ziekte of handicap vaak moeilijk om een baan te vinden.
      De regering vindt het belangrijk dat mensen met een ziekte of handicap werken.
      Daarom kan de werkgever sommige kosten vergoed krijgen.
      Welke regelingen zijn er ?
      - De no-riskpolis - Het UWV betaalt het grootste deel van het loon van zieke werknemers die een no-riskpolis hebben.
      Komt deze werknemer daarna in de WIA ?
      Dan hoeft de werkgever geen hogere WIA-premie voor hem te betalen.
      - Korting op de WIA/WAO- en WW-premie - De werkgever hoeft minder premie te betalen voor werknemers die een no-riskpolis hebben.
      - Een subsidie voor de kosten van aanpassingen in het bedrijf.
      - Loondispensatie - De werkgever hoeft minder loon betalen aan Wajongers die veel minder presteren dan hun gezonde collega's.
      - Werken op proef - Mensen met een WIA-, WAO, Waz-, Wajong- of ZW-uitkering mogen drie maanden op proef werken; de werkgever hoeft geen loon te betalen.
      - Een loonkostensubsidie als een werkgever een langdurig werkloze of een arbeidsongeschikte aanneemt.
      Wijs uw werkgever tijdens het sollicitatiegesprek op de mogelijkheden.
      Cfr. :
      http://www.socialezekerheid.nl/smartsite.dws?id=36923

    9. Richtlijnen – Reumatische ziekten en syndromen : fibromyalgie
      Nederlandse Vereniging voor Reumatologie (NVR), mei 2002 - NVR map Fibromyalgie 12-03-2003 – Uitgever : DC//HG, Haarlem - © Nederlandse Vereniging voor Reumatologie, Lomanlaan 103, 3526 XD Utrecht (Postbus 20071, 3502 LB Utrecht), 2003 – Tel. : (030) 28 23 818 – Fax : (030) 28 88 545 – E-mail : secrnvr@worldonline.nl
      De door de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie (cfr. : http://www.nvr.nl/ -) gepubliceerde richtlijnen (cfr. : http://www.nvr.nl/richtlijnen -) en standpunten zijn met name bedoeld ter ondersteuning van de dagelijkse praktijk van reumatologen.
      Richtlijnen en standpunten hebben een functie bij het transparant maken van de zorg en het komen tot uniformiteit in diagnostiek en behandeling.
      Op basis van goed hulpverlenerschap kan onder bepaalde omstandigheden van de richtlijnen en standpunten worden afgeweken.
      De Nederlandse Vereniging voor Reumatologie adviseert een ieder om per patiënt of situatie schriftelijk en met opgave van reden vast te leggen waarom er wordt afgeweken van een richtlijn of standpunt.
      De inhoud van de richtlijnen en de standpunten kan wijzigen in de loop van de tijd.
      De Nederlandse Vereniging voor Reumatologie wijst er op dat aan de inhoud van deze uitgave geen rechten of plichten kunnen worden ontleend.
      Richtlijnen en standpunten zijn geen wettelijke voorschriften.
      Cfr. :
      http://www.nvr.nl/uploads/51/325/NVR_Reumatische_ziekten_richtlijn_Fibromyalgie.pdf
      -&- http://www.nvr.nl/uploads/237/132/NVR_Reumatische_ziekten_richtlijn_Fibromyalgie.pdf
      Cfr. ook : http://www.artsennet.nl/Richtlijnen/Richtlijn/Reumatische-ziekten-en-syndromen-fibromyalgie.htm

    10. Starten als zelfstandige - Regelingen voor mensen met een ziekte of handicap
      KennisRing - Sociale zekerheid, (laatste wijziging) 26-05-2009
      Voor uzelf beginnen met een handicap of chronische ziekte : voorzieningen voor startende zelfstandigen die een handicap of chronische ziekte hebben.
      Met een ziekte of handicap weer aan het werk gaan is vaak moeilijk.
      Werkgevers staan niet altijd te trappelen om u aan te nemen.
      Een baan in loondienst is ook niet voor iedereen weggelegd.
      Werk als zelfstandige is voor u misschien wel de beste oplossing.
      Al was het maar omdat u zelf uw tijd en werk kunt indelen.
      Het opzetten van een eigen bedrijf of beroep kost tijd, geld en inspanning.
      Daarom zijn er verschillende regelingen en voorzieningen die starters met een ZW-, WGA-, WAO-, Waz- of Wajonguitkering een steuntje in de rug geven.
      - Het UWV kan aanpassingen en hulpmiddelen betalen die u door uw ziekte of handicap nodig hebt om te werken.
      Bijvoorbeeld een aangepaste werkplek, een vergoeding voor vervoer per auto of een doventolk.
      - Het UWV kan soms helpen met een lening : het starterskrediet.
      - Voor mensen met een WGA-uitkering : u kunt met het UWV afspreken dat u tijdens het opzetten van uw bedrijf niet hoeft te solliciteren.
      - Verdient u met werken minder dan wat u volgens het UWV nog kunt verdienen ?
      Dan kan het UWV een tijdje bijspringen met een aanvulling.
      - De eerste vijf jaar kunt u terugvallen op uw oude arbeidsongeschiktheidsuitkering als u het werk toch niet volhoudt.
      De voorzieningen stoppen op het moment dat uw uitkering stopt.
      U vraagt de voorziening aan bij het UWV.
      Cfr. :
      http://www.socialezekerheid.nl/smartsite.dws?id=31049

    11. Werk en participatie - Een greep uit recente resultaten
      Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten
      Ervaren problemen bij maatschappelijke participatie :
      - Mensen met een chronische ziekte of handicap ervaren over het algemeen meer beperkingen in hun sociaal functioneren dan mensen uit de algemene Nederlandse bevolking.
      Tevens ervaren zij vaker problemen op het gebied van financiën en werk, seksuele problemen en problemen met hun partner dan mensen uit de algemene bevolking.
      - Van de mensen met een chronische ziekte of handicap geeft één op de drie aan problemen te ervaren op het gebied van werk.
      Figuur 2.8 - Percentage mensen met een chronische ziekte of handicap dat problemen rapporteert in verschillende levensdomeinen in 2005 naar leeftijd
      (Uit : "Kerngegevens Maatschappelijke Situatie 2004" cfr. :
      http://www.nivel.nl/pdf/PPCZ005-2005.pdf – voor 2006 cfr. : http://www.nivel.nl/pdf/NPCG-Kerngegevens-Maatschappelijke-situatie-2006.pdf – voor 2008 cfr. : http://static.ikregeer.nl/pdf/BLG20983.pdf -).
      Met betrekking tot problemen in participatie en autonomie van chronisch zieken blijkt :
      - chronisch zieken voelen zich vaak belemmerd in hun mogelijkheden tot maatschappelijke participatie en autonomie.
      - autonomie- en participatieproblemen op het gebied van werk komen relatief vaak voor en worden tevens het meest ernstig ervaren.
      - chronisch zieke vrouwen ervaren meer autonomie- en participatieproblemen dan chronisch zieke mannen.
      - chronisch zieke ouderen worden meer belemmerd in hun mogelijkheden tot maatschappelijke participatie dan chronisch zieke jongeren, maar jongeren ervaren de aanwezige autonomie- en participatieproblemen in het algemeen wel als ernstiger.
      - of autonomie-en participatieproblemen op een bepaald domein als ernstig worden ervaren hangt samen met de levensfase waarin iemand zich bevindt.
      - autonomie- en participatieproblemen komen vaker voor bij chronisch zieken met meerdere aandoeningen.
      Fig. 3.4 - ,,,,,,,,,,,,,,,,,
      Cfr. :
      http://www.nivel.nl/OC2/page.asp?pageid=7115

    12. Werken met een beperking of chronische ziekte – Wsw
      Kunt u door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking alleen onder aangepaste omstandigheden werken, dan komt u misschien in aanmerking voor een Wsw-baan.
      De Wsw, wat is dat ? - Voor wie is de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) bedoeld ?
      Werken in Wsw-verband - Waar kunt u aan het werk en wat zijn de arbeidsvoorwaarden ?
      Aanmelding en plaatsing Wsw - Hoe krijgt u een Wsw-baan ?
      Cfr. :
      http://www.socialezekerheid.nl/smartsite.dws?id=22749

    13. Werken met een chronische aandoening ? Ja, dat kan !
      Reumabond.nl
      Cfr. :
      http://www.reumabond.nl/downloads/algemeen/Mijn%20leven/Werk/Chronisch%20ziek%20en%20werk/09_122_RPB%20REUMA%20folder%20chronisch%20[web].pdf

    14. Werken met een chronische ziekte
      Sallconwerktalent.nl
      Heeft u reuma, fibromyalgie, epilepsie of MS ?
      En zoekt u een baan of wilt u begeleiding om uw werk goed te kunnen blijven uitvoeren ?
      Wij kunnen u helpen.
      Succesformule
      Sallcon Werktalent voert voor een aantal patiëntenbonden het project ‘Chronisch ziek en werk' uit. U wordt begeleid door een ervaringsdeskundige.
      Dit is iemand die zelf een chronische aandoening heeft en uw problematiek als geen ander kent.
      Aanmelden
      Heeft u belangstelling voor het traject 'Chronisch ziek en Werk', neem dan contact op met de Reumalijn (T 0900 - 20 30 300) of bel ervaringsdeskundige Jaap Huizinga (06-55102975).
      Cfr. :
      http://www.sallconwerktalent.nl/menu-item-2/178.html


    03-12-2009 om 15:15 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsmarkt, arbeidsongeschikt, arbeidsparticipatie, belastbaarheid, Chronisch ziek en werk, dagbesteding, eigenwaarde, fibromyalgie, handicap, mantelzorg, meedoen, overheidsbeleid, passend werk, pijn, reïntegratie, uitkering, vrijwilligerswerk
    >> Reageer (0)
    02-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen











    Fibromyalgie

    Mw. dr. D. van Zeben, reumatoloog & Mw. drs. A.J.T. Verborg, verpleegkundig reumaconsulent (met dank aan mw. S. Neuman-Brand, verpleegkundig reumaconsulent) - Bohn Stafleu van Loghum, 2009 – ISBN : 978-90-313-6464-0 (Print) / 978-90-313-7543-1 (Online)

    Fibromyalgie (wekedelenreuma) is een syndroom met chronisch gegeneraliseerde pijn – cfr. : http://home.bsl.nl/losbladige/9065027254/Pijn_Info - en stijfheid van het bewegingsapparaat, met name aan pezen, banden en spieren, gepaard gaande met andere (aspecifieke) klachten zoals moeheid, slaapstoornissen en stemmingsveranderingen.

    Cfr. : http://www.springerlink.com/content/k461n22314u40q26/ -&- https://commerce.metapress.com/content/k461n22314u40q26/resource-secured/?target=fulltext.pdf&sid=j5eboc55azkle5jk4c23wq45&sh=www.springerlink.com



    02-12-2009 om 23:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (11 Stemmen)
    Tags:banden, bewegingsapparaat, fibromyalgie, moeheid, pezen, pijn, reuma, slaapstoornissen, spieren, stemmingsveranderingen, stijfheid, wekedelenreuma
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Europees instrument spoort fibromyalgie op
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















     




    Europees instrument spoort fibromyalgie op

    Zuiderzon - ME/CVS.net, 27-11-2009 (laatst aangepast : 28-11-2009) – Bron : Artsenkrant Nr. 2041 (p. 18) – cfr. : http://www.online.artsenkrant.com/2041/index.html

    Het instrument is bestemd voor huisartsen en gaat uit van factoren waarmee fibromyalgie kan worden gedetecteerd in de gewone klinische praktijk.

    De diagnose van fibromyalgie is een uitdaging, vooral voor huisartsen, omdat de symptomen zo heterogeen zijn.
    Dat is het geval gezien de comorbiditeit en gezien de overlapping van symptomen van fibromyalgie en symptomen van andere aandoeningen zoals beginnende reumatoïde artritis, spondylitis ankylosans en psychiatrische aandoeningen.
    Er werd een screeningsinstrument ontwikkeld om de Europese huisartsen te helpen om patiënten met fibromyalgie snel op te sporen en om ze te verwijzen naar een specialist of een referentiecentrum voor pijnbehandeling.

    Multidisciplinaire Europese experts

    Er werd een groep Europese multidisciplinaire experts samengesteld om de methode te definiëren en om de belangrijkste problemen te schetsen die te maken hebben met de diagnostiek van fibromyalgie.
    Op grond van een volledige literatuurstudie, ontmoetingen met artsen (n=6) en gesprekken met Engels-, Duits- en Franstalige patiënten (n=29) werd de inhoud van het screeningsinstrument bepaald.
    Het werd opgesteld in het Frans, het Duits en het Engels op grond van de woordkeuze van de patiënten zelf.
    Later werd het dan in de respectievelijke landen uitgetest bij patiënten met een bewezen (n=11) of vermoedelijke (n=4) fibromyalgie.

    Er werd een hoge coherentie teruggevonden tussen de artsen en de patiënten van de verschillende landen.
    De pijn was de belangrijkste factor in termen van optreden, intensiteit, perceptie, ligging, verergerende en verlichtende factoren en impact op het leven van elke dag.
    Andere belangrijke factoren waren vermoeidheid, symptomen die gepaard gaan met fibromyalgie, lichamelijke en emotionele situaties die invloed hebben op de conditie van de patiënt en de persoonlijke voorgeschiedenis en houding van de patiënt.

    Meer dan pijn

    De conclusie van de experts was dat naast de beschrijving en de perceptie van de pijn en de symptomen meerdere factoren in beschouwing moeten worden genomen zoals de geschiedenis, de houding, de levenskwaliteit en sociaal-demografische gegevens van de patiënt om een fibromyalgie te diagnosticeren.

    "Door al die factoren tegelijk te vatten en door de woorden van de patiënten zelf te gebruiken, zou het Europese instrument voor opsporing van fibromyalgie gebruiksvriendelijk en nuttig moeten zijn voor de huisartsen om patiënten met fibromyalgie tijdig te detecteren en hun behandeling te verbeteren", besloot Dr. Baron (Kiel, Duitsland) : "Momenteel wordt het instrument kwantitatief gevalideerd."

    Referentie


    Factors to help primary care physicians
    detecting fibromyalgia in routine practice

    Baron R1, Arnould B2, Alegre C3, Choy E4, Cruccu G5, Desmeules J6, Dias-Barbosa C7, Margaux J8, Richards S9, Serra E10, Spaeth M11, Perrot S12 - 1 Division of Neurological Pain Research and Therapy, Christian-Albrechts University, Kiel, Germany - 2 Mapi Values, Lyon, France - 3 Public health, Hospital Universitari Valle Hebron, Barcelona, Spain - 4 Rheumatology, King's College London , London, United Kingdom - 5 Department of Neurological Sciences, La Sapienza University , Roma, Italy - 6 Clinical pharmacology and toxicology & Multidisciplinary pain center, Geneva University Hospital, Geneva, Switzerland - 7 Mapi Values, Lyon, France - 8 Rheumatology, Erasme Hospital , Brussels, Belgium - 9 Rheumatology Poole Hospital NHS Trust , Poole, United Kingdom - 10 Pain Unit, North Hospital, Amiens, France - 11 Rheumatology, Gräfelfing, Germany - 12 Internal Department and Pain Unit, Hôpital Hôtel Dieu, Paris, France - The work was funded by Pfizer Limited

    Background and aims
    Fibromyalgia (FM) diagnosis remains challenging, especially among primary care physicians (PCPs), because of symptom heterogeneity, co-morbidities and overlapping of FM symptoms with other disorders (e.g. rheumatoid arthritis and other psychiatric and pain-causing conditions).
    A screening tool was developed to help European PCPs identify FM patients.

    Methods
    A European multidisciplinary expert group was set up to provide clinical expertise, define methodology and identify key issues around FM detection.
    Comprehensive literature review, clinician focus groups (N=6) and face-to-face interviews with English (UK), German and French-speaking patients (N=29) were conducted to determine the FM screening tool content.
    The tool was developed in French, German and English, based on patients’ wording and tested for comprehension in FM-diagnosed (N=11) and FM-suspected (N=4) patients from respective countries.

    Results
    High consistency was found between clinicians and patients across countries.
    Pain constituted the major factor; in terms of occurrence, intensity, perception, location, worsening and relieving factors and impact on everyday life.
    Other important factors identified were fatigue, FM-associated symptoms, physical/emotional situations affecting patients’ condition and patients’ personal history and attitude.

    Conclusion
    Beside pain description and perception and the symptomatic picture, investigation of multiple factors such as patients’ history, attitude and quality of life and socio-demographics is essential to identify FM.
    By capturing simultaneously all these factors, the European FM screening tool should help PCPs to detect FM patients early and improve their management.
    Quantitative validation of the tool is currently underway.

    Cfr. : http://www.efic-congress.org/showabstract.php?abstract=497

    Cfr. : http://www.mecvs.net/module-ME_CVS_docs-viewpub-tid-1-pid-477.html


    02-12-2009 om 16:44 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    Tags:attitude, huisartsen, leven van elke dag, levenskwaliteit, pain, pijn, primary care physicians, psychiatrische aandoeningen, quality of life, reumatoïde artritis, rheumatoid arthritis, screeningsinstrument, spondylitis ankylosans, vermoeidheid
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
    Klik op de afbeelding om de link te volgen














     



      Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk

                                     Vkbanen, 02-12-2009

    Makkelijk is het niet om een baby met een baan te combineren.
    Maar na verloop van tijd heeft de werknemer met een gezinsleven een voorsprong op zijn collega zonder kinderen.
    Met de energie die het gezinsgeluk oplevert, worden ouders betere werknemers, blijkt uit onderzoek.

    Korte nachten, direct na het werk naar huis racen om je kind van de crèche te halen of tijdig borstvoeding te geven : echt zen word je er niet van als je het verse ouderschap met een verantwoordelijke baan combineert.

    Burn-out

    Op de vraag of je van een baby een betere werknemer wordt, zal menigeen dan ook ontkennend antwoorden.
    Vermoeidheid en afleidende gedachten over je lieveling en bijbehorende verantwoordelijkheden zijn niet altijd bevorderlijk voor prestaties.
    Het kan zelfs tot een burn-out lijden, blijkt uit onderzoek van Lieke ten Brummelhuis naar het effect van familietaken op werk.
    Zij raadt werkgevers aan werknemers de ruimte te geven om in hun gezin te investeren.
    Zeker in de beginfase komt wat extra ondersteuning, zoals hulp in het huishouden, mogelijkheden voor flexibele werktijden of tijdelijk minder werken, goed van pas.

    Positief

    Maar alleen negatieve invloed heeft het gezinsleven zeker niet op het werk.
    Na verloop van tijd, als de kinderen wat ouder zijn, zal de werknemer het een stuk makkelijker hebben.
    Grote kans dat het gezinsleven dan zelfs een positieve invloed op het werk heeft, blijkt uit het onderzoek van Ten Brummelhuis.
    Als het thuisfront de werknemer energie geeft en er leuke dingen met het gezin worden gedaan, presteert een werknemer beter op het werk.
    Tijd investeren in relaties thuis blijkt dus goed te helpen om positieve energie uit het gezinsleven te halen, waarvan werkuitkomsten mee profiteren.

    Brummelhuis heeft onderzoek gedaan onder vijfhonderd werknemers in Nederlandse bedrijven.
    Ze hoopt 18 december te promoveren aan de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

    Cfr. : http://www.vkbanen.nl/actueel/754811/Gezinsgeluk-heeft-positieve-invloed-op-werk.html


    02-12-2009 om 15:48 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:burn-out, flexibele werktijden, gezin, gezinsgeluk, gezinsleven, kinderen, ouders, thuis, werk, werkgevers, werknemers
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Cognitieve gedragstherapie bij depressie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen Klik op de afbeelding om de link te volgen






























     

    Cognitieve gedragstherapie bij depressie

    Pieter J. Molenaar
      - cfr. :
    http://nl.linkedin.com/pub/pieter-j-molenaar/8/b27/943 -
    Jan van den Bout
      - cfr. :
    http://www.uu.nl/NL/onderzoek/HetUtrechtseonderzoek/hoogleraren/
    faculteitsocialewetenschappen/Documents/J.vandenBout.pdf
     -
    Bohn Stafleu van Loghum, 09-11-2009 - ISBN : 9789031373512

    Cognitieve gedragstherapie bij depressie biedt een leidraad voor bij de behandeling van volwassen cliënten met als hoofddiagnose een milde tot ernstige depressieve stoornis, met of zonder dystyme stoornis.

    Het gedetailleerde protocol maakt gebruik van bewezen effectieve cognitief gedragstherapeutische technieken.
    In de therapie is aandacht voor : het ontwikkelen van een regelmatiger en stabieler levenspatroon, het onderkennen van problematische cognities, negatieve gedachten of 'leefregels' die van invloed zijn op de depressieve stemming én het leren doorbreken van deze depressogene assumpties. 

    Het werkboek voor de cliënt, 'Doorbreek je depressie' is opgebouwd volgens dezelfde structuur als het protocol en vormt een essentieel onderdeel van het protocol.

    Doorbreek je depressie
    P. J. Molenaar & F. Don - Bohn Stafleu van Loghum, nov. 2009 – ISBN10 : 9031373532 - ISBN13 : 9789031373536
    Werkboek voor de client die kampt met depressies.
    Te gebruiken naast een behandeling (cognitieve) therapie.
    Het werkboek bevat informatie, formulieren en uitleg die de client tijdens de behandeling nodig heeft.
    Cognitieve gedragstherapie bij depressie biedt een leidraad voor de behandeling van volwassen cliënten met als hoofddiagnose een milde tot ernstige depressieve stoornis, met of zonder dystyme stoornis.
    Dit werkboek is gebaseerd op cognitief therapeutische uitgangspunten.
    De nadruk ligt op wat de client zelf kan doen en is effectief gebleken in het ontwikkelen van een regelmatiger en stabieler levenspatroon.
    Het gedetailleerde protocol maakt gebruik van bewezen effectieve cognitief gedragstherapeutische technieken.
    In de therapie is aandacht voor: het ontwikkelen van een regelmatiger en stabieler levenspatroon, het onderkennen van problematische cognities, negatieve gedachten of leefregels die van invloed zijn op de depressieve stemming en het leren doorbreken van deze depressogene assumpties.
    Het werkboek voor de cliënt, 'Doorbreek je depressie' is opgebouwd volgens dezelfde structuur als het protocol en vormt een essentieel onderdeel van het protocol.
    Cfr. :
    http://www.nnbh.com/titels/Molenaar--P.J.-Doorbreek-je-depressie/777/9789031373536.htm

    Cognitieve gedragstherapie bij depressie is bedoeld als een houvast voor therapeuten bij de behandeling van cliënten met een depressie.
    Iedere zitting is in het protocol gedetailleerd beschreven.
    Het protocol is ook geschikt gemaakt voor gebruik in onderzoek.

    Cfr. : http://www.vanstockum.nl/product/13448010/Cognitieve-gedragstherapie-bij-depressie.html

    02-12-2009 om 01:56 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:cognitieve gedragstherapie, depressie
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nooit meer hetzelfde...




    Nooit meer hetzelfde...

    Oh ja, ik kan weer meedoen
    ik kan weer vrolijk zijn
    De buitenkant die gaat wel
    van binnen zit de pijn

    Oh ja, het gaat weer beter
    kijk hoe ik weer geniet
    De buitenkant die wil wel
    van binnen huist verdriet

    Oh ja, ik wil wel leven
    ik doe al aardig mee
    De buitenkant moet verder
    de binnenkant zegt nee

    Maar af en toe geniet ik echt
    met hen die naast me staan
    Die weten en ook voelen
    dat het echt nooit meer
    echt zal gaan.


    Auteur niet bekend






    Zeg me niet : 'ween toch niet'.

    Zeg niet : 'alles heeft zijn reden...'.

    Je weet niet wat ik voel
    of hoeveel pijn het doet.

    Je vindt dat ik verder moet met mijn leven,
    dat ik het moet vergeten en sterk zijn ?

    Maar 't verdriet zit echt te diep... ik wil niet meer...

    Ik verlang niet dat je 't begrijpt.

    Soms - zonder aanleiding - stort ik in en begin te wenen.

    Doe niet alsof er niks gebeurd is.

    Ik zal nooit meer dezelfde zijn,
    niet vandaag, niet morgen, nooit meer.

    Het beste wat je voor me kan doen is gewoon er zijn,
    zoals altijd al, mijn vriend.

    Mijn gewonde hart doet zoch zo'n pijn
    en het zal nooit genezen...



    02-12-2009 om 00:00 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    01-12-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
    Klik op de afbeelding om de link te volgen













     



    Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1

    de Volkskrant, 30-11-2009

    Aandoeningen aan de rug, de benen en armen, zoals rugklachten en RSI, stonden in 2008 bovenaan de lijst van de meest voorkomende beroepsziekten.

    Dat blijkt uit een rapport dat het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) maandag presenteerde.

    Het centrum onderzocht een kleine zevenduizend meldingen die bedrijfsartsen het afgelopen jaar deden over beroepsziekten.
    In ruim 40 procent van de gevallen ging het om aandoeningen aan rug, benen en armen.

    Zij worden gevolgd door gehooraandoeningen (34 procent) en psychische aandoeningen (17 procent), zoals overspannenheid.

    RSI staat met duizend meldingen hoog op de lijst van het NCvB.
    Toch ziet het centrum een flinke terugloop van het aantal meldingen; in 2000 werden er 3000 meldingen gedaan.

    Cfr. :
    http://www.volkskrant.nl/wetenschap/article1322027.ece/Rugklachten_en_RSI_beroepsziekten_
    nummer_1

    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Beroepsziekten
    in cijfers 2009

    © Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, 30-11-2009

    Beroepsziekten : veel klachten van knie en heup

    Aandoeningen aan het bewegingsapparaat voeren de ranglijst van beroepsziekten in 2008 aan met 42 procent.

    Ze worden gevolgd door gehooraandoeningen (34 procent) en psychische aandoeningen (17 procent).

    Dit blijkt uit het rapport 'Beroepsziekten in cijfers 2009' van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NcvB) – cfr. :
    http://www.beroepsziekten.nl/sites/default/files/documents/NCvB_BIC09.pdf -).
    De cijfers zijn gebaseerd op 6952 meldingen van beroepsziekten in 2008.
    Volgens het NCvB kan het ontstaan van beroepsziekten meestal worden voorkomen door goede arbeidsomstandigheden.

    Er zijn meer beroepsziektemeldingen van lage rugklachten en aandoeningen aan de onderste ledematen dan in voorgaande jaren.
    Vooral het aantal beroepsziektemeldingen van artrose van knie en heup is de laatste twee jaar sterk gestegen.
    Het aantal meldingen van RSI is gedaald van 3000 gevallen in het jaar 2000 tot 1061 gevallen in 2008.

    In 2008 zijn 2290 meldingen van slechthorendheid gedaan.
    Ondanks goede preventiemogelijkheden is lawaaislechthorendheid nog steeds een veel gemelde beroepsziekte.
    Werken in lawaai kan tevens de kans op het maken van fouten en ongelukken vergroten.

    Het merendeel van de 1170 meldingen van psychische beroepsziekten betreft overspannenheid en burnout.
    Bedrijfsartsen schatten dat werkgebonden psychische aandoeningen gepaard gaan met een aanzienlijke duur van het verzuim.
    Risico’s voor werkgebonden psychische aandoeningen zijn onder andere intensivering van het werk en een slechte balans tussen het werk- en privéleven van werknemers.

    Meldingen van beroepshuidaandoeningen maken 2,7 procent uit van alle meldingen.
    Eczemen, huidkanker en galbulten worden het meest gemeld door huidartsen.
    Nat werk en allergieën spelen de belangrijkste rol bij meer dan de helft van de meldingen van contacteczeem.
    Bekende veroorzakers van allergisch contacteczeem zoals acrylaten en epoxyharsen kunnen ook beroepsastma veroorzaken.

    Het NCvB stelt tevreden vast dat het aantal gevallen van OPS door oplosmiddelen fors is gedaald van een vijftigtal in 2000 tot vijf in 2008.
    Zij schrijft deze daling toe aan de verminderde blootstelling aan oplosmiddelen in verschillende branches en het wettelijk verbod op het gebruik van organische oplosmiddelen.

    Uit literatuuronderzoek en helpdeskvragen van het NCvB blijkt dat door de vergrijzing, verbeterde behandeling van chronisch zieken en reïntegratie steeds meer mensen doorwerken met een verstoorde afweer die extra gevoelig zijn voor biologische agentia.
    Ook zijn er aanwijzingen dat werken in ploegendienst en blootstelling aan sommige stoffen, zoals arseen, de kans op diabetes en daarmee ook de kans op hart- en vaataandoeningen verhogen.
    Werk in de nacht kan het risico op kanker vergroten.
    Het is belangrijk dat ondernemingen hier aandacht aan besteden.

    In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten ‘Beroepsziekten in cijfers 2009’ opgesteld.
    Het rapport geeft een overzicht van het aantal en de aard van beroepsziekten en de verspreiding binnen sectoren en beroepen in Nederland in 2008.
    Het rapport biedt informatie over beroepsziekten voor ondernemingen, hun adviseurs en de overheid.
    Waar mogelijk worden sociaaldemografische kenmerken en trends van de verspreiding van beroepsziekten weergegeven.
    Naast statistische gegevens worden wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen rond de verschillende categorieën beroepsziekten beschreven.

    Cfr. : http://www.beroepsziekten.nl/content/beroepsziekten-cijfers-2009



    01-12-2009 om 19:55 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeid, armen, bedrijfsartsen, benen, beroepsziekten, bewegingsapparaat, burnout, diabetes, eczeem, gehoor, heup, huid, kanker, knie, lawaai, overspannenheid, psychische aandoeningen, reïntegratie, RSI, rug, rugklachten, vergrijzing, verzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.SOS ! Hulp voor ouders
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  





    SOS ! Hulp voor ouders
      
    Praktische gids
    omgaan met gedragsproblemen van kinderen

    Lynn Clark – Bohn Stafleu van Loghum, oktober 2009 – ISBN10 : 9031368814 – ISBN13 : 9789031368815 – 26-10-2009

    'SOS ! Hulp voor ouders' reikt praktische handvatten aan om ongewenst gedrag van je kind te veranderen.
    Het gaat hierbij om vaardigheden, procedures en strategieën die direct toegepast kunnen worden en waarvan in de alledaagse opvoedpraktijk bewezen is dat ze effectief zijn.
    Ouders krijgen met deze stap-voor-stapmethode meer zelfvertrouwen.
    Bijna altijd is na enkele weken al verbetering merkbaar; de sfeer in het gezin wordt meer ontspannen en het kind blijer en gelukkiger.

    SOS: Help for Parents

    Cfr. : http://www.amazon.com/SOS-Help-Parents-Lynn-Clark/dp/0935111204

    Uitgangspunt van deze prettig leesbare opvoedingsgids is dat gedrag - goed en slecht gedrag - is aangeleerd.
    Dat betekent dat slecht gedrag ook afgeleerd kan worden.
    Het boek is in Amerika al aan zijn derde druk toe en is inmiddels in tien verschillende talen uitgebracht.

    Voor wie

    'SOS ! Hulp voor ouders' is een beproefde methode die geschreven is voor ouders van kinderen van twee tot twaalf jaar, professionele opvoeders en mensen in het onderwijs.

    Cfr. : http://home.bsl.nl/content.jsp?objectid=17398&utm_source=nieuwsbrief_GGZnieuwsbrief_december2009&utm_medium=email&
    utm_content=creatie_tekst_SOS!Hulpvoorouders&utm_campaign=campagne_conversie-order



    01-12-2009 om 15:39 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:gedrag, gedragsproblemen, kinderen, onderwijs, opvoeden, opvoeders, ouders, zelfvertrouwen
    >> Reageer (0)
    29-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



    Dr. Nancy Klimas
    opens
    new CF-Center

    Bruno M : bruno.moderator@telenet.be -, 27-11-2009 – Source : Co Cure

    The time has finally arrived !
    Dr. Nancy Klimas will open the new Chronic Fatigue & Immune Disorders Research and Treatment Center ('Chronic Fatigue Center' for short) in December.
    Located in Kendall at 8720 N. Kendall Drive, Suite 108, Miami FL 33176, the clinic will begin seeing patients on Friday, December 4th.
    Clinic days will be Mondays and Fridays for the near future.
    The clinic is a private fee-for service clinic, meaning that full payment will be requested at the time of service and forms will be given to you to submit to your own insurance provider.
    Labs will be drawn at the clinic but will be billed directly through your insurance provider.

       Dr. Nancy Klimas
     
    Cfr. her video at :
    http://cfsknowledgecenter.ning.com/video/klimas-on-xmrv 

    For more information, visit the web site at : www.cfsclinic.com -.
    If you have any questions or want to make an appointment, email the clinic at :
    info@cfsclinic.com - or call : 305-595-4300.

    The Chronic Fatigue Center is a private clinic, separate and apart from the CFS Clinic at the University of Miami, so everything at UM will remain the same.


    29-11-2009 om 20:05 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    Tags:chronic fatigue, Chronic Fatigue Center, chronic fatigue syndrome, fatique
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
































     

    Method and compositions
    for
    diagnosing and treating chronic fatigue immunodysfunction syndrome

    The dramatic story
    of
    microbiologist Elaine DeFreitas' discovery

    If the disease were, say, Hodgkin's lymphoma or polio or AIDS,
    DeFreitas might have been hailed as a scientific hero.
    But something very different happened...


    "Medical Mystery"

    SELF, March 1998

    In March of 1998, Self magazine published, "Medical Mystery" by Hillary Johnson – cfr. : http://www.oslersweb.com/bio.htm -, the dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery of an apparently novel retrovirus in children and adults with "CFS" and their close contacts.
    The discovery, a critical clue in the "CFS" mystery, fell by the wayside when researchers at the Centers for Disease Control refused to attempt replication of the finding using the microbiologist's scientific protocol.

    Osler's web - Inside the labyrinth of the chronic fatigue syndrome epidemic
    Hillary Johnson – Crown, March 12, 1996 (1st edition) – ISBN-10 : 051770353X – ISBN-13 : 978-0517703533
    Review by Publishers Weekly - © 1996 Reed Business Information, Inc.
    By bringing chronic fatigue syndrome (CFS) out of the shadows and squarely onto the nation's health agenda, Johnson's groundbreaking, compelling report does for it what Randy Shilts's 'And the band played on - Politics, people and the AIDS epidemic' did for the AIDS epidemic.
    Once derisively dismissed as "yuppie flu," CFS was recognized as a legitimate, cohesive disease entity by the Centers for Disease Control only in 1990, six years after the first mass outbreaks.
    An infectious immune disorder that affects millions worldwide (the exact pathogen is unknown), CFS causes debilitating exhaustion, severe aching and headaches and fever and in many cases affects the brain, causing memory and cognitive impairment, seizures and brain lesions.
    Freelance journalist Johnson (herself a CFS sufferer in the mid-1980s) interviewed hundreds of patients, scientists, doctors and government officials.
    Writing with quiet fury, she builds a devastating picture of the U.S. government research establishment's decade-long strategy of avoidance and denial.
    Her epic-length report draws chilling parallels between CFS and AIDS : desperate CFS patients organize support groups, underground clinics, activist coalitions; trials of Ampligen, a promising drug, are halted by the FDA; patients lose medical insurance simply for being diagnosed with CFS-a policy that continues to the present among major carriers.
    -- The title 'Osler's web' refers to Canadian physician Sir William Osler (1849-1919), who exhorted his medical students to be on guard against lockstep thinking (cfr. Book News, Dec. 4 for the story behind the book).
    Cfr. :
    http://www.amazon.com/Oslers-Web-Labyrinth-Syndrome-Epidemic/dp/051770353X

    From Self

    "Elaine DeFreitas was a rising star in immunology at a prestigous biomedical research agency, the Wistar Institute in Philadelphia, when she received a phone call from an internal medicine specialist in rural Nevada in 1985.
    The doctor, Paul Cheney, M.D., Ph.D., was seeking her expertise in isolating an unusual pathogen, one now known as a human retrovirus, from human blood samples...
    Dr. Cheney asked DeFreitas to evaluate blood samples from five people who had fallen ill in Incline Village, a ski resort town at Lake Tahoe.
    The five were among the nearly 300 people who were believed to be sick with what is today called Chronic Fatigue Syndrome (CFS).
    DeFreitas made a discovery that continues to confound researchers to this very day : she detected telltale signs of retroviral infection in four out of the five.
    In time, the finding led her to discover evidence of a retrovirus in 80 percent of a much larger group of CFS patients...
    If the disease were, say, Hodgkin's lymphoma or polio or AIDS, DeFreitas might have been hailed as a scientific hero.
    But something very different happened...
    Some of her supporters - many of them CFS patients and their families - see DeFreitas as the Joan of Arc of twentieth-century medicine, an analogy that offers the scientist little comfort.
    'Look at what happened to Joan of Arc,' DeFreitas says today.

    Cfr. : http://www.oslersweb.com/bio.htm


    Wistar Institute, Dr. Elaine DeFreitas and the Cheney-Bell-DeFreitas Work
    Startling revelations from Wistar's world patent and serious reasons for concern now revealed !

    Alan Cocchetto - The National CFIDS Foundation, 103 Aletha Rd, Needham Ma 02492, (781) 449-3535 Fax (781) 449-8606

    As many of you can remember, Dr. Elaine DeFreitas, Dr. Paul Cheney, Dr. David Bell and others published the work done at Wistar, in the Proceedings of the National Academy of Science in April 1991.
    This created quite the excitement and stir as information was released by personal interviews that even made the cover of the CFIDS Chronicle.

    It would not be surprising if many of the researchers involved with Wistar scientists were unaware of a world patent that was subsequently issued in April 1992, one year after the Proceedings of the National Academy of Science (PNAS) article !
    I myself was quite surprised since the contents of this patent have major implications due to the depth and scientific quality of the work.
    I certainly believe too that this has worldwide implications and therefore needs to be carefully scrutinized by the scientific community.

    I am reporting on the detailed scientific information disclosed in the world patent (#WO9205760) issued to Elaine DeFreitas and Brendan Hilliard, inventors assigned to Wistar Institute.
    This patent was applied for in August 1991 after the PNAS article was published.

    The title of the patent is "Method and Compositions for Diagnosing and Treating Chronic Fatigue Immunodysfunction Syndrome” (cfr. : http://www.wipo.int/pctdb/en/wo.jsp?wo=1992005760 -).
    The abstract reads as follows : "The present invention provides compositions and methods for diagnosis, treatment and prophylaxis of Chronic Fatigue Immunodysfunction Syndrome (CFIDS) based on the detection of the presence of a novel CFIDS-associated virus, 'CAV', in the body fluids or tissues of a patient".

    In the first page of the patent disclosure, the following is stated : "The invention described herein was made in the course of work under grants or awards from The United States National Institutes of Health, the Department of Health and Human Services".

    The inventors cover the working case definition of CFIDS and various outbreaks associated with the illness.
    The inventors then provide information associated with the field of retrovirology, disclosing various families and specific viruses associated with each of them.

    The summary of the invention is as follows : "The present invention provides a novel, substantially isolated Chronic Fatigue Immunodeficiency Syndrome-associated virus, hereafter referred to by the name 'CAV'. Polynucleotide sequences of CAV and polypeptides of CAV are useful as diagnostic reagents in the diagnosis of CFIDS patients. Polynucleotide sequences of CAV and polypeptide sequences of CAV are useful in therapeutic or vaccinal compositions for the treatment or prevention of CFIDS. Also disclosed by this invention are methods and assays for diagnosing and/or treating CFIDS patients. Antibodies to CAV antigenic regions and in vitro cells containing CAV polynucleotide sequences or polypeptides are also described".

    The inventors go on to report two major CAV DNA nucleotide sequences as well as electron photomicrographs of T-cells and B-cells infected with the CAV.
    In the initial descriptive reference to retroviruses in this patent, the inventors state : "CAV may be morphologically characterized as a retrovirus, particularly a non-C retrovirus which is capable of infecting humans. Electron microscopy of viral particles formed in infected human cell cultures suggests that CAV is a non-C-type retrovirus because of its diameter, morphology, formation and location of intracellular virions. More specifically, CAV-infected cells could be characterized by electron-dense circular virions, some with electron-luscent cores and others with electron-dense cores, associated with the rough endoplasmic reticulum and inside large abnormally distended mitochondria in the cells. All particles are the same shape and size, 46-50 nm. No extracellular virus is observed. No forms budding from the cytoplasmic membranes are observed. Thus, CAV-infected cells could also be characterized by the presence of intracytoplasmic particles.... The apparent location of its virions in the mitochondria distinguishes CAV from HIV" [Mr.Cocchetto's emphasis here].

    The inventors then provide additional characteristics of the retrovirus such as its ability to infect both T and B-cells and that the primer binding site is for the transfer RNA or tRNA, of lysine indicating that CAV is a non-C type retrovirus.

    The inventors examined low molecular weight sas proteins and found the presence of p11-12, p13-14 and p 27-28.
    Classes of primate and nonprimate animal retroviruses have such characteristically sized sas proteins.

    The inventors disclose that the virus has the ability to induce the presence of viral pap proteins in the nucleus and cytoplasm of cells which it infects.
    This characteristic of viral pap protein localization also indicates a non-C type retrovirus.
    Summaries of correlations of CFIDS retrovirus to known retroviruses are included with extensive descriptions and explanations.
    Full disclosure of the methods appear to be very specific and extensive.
    The entire patent is approximately 40 pages.
    If the NIH ignored the depth of this work, since they chose to fund Sidney Grossberg, who only had a theory, then the NIH dropped the ball on this one and the agency should be held accountable !

    The inventors even state : "The ability to screen blood samples infected by CAV enables producers and distributors of blood products e.g. the American Red Cross, to identify and discard donated blood samples which are intended for use in transfusions or in the isolation of plasma, therapeutically useful blood proteins and blood cells. If unscreened, the use of such blood and blood-derived products could contribute to the spread of CFIDS".

    The implications here are staggering !

    The inventors mention various cell lines including T-cell lymphoblastoid and B-cell lymphoblastoid lines as well as a macrophage monocyte cell line that have all been identified to support the growth of CAV.
    They then disclose the primer sequences for CAV and then state that "body fluids of CFIDS patients have shown reactivity with antigens of HTLV-I by Western blot.... Moreover, the majority of CFIDS patients have serum antibodies to a P27 protein on the HTLV-I Western blot. P27 is presumably a product of the tax gene".

    "In still another aspect, the invention provides a diagnostic method for detecting CAV in a patient sample by a conventional reverse transcriptase assay as described in Example 10 below. This assay may be performed on body fluids of a suspected CFIDS patient, using a polyriboadenylate template primer and the divalent cation Mn++. No other known human retrovirus employs this primer or cation in this assay".

    Of course, all inventors identify their test kit - one that is necessary for hospitals, doctors etc. to officially diagnose the patient as having this illness.

    "The methods, probes, primers and antibodies described herein may be efficiently utilized in the assembly of a diagnostic test kit, which may be used by health care providers for the diagnosis and/or treatment of CFIDS".

    The inventors also discuss the details of a CFIDS vaccine and the vaccine composition !
    Furthermore, they disclose that "for performance of these experiments, patient body fluid samples were obtained from clinical practices in North Carolina and New York. The investigators were all blinded by coded samples in each experiment".

    Under the heading "Morphometric Analysis of CFIDS Retrovirus" the inventor disclose : "Electron-dense circular virions, some with electron-luscent cores and others with electron-dense cores, were seen associated with the rough endoplasmic reticulum and inside large abnormally distended mitochondria inside the cells. All particles were the same shape and size, 46-50 nm. No extracellular virus was observed. No forms budding from the cytoplasmic membranes were observed. These observations suggest that CAV is a non-C type animal retrovirus for three reasons : - °first, human C-type viruses like HTLV-I and HTLV-II do not appear to form intracellular virions. The only human C-type forming intracellular particles is HIV and these are found intracisternally in conjunction with budding forms. Circular C-type virions are usually formed as the virus buds from the cell's cytoplasmic membrane - °second, neither HTLV-I, II, nor HIV virions have ever been found inside mitochondria - °third, the diameter and morphology of these virions suggest that they may be Primate D-type retroviruses or spuma viruses".

    Extensive test results are disclosed at this point and the inventors reveal : "The results of the same PCR analyses of blood samples from adult CFIDS patients was compared with persons with whom they live or closely associate e.g. Roommates and friends (called Exposure Controls). Nonexposure controls are healthy persons selected at random who have not come into contact with CFIDS patients nor experienced symptoms associated with CFIDS".
    The inventors report their data from CFIDS patients including pediatric CFIDS patients !
    To quote the patent : "the positive results seen in the Exposure Controls support the possibility that this CAV is capable of casual transmission to non-infected persons, as is the case with many non-human retroviruses" [author's emphasis here].
    Now, if the NIH ignored this last comment, then something is dramatically wrong with the agency that is supposed to protect and safeguard the welfare of the citizens of the United States !
    Again, the implications here are just staggering !
    This is especially alarming in light of the testing, revealed by the inventors, which continues as follows : “Since the inventors ran four different tests on each patient, exposure control and non-exposure control, then I will report on the high values from each test group. For the first group, the patients tested with a positivity of 82%, exposure controls at 43% and non-exposure controls at 0%. With the first group, there were 11 patients, 14 exposure controls and 4 non-exposure controls. With the pediatric group, the patients tested with a positivity of 74%, exposure controls at 43% and non-exposure controls at 0%. With the pediatric group, the sample size was 19 patients, 7 exposure controls and 4 non-exposure controls. The inventors then disclose more PCR work, citing "partial viral DNA sequence was obtained by the procedure described below from CFIDS patient NY1-12 using the HTLV-II crap specific primers g2-1 and g-2-2 of Table III... Figs. 1A and 1B illustrate the partial putative CAV viral DNA sequences obtained. Upon analysis on GenBank and EMBL, the putative CAV sequences of Figs. 1A and 1B have not been found to be significantly similar to the sequences of any known retrovirus. Thus, these sequences suggest that CAV may not be identified as any otherknown human or animal virus" [author's emphasis].

    At this point, the inventors disclose several other tests completed on patient, exposure and non-exposure controls.
    These were primarily specific protein and retroviral tests and probes.
    Additional testing reveals the following results with corresponding comments by the inventors : tRNA primer techniques using sense and antisense methods revealed that 10 out of 10 CFIDS patient DNA samples showed the same sized products using the primer for the monkey D-type retrovirus (MPMV). The inventors suggest that these results, from this test, imply that CAV "is either a type of lentivirus, primate D-type retrovirus or Foamy (Spuma) virus, all of which us a tRNA lysine primer".

    Characterization of cracr proteins of CAV reveals that "animal retroviruses that have been shown to express cracr proteins of these molecular weights are : primate D-type retroviruses; primate C-type; lentiviruses (EIAV but not HIV); mouse B-type (MMTV); avian C-type retroviruses and perhaps Foamy (Spuma) viruses”.

    Location of crap proteins in the nucleus reveals that "more than 50% of patient samples tested (and none of controls) revealed cells staining for crap proteins. Most importantly, the staining is found in both the cytoplasm and nucleus of the positive cells. The only known retroviruses to display nuclear staining for viral proteins are the Foamy virus group".

    The last test was for reverse transcriptase (RT) with the inventors revealing : “CAV appears to prefer a template-primer of polyzA-oligo-(dT) with Mn++. Among the retroviruses that show the same RT characteristics as that of CAV (polyzA-oligo(dT) template-primer and Mn++ preferences) are the Spuma (foamy) virus and the monkey D-type retroviruses".

    Any way you cut this, the only conclusion that can be reached is that this work is very thorough and extensive.
    It has been funded by the NIH !
    And I believe that, much like the work revealed by Grossberg's patent (also funded by the NIH), the NIH certainly has more than a singular idea about what is happening to us as patients, all the while denying the existence of retroviral involvement and not providing details to outside scientists for additional examination and perhaps subsequent replication !
    Any retrovirus that can invade the mitochondria directly indicates trouble !
    Why ?
    Because the mitochondria are the energy powerhouses in the body and a direct infection of them spells major trouble --- alteration of mitochondrial function and dysfunctional energy production !
    This could very well account for the patient's lack of stamina and that 'F-word', fatigue !

    As far as I'm concerned here, there needs to be a criminal investigation of the NIH regarding why they refused to fund upon submission of all this data as well as the involvement of the NIH in Grossberg's work.
    They are supposed to fund based on productivity and Grossberg had none in comparison.
    Maybe then, some heads will roll and we'll begin to get some real answers !
    After all, each and every patient certainly deserves this and so much more !

    Ed. note : Dr. DeFreitas presented much of this work at the Albany Medical Convention in 1991.

    Retroviral sequences related to human T-lymphotropic virus type II in patients with chronic fatigue immune dysfunction syndrome
    E DeFreitas, B Hilliard, P R Cheney, D S Bell, E Kiggundu, D Sankey, Z Wroblewska, M Palladino, J P Woodward, and H Koprowski, Wistar Institute, Philadelphia, PA 19104 - Proc Natl Acad Sci U S A. 1991 April 1; 88(7): 2922–2926

    Chronic fatigue immune dysfunction syndrome (CFIDS) is a recently recognized illness characterized by debilitating fatigue as well as immunological and neurological abnormalities [Straus, S.E. (1988) J. Inf. Dis. 157, 405-412].
    Once thought to be caused by Epstein-Barr virus, it is now thought to have a different but unknown etiology.
    We evaluated 30 adult and pediatric CFIDS patients from six eastern states for the presence of human T-lymphotropic virus (HTLV) types I and II by Western immunoblotting, polymearse chain reaction and in situ hybridization of blood samples.
    The majority of patients were positive for HTLV antibodies by Western blotting and for HTLV-II gag sequences by polymerase chain reaction and in situ hybridization.
    Twenty nonexposure healthy controls were negative in all assays.
    These data support an association between an HTLV-II-like virus and CFIDS.
    Cfr. :
    http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC51352/

    She also submitted a paper of the work to the PNAS three times but was turned down.
    Why ?
    Were the same people at the NIH who refused to fund her threatening the publication in some way ?
    The refusal to fund her along with the CFIDS Assoc. pulling her funding lost us more than a decade of work !

    Cfr. : http://www.ncf-net.org/forum/revelations.html


    29-11-2009 om 12:17 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:aching, CAV, CFIDS-associated virus (CAV), CFIDS, CFS, chronic fatigue syndrome (CFS), chronic fatigue syndrome, cognitive impairment, exhaustion, fever, headaches, immunology, memory impairment, MPMV, Osler's web, retrovirology, retrovirus, yuppie flu
    >> Reageer (0)
    27-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




    Fibromyalgie - Genezing is mogelijk

    GRATIS ! -

    Georges Pierrard benadrukt – gastenboek dd. 24-11-2009 – dat het boek 'Fibromyalgie - Genezing is mogelijk' van Prof. Dr. Brauer gratis te verkrijgen is.

    Betaal er dus nooit voor !



      Bestel
    :

    * telefonisch : 0041 41 720 2186

    * per e-mail :


    Geef duidelijk aan dat je het boek 'Fibromyalgie - Genezing is mogelijk'
    in het nederlands
    wil en vergeet niet steeds je
    naam en volledig adres
    door te geven !


    27-11-2009 om 15:30 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (4 Stemmen)
    Tags:Bauer, Dr. Bauer, Fibromyalgie - Genezing is mogelijk, fibromyalgie, Prof. Bauer, Prof. Dr. Brauer
    >> Reageer (2)
    26-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verdedig je tegen wintervirussen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  






     

    Verdedig je tegen wintervirussen

    Ton Bakker - Dokterdokter.nl, 24-11-2009 – Bronnen : RIVM, Voedingscentrum

    De winter is bij uitstek de tijd waarin virussen en bacteriën hun slag kunnen slaan.
    Welke ziekmakers liggen er op de loer en wat doe je ertegen ?

    Veel mensen worden juist in de winter ziek.
    Dat heeft twee oorzaken: bij veel mensen is de weerstand lager en mensen zitten vaker binnen, waardoor de kans op besmetting groter is.
    Vooral virussen slaan 's winters hun slag.
    Griep en verkoudheid zijn de bekendste winterziekten, maar er zijn ook virussen actief die het voorzien hebben op maag en darmen.

    Buikgriep bestaat niet

    Elke winter krijgt ongeveer 1 op de 10 mensen griep.
    Griep wordt veroorzaakt door een influenza-virus.
    Er zijn veel varianten en er komen elk jaar nieuwe soorten bij.
    Griep is een ziekte die klachten geeft aan het ademhalingsstelsel en de longen.
    Heb je last van diarree, overgeven of buikpijn, dan zeggen mensen meestal dat ze buikgriep hebben.
    'Buikgriep' is een populair woord voor ontsteking van het maag-darmkanaal door een virus, maar eigenlijk is deze term onjuist : het gaat hier om besmettelijke maag- en darmziekten die niet veroorzaakt worden door het influenza-virus (het influenza-virus veroorzaakt een plotseling optredende, sterk besmettelijke infectieziekte, veroorzaakt door het influenzavirus; de belangrijkste kenmerken zijn : koude rillingen, buikpijn, braken, hoesten, hoofdpijn, slapeloosheid, koorts, spierpijn, lichtschuwheid en pijn achter de ogen).
    Een griepprik geeft dan ook geen bescherming tegen deze “buikgriep” (2).

    Actieve virussen

    Een aantal virussen is verantwoordelijk voor klachten als diarree (4), misselijkheid en braken (5), buikkramp, koorts (bij ziekte kan de lichaamstemperatuur stijgen; vaak is dit het gevolg van een infectie; zo'n temperatuursstijging noemen we koorts (of verhoging); koorts is een nuttige afweerreactie van het lichaam, omdat de afweer beter gaat werken bij een verhoging van de temperatuur, bovendien handhaven ziekteverwekkers zich slecht bij hoge temperaturen) of hoofdpijn; loorts is een nuttige afweerreactie van het lichaam, omdat de afweer beter gaat werken bij een verhoging van de temperatuur; bovendien handhaven ziekteverwekkers zich slecht bij hoge temperaturen) of hoofdpijn.
    Besmetting gebeurt via virusdeeltjes in ontlasting en braaksel.
    Die komen vervolgens in de mond terecht, meestal via de hand.
    Dat gebeurt bijvoorbeeld als je iemand een hand geeft die zijn handen niet heeft gewassen (6) na een bezoek aan de wc.
    Het kan ook gebeuren dat een besmet persoon voedsel klaarmaakt, waarna het virus in het eten terechtkomt.
    Al een paar dagen voordat je ziek wordt, kan zo’n virus al in de ontlasting zitten.

    De grootste boosdoener

    Er zijn vele virussen actief, maar sommige komen vaker voor dan anderen.
    Norovirussen bijvoorbeeld maken jaarlijks een half miljoen mensen ziek.
    Vooral plekken waar veel mensen bij elkaar zijn, zoals scholen en verpleeg- en verzorgingshuizen (7) hebben er 's winters vaak mee te kampen.
    Norovirussen zijn zeer besmettelijk en veroorzaken een ontsteking van het slijmvlies van het maagdarmkanaal.
    Dat leidt tot klachten als braken en diarree.
    Het braken is vaak heftig en kan heel plotseling beginnen.
    Heb je het opgelopen, zorg dan dat je voldoende vocht, suikers en zouten binnenkrijgt.
    Behandelen kan niet, gelukkig ben je meestal na een dag of 4 weer opgeknapt.
    Een ander veel vookomend virus is het adenovirus (de belangrijkste veroorzaker van verkoudheden).
    Die zorgt meestal voor 3 tot 5 dagen hoesten, koorts en keelpijn, maar diarree kan ook voorkomen.

    Kinderen zijn kwetsbaar

    Sommige virussen hebben het vooral gemunt op kinderen.
    Per jaar krijgen zo’n 60.000 kinderen van 5 jaar of jonger te maken met het rotavirus (8).
    Ze krijgen ernstige diarree en moeten veel overgeven.
    Bijna ieder kind maakt wel een keer zo’n infectie door.
    Na een paar dagen is het voorbij, maar de diarree kan soms wel een dag of tien aanhouden.
    Er bestaat een vaccin, RotaRix (9), dat uitsluitend op doktersvoorschrift verkrijgbaar is.
    Het vaccin wordt niet vergoed en zit niet in het Rijksvaccinatieprogramma.
    Bij sommige verzekeraars (10) zit het in hun aanvullend pakket.

    Moeite met ademhaling
    Ook het RS-virus (11) komt veel voor bij kinderen.
    Je kind krijgt het al als het uitgehoeste lucht inademt van een besmet iemand (121).
    Een volwassene die besmet is, weet dat vaak zelf niet omdat alleen jonge kinderen er ziek van worden.
    Zieke kinderen hebben een verstopte neus en slijm in de longen, waardoor het kind piepend kan ademhalen.
    Ook koorts (13) kan optreden.

    germ cartoons, germ cartoon, germ picture, germ pictures, germ image, germ images, germ illustration, germ illustrations

    Voorzorgsmaatregelen

    Om de kans op een besmetting met een virus zo klein mogelijk te maken, kun je de volgende dingen doen :

    • goed handen wassen na toiletgebruik, voor voedselbereiding en voor het eten.

    • maak dagelijks de wc schoon en vergeet niet de deurklink, de kraan en de spoelknop van het toilet.

    • laat zieke huisgenoten zo mogelijk een aparte wc gebruiken.

    • laat de zieke tot drie dagen na het einde van de klachten geen voedsel bereiden.

    • verwissel dagelijks hand-, thee- en vaatdoeken, laat zieke huisgenoten een eigen handdoek gebruiken of papieren wegwerpdoekjes.

    • was met braaksel of ontlasting bevuilde kleding of beddengoed op een zo hoog mogelijke temperatuur.

    Weerstand

    En om je weerstand op peil te houden, is het belangrijk om niet te roken, matig te drinken, goed te slapen (13) en extra goed op je voeding te letten, bijvoorbeeld met behulp van het anti-verkoudheiddieet (14).

    Referenties

    Cfr. : http://www.dokterdokter.nl/vrouw/eten-drinken/article/5676/verdedig-je-tegen-wintervirussen


    26-11-2009 om 21:41 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:adenovirus, bacteriën, beddengoed, besmetting, braken, buikgriep, diarree, drinken, griep, handen wassen, hoesten, keelpijn, koorts, longen, norovirussen, ontlasting, slapen, slijmvlies, vaccin, verkoudheid, virussen, voeding, weerstand, winterziekten
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.7 geheimen die vrouwen verzwijgen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
















































     
     

    Een vrouw kan zonder twijfel een geheim bewaren         
    als er maar niet bijverteld werd dat het een geheim is.         

    Er is één geheim dat bij elke vrouw veilig is : haar leeftijd.           


    7 geheimen die vrouwen verzwijgen

    Vrouwen hebben moeite met het bewaren van geheimen
    Toch vertellen ze bepaalde informatie liever niet aan hun man of vriend

    Rachel van de Pol – Dokter.dokter.nl, 26-11-2009
    Bronnen : Telegraph, Hartenziel, WebMD

    Uit recent onderzoek (1) blijkt dat vrouwen echt geen geheimen kunnen bewaren.
    De gemiddelde vrouw deelt binnen 47 uur en een kwartier het geheim met minimaal één persoon.
    Ongeacht hoe persoonlijk of vertrouwelijk de informatie is.
    Maar bepaalde informatie deelt een vrouw liever niet met haar man, ook niet na 48 uur.
    Het openbaren van die geheimen acht zij te riskant voor haar relatie.

    Psychologen zeggen dat de meeste geheimen en leugentjes om bestwil normaal en menselijk zijn.
    In sommige opzichten zijn ze sociaal zelfs noodzakelijk om goed met elkaar te kunnen omgaan.
    Toch vragen veel vrouwen zich wel eens af : “Is het nou echt zo erg als ik hem vertel dat mijn beste vriendin al zijn bedtrukjes weet ?”.



    7 geheimen die vrouwen verzwijgen  


    Geheim 1 - Alles wat vrouwen kopen, kost 20% meer dan ze zeggen

    In cabaretvoorstellingen en tv-shows worden regelmatig grappen gemaakt over de dure smaak en permanente koopdrift van vrouwen.
    Gelukkig heeft mijn vrouw dat niet, denkt de gemiddelde man opgelucht.
    Helaas, ook jouw vrouw verzwijgt regelmatig de ware prijs van haar nieuwste outfit of kappersshampoo.
    Ze verdraait liever de waarheid, dan een discussie aan te gaan of haar aankopen nu wel echt nodig waren.
    Of het erg is ?
    Ach, gun haar af en toe die dure shampoo.

    Geheim 2 - Haar exen waren niet slecht in bed

    Als ze liefkozend in je oor fluistert “Niemand doet dit zoals jij”, dan neemt ze het waarschijnlijk niet zo nauw met de waarheid.
    Ze is wel zo slim om achterwege te laten dat haar ex een geweldige minnaar was die haar tot grote hoogtes bracht (2).
    Geen man wil dit horen.
    Maar maak je geen zorgen over eventuele minnaars uit haar verleden.
    Ze ligt niet voor niets nu met jóu in bed.

    Geheim 3 - Zij vindt het net zo eng om zich te binden als jij

    Het idee bestaat dat vrouwen de wederzijdse liefde met hun partners graag geregeld, bezegeld en gegarandeerd zien in het vastleggen van eeuwige trouw (3).
    Maar zij is net zo bang om haar onafhankelijkheid op te geven als jij.
    En hoeveel ze ook van je houdt, het idee dat ze nooit meer die eerste prille vlinders in haar buik zal voelen, benauwt haar.
    De meeste vrouwen zijn verslaafd aan dat heerlijke gevoel van verliefdheid (4).
    Waarom denk je dat ze 9 van de 10 keer een romantische komedie wil zien ?

    Geheim 4 - Zelfs de stoerste vrouw wil zich af en toe een klein meisje voelen

    Een man moet tegenwoordig gevoelig, modern en verzorgd zijn.
    En een vrouw moet haar eigen boontjes kunnen doppen.
    Maar in elke onafhankelijke vrouw schuilt een klein meisje die zich veilig wil voelen in jouw sterke armen.
    Ze vindt het fijn als jij zo nu en dan initiatief neemt in bed (5), haar zware koffer tilt of een grote spin uit de badkamer verwijderd.
    Hierdoor voelt ze zich vrouwelijk en veilig.

    Geheim 5 - Zij vertelt haar vriendinnen meer dan ze toegeeft

    Tuurlijk vertel ik dat niet schat, dat is toch iets tussen ons”.
    Helaas, waarschijnlijk weet haar beste vriendin details over jullie seksleven waar het schaamrood van op je kaken gaat staan.
    En die laatste ruzie (6) ?
    Ook die is al uitgebreid geanalyseerd en besproken met vriendinnen onder het genot van een alcoholische versnapering.
    Mannen en vrouwengesprekken verschillen nu eenmaal wezenlijk.
    Details waar mannen nooit naar zouden vragen, vliegen bij vrouwen schaamteloos over de tafel.

    Geheim 6 - Ze ziet en waardeert echt wel wat jij in het huis doet

    Waarom zegt ze bijna nooit wat complimenteus over de huishoudelijke klusjes die jij doet (7) ?
    Omdat ze baalt van alle klusjes die jij niet doet.
    Voor haar is er maar één manier om het huis schoon te houden... en dat is háár manier.
    En dat betekent meestal grondig schoonmaken.
    Dus niet de vloer stofzuigen, maar vervolgens vergeten om de tafel en tv met een doekje af te nemen.
    Ze ziet en waardeert jouw huishoudelijke inspanningen echt wel, maar dat compliment komt er pas als jij een stofdoekje in de hand gaat nemen.

    Geheim 7 - Ze denkt veel aan seks met jou... en met anderen

    Ze denkt bijna net zoveel aan seks als jij (8).
    Gemiddeld dagdromen vrouwen ongeveer 3 uur per dag over seks.
    En niet alleen jij komt voor in die dagdromen.
    In haar fantasieën moet je concurreren met collega’s, filmsterren en vrienden.
    Hier is niets ernstigs aan, fantaseren over seks is gezond en goed voor het libido (9).
    Dit komt weer ten goede als ze bij jou in bed ligt.

    Referenties

    Cfr. : http://www.dokterdokter.nl/man/seks-relatie/article/27306/7-geheimen-die-vrouwen-verzwijgen

    26-11-2009 om 17:44 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (2 Stemmen)
    Tags:dagdromen, trouw, fantasieën, geheimen, klusjes, koopdrift, leugentjes om bestwil, libido, orgasme, partner, relatieproblemen, ruzie, schoonmaken, seks, slecht in bed, stofdoekje, stofzuigen, verliefdheid, vertrouwelijk, verzwijgen, vreemdgaan, vrouwen
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Eén op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
    Klik op de afbeelding om de link te volgen















     



    Volgens recente studies
    zal één op de twee Belgen ooit last krijgen van reuma

    Paul Bols : pbols@hartziekte.be

    Reuma is de verzamelnaam voor meer dan tweehonderd aandoeningen aan het bewegingsstelsel (gewrichten, spieren, pezen) die geen gevolg zijn van een ongeval of een blessure.
    Artrose, artritis, jicht en tendinitis zijn enkele bekende voorbeelden.

    Volgens recente studies zal één op de twee Belgen ooit last krijgen van reuma.
    Eén op de tien krijgt zelfs te maken met een chronische vorm van reuma, die meer dan zes maanden duurt.

    Soorten

    De chronische, reumatische aandoeningen worden onderverdeeld in drie categorieën :

    • ontstekingsreuma
      Bij ontstekingsreuma ontspoort het afweersysteem en richt het zich tegen het eigen lichaam.
      Voorbeelden hiervan zijn : reumatoïde artritis (gewrichtsontsteking), de ziekte van Bechterew, jeugdreuma, jicht en systeemziekten als SLE en het syndroom van Sjögren.

    • slijtagereuma
      Slijtagereuma kenmerkt zich door de beschadiging van het kraakbeen, wat vooral voorkomt aan de voeten, handen, knieën en het bekken.
      Tot deze groep behoren diverse vormen van artrose.

    • weke-delenreuma
      Weke-delenreuma tast spieren, pezen, slijmbeurzen en kapsels aan.
      Dit is het geval bij onder meer bursitis, tendinitis en fibromyalgie.

    Oorzaken

    Hoewel reuma vooral ouderen treft, kan de aandoening op iedere leeftijd beginnen.
    De kwaal ontstaat door een samenspel van factoren. :

    • erfelijkheid
      Erfelijkheid speelt vaak een rol, maar is dit nooit de enige oorzaak.

    • koude en vochtigheid
      Ook kou en vochtigheid kunnen pijn en stramheid veroorzaken maar - in tegenstelling tot wat soms wordt beweerd – ze verergeren de aandoening niet.

    • diverse andere factoren
      Of men al dan niet reuma krijgt hangt ook af van andere factoren, zoals een verstoorde weerstand na een virale of bacteriële infectie.
      Zo kan acute reuma ontstaan na een streptokokkeninfectie in de keel of als gevolg van de ziekte van Lyme (veroorzaakt door een beet van een teek).

    Symptomen

    Een reumatische aandoening verloopt vaak grillig en vertoont uiteenlopende symptomen :

    • pijn
      Pijn is de meest gehoorde klacht.
      Bij slijtagereuma treedt over het algemeen mechanische pijn op die toeneemt bij belasting en vermindert bij rust.
      Ontstekingspijn laat zich echter juist voelen tijdens rustperiodes en neemt af wanneer men beweegt.

    • gewrichtsstramheid
      Een tweede, typische klacht is gewrichtsstramheid, die geen gevolg is van overbelasting.
      Kenmerkend zijn de ochtendstramheid bij gewrichtsontsteking en de startstramheid bij slijtagereuma.

    • vervormingen
      Als reuma lange tijd aanhoudt, kunnen de gewrichten worden beschadigd en kunnen vooral aan vingers en tenen vervormingen optreden.

    • andere mogelijke klachten
      Andere mogelijke klachten zijn : een beperkte bewegingsmogelijkheid, één of meerdere ontstoken en gezwollen gewrichten, koorts en ontstekingen (van de huid, van het oog of van andere weefsels en organen).

    Diagnose

    Er bestaan meer dan tweehonderd reumatische aandoeningen.
    Sommige ervan (bv. artritis) kunnen op korte tijd een onherstelbare ravage aanrichten, zodat een snelle en juiste diagnose van cruciaal belang is.
    Door het grillige verloop van de klachten is die echter niet altijd even eenvoudig te stellen.
    De kans bestaat zelfs dat de aandoening aanvankelijk niet met reuma wordt geassocieerd.

    Behandeling

    Sommige reumatische aandoeningen zijn te genezen of gaan vanzelf over.
    Andere kennen echter een blijvend en slepend verloop.
    Dankzij de vooruitgang van de medische wetenschap kunnen deze chronische aandoeningen echter vaak behoorlijk onder controle worden gehouden.
    De zelfzorg speelt hierbij een belangrijke rol (cfr. hieronder) !

    • geneesmiddelen, oefeningen
      Bij heel wat reumatische aandoeningen kunnen geneesmiddelen, oefeningen (fysiotherapie) en rust de symptomen bestrijden en de kwaal onder controle houden.

    • testen, evalueren...
      Omdat de concrete behandeling van diverse factoren afhangt (bv. het soort reuma, de graad van ontsteking, de reactie van het lichaam) kan het even duren voordat ze aanslaat.
      Soms moeten eerst diverse therapieën worden uitgetest en geëvalueerd.

    • aanvullende en alternatieve geneeswijzen
      Sommige mensen voelen zich bovendien goed met bepaalde aanvullende en alternatieve geneeswijzen.

    • chirurgische ingreep
      Bij zware afwijkingen aan de gewrichten kan een chirurgische ingreep nodig zijn (bv. om zwaar beschadigde gewrichten te vervangen).

    Zelfzorg

    Reumapatiënten kunnen over het algemeen immers zélf heelwat doen om de klachten binnen de perken te houden.

    Ook al leidt reuma meestal niet tot invaliditeit, toch moeten heel wat patiënten zich instellen op een ander leven.
    Plannen en verwachtingen moeten worden bijgesteld, wat niet gemakkelijk te aanvaarden is.
    Veel patiënten kampen dan ook met perioden van somberheid.

    Ook de personen uit hun directe omgeving hebben het vaak moeilijk met de ingrijpende veranderingen.

    Zowel voor de patiënten als voor hun gezinsleden bestaat de kunst er dan ook uit om voldoende psychische veerkracht te behouden, zodat reuma hun leven niet gaat domineren.

    Lichaamsbeweging

    De meeste reumalijders doen er goed aan om voldoende te bewegen om stramheid te voorkomen en om de spieren en gewrichten in conditie te houden :

    • fietsen, wandelen en zwemmen
      Fietsen, wandelen en zwemmen zijn ideale activiteiten, althans wanneer overmatige inspanningen worden gemeden.

    • fysiotherapie
      Ook gerichte oefeningen in een oefengroep of onder begeleiding van een fysiotherapeut kunnen nuttig zijn.

    • rust
      Hoewel beweging aan te bevelen is om een verergering van de klachten tegen te gaan, dient men tussendoor wel de nodige rustperiodes in te lassen.

    • hulmiddelen
      Om de gewrichten (zeker als die ontstoken zijn) niet te zwaar te belasten kan het gebruik van hulpmiddelen aan te raden zijn.

    Gezonde voeding

    Ook gezonde voeding (veel groenten, fruit en calcium) is van kapitaal belang voor reumalijders.
    Extra kilo’s dienen vermeden omdat deze de gewrichten teveel belasten.

    Andere tips

    • Vermijd slecht schoeisel
      Slecht schoeisel is een marteling voor de gewrichten van de onderste ledematen.

    • Kies geen te warme kleding
      Sommige vormen van reuma veroorzaken namelijk transpiratie.

    • Wissel regelmatig van houding
      Te lang in dezelfde houding staan of zitten kan pijn en stijfheid teweegbrengen.

    Cfr. : http://www.hartziekte.be/Reuma.html


    26-11-2009 om 15:06 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (3 Stemmen)
    Tags:artritis, artrose, bursitis, fibromyalgie, fysiotherapie, gewicht, infectie, invaliditeit, jeugdreuma, jicht, ontstekingsreuma, pijn, reuma, reumatoïde artritis, rust, slijtagereuma, somberheid, spieren, tendinitis, vervormingen, weke-delenreuma, zelfzor
    >> Reageer (2)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



















     

    Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie,
    juiste, begrijpelijke informatie
    in een voor iedereen verstaanbare taal !


    Invaliditeit.be

    Paul Bols : pbols@hartziekte.be

    'Ziek zijn verandert je leven', wordt wel eens gezegd.
    Niet alleen is er de onzekerheid en de angst die ziek worden met zich meebrengt en de moeilijke zoektocht naar een nieuw evenwicht, maar er zijn ook de vele praktische en administratieve beslommeringen.

    Wat moet je doen om in regel te blijven met het ziekenfonds ?
    Welk inkomen zal je ontvangen ?
    Bij wie kan je terecht met je vragen en problemen ?
    Welk is de rol van de adviserend geneesheer ?
    Wat mag je nog doen en wat moet je zeker laten ?

    Het is duidelijk dat wie langdurig ziek wordt nood heeft aan informatie, juiste informatie !
    Maar ook begrijpelijke informatie, want - laten we maar eerlijk zijn - de taal van de administratie is niet meteen de meest eenvoudige en begrijpelijke...

    Deze brochure bevat informatie over de sociale wetgeving voor langdurig zieken en mensen die op invaliditeit werden gesteld.
    Wij staan ook stil bij de rechten en plichten van invaliden, bij de rol van de adviserend geneesheer en van het Centrum Algemeen Welzijnswerk.

    Het tweede deel bevat informatie over een aantal extra voordelen waarvan invaliden kunnen genieten en over een aantal diensten waarop ze een beroep kunnen doen.

    En, dit in een voor iedereen verstaanbare taal...

    Vooraf nog even dit...

    Over deze ganse problematiek bestaat een zeer uitgebreide wetgeving.
    Het spreekt voor zich dat wij deze in dit dossier niet volledig kunnen weergeven.
    Het zou de duidelijkheid zeker niet ten goede komen.

    Verder is het onmogelijk informatie te geven die voor iedereen en in alle gevallen toepasbaar is.
    Ieder geval is immers anders en moet dan ook in zijn eigenheid bekeken worden.
    Zo bijvoorbeeld maakt het al een heel verschil uit of men werknemer of zelfstandige is, alleenstaande of samenwonende of men gezinslast heeft of niet, wat je inkomen was toen je nog werkte enz.
    Zo zijn er ook een aantal verschillen tussen de ziekenfondsen onderling (onder meer wat een aantal voordelen betreft).

    Daarom geven wij de algemene regelgeving.
    We trachten wel altijd zo volledig mogelijk te zijn.
    Wil je zeer concrete informatie i.v.m. je persoonlijke situatie, dan verwijzen we je naar de dienst maatschappelijk werk van je ziekenfonds.

    Hoewel we duidelijk kiezen voor een eenvoudige en begrijpelijke taal, kunnen we soms tóch wettelijke terminologie niet helemaal uitsluiten.
    We willen immers misverstanden voorkomen en je ook een beetje meer vertrouwd maken met de
    termen en begrippen waarmee je in je contacten met de administratie onvermijdelijk te maken zult krijgen.



    Doelstelling van onze organisatie

    Één van de prioritaire doestellingen van onze organisatie is het verschaffen van werk aan mensen uit kansengroepen.
    Het blijft immers een feit dat vnl. personen met een handicap moeilijker hun weg vinden.
    We geven je een extra duwtje in de rug, want een gepaste job zoeken op de open arbeidsmarkt is niet zo vanzelfsprekend zeker als je te maken krijgt met een aantal vooroordelen ('diversiteitsdenken') die nog steeds bestaan : “Door mijn persoonlijke ervaring als hartpatiënt, weet ik dat het niet evident is om een werkgever te vinden die hier dagelijks rekening mee wil houden”.

    Om mensen uit kansengroepen meer te betrekken bij het ganse arbeidsgebeuren voert het ministerie van Werk en Sociale Economie nu een EAD-Beleid ('EAD' staat voor 'Evenredige Arbeidsdeelname en Diversiteitbeleid' – cfr. : http://www.werk.be/?SMSESSION=NO -).
    Men heeft hiervoor een 250-tal consulenten ingezet.
    Het gaat om 'diversiteitconsulenten' van de verschillende vakbonden, jobconsulenten van Jobkanaal (cfr. :
    https://www.jobkanaal.be/ -), projectontwikkelaars van de Regionaal Sociaaleconomische OverlegComité's en consulenten van de verschillende sectoren die bij het minsiterie een project hebben ingediend.

    Om deze consulenten extra te ondersteunen werd het Steunpunt Handicap en Arbeid opgericht.
    Met deze laatste organisatie werken we nauwgezet om de verwezenlijking van onze doelstellingen maximale kansen te bieden.

    Op de korte termijn is de promotie van ons project naar de bedrijfswereld één van onze belangrijkste targets.
    Concreet willen wij de bedrijven ervan overtuigen dat personen met een handicap volwaardige en in deze tijd van economische crisis ook voordelige werknemers kunnen zijn.
    In de meeste gevallen zijn deze mensen immers dúbbel gemotiveerd waardoor ze steeds het beste van zichzelf zullen geven !
    Ze hebben bovendien meestal een groot empatisch vermogen, m.a.w. ze kunnen zich perfect inleven in de leefwereld van anderen.
    Het zijn heel vaak ook mensen die de periode van hun arbeidsongeschiktheid of werkloosheid benut hebben om allerhande opleidingen te volgen (bv. werken mer de PC).

    Redenen genoeg om ons project zeer sterk te promoten en aan de bedrijven te tonen dat mits goede ondersteuning het perfect mogelijk is mensen uit kansengroepen met succes te werk te stellen.

    Cfr. : http://www.invaliditeit.be/


    26-11-2009 om 13:52 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    Tags:adviserend geneesheer, arbeidsmarkt, empatie, invaliditeit, jobconsulenten, kansengroepen, langdurig ziek, sociale wetgeving, vakbonden, wetgeving, ziek, ziekenfonds
    >> Reageer (1)
    25-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen











     

    Snel
    weer aan het werk

    Bedrijfsartsen
    op bres
    voor arbeidsongeschikten


    Inhoud
    :

    1. Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    2. Van denken naar doen” - De bedrijfsarts als behandelaar

    3. De Bedrijfsarts – Dokter en adviseur

    4. De tevredenheid van de arbeidsongeschikte werknemer over de bedrijfsarts

    5. Beoordelen, behandelen, begeleiden - Medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid

    6. Beroepscode voor bedrijfsartsen

    7. Klinische blik verzekeringsartsen onbetrouwbaar - Aanvullend beroepschrift Mr. E van den Bogaard - November 2007

    8. Het Chronische Vermoeidheidssyndroom en de arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling (scriptie)

    9. Werk, uitval en reïntegratie bij patiënten met ME/CVS





    I. - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Algemeen Dagblad, 14 februari 2008


    Vakbonden moeten zich meer inzetten voor mensen die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt zijn verklaard.
    Dat stelt voorzitter Pieter Rodenburg van de Nederlandse organisatie van bedrijfsartsen NVAB in een artikel in Medisch Contact dat donderdag is verschenen.

    Volgens hem vallen 'substantiële aantallen' arbeidsongeschikten tussen wal en schip door de nieuwe wet WIA, de opvolger van de WAO.
    Volgens Rodenburg kan het sinds de invoering van de WIA voorkomen dat mensen die minder dan 35 procent arbeidsongeschikt worden verklaard, wel vrij eenvoudig ontslagen kunnen worden door hun baas, maar vervolgens geen WIA-uitkering krijgen.
    Het leidt volgens de bedrijfsartsen tot schrijnende situaties.


    Cfr. : http://www.ad.nl/diagnose/article2053023.ece




    II. - “Van denken naar doen” - De bedrijfsarts als behandelaar

    Verslag bedrijfsgeneeskundige dagen 29 & 30 mei 2008
    Papendal, Arnhem

    Annet Lenderink


    Als NVAB-voorzitter Pieter Rodenburg de BG-dagen 2008 even na tienen opent, is de aanzienlijk vergrote vergaderzaal in Papendal nog niet helemaal vol.
    Files verhinderen dat het record aantal deelnemers het sportcentrum op tijd bereikt, maar dat wordt in de loop van de ochtend beter.
    Rodenburg schetst in grote lijnen de visie van de NVAB op de moderne bedrijfsarts, die zich richt op het coachen van het bedrijf en zijn werknemers.
    Een zieke werknemer heeft recht op een deskundig medisch oordeel bij verzuim, voordat andere deskundigen zich met hem bezig gaan houden.
    Dat betekent ook dat bedrijfsartsen alles moeten doen om topprofessionals te blijven, waarbij ze elkaar een spiegel voorhouden via intervisie en, bij voorkeur verplichte, visitatie.
    Daarnaast is preventie van belang, mits de voorgestelde interventies, liefst bewezen, zinvol zijn.
    Daarvoor is onderzoek nodig en daarom kiest de NVAB voor academiesering en voor samenwerking met anderen, zoals de NHG bij het ontwikkelen van bijvoorbeeld een evidence-based preventiecheck.
    Rodenburg sluit af met de opdracht : “Let’s make ourselves better... opdat werkenden er beter van worden.


    Protocollen als hefboom voor kwaliteit

    Na een inleiding over de totstandkoming van de verzekeringsgeneeskundige protocollen gaat dr. Wout de Boer, directeur van de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde, in op het nut ervan voor de bedrijfsarts.
    Nut dat onder meer ligt in een geordend aanbod van relevante kennis en het bieden van aanknopingspunten voor begeleiding om stagnatie van het herstel te voorkomen.
    Van belang is ook dat de protocollen inzicht bieden in de systematiek die verzekeringsartsen hanteren bij de toetsing.
    Daarmee kunnen VG-protocollen een basis vormen voor intensievere samenwerking tussen bedrijfsartsen en verzekeringsartsen.
    Want door samen bijvoorbeeld ‘mediprudentie’ op te bouwen over het re-integratieverslag, kan de kwaliteit van werken in beide beroepsgroepen verbeterd worden.
    De Boer benadrukt dat VG-protocollen zich onderscheiden van andere richtlijnen en leidraden omdat het ministeriële regelingen zijn.
    Ze vertegenwoordigen de professionele standaard voor verzekeringsartsen en zijn gegrond in een ideologie van activering en participatie.
    Uitgangspunt daarbij is de eigen verantwoordelijkheid; niet alleen van werkgever en werknemer, maar ook van de bedrijfsarts.


    Ingehaald door de realiteit ?

    Het verbeteren van de samenwerking tussen huisartsen en bedrijfsartsen in arbocuratieve zorg is een lang gekoesterde wens om de eerstelijnszorg te verbeteren.
    Dr. Pieter van den Hombergh, senior beleidsmedewerker van de Landelijke Huisartsen Vereniging vraagt zich echter hardop af of tien jaar werken aan arbocuratieve samenwerking (ACS) wel succesvol genoemd mag worden.

    Hoewel huisartsen en bedrijfsartsen in richtlijnen naar elkaar toe groeien, beiden veel aandacht hebben voor preventie en de begeleiding van chronisch zieken en in principe elkaar versterkende competenties bezitten, is de opvatting op samenwerking er vaak een van : “Nou ja, alleen als het hoog nodig is”.
    De realiteit is dat huisarts en bedrijfsarts gemiddeld 3 patiënten gemeenschappelijk hebben, dat huisartsen niet echt georiënteerd zijn op arbeid, dat de opleiding tot bedrijfsarts weinig aantrekkelijk wordt gevonden en dat bedrijfsartsen niet substantieel verwijzen.
    Hij concludeert dan ook dat de arbocuratieve samenwerking in een impasse verkeert door tijdgebrek, onachtzaamheid en door een veranderde oriëntatie.
    Zo willen huisartsen concurrerend zijn op het basisaanbod van zorg, inclusief de arbocuratieve zorg, lokaal georganiseerd en dicht bij huis.
    Zij zijn niet gecharmeerd van nieuwe ambities van bedrijfsartsen richting niet-werkenden.
    Voor een mogelijke uitweg uit de impasse is een aantal scenario’s denkbaar, uiteenlopend van het in dienst nemen van bedrijfsartsen en huisartsen bij op Amerikaanse leest geschoeide HMO’s (Health Maintenance Organizations) tot samen zorg contracteren bij verzekeraars.
    De met veel enthousiasme gestarte pilotprojecten van bedrijfsartsen in de eerste lijn leveren geen eenduidig beeld : naast het voordeel van korte communicatielijnen, blijkt het ook verwarrend voor de zieke werknemer om zowel contact te hebben met een bedrijfsarts in de huisartsenpraktijk als bij het eigen bedrijf.
    Typerend is ook dat Van den Hombergh twijfelt aan het nut van kennis van het bedrijf bij de advisering over gezondheid en werk.
    De zaal is het daar begrijpelijkerwijs niet mee eens.

    Een nieuw onderdeel van de BG-dagen zijn de posterpresentaties in en rond de pauzes.
    Ingeleid door prof.dr. Jacques van der Klink, hoogleraar sociale geneeskunde, in het bijzonder arbeid en gezondheid van het UMCG Groningen, mogen vijf onderzoeksters in een minuut iets vertellen over hun project.
    Vandaag zijn dat Nathalie Donkers (determinanten van ziekteverzuim), Wendy Koolhaas (arbeidsparticipatie van oudere werknemers met een chronische aandoening), Femke Abma (functioneren in arbeid in relatie met gezondheid), Iris Arends (optimaliseren van het functioneren op het werk) en Ceciel Boots (COPD en astma bij oudere werknemers).


    Na de koffie is het tijd voor de eerste ronde van maar liefst 15 parallelsessies.
    Het aanbod van onderwerpen is gevarieerd.
    Deelnemers konden onder meer kiezen voor vroegtijdig interveniëren bij verzuim door psychische problemen, acute geneeskunde, stoppen met roken, arbeid in multidisciplinaire richtlijnen, beoordeling van inzetbaarheid bij slechthorenden, huiselijke geweld en verzuim of een workshop visitatie en kwaliteit.


    Voorkomend behandelen

    Bedrijfsarts Gerard Frijstein, werkzaam in het AMC in Amsterdam, spreekt, in zijn parallelsessie, gedreven over de bedrijfsarts als (mede) behandelaar waar het gaat om preventief vaccineren in de gezondheidszorg.
    Het is een verhaal over de gevaren van infectieziekten in de gezondheidszorg, vol lastige dilemma’s rondom risicolopers en risicovormers, privacy en juridische consequenties van (willen) weten of niet (willen) weten.
    Infectiepreventie is een terrein vol voetangels en klemmen en de, ook door de zaal aangedragen, voorbeelden maken duidelijk dat de bedrijfsarts in de zorg er niet is met een vaccinatieprogramma bij aanstelling en een beleid rond prikaccidenten.
    HIV, Hepatitis B en C, Kinkhoest en de vaccinatiestatus jaren na de gebruikelijke inentingen in het rijksvaccinatieprogramma (RVP) passeren de revue.
    Frijstein vindt dat er bij aanstelling moet worden gescreend op TBC en MRSA, dat gevaccineerd moet worden tegen hepatitis B, eventueel dragerschap moet worden vastgesteld en dat advies moet worden gegeven over de aandoeningen van het RVP.
    Bij prikaccidenten moet zo snel mogelijk actie worden ondernomen volgens de landelijke richtlijn.
    Bezoekers van de workshop discussiëren volop mee over de dilemma’s van verplichte vaccinatie - die volgens de grondwet niet bestaat, maar door de werkgever kan worden opgelegd voor bepaalde risicosituaties.
    Eenzelfde dilemma geldt voor de verplichte melding van dragerschap van hepatitis B die de commissie preventie iatrogene hepatitis B in staat stelt een advies te geven over het al dan niet mogen uitvoeren van risicohandelingen.
    Rationeel gezien is werken met HIV of hepatitis B dragerschap verdedigbaar, maar wie weet dat de tandarts seropositief is, zit toch niet helemaal gerust in zijn stoel.
    Indien mogelijk is voorkomen altijd beter, door preventief vaccineren of door gebruik te maken van veilige naaldsystemen : een proef daarmee verminderde het aantal prikaccidenten in het AMC met 66% verminderen.
    Het AMC voert het gebruik daarom op korte termijn ziekenhuisbreed in.


    Regie bij de werkende

    Na de lunch is plenair het woord aan Kerst Zwart, directeur BPVW en sprekend namens de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie over het perspectief van de patiënt bij het (be)handelen van de bedrijfsarts.
    Hij begint zijn verhaal met de opmerking dat 80 procent goed gaat, maar dat er nog een wereld te winnen is.
    De sleutel ligt in de empowerment van de werkende patiënt.
    Hoewel de zieke werkende duurzaam terug wil naar werk, is hij vaak onzeker over zijn positie.
    Niet zelden is er sprake van een ongemakkelijke verhouding tot de werkgever en voelt hij zich niet serieus genomen door de bedrijfsarts.
    Om te komen tot een situatie waarin de werkende weer de regie in eigen hand kan nemen, moet zelfmanagement bevorderd worden.
    De bedrijfsarts kan daarbij helpen door zich meer te richten op proces en communicatie en werkgever en werknemer samen de problemen te laten oplossen.
    Belangrijk is dat de werknemer zich serieus genomen en veilig voelt en invloed kan uitoefenen op wat er met hem gebeurt.
    Daarbij verdienen bepaalde groepen meer aandacht dan ze nu krijgen (ouderen, jongeren, zelfstandigen zonder personeel, zwangeren etc.).
    Samen met de NVAB werk het BPVW aan het project “Sterk naar Werk - Ziek en mondig in de eerste lijn” - cfr. : http://www.weldergroep.nl/corporate/projecten/sterk-naar-werk-ziek-en-mondig-in-de-eerste-lijn -.
    In 15 centra zal worden geprobeerd door empowering de arbeidsparticipatie te vergroten.


    Juridische petten

    “Deskundig, professioneel autonoom, onafhankelijk en onpartijdig”, zo vat Mr. Mieke de Die, advocaat gezondheidsrecht bij Pels Rijcken & Droogleever-Fortuijn de eisen samen aan de bedrijfsarts in zijn rol als adviseur, medisch beoordelaar, vertrouwenspersoon, behandelaar en teamplayer.
    Ze verbaast zich over al die petten en gaat in op een aantal juridische aspecten aan de hand van het tuchtrecht.
    Zo blijkt uit een recente uitspraak dat van een bedrijfsarts wordt verwacht dat hij onafhankelijk en actief is.
    Hij moet samenwerken met andere partijen, contact houden en vooral zelf ook actief informatie vergaren.
    Bij arbeidsconflicten moet de bedrijfsarts onafhankelijk en terughoudend zijn.
    Zeker als geen sprake is van een medisch probleem moet hij demedicaliseren en elke schijn van belangenverstrengeling vermijden.
    Het geven van arbeidsrechtelijke adviezen is uit den boze.
    Tijdens re-integratie is het belangrijk zorgvuldig om te gaan met het al dan niet verstrekken van informatie aan andere partijen.
    Rechters blijken verder, getuige recente uitspraken, niet gecharmeerd van plotse koerswijzigingen in de advisering en ook niet van ongemotiveerd afwijken van het advies van collega-bedrijfsartsen.
    In de verzuimbegeleiding moet een bedrijfsarts vermijden teveel mee te gaan in het belang van werkgever of werknemer.
    In rapportages is helderheid en duidelijkheid van belang, waarbij adviezen zoveel mogelijk door feitelijke informatie moeten zijn onderbouwd.


    Van preventie naar vroegtijdig signaleren

    De workshop over mogelijkheden en onmogelijkheden voor vroegdetectie van PTSS (cfr. : http://www.angstcentrum.be/ptss.htm -) is voor een belangrijk deel gebaseerd op het promotieonderzoek van Marit Sijbrandij : ‘Early interventions following psychological trauma’ (09-02-2007 - cfr. : http://www.amc.nl/index.cfm?sid=227&uitgaveid=59&contentitemid=512&itemid=101 -).
    Daaruit bleek dat directe opvang na een trauma niet nodig is, omdat het geen effect heeft op latere psychische problemen.
    Wanneer mensen met PTSS-klachten circa een maand na een trauma worden behandeld met kortdurende psychotherapie, is dat echter wel effectief.
    Gré Westerveld en Renée Hutter, coördinatoren van het Topzorgprogramma Psychotrauma van AMC de Meren willen dan ook de opvang na een trauma richten op het vroegtijdig opsporen van deze mensen.

    Na uitleg over de definitie van psychotrauma volgens DSM IV wordt ingegaan op de stressreacties na een ingrijpende gebeurtenis : herbeleven, vermijden en verhoogde prikkelbaarheid.
    Bij PTSS is sprake van minimaal een symptoom uit de cluster herbeleven, minimaal drie uit de cluster vermijden en minimaal twee uit de cluster verhoogde prikkelbaarheid.
    Deze klachten moeten langer dan een maand aanhouden om van PTSS te spreken.
    De bedrijfsarts kan bij klachten die wijzen op PTSS maar korter duren dan een maand, de betrokkene geruststellen : de klachten zijn een normale reactie op een abnormale gebeurtenis.
    Bij klachten die langer dan een maand bestaan, is verwijzing nuttig, bijvoorbeeld voor kortdurende eclectische psychotherapie (KEP – cfr. : http://www.amcpsychiatrie-angst.nl/onderzoek_ptss_behandelstudie_ptss.htm -) of EMDR ('Eye Movement Desensitization and Reprocessing' – cfr. : http://www.hulpgids.nl/therapie/emdr.htm -).
    PTSS komt mogelijk vaker voor bij mensen met een gebrekkig sociaal netwerk of vroegkinderlijke trauma’s, maar PTSS is volgens de huidige inzichten niet te voorspellen noch te voorkomen.
    Met vroege opsporing en adequate behandeling is echter veel leed te voorkomen.


    Levens(be)lang

    Dr. Paul van de Meeberg, maag-darm leverarts van de Nederlandse Obesitas Kliniek in Hilversum (cfr. : http://valtaf.nl/index.php?pxd=.g&pxc=213141¤t=weblog¤t=forward&item=383 -) belicht de bedrijfsgeneeskundige aspecten van obesitas.
    Hij betitelt obesitas als een chronische ziekte van vetstapeling die gepaard gaat met uitgebreide co-morbiditeit.
    Dat obesitas hoge directe en indirecte kosten met zich meebrengt blijkt uit Britse cijfers.
    Ook neemt met de toename van gewicht de kwaliteit van leven af.
    Van de Meeberg presenteert allerlei wetenschappelijke feiten over obesitas om duidelijk te maken dat sprake is van een multifactoriële aandoening, dat zowel de omgeving als familiaire belasting meespeelt en dat afvallen moeilijk is omdat het, nauwelijks te beïnvloeden, basaal metabolisme 75% van het energieverbruik bepaalt.
    Maar ook dat er al veel winst te behalen is met een relatief gering gewichtsverlies : 10% gewichtsverlies zorgt al voor een daling van 20% in mortaliteit en 30% in morbiditeit.

    In de Obesitas Kliniek wordt afvallen multidisciplinair benaderd.
    Een definitieve leefstijlverandering bereiken, lukt alleen in kleine stappen waarbij mensen van ‘bewust onbekwaam’ naar ‘onbewust bekwaam’ worden gebracht.
    Dat lukt heel redelijk, al stijgt op de langere termijn het gewicht toch weer geleidelijk.
    Van de Meeberg gaat kort in op de mogelijkheden van medicamenteuze behandeling.
    De middelen sibutramine, orlistat en rimonabant zijn redelijk succesvol, maar kennen veel hinderlijke bijwerkingen : “Je kunt ze beter vermijden”.
    Hij ziet op termijn meer kansen voor bariatrische chirurgie (chirurgie met als doel gewicht te verminderen), vooral voor mensen met een BMI boven 40 en aanzienlijke co-morbiditeit.
    De maagband- en gastric bypass operatie hebben doorgaans goed effect (50-70% minder excessief gewicht), maar vragen veel nazorg, vooral omdat het eetpatroon drastisch en blijvend moet worden aangepast.


    Vrijdag 30 mei 2008 - De bedrijfsarts als afhechter

    Ook op vrijdagochtend is de plenaire zaal van congrescentrum Papendal weer afgeladen vol wanneer om halftien het woord is aan Rob Mohanlal, regio-stafverzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut WerknemersVerzekeringen ( UWV – cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/UWV -) Leiderdorp.
    Hij spreekt over de situatie die UWV aantreft na 2 jaar verzuim en stipt kort de meest recente cijfers aan.
    Daaruit blijkt dat het aantal opgelegde loonsancties geleidelijk stijgt en nu op circa 10% ligt.
    De belangrijkste redenen zijn onvoldoende inzet en slechte rapportages.
    Centraal staat de Poortwachtertoets op basis van het re-integratieverslag (RIV – cfr. : http://www.kcvg.nl/uploads/files/Onderzoeken/Projecten%20SIG/Samenvatting%20SIG%20project%20Anna%20Muijzer.pdf -).
    Daarbij wordt gekeken naar compleetheid en de inspanningen van werkgever en werknemer op basis van afgesproken criteria.
    Het beoordelingskader is niet opgesteld door UWV, maar door de Stuurgroep Poortwachter waarin alle belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd.
    'Resultaat' en 'redelijkheid' zijn de sleutelwoorden.
    Als het resultaat bevredigend is, wordt de gevolgde weg niet beoordeeld.
    Zijn resultaat en gevolgde re-integratie inspanningen echter onvoldoende dan kan een loonsanctie – cfr. : http://www.usgjuristen.nl/nieuws.asp?nid=272 - worden opgelegd.
    Deze sanctie moeten we volgens Mohanlal niet zijn als boete, maar als herstelsanctie.
    Veel problemen zijn te voorkomen door als werkgever om een heldere analyse te vragen en een concreet plan van aanpak te maken.

    De werknemer moet meewerken en waar mogelijk zelf initiatief nemen en zorgen dat zijn visie in het RIV komt.
    Ook moeten werkgever en werknemer elkaar aanspreken op actie om stagnatie te voorkomen.
    Daarbij is de eerstejaarsevaluatie – cfr. : http://www.uwv.nl/werkgevers/formulieren/formulieren/AG14003044.aspx - een belangrijk ijkpunt : “Gebruik dat als opschudmoment en wijzig zonodig je koers.
    Mohanlal besluit met de 4 R’s waaraan bedrijfsartsen zich vast kunnen houden in het proces, te weten : 'redelijkheid', 'rapheid', 'resultaat' en 'regels'.


    Deskundigenoordeel kan beter

    Vervolgens komt Roelof Heida, stafarts kwaliteit van ArboNed, aan het woord over het deskundigenoordeel (cfr. : http://www.uwv.nl/werkgevers/ziekte-zwangerschap/re-integratie/hulp-bij-re-integratie-deskundigenoordeel/index.aspx -).
    Hij begint met een korte schets van de wijze waarop naar zijn idee rechters aankijken tegen de deskundigheid van artsen : “Helaas is het nog altijd zo dat orgaanspecialisten door rechters als deskundiger beschouwd worden dan bedrijfs- en verzekeringsartsen”.
    Daarnaast wordt op websites van Arbo-diensten vaak verkeerde informatie gegeven over het deskundigenoordeel bij conflicten over verzuimadvisering.
    Hij noemt punten waarop het anders en beter kan.
    Zo is het goed bij sterke emotionele betrokkenheid eerst een collega te raadplegen, is het belangrijk cliënten goed te informeren over het deskundigenoordeel en bijbehorende rechten en plichten, moeten cliënten bij een conflict eerst terug naar hun werkgever en niet direct naar UWV.
    Moet een bedrijfsarts bereikbaar zijn voor overleg met UWV en doet hij er goed aan feedback te geven als een deskundigenoordeel niet aan de verwachtingen voldoet.

    Maar ook bij UWV kan het beter.
    Zo voldoet de werkwijze bij het deskundigenoordeel soms niet aan de wettelijke eisen.
    Een deskundigenoordeel betreft een geschil tussen werkgever en werknemer en niet met de bedrijfsarts, de uitvoerend verzekeringsarts moet geregistreerd zijn, er moet hoor en wederhoor toegepast worden, er mag geen oordeel gegeven worden als de geschildatum te lang geleden is en er mag niet worden geadviseerd : alleen de gestelde vraag mag worden beantwoord.
    Samen moeten verzekerings- en bedrijfsartsen het deskundigenoordeel verbeteren, met aandacht voor zorgvuldigheid.
    Het gaat immers om 7000 oordelen per jaar en “wat goed gaat, wordt niet gezien, maar missers worden uitvergroot”.


    Bij twijfel goed vastleggen

    Wie is verantwoordelijk voor de goede behandeling van een zieke werknemer ?
    Prof.mr. Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht Universiteit Leiden gaat in op de juridische aspecten van die vraag.
    Uitgangspunt is altijd dat de werknemer moet instemmen met de voorgestelde behandeling.
    Daarbij is afstemming nodig tussen de curatieve behandelaar en de bedrijfs- of verzekeringsarts.
    Een knelpunt kan liggen in twijfels aan de kwaliteit van de (hoofd)behandelaar.
    Van de bedrijfsarts wordt verwacht dat hij contact zoekt met de curatieve sector, andersom echter niet.
    Het in twijfel trekken van de diagnose van een behandelaar is riskant en vergt goede vastlegging in het dossier.
    Hendriks waarschuwt tegen het (te snel) formuleren van twijfel richting de werkgever.

    Een ander knelpunt betreft afstemmingsproblemen tussen de bij de werknemer betrokken hulpverleners.
    Voor de bedrijfsarts is van belang hierin waar mogelijk de regie te nemen en afspraken te maken met anderen over wie wat doet en wie wie informeert.
    Tot slot ligt soms een knelpunt in de autonomie van de werknemer (cfr. : http://www.volkskrantblog.nl/bericht/228515 -).
    Deze is vastgelegd in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) die informed consent van de werknemer vereist, maar ook aanspoort tot goed hulpverlenerschap.
    Dat laatste houdt in dat je de werknemer moet wijzen op de consequenties van zijn keuzen en dat goed vastleggen in het dossier.


    Money alone cannot heal

    Van letselschadeclaims wordt vaak aangenomen dat ze het herstel en de re-integratie van mensen in de weg staat.
    Volgens prof.mr. Arno Akkermans, hoogleraar VU, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, afdeling Privaatrecht Amsterdam is dat soms wel, maar soms ook niet waar.
    Zijn verhaal gaat over de therapeutische en antitherapeutische effecten van een letselschadeclaim.
    Akkermans stelt dat bij mensen die een letselschadeclaim indienen de behoefte aan financiële compensatie en immateriële wensen als erkenning en genoegdoening niet tegenover elkaar staan : “Ze zijn meestal nauw verweven.”
    Slachtoffers willen hun leven weer op de rails krijgen en daarbij is het veilig stellen van financiële bestaanszekerheid van groot belang.
    Bij immateriële wensen gaat het om erkenning, zowel door de wederpartij als door de buitenwereld.
    Vaak willen slachtoffers ook weten wat er precies gebeurd is, willen ze iemand ter verantwoording roepen en gerechtigheid bereiken.
    Verder speelt vaak het gevoel niet te willen boeten voor de fout van een ander een rol en de wil te voorkomen dat het een ander overkomt.
    Bij een letselschadeprocedure kan sprake zijn van de vaak negatief geduide effecten van secundaire victiminisatie (“de ramp na de ramp”) en secundaire ziektewinst.
    Maar het aspect van procedurele rechtvaardigheid kan positief uitwerken.
    De manier waarop de procedure verloopt met de mogelijkheid het eigen verhaal te kunnen vertellen, de opstelling van de tegenpartij en de onpartijdige en neutrale houding van de oordelende partij kan bij slachtoffers positieve gevoelens oproepen.
    Helaas staat in de praktijk de fixatie op financiële compensatie, dit potentieel positieve effect van procedurele rechtvaardigheid vaak in de weg.
    Omdat er naar zijn idee dringend behoefte is aan verbetering van de situatie, is Akkermans blij dat er momenteel gewerkt wordt aan een gedragscode behandeling letselschade (cfr. : http://www.jurofoon.nl/nieuws/weblog.asp?id=2669 -).

    Aan het slot van de lange plenaire sessie presenteren na inleiding door Prof.dr. Frank van Dijk, hoogleraar arbeid en gezondheid, Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC twee onderzoeksters hun poster : Anja Holwerda (participatie van WAJONG-gerechtigden) en Anna Muijzer (toetsing van het re-integratieverslag).
    En dan is het tijd voor koffie, ter voorbereiding op de eerste ronde van de parallelsessies.
    Opnieuw keus uit 15 onderwerpen uiteenlopend van claimbeoordeling, revalidatiegeneeskunde, de aanpak van lichamelijk onverklaarde klachten tot bedrijfsarts en tuchtrecht, behandeling van pijnklachten, ontwikkelingen in de (vasculaire) neurologie tot weerstand in de spreekkamer.


    Vermoeid tussen de oren

    In de parallelsessie over cognitieve gedragstherapie bij chronische vermoeidheid benadrukt prof.dr. Gijs Bleijenberg, hoofd en klinisch psycholoog van het Nijmeegs Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid UMC St.Radboud het belang van het stellen van de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).
    Er is immers met cognitieve gedragstherapie (CGT) een evidence-based behandeling voor handen, waarmee een duurzaam behandeleffect te bereiken is.
    Hij presenteert een model voor het ontstaan van CVS waarin de 3 P’s van predisponerende, precipiterende en perpentuerende factoren in samenhang met elkaar worden gebracht.
    Aan de hand van dit model kan de patiënt uitleg krijgen, gerustgesteld worden en gemotiveerd voor behandeling.

    De CGT richt zich vooral op de instandhoudende factoren, met als doelen herstel, werkhervatting en afscheid nemen van de patiëntenrol.
    Dat gebeurt in 16 sessies verdeeld over 6 maanden en nog twee sessies in het half jaar daarna.
    Ieder werkt aan eigen geformuleerde doelen, de partner en omgeving worden erbij betrokken en het succespercentage is met 70% herstel relatief hoog (overigens zonder 1 op 1 verband tussen herstel en werkhervatting).
    Het beste resultaat is te bereiken met een geleidelijke opbouw ('tijdcontingent' – cfr. : http://www.psychischenwerk.nl/pw/subarticle.php?id=61&aid=992 -) van de werkactiviteiten.

    Bleijenberg stelt dat CVS geen psychiatrische diagnose is, hoewel vaak sprake zal zijn van psychiatrische co-morbiditeit.
    CVS zit echter letterlijk tussen de oren, want met beeldvormingstechnieken is aangetoond dat bij CVS circa 8% minder grijze stof in de hersenen aanwezig is vergeleken met gezonde mensen.
    Merkwaardig genoeg hangt dit samen met lichamelijke activiteit : hoe minder actief, hoe minder grijze stof.
    Wat hierbij oorzaak is en wat gevolg, is tot nu toe niet bekend.


    Positief werkt

    Nu HIV/Aids een chronische aandoening is geworden, zullen steeds meer patiënten blijven werken of weer gaan werken.
    De workshop “Positieve kijk op werk - Do’s en don’ts” gaat over de consequenties daarvan.
    Bedrijfsarts Arno Steen en mr. Ronald Brands, beleidsmedewerker, SOA Aids Nederland/HIV Vereniging Nederland schetsen in grote lijnen de actuele feiten over HIV/Aids : wereldwijd zijn 34 miljoen mensen besmet, in Nederland in 2007 14.114, al weet circa 1 op de 5 niet dat hij besmet is.
    De sterfte is gedaald van 1100 in 1996 naar 95 in 2006 dankzij HAART ('Highly active antiretroviral therapy').
    Seropositieve mensen zijn in principe normaal belastbaar.
    Als er beperkingen zijn, vloeien die vooral voort uit vermoeidheid en bijkomende psychische aandoeningen als angst en depressie.
    Wel wordt werken met HIV ondanks alle informatie en voorlichting nog gehinderd door vooroordelen.
    Belangrijke dilemma’s, waar ook bedrijfsartsen mee te maken kunnen krijgen, betreffen het al dan niet informeren van werkgever en/of collega’s en onzekerheid over de risico’s van werken voor de gezondheid nu en later.
    Aan de hand van casuïstiek wordt gesproken over de lastige situaties die in werksituaties kunnen ontstaan als de HIV-status van een werknemer bekend wordt.
    Dat levert een aantal heftige morele discussies op, maar geen eenduidig antwoord.
    Elke situatie vraagt een eigen aanpak en daarvoor is veel nuttige achtergrondinformatie te vinden in de door de HIV Vereniging Nederland uitgegeven gids “Positief werkt” - cfr. : http://www.hivnet.org/index.php?option=com_content&task=view&id=5128&Itemid=440 -, die alle deelnemers aan de workshop dan ook uitgereikt kregen.


    Moeilijk voor zichzelf en anderen

    In de laatste parallelsessie van de dag neemt Bram Bakker, psychiater/coach/publicist en onder meer verbonden aan BB Coaching in Amsterdam ons mee in de wereld van de ‘moeilijke’ mensen.
    Hij begint met de definitie van 'moeilijk' of 'lastig' in psychiatrische termen.
    Het gaat hem dan om mensen die volgens de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) IV vallen onder AS II, B-categorie : persoonlijkheidsstoornissen als borderline, antisociaal, narcistisch of theatraal (cfr. : http://www.efp.nl/site/files/u2/EFP_Cluster_B.pdf -).
    Persoonlijkheidsstoornissen die niet per se zijn aangeboren, maar ook kunnen voortkomen uit een trauma in de vroege jeugd.
    Vaak lijden deze beschadigde mensen ook aan andere psychiatrische aandoeningen.
    Zij zijn niet per definitie onbehandelbaar, maar wel lastig voor zichzelf en/of voor de dokter.
    Veel dokters en andere behandelaars ervaren het contact met deze groep mensen als moeilijk omdat ze slecht meewerken aan behandeling, de autoriteit van de behandelaar aantasten en hen confronteren met de beperkingen van het vak.
    Belangrijk is volgens Bakker om het je niet persoonlijk aan te trekken : moeilijke mensen zijn zo bij iedereen, ze kunnen niet anders.
    Handreikingen zijn er wel.
    Zo moet je je als behandelaar niet ‘verheffen’ boven je cliënt, je niet onecht gedragen (irritaties over en weer kun je beter benoemen en parkeren) of in discussie gaan over door anderen gestelde diagnosen en gegeven adviezen.
    Stel je liever op als partner dan als ‘baas’ en concentreer je op het voorliggende probleem in plaats van op de stoornis, wees oprecht en stel grenzen : laat de verantwoordelijkheid bij de cliënt.

    Tot slot verzamelt iedereen zich weer in de grote zaal voor de presentatie van Michel van Honk, algemeen directeur van het Communicatie-adviesbureau BVHgroep uit Rotterdam.
    Zijn betoog onder de titel : “Hoe scherp bent u nog ?” gaat over marketing van bedrijfsartsen op basis van identiteit, positionering en imago : “Dienstverlenende organisaties zijn ook een merk”, over sleutelfactoren voor succes en over een gevarieerd aantal door hem gesignaleerde megatrends.
    Omdat hij zijn verhaal voortdurend afwisselt met voorbeelden van commercials, is het vermakelijk al is een link met het thema van de BG-dagen niet duidelijk.
    Na zijn full speed presentatie is het tijd voor het traditionele dankwoord aan de organisatoren en de uitnodiging volgend jaar op 14 en 15 mei 2009 weer allemaal present te zijn.

    N.B. - De presentaties die gehouden zijn tijdens de BG-dagen 2008 zijn te vinden op : http://nvab.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_340_TICH_R245881201766929// -.


    Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R2119951128772027


    Lees verder : Deel II

    25-11-2009 om 22:41 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, reïntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel II


    III. - De Bedrijfsarts – Dokter en adviseur

    Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
    04-04-2007


    Standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde over nieuwe taken en positionering van de bedrijfsarts in het licht van de ontwikkelingen in gezondheidszorg, de stelselwijziging en de deregulering in de arbodienstverlening.
    Aangenomen op de Algemene Ledenvergadering van de NVAB op 4 april 2007


    De NVAB wil de positionering van de bedrijfsgeneeskunde aanscherpen en elementen uit het takenpakket opnieuw vastleggen.
    Deze nota vormt de uitwerking van de ‘Strategische Leidraad 2006-2010’. (1)
    Aanleiding daarvoor vormen nieuwe ontwikkelingen en inzichten in het werkveld en in de omgeving van de bedrijfsarts, waaronder de WIA en de nadruk op participatie en preventie.
    Tevens hebben de partners in de zorg (huisartsen, specialisten, patiënten- en cliëntenorganisaties, verzekeraars) en de overheid recht op duidelijkheid over de positie die de bedrijfsartsen willen innemen in de ketenzorg. (2)


    1. - De hoofdlijnen van de vernieuwde positionering zijn


    1.1 - De bedrijfsgeneeskunde maakt deel uit van de eerstelijns gezondheidszorg en is gecentreerd rond (aspirant-)werkenden

    Eerstelijnszorg heeft een generalistisch karakter, is gericht op de mens in zijn omgeving,

    is nabij en laagdrempelig (3).
    Het ministerie van VWS hanteert als definitie van ‘de eerstelijn’ : het eerste contactpunt van de patiënt met het zorgsysteem.
    Eerstelijnszorg fungeert als poortwachter naar de specialistische zorg in een ziekenhuis, geestelijke gezondheidszorg en tweedelijns arbozorg.
    De NVAB is van mening dat elke Nederlander rechtstreeks en zonder verwijzing terecht dient te kunnen bij een bedrijfsarts.
    De recente wetswijzigingen hebben de toegang tot de bedrijfsarts afhankelijk gesteld van maatwerkafspraken op bedrijfs- of brancheniveau op basis van de RI&E.
    De NVAB is daar niet gelukkig mee (4).

    Hoewel de bedrijfsgeneeskundige zorg vooralsnog (5) een betalingsstructuur (6) kent die zich (op de verwijsfunctie na) afspeelt buiten het reguliere zorgverzekeringscircuit, is er géén reden om diagnoses, interventies en adviezen van bedrijfsartsen een andere status te geven dan die van overige eerstelijns aanbieders.
    Het behandelen van beroepsziekten, individuele preventie-adviezen en het begeleiden naar functieherstel en re-integratie, maken deel uit van gezondheidsherstel en dus van de reguliere zorg.
    De bedrijfsarts in de eerstelijnszorg kan positief bijdragen aan stroomlijning van de moderne ketenzorg en voorkoming van dubbele kosten voor reguliere zorg en voor arbozorg (7).

    Positionering van de bedrijfsarts tussen andere professionals in de eerste lijn draagt bij aan de inbreng van de kennis over de arbeid in de klassieke curatieve zorg, aan gelijkwaardige communicatie tussen professionals en aan transparantie van het zorgsysteem.
    In het verlengde hiervan acht de NVAB het noodzakelijk dat bedrijfsgeneeskundige informatie onder regie van de patiënt deel gaat uitmaken van diens (elektronisch) patiëntendossier.
    Samenhang en synergie in de dossiervorming, inclusief arbeidsrelevante gegevens, ondersteunt de integrale ketenzorg en draagt bij aan het versterken van de positie van de werknemer/patiënt.
    De privacy en de vrijheid van artsenkeuze zijn daarbij niet in het geding (8).
    Via een aparte module kan de werkgever worden geïnformeerd over mogelijkheden/beperkingen van de werkende en – op groepsniveau – over verzuimgegevens.

    Nota De Bedrijfsarts : dokter en adviseur, aangenomen op 4 april 2007 (3) - De eerstelijns positionering accentueert de directe toegankelijkheid en de complementaire rol die de bedrijfsarts speelt in de gehele ketenzorg.
    De eerstelijns positionering draagt ook bij aan de zichtbaarheid van de bedrijfsgeneeskunde als discipline.
    De bedrijfsarts kan de uitvoering van diens taken vanuit diverse settings vervullen.
    Hij of zij kan o.a. werkzaam zijn bij een arbodienst, rechtstreeks werken voor een bedrijf, deel uitmaken van een maatschap of deel uitmaken van een eerstelijns voorziening.


    1.2 - De bedrijfsarts heeft als medicus individuele zorgtaken voor alle (aspirant-) werkenden, in betaald en onbetaald werk

    De NVAB Strategische Leidraad 2006-2010 zegt hierover : “Het appèl op de bedrijfsarts om een behandelbijdrage te leveren aan een snel en adequaat herstel van werknemers neemt verder toe. De NVAB ziet dit als een kans om de kwaliteit van zorg voor werknemers te verhogen en tevens de positie van de bedrijfsarts te versterken.” (9)

    Onder behandelen verstaat de NVAB : “bijdragen aan functieherstel”, variërend van sociaal medische begeleiding tot klassieke behandeltaken (onder de strikte voorwaarde van individuele bekwaamheid/competentie).


    De individuele zorgtaken zijn :

    • Het bewaken, beschermen en bevorderen van de gezondheid van werkenden.

    • Het bij een werkende herkennen, diagnostiseren en behandelen van (dreigende) arbeidsgerelateerde klachten of van een (dreigende) beroepsziekte of arbeidsongeschiktheid.

    • Werkenden die (dreigen te) verzuimen actief volgen en begeleiden naar herstel, gericht op behoud van werk en (re-)integratie van die werkenden (16).

    • Het preventief bewaken van de gezondheid (voorkomen van ontstaan van gezondheidsschade en vroegsignalering) van werkenden en het signaleren van werkgebonden risicofactoren.

    • Het adviseren aan individuele werkende.

    • De bedrijfsgeneeskunde kent ook specialistische (klinische) varianten in de tweedelijnszorg.
      Ook dat zijn individuele zorgtaken.
      Bedrijfsgeneeskunde wordt als tweedelijns voorziening (alleen op basis van verwijzing) aangeboden in ziekenhuizen en/of gespecialiseerde kenniscentra (o.a. bij universitaire ziekenhuizen) door ‘klinisch arbeidsgeneeskundigen (en consulenten) met een opleiding tot bedrijfsarts’ (10).

    De individuele zorgtaken kunnen naar de mening van de NVAB - zeker voor diegenen zonder betaald werk - in aanmerking komen voor vergoeding door de zorgverzekeraar.
    De NVAB is van mening dat een aanmerkelijk maatschappelijk doel gediend is met de toegankelijkheid van mensen die geen betaalde arbeid verrichten tot een bedrijfsarts : vrijwilligers, mantelzorgers, studenten, uitkeringsgerechtigden.
    Ook zíj hebben vragen die te maken hebben met belasting en belastbaarheid, re-integratie en preventie (11).


    1.3 - De bedrijfsarts is medisch adviseur en coach van bedrijven / werkgevers, zowel in preventieve als curatieve zin

    De adviestaken zijn zowel gericht op individuele inzetbaarheid van werkenden als op de organisatie als geheel.
    De adviesfunctie uit zich in de rol als medisch adviseur van het management : het bedrijf stimuleren en helpen een gezonde organisatie te zijn met een expliciet preventiebeleid (het adviseren van de arbeidsorganisatie, het organiseren van preventief medisch onderzoek, inventariseren van arbeidsrisico’s) (12).

    De adviesfunctie uit zich eveneens in de rol van coach van bedrijfsleiders, afdelingschefs etc. bij het professioneel vormgeven van de omgang met zieke werknemers en reintegratietrajecten, alsmede het uitvoeren van veiligheidskeuringen.

    Nota De Bedrijfsarts : dokter en adviseur, aangenomen op 4 april 2007 (4).


    De adviesfunctie ten behoeve van de werkgever en werkende bestaat uit :

    • Het uitvoeren van de probleemanalyse.

    • Advies over individuele inzetbaarheid en re-integratie.

    • Inhoudelijke inbreng/advisering binnen het sociaal-medisch overleg.

    • Organiseren van preventief medisch onderzoek (PMO) en gezondheidsbewaking;

    • Wettelijk verplichte (veiligheids-)keuringen.

    • Adviseren van de arbeidsorganisatie (werkgever en werknemersvertegenwoordiging) op het gebied van (systeem-)preventie, beroeps- en arbeidsrisico’s en organisatieaspecten met betrekking tot human resources (13).


    1.4 - De bedrijfsarts is een hoogwaardig professional in een veeleisende omgeving

    Bedrijfsgeneeskunde is een sociaal-geneeskundige discipline en beweegt zich per definitie in een maatschappelijk spanningsveld, met de bijbehorende belangentegenstellingen.

    Dat stelt hoge eisen aan het op peil houden van de benodigde competenties.
    Naast opleiding, registratie en herregistratie, bij- en nascholing en intercollegiale toetsing, richtlijnontwikkeling en -implementatie, wordt geïnvesteerd in de ‘sluitsteen’ van het kwaliteitsbeleid: visitatie.
    Conform de kwaliteitsontwikkelingen in zorginstellingen en bij collega-medici wordt gewerkt aan een niet-vrijblijvende methode van kwaliteitstoetsing middels individuele visitatie, gekoppeld aan de herregistratie als bedrijfsarts.

    Tevens blijft de NVAB inzetten op het verbeteren van de randvoorwaarden voor ‘evidence based’ handelen.
    Voorbeelden van activiteiten zijn: het stimuleren van onderzoek, academisering van bedrijfsgezondheidszorg, het faciliteren van toegang tot informatie over arbeidsomstandigheden, het bewaken van voldoende handelingsvrijheid van de bedrijfsarts conform het Professioneel Statuut van de NVAB of vastgelegd in contracten tussen opdrachtgevers en arbodiensten of individuele professionals.



    2. - Toelichting

    Ter onderbouwing van deze positiebepaling gelden voor de NVAB de volgende argumenten van inhoudelijke, praktische en strategische aard.


    1 - Inhoudelijke argumenten

    2.1.1 - Het bevordert de duidelijkheid voor werknemers/patiënten en collega-artsen als de behandeltaken die bedrijfsartsen verrichten ook als zodanig benoemd worden
    De drijfsartsen verrichten behandelende taken, op basis van de richtlijnen van de NVAB, multidisciplinaire richtlijnen of andere relevante curatieve standaarden (14).
    De bedrijfsarts is volledig bevoegd tot het uitoefenen van de geneeskunst.
    De bedrijfsarts doet géén claimbeoordeling, wel brengt hij/zij adviezen uit inzake belasting/belastbaarheid en inzetbaarheid (zie standpunt ALV, 5 april 2005).

    2.1.2 - De expertise van de bedrijfsarts is complementair aan die van andere professionals in de eerstelijn
    Kennis van belasting, belastbaarheid en arbeidsomstandigheden, met als focus de functionaliteit in relatie tot arbeid en niet de klacht.
    De bedrijfsarts voegt deze ontbrekende expertise toe aan de reguliere eerstelijns zorg.

    2.1.3 - In de dagelijkse praktijk is er steeds vaker sprake van een multidisciplinaire aanpak en van ketenzorg
    De bedrijfsarts levert een essentieel aandeel in het beoordelen, behandelen en begeleiden van werknemers.
    Om tegenstrijdige adviezen en ‘shoppen’ ten aanzien van functionele inzetbaarheid en belastbaarheid te voorkómen is nauw contact en overleg tussen professionals in de eerste lijn en de tweede lijn wenselijk.

    2.1.4 - Werknemers en werkgevers hebben belang bij curatieve zorg dicht bij de werkplek
    De werkgevers die al voor de basisverzekering betalen, willen dat mensen niet onnodig verzuimen voor eenvoudige consulten bij de huisarts.
    Het is voor de bedrijfsarts vrij eenvoudig om bij dit soort aandoeningen indien nodig sociale factoren in de afweging mee te nemen, terwijl voor andere zorgverleners werkbelasting en mogelijkheden voor bijv. re-integratie op de werkplek moeilijk zijn in te schatten.

    2.1.5 - ‘Functionaliteit in relatie tot arbeid’
    Het optimaliseren van inzetbaarheid en de aandacht voor functionaliteit en re-integratiemogelijkheden heeft niet alleen betrekking op mensen met betaald werk in loondienst, maar ook op zelfstandigen, uitkeringsgerechtigden, vrijwilligers, mensen met een handicap, scholieren en studenten (cfr. Noot 11).


    2.2 - Praktische en operationele argumenten

    2.2.l - Gebruik van/aansluiting bij de elektronische patiëntendossiers biedt vele mogelijkheden tot doelmatiger en doelgerichter registratie
    In de huidige medische dossiers (en toekomstige EPD’s ) ontbreken gegevens over belasting en

    belastbaarheid.
    Dat zijn voor curatieve collega’s belangrijke gegevens, die bij kunnen dragen aan adequate advisering.
    Bedrijfsartsen dienen daarom aan te sluiten bij de trend richting één EPD.

    2.2.2 - Integrale ketenzorg staat op gespannen voet met solistische praktijkvoering
    In de huisartsenzorg is de solist inmiddels in de minderheid.
    De bedrijfsarts werkt per definitie multidisciplinair (werkt met name met andere arboprofessionals, psychologen etc.) en vaak niet-solistisch, zoals in grotere maatschappen of in een arbodienst.

    2.2.3 - Contacten met huisartsen zouden moeten worden geïntensiveerd
    Het is noodzakelijk dat ook bedrijfsartsen rond de patiënt/werknemer goed overleg hebben met de huisarts en andere disciplines in de eerstelijn.
    Gebruik van elkaars netwerk van verwijsadressen (medisch specialisten en tweedelijns arbovoorzieningen) kan een verrijking van de behandelmogelijkheden opleveren.

    2.2.4 - In het geval dat een vrijgevestigd bedrijfsarts zijn praktijk vestigt in een eerstelijnsvoorziening kunnen gemeenschappelijke voorzieningen en afspraken (bijv. een klachtenreglement voor de vrijgevestigd bedrijfsarts) de kwaliteit van zorg ten goede komen.
    Vestiging/praktijkvoering van de bedrijfsarts in een dergelijke setting kan schaalvoordelen opleveren en een ontlasting van organisatorische inspanningen.
    De integrale eerstelijnsvoorzieningen en gezondheidscentra zullen steeds vaker ondersteund worden door facilitaire organisaties, plaatselijk en regionaal (o.a. Door Regionale Ondersteunings Structuren).
    De bedrijfsgeneeskunde vindt daardoor gemakkelijker aansluiting bij ketenzorgstructuren.


    2.3 - Strategische argumenten

    2.3.1 - De zichtbaarheid van de bedrijfsgeneeskunde laat te wensen over
    Het feit dat de bedrijfsgeneeskunde sinds de jaren negentig onderdeel is van een breed pakket van arbodienstverlening heeft niet bijgedragen aan een helder profiel.
    Dat kwam onder meer doordat de bedrijfsarts vrijwel uitsluitend werd ingezet in verzuimbegeleiding (15) en dat de meerderheid van het werk wordt uitgevoerd in opdracht van bedrijven en niet op grond van vrijwilligheid (behoefte) van de werknemer.
    Zichtbaar maken van de toegevoegde waarde van de bedrijfsgeneeskunde is van belang voor de profilering de professie van de bedrijfsarts.

    2.3.2 - Bedrijfsartsen verzorgen een deel van de preventieve gezondheidszorg door o.a. het preventief medisch onderzoek en de adviesfunctie over werkomstandigheden aan werkgevers.
    Bedrijfsartsen kunnen bijdragen aan noodzakelijke grootschalige preventieve interventies ten behoeve van de volksgezondheid in het algemeen en die van werknemers in het bijzonder.
    Het is echter vooralsnog moeilijk om synergie te bereiken bij investeringen in preventie : de één (zorgverzekeraar) investeert liever niet voor de baten van de ander (de schadeverzekeraar en/of de werkgever) en omgekeerd.

    2.3.3 - De financiering van de bedrijfsgezondheidszorg komt thans volledig ten laste van werkgevers
    De NVAB heeft door de KNMG-afdeling Beleid & Advisering een studie(16) laten verrichten naar de mogelijkheden om de zorg die men kan aanduiden als ‘individuele bedrijfsgezondheidszorg' (open spreekuur, begeleiden en behandelen van aandoeningen, preventieve keuringen) te laten betalen uit andere bronnen dan de werkgever.
    De conclusie is dat financiering van individuele bedrijfsgezondheidszorg uit collectieve aanvullende zorgpolissen en inkomensverzekeringen kansrijk is.
    Ook blijkt (CVZ verwijskrant) het behandelen van arbeidsgerelateerde aandoeningen, mits duidelijk als verstrekking omschreven, een plaats te kunnen krijgen in het basispakket.
    Het standpunt van de NVAB is dat de expertise van de bedrijfsarts kan worden ingekocht door (zorg-)verzekeraars, werkgevers, arbodiensten, CWI etc., mits een kostendekkend tarief wordt geboden.
    De ‘advies-kosten’ die worden gemaakt ten behoeve van de werkgever (probleemanalyse, verplichte keuringen, sociaal-medisch overleg) zijn in principe voor de werkgever, maar kunnen wel degelijk –bijvoorbeeld bij collectieve bedrijfsziektekostenpolissen – ten laste van de zorgverzekeraar worden gebracht (17).



    3. - Eindnoten

    3.1 - De NVAB Strategische Leidraad 2006-2010 werd aangenomen op de Algemene Ledenvergadering van de NVAB op 9 november 2005 – cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R161371233455198 -.

    3.2 - Enkele redenen voor de NVAB om de positionering van de bedrijfsarts te herzien : de Gezondheidsraad heeft de minister van VWS een advies aangeboden (22 juli 2005) met als titel : “Beoordelen, behandelen, begeleiden; medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid” - cfr. : http://www.nieuwsbank.nl/inp/2005/07/22/R079.htm .
    De Gezondheidsraad benadrukt dat samenwerking tussen de verschillende medische disciplines essentieel is om het arbeidsongeschiktheidsvolume teverkleinen.
    Werkgevers zijn krachtens de Wet Verbetering Poortwachter verantwoordelijk voor de kosten van loondoorbetaling bij ziekte van hun werknemers.
    Voor dat geld zal de werkgever ook iets te zeggen willen hebben over de wijze waarop de zorg voor zijn werknemers geregeld is” (uit de brief aan de Tweede Kamer van de ministeries van SZW en VWS, d.d. 22-02-2005).
    Het is niet alleen wettelijk verplicht maar ook logisch dat werkgevers een bedrijfsarts betrekken bij hun pogingen werknemers gezond te houden, en de kosten en inzet optimaal (dus : breed) willen benutten.
    Zo wijst VNO-NCW in de nota Arbeidsvoorwaardenbeleid 2006 nadrukkelijk op de mogelijkheden van bedrijfsartsen om delen van de zorg over te nemen.
    De nieuwe zorgverzekeringswet (per 1-1-2006) biedt ruimte aan andere en nieuwe zorgaanbieders in het kader van de zogenaamde functionele verstrekkingen.
    Binnen de wetgeving is er geen bezwaar tegen het verrichten van curatieve taken door bedrijfsartsen.
    Naar verwachting zullen er zorgverzekeringen ontstaan met een arbocuratieve component, vooralsnog in de aanvullende pakketten via de collectieve contracten.
    Maar ook verstrekkingen op het gebied van arbeidsgerelateerde zorg uit het basispakket worden door CVZ (de ‘pakketautoriteit’) mogelijk geacht, zoals blijkt uit de CVZ-verwijskrant van eind juni 2006.

    Nota De Bedrijfsarts : dokter en adviseur, aangenomen op 4 april 2007 (7) - Voorts kan het onder omstandigheden doelmatiger zijn (bedrijventerreinen waar forensen ver van hun woonplaats werken, bedrijven met personeel van diverse nationaliteiten die geen eigen huisarts hebben) om werknemers niet alleen voor ‘minor ailments’, maar ook voor andere klachten door de bedrijfsarts te laten behandelen.
    Het ontstaan van bedrijvenpoli’s en health centre’s is hiervan een voorbeeld.

    3.3 - Onder ‘eerstelijnszorg’ wordt verstaan : “het eerste aanspreekpunt voor mensen die zorg nodig hebben. Eerstelijnszorg fungeert als poortwachter naar de meer specialistische zorg in het ziekenhuis en de geestelijke gezondheidszorg”.
    Eerstelijnszorg heeft een generalistisch karakter, gericht op de mens in zijn omgeving, is nabij en laagdrempelig.
    Deze omschrijving is gebaseerd op zowel de intentieverklaring van een groot aantal eerstelijns partijen ter versterking van de eerste lijn, als op de definitie die VWS hanteert.
    Op basis daarvan schreef minister Hoogervorst op 8-2-2006 aan de NVAB : ”Ik beschouw de bedrijfsarts wel degelijk als een belangrijk onderdeel van een integrale eerstelijnszorg.” - cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R166314208019586 & http://nvab.artsennet.nl/uli/?uli=AMGATE_6059_340_TICH_L1086699833&PHPSESSID=07ba120c5840a8fa60df2921eb
    ba31c0
    .

    3.4 - In Nederland wordt de wetgeving over arbodienstverlening teruggebracht tot alleen doelbepalingen en wenst de overheid zich minder te bemoeien met de in te zetten middelen.
    Werkgevers en werknemers zullen per branche of sector zelf bepalen welke middelen moeten worden ingezet om die doelen te halen, vastgelegd in arbocatalogi.
    Werknemersorganisaties hebben zich hierover reeds bezorgd getoond en ook de NVAB heeft laten weten dat veiligheid en gezondheid op de werkvloer niet per definitie gediend zijn met verregaande deregulering.
    Om haar expertise in te kunnen blijven brengen, zal de bedrijfsgeneeskunde andere wegen moeten bewandelen dan de op de bestaande wetgeving gebaseerde verplichtingen.
    Dat is de consequentie van dit nieuwe beleid.

    3.5 - Uit 'Tussenrapportage Reïntegratiemarkt' van de Raad voor Werk en Inkomen (dec. 2005) – cfr. : http://www.rwi.nl/CmsData/File/Archief/PDF/Tussenrapportage2005.pdf - : "Door de komst van de basisverzekering en de behoefte die daarmee ontstaat aan arbocuratieve pluspakketten voor werkenden, waarin arbodienstverlening en zorg gecombineerd worden, zullen zorgverzekeraars de reguliere zorg dwingen om arbocuratief te gaan werken. De bedrijfsgezondheidszorg wordt daarmee een regulier specialisme in de zorg, waarbij de bedrijfsarts en de arbodienst een rol spelen in zowel de eerste als de tweede lijn." (pag. 8).
    En verder : "In het nieuwe zorgstelsel kunnen zorgverzekeraars hun zorg inkopen bij verschillende aanbieders, dus ook bij arbodiensten en reïntegratiediensten. De nieuwe zorgwet zal het mogelijk maken om zorgverzekeraars meer diensten te laten vergoeden; daardoor zullen nieuwe discussies ontstaan (bijv. of de huisarts in een bepaalde situatie effectiever is dan de bedrijfsarts).” (pag. 11)

    3.6 - De huidige financieringsstructuur is debet aan (gebaseerd op een voordracht van prof.dr. W. van Mechelen op het KNMG-congres Arbeid en zorg d.d. 30-11-2005) :
    - loyaliteits- en imagoproblemen (voor wie werkt de bedrijfsarts ?)
    - een tweedeling in de zorg (voor werkenden is méér en andere zorg)
    - onbillijkheid omdat werkgevers twee keer meebetalen aan de zorg
    - moeilijk te bereiken synergie bij investeringen in preventie : de één (zorgverzekeraar) investeert liever niet voor de baten van de ander (de schadeverzekeraar en/of de werkgever) en omgekeerd.

    3.7 - Met bovenstaande standpunten beoogt en betoogt de NVAB overigens niet :
    - dat álle bedrijfsartsen in een eerstelijns gezondheidszorgvoorziening zouden moeten gaan werken
    - dat huisartsgeneeskunde en bedrijfsartsgeneeskunde volledig uitwisselbaar zouden moeten worden
    - dat bedrijfsartsen alle klinische vaardigheden van huisartsen dienen te gaan beheersen.

    Nota De Bedrijfsarts : dokter en adviseur, aangenomen op 4 april 2007 (8).

    3.8 - Op grond van de vrije artsenkeuze staat het werknemers vrij zich voor curatieve handelingen al dan niet tot de bedrijfsarts te wenden : de bedrijfsarts dient er voor te waken dat werknemers niet door hun werkgever onder druk worden gezet zich voor behandeling te wenden tot de meest nabije behandelaar (de bedrijfsarts).
    Het advies van de Commissie Beroepsuitoefening en Ethiek (CBE) luidt :
    "Op voorwaarde dat
    - het principe van de vrije artsenkeuze onverkort van kracht blijft
    - er sprake is van bevoegdheid en voldoende bekwaamheid bij de betreffende arts
    - er sprake is van adequate materiële en immateriële randvoorwaarden
    zijn er geen ethische bezwaren tegen het principe van het uitvoeren van behandeltaken door bedrijfsartsen
    ” (behandeltaken, zoals sociaal-medische begeleiding, gericht op functieherstel, kunnen vanzelfsprekend door bedrijfsartsen worden uitgevoerd).

    3.9 - Tot 09-11-2005 was in officiële beleidsnotities van de NVAB alleen sprake van begeleidende taken (cfr. 'Beroepsprofiel van de bedrijfsarts', oktober 2004 – cfr. : http://nvab.artsennet.nl/content/resources/AMGATE_6059_340_TICH_L1335785279/AMGATE
    _6059_340_TICH_R138623171557721//
    -, waarin alleen het verlenen van eerste hulp bij ongelukken wordt genoemd in de paragraaf ‘curatieve taken’.
    In de geldende Beroepscode en het Professioneel Statuut van de NVAB komt het woord ‘behandelen’ helemaal niet voor als het om de taken van de bedrijfsarts gaat.
    Met de vertegenwoordigers van huisartsen (LHV, later ook NHG) was in het convenant van 1997 en de ‘Visie op SMB’ uit 1998 overeengekomen dat de huisarts “curatieve zorg” verleent en de bedrijfsarts een taak heeft “op het terrein van de zorg in relatie tot arbeid en bedrijf”.
    In de uitwerking daarvan werd consequent gesproken over de huisarts die behandelt en de bedrijfsarts die begeleidt.
    Tussen ‘behandelen’ en ‘begeleiden’ bestaat echter geen strikte grens : waartoe behoort een ‘therapeutisch advies’ bijvoorbeeld ?
    De woordkeuze leek een semantische oplossing om de domeindiscussie niet op de spits te drijven en verder te kunnen met het convenant.
    Daaraan is overigens met succes uitvoering gegeven.
    In 2005 bleek overeenstemming mogelijk met de vertegenwoordigers van huisartsenorganisaties als bedrijfsartsen zich in hun ‘behandelzorg‘ beperken tot arbeidsgerelateerde klachten van werknemers, op basis van competentie (cfr. : Verslag Bestuurlijk Overleg ACS d.d. 19-10-2005 en brief van LHV/NHG aan CVZ d.d. 31-10-2005 : “Een behandelende rol van de bedrijfsarts bij arbeidsgerelateerde klachten lijkt ons te verdedigen als bijdrage aan een betere verzuimbegeleiding”).
    In tegenstelling tot het ook wel gehanteerde brede begrip ‘arbeidsrelevante aandoeningen’, gaat het bij arbeidsgerelateerde klachten om klachten die veroorzaakt worden door de verrichten arbeid en/of beroepsziekten.
    Voorbeelden van veel voorkomende arbeidsgerelateerde klachten zijn psychische klachten en klachten van het houdings- en bewegingsapparaat.

    3.10 – Cfr. ook : J.H.W. Bruins Slot, MC 10-02-2006 : De schrijver pleit voor een ‘klinische arbeidsgeneeskundig consulent met een opleiding tot bedrijfsarts’ in de grotere ziekenhuizen (hooguit 250) en bij zeldzame beroepsziekten of complexe arbeidsrelevante aandoeningen in de UMC’s (ongeveer 200).
    Inmiddels is een begin gemaakt : de polikliniek Opgelucht Werken in het UMCU, het ACAG in het UMCG en in het AMC de polikliniek Mens en Arbeid.

    3.11 - De doelgroep van bedrijfsartsen bestaat op dit moment uit werknemers met medische beperkingen die weer aan de slag willen en werknemers die graag onder goede arbeidsomstandigheden gezond willen blijven functioneren in hun werk.
    Dat betreft 7 van de 16 miljoen inwoners van Nederland.

    Nota De Bedrijfsarts : dokter en adviseur, aangenomen op 4 april 2007 (9) - Er zijn op verschillende plaatsen pilots ontstaan waarin de bedrijfsarts als extra voorziening gaat participeren in een eerstelijnsvoorziening.
    Daardoor komt de bedrijfsgeneeskundige expertise ook ter beschikking van mensen zonder betaald werk.
    Het thema ‘arbeid’ is voor huisartsen nog niet helemaal vertrouwd en wordt logischerwijze vooral geassocieerd met in loondienst werkende mensen.
    Het inschakelen van een bedrijfsarts voor niet-werkenden is nog weer een stap verder en zal meer tijd kosten.

    Toch zijn er diverse andere doelgroepen die baat zouden kunnen hebben bij de expertise van een bedrijfsarts met het oog op :
    - belastbaarheidadviezen, ook wanneer de belastbaarheid niet direct in verband staat met loonarbeid
    - re-integratieadviezen en begeleiding daarbij, ook als betaald werk niet (helemaal) tot de mogelijkheden behoort maar wel participatie en deelname aan het maatschappelijk functioneren haalbaar is
    - vitaliteitsbehoud en -bevordering, mede met het oog op de wenselijkheid om tot op hogere leeftijd inzetbaar te blijven
    - preventie van aandoeningen die samenhangen met belasting van welke aard dan ook
    - leefstijladvisering, zowel individueel als vanuit epidemiologisch perspectief gebaseerd op kennis van langdurige belasting en van gezondheidsbevordering.

    De bedrijfsarts zou dus een zinvolle bijdrage kunnen leveren, in welke setting en vanuit welke financiële regeling dan ook, aan gezondheid en inzetbaarheid van :
    - studenten en schoolverlaters, aspirant werknemers
    - zelfstandigen en free-lancers ('ZZP’ers : 'zelfstandigen zonder personeel')
    - werknemers in het MKB zonder toereikend arbocontract
    - uitzendkrachten
    - mantelzorgers (2,4 miljoen inwoners volgens opgave UWV)
    - vrijwilligers (jaarlijks zijn 4 miljoen vrijwilligers in organisaties actief)
    - mensen zonder betaald werk en uitkeringsgerechtigden
    - ex-werknemers in verband met de nasleep van beroepsaandoeningen
    - mensen met een handicap
    - vroeggepensioneerden en ouderen.

    Voor de genoemde doelgroepen zijn belastbaarheid en inzetbaarheid op individueel niveau van zeer grote betekenis : behalve voor (re-)integratie naar werk ook voor het individueel welbevinden, ADL, hobby’s, lichamelijke oefening en sport.
    Klachten en beperkingen die de natuurlijke ontplooiingsmogelijkheden belemmeren zijn zowel individueel als maatschappelijk van belang.
    Naast individuele belangen zijn de volgende maatschappelijke belangen in het geding :
    - zorgtaken, die op zeer ruime schaal door vrijwilligers en mantelzorgers worden uitgevoerd
    - maatschappelijke participatie, die op grote schaal inzet en belastbaarheid van betrokkenen vergt
    - de toegankelijkheid en kwaliteit van de gezondheidszorg, die oneigenlijk wordt belast met vragen en zorgen die eerder samenhangen met gebrekkige contacten en participatiemogelijkheden.
    Er zijn aanwijzingen dat ‘shop-gedrag’ in de gezondheidszorg gestimuleerd wordt door niet meer of niet optimaal kunnen participeren aan het maatschappelijk leven.

    3.12 – Cfr. J.H.W. Bruins Slot, MC 10-02-2006 : “In aanvulling op de activiteiten van in het bedrijf werkzame preventiewerkers zullen bij grote arbeidsorganisaties en binnen branches bedrijfsartsen werkzaam zijn met een takenpakket vooral gericht op systeempreventie of beroepsgerichte preventie.

    Nota De Bedrijfsarts : dokter en adviseur, aangenomen op 4 april 2007 (10).

    3.13 – Cfr. 'Tussenrapportage Reïntegratiemarkt' van de Raad voor Werk en Inkomen : http://www.rwi.nl/CmsData/File/Archief/PDF/Tussenrapportage2005.pdf -, pag. 8 : “Enerzijds zal de arbodienst zich naar verwachting ontwikkelen in de richting van HRM in verband met het besef dat arbo-, verzuim- en re-integratiebeleid een integraal onderdeel is van een goed personeelsbeleid .../... Anderzijds zal de arbodienstverlening zich naar verwachting ook ontwikkelen in de richting van zorg vanwege de toenemende integratie tussen sociale zekerheid en zorg.

    3.14 - Het is van belang onderscheid te maken tussen vrijwillige handelingen en handelingen in opdracht.
    Bij de eerste groep handelingen (arbeidsomstandighedenspreekuur, verzuimbegeleiding op verzoek van patiënt, preventief medisch onderzoek) is de relatie bedrijfsarts-patiënt dezelfde als die van elke andere curatief werkende arts met zijn/haar patiënt.
    Communicatie met andere behandelaars kan dan op de gebruikelijke manier plaatsvinden.
    Bij de tweede groep handelingen (aanstellingskeuringen, veiligheidskeuringen, verzuimbegeleiding op verzoek van werkgever) is de relatie bedrijfsarts-patiënt anders van aard.
    Communicatie met behandelend artsen is dan aan expliciete toestemming van de patiënt gebonden.
    Veiligheidshalve kan een bedrijfsarts er voor kiezen of hij/zij nu behandelaar is of niet, altijd bij communicatie met andere artsen expliciete toestemming van de patiënt te vragen (cfr. voor meer informatie hierover het KNMG-rapport : ”Behandelen door de bedrijfsarts, mogelijkheden en knelpunten”, Utrecht januari 2007 – cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R195562479490014 -.

    3.15 – Cfr. Column van P.E. Rodenburg, voorzitter NVAB, in MC februari 2006 : “De bedrijfsarts begint zich te ontworstelen aan het in de jaren negentig opgelegde juk om alleen post-actief met verzuim bezig te zijn.” - cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uli/?uli=AMGATE_6059_340_TICH_L1086699833&PHPSESSID=07ba120c5840a8fa60df2921eb
    ba31c0
    . -.

    3.16 – KNMG-rapport : “Toekomstige positionering en financiering van de bedrijfsartsen en hun kwaliteitsbeleid”, Utrecht maart 2006 – cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R1955631368322239 -.

    3.17 - Doordat de bedrijfsarts klassieke behandeltaken gaat uitvoeren en afspraken maakt over de vergoeding voor deze zaken door de verzekeraar, kunnen de kosten van arbozorg (dubbele kosten voor de werkgever) beperkt worden.


    Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R191969596231464


    Lees verder : Deel III

    25-11-2009 om 22:33 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, reïntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel III


    IV - De tevredenheid van de arbeidsongeschikte werknemer over de bedrijfsarts
    - Resultaten van een enquête-onderzoek -

    - The satisfaction of the employee on sick leave with the occupational physician
    - Results of a cross sectional study
    -

    Anna Katharina Mortelmans (1),(2), Peter Donceel (1), Diederik Lahaye (1), Katholieke Universiteit Leuven, Kapucijnenvoer 35/5, 3000 Leuven, België – (1) Afdeling Arbeids-, Milieu- en Verzekeringsgeneeskunde, Katholieke Universiteit Leuven. - (2) Dienst Onderzoek en Ontwikkeling, IDEWE – Correspondentie : Dr. A.K. Mortelmans, Afdeling Arbeids-, Milieu- en Verzekeringsgeneeskunde - Arch Public Health, 2003, 61, 271-281


    Samenvatting

    De doelstelling van deze publicatie is de tevredenheid van arbeidsongeschikte werknemers over de bedrijfsarts te beschrijven.

    In een dwarsdoorsnede-onderzoek vervolledigden 1564 personen een gestandaardiseerde vragenlijst.

    Daarvan beoordeelde 55% de bedrijfsarts positief, 8% negatief en 37% kende de arts niet.
    Deeltijds werkenden evalueerden de bedrijfsarts vaker positief dan voltijds werkenden.
    Naarmate de werkervaring of de leeftijd toenam, waren er minder werknemers die de bedrijfsarts niet kenden en steeg het aandeel positieve beoordelingen.

    De tevredenheidsgraad is consistent met de literatuur.
    Het feit dat werknemers de bedrijfsarts niet zelf mogen kiezen en onduidelijkheid over diens positie in het bedrijf, kan ontevredenheid verklaren.
    Het wettelijk kader van de arbeidsgeneeskunde is een oorzaak van het ‘niet kennen’: de bedrijfsarts nodigt alleen werknemers onder verplicht medisch toezicht uit.
    Het verband met de werknemer zijn anciënniteit en leeftijd wordt verklaard vanuit de praktische organisatie van de arbeidsgeneeskunde.
    De tevredenheid van arbeidsongeschikte werknemers over de bedrijfsarts is belangrijk.
    Het is immers aannemelijk dat een tevreden werknemer meer geneigd is beroep te doen op de bedrijfsarts.
    Dit geldt ook voor arbeidsongeschikte werknemers.
    Alle werknemers kunnen de bedrijfsarts spontaan consulteren, ook tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode.
    Via de spontane consultatie kunnen arbeidsongeschikte werknemers de bedrijfsarts tijdig inschakelen bij problemen rond werkhervatting.
    De bedrijfsarts kan werkgebonden oorzaken van arbeidsongeschiktheid oplossen en werkaanpassingen concretiseren.

    Summary

    The aim of this publication is to describe the satisfaction with the occupational physician of employees on sick leave in Belgium.
    In a cross sectional study 1564 individuals completed a standardised questionnaire.
    Up to 55% evaluated the occupational physician positively, 8% negatively and 37% did not know the physician.
    Part-time workers evaluated the occupational physician more frequently positively than full-time workers.
    As experience and age increased, fewer workers did not know the physician or made a negative assessment.
    The satisfaction level is consistent with the literature.
    The fact that employees cannot choose the occupational physician and indistinctness about the physicians’ position within the company may explain dissatisfaction.
    The Belgian legal framework of occupational health is a cause for not knowing the occupational physician : the physician only invites employees legally subjected to occupational health care.
    The relation with the employees’ age and work experience is explained by the practical organisation of occupational health.
    The satisfaction of employees on sick leave with the occupational physician is important.
    Because it is logical that mainly satisfi ed employees will be inclined to consult the occupational physician.
    AII employees can consult the occupational physician spontaneously, even during sickness absence.
    Using ‘the spontaneous consultation’, employees on sick leave can involve the occupational physician timely for problems concerning work resumption.
    The occupational physician can resolve work-related causes of sick leave and make concrete work adjustments.


    1. - Inleiding

    De mening van de werknemer wordt steeds meer erkend om de kwaliteit van de zorg te beoordelen (1).
    Dit geldt ook voor de arbeidsgeneeskunde (2).
    Tevredenheidenquêtes worden niet langer alleen naar werkgevers verstuurd maar ook aan werknemers aangeboden (3,4).
    Veelal worden dergelijke onderzoeken toegespitst op de bevraging van werknemers op de werkvloer - de arbeidsgeschikten (5).

    Het takenpakket van de Belgische bedrijfsarts is echter niet beperkt tot de preventieve zorg voor arbeidsgeschikten.
    Ook de begeleiding van arbeidsongeschikten naar werkhervatting behoort tot zijn opdracht (6).
    Bedrijfsartsen hebben zelfs een sleutelpositie in de reïntegratie van werknemers op ziekteverlof (7).
    De bedrijfsarts kan interveniëren in de oorzaak van het werkverzuim, want niet zelden is oorsprong in de arbeid of de arbeidomstandigheden terug te vinden (8).
    Door werkgerelateerde problemen op te lossen kan werkhervatting bespoedigd worden.
    De bedrijfsarts kan ook tussenkomen door de arbeid aan de werknemer met een beschadigde gezondheidstoestand aan te passen.
    Adaptaties omvatten aanpassingen aan de arbeidsplaats of het ter beschikking stellen van aangepaste werktuigen.
    Ook een wijziging aan het uurrooster, het arbeidsritme, de jobinhoud of een postenmutatie kan de reïntegratie gemakkelijker maken.
    Aangepaste werkhervatting kan de gemiddelde arbeidsongeschiktheidsduur halveren en blijvende arbeidsongeschiktheid voorkomen (9).
    Bij een bevraging van werknemers omtrent de tevredenheid over (de zorg van) de bedrijfsarts, dient men dus ook rekening te houden met de mening van arbeidsongeschikte werknemers.

    De voorliggende bijdrage heeft als doel de tevredenheid van arbeidsongeschikte werknemers over de bedrijfsarts te beschrijven.
    De relatie tussen de arbeidsongeschikte werknemer en de bedrijfsarts kan immers voor de werknemer een bepalende factor zijn voor het inschakelen van deze arts.


    2. - Opzet en methodiek - Situering van het onderzoek

    Het onderzoek maakt deel uit van het Revalidatie door Gecombineerde Actie (ReGA)- project (10).
    Het ReGA-project onderzoekt het effect van de samenwerking tussen de bedrijfsarts, de adviserende arts en de curatieve arts op de werkhervatting van arbeidsongeschikte werknemers.

    Inhoudelijk bestaat het ReGA-project uit :

    • een enquête-onderzoek voor bedrijfsartsen waarin de samenwerking met de adviserende artsen en de curatieve artsen bevraagd wordt (11);

    • een communicatiemodel voor bedrijfsartsen en adviserende artsen om hun samenwerking te structureren;

    • een interventiestudie waarin het effect van de implementatie van het communicatiemodel op de werkhervatting van arbeidsongeschikte werknemers onderzocht wordt;

    • een enquête-onderzoek voor arbeidsongeschikte werknemers met vragen over arbeidsongeschiktheid en werkhervatting.
      Hierin wordt ondermeer gepeild naar de tevredenheid over de bedrijfsarts.


    2.1 – Studiepopulatie

    Voor de interventiestudie en het enquête-onderzoek voor arbeidsongeschikten kwamen werknemers met de volgende inclusie criteria in aanmerking :

    • minstens 8 weken arbeidsongeschikt in de periode an september 2001 tot juli 2002;

    • arbeidsongeschiktheid erkend door één van de adviserende artsen van de Christelijke Mutualiteiten van Mechelen, Hasselt of Turnhout;

    • arbeidsongeschikt wegens een niet aan zwangerschap gerelateerde aandoening;

    • leeftijdsklasse 18-50 jaar.

    De onderzoeker stelde aan alle werknemers die voldeden aan de inclusiecriteria de interventiestudie én het enquête-onderzoek voor.
    De onderzoeksinformatie werd verstrekt aansluitend op een arbeidsongeschiktheidsevaluatie bij de adviserende arts.
    Bij interesse vroeg de onderzoeker een schriftelijke verklaring van deelname (informed consent).
    Deelname betekende voor de werknemer twee zaken :

    1. dat hij toestemming gaf voor het opstarten van gestructureerde samenwerking tussen de adviserende arts en bedrijfsarts gevolgd door een evaluatie van de werkhervattingmogelijkheden (de interventiestudie).

    2. dat hij een anonieme en korte vragenlijst invulde (het enquête-onderzoek).


    2.2 – Meetinstrument

    De enquête werd ontworpen in het kader van het ReGA-project.
    In een eerste deel werden algemene kenmerken van de steekproefpopulatie verzameld.
    Nadien kwamen vragen over arbeidsongeschiktheid en werkhervatting aan bod.
    Eén vraag over de tevredenheid ten opzichte van de bedrijfsarts werd toegevoegd.
    Alle vragen hadden meerkeuzeantwoorden waarbij de werknemer maar één antwoord mocht aankruisen.
    Een uitzondering hierop vormde de diagnosevraag :”Aan welke ziekte / aandoening / ongeval lijdt u ?”.
    Hier was het mogelijk dat meer dan één diagnose ingevuld werd.
    Antwoorden op deze open vraag werden nadien door de onderzoeker ingedeeld in drie grote diagnoseklassen.


    2.3 – Gegevensverwerking

    De statistische analyse werd uitgevoerd met het softwarepakket SPSS.
    Voor beschrijvende statistiek werd geopteerd voor de Chikwadraattest.
    Een 95% betrouwbaarheidsinterval werd gehanteerd.


    2.4 – Resultaatsbeschrijving

    In de resultaatsbeschrijving worden absolute aantallen en percentages weergegeven.
    De procentuele resultaten zijn ‘herberekende percentages’ waarbij de blanco antwoorden verhoudingsgewijs toegevoegd werden aan de wel ingevulde antwoorden.


    3. - Resultaten

    Het potentieel aantal werknemers dat aan alle inclusiecriteria beantwoordde, was 1867.
    84% wenste deel te nemen (Figuur 1 - Opbouw van de steekproef – cfr. : http://www.iph.fgov.be/aph/pdf/aphfull61_271_281.pdf – p. 275).
    De nonparticipatiegraad in de 3 regio’s varieerde tussen 14 en 18%.
    Leeftijden geslachtsverdeling van de 303 niet-deelnemende werknemers was niet statistisch significant verschillend van de deelnemersgroep.
    De belangrijkste redenen voor non-participatie was geen interesse (40%) (12).
    Voor de participerende groep ontbreken een aantal gegevens.
    Voor 69 werknemers zijn geen enquêteresultaten beschikbaar : 4 werknemers gaven de vragenlijst blanco af, 65 bezorgden de vragenlijst niet terug aan de onderzoeker.
    Voor 33 werknemers zijn geen achtergrondgegevens beschikbaar : zij vulden de eerste pagina van de enquête niet in.
    Tweehonderd en tien werknemers gaven geen antwoord op de vraag over hun tevredenheid over de bedrijfsarts.

    Basiskenmerken van de steekproefpopulatie zijn samengevat in Tabel 1 - Kenmerken van de steekproef - cfr. : http://www.iph.fgov.be/aph/pdf/aphfull61_271_281.pdf – p. 276).
    De gemiddelde leeftijd van de respondenten was 38 jaar (standaarddeviatie = 7).
    Tweeënzestig procent vulde als hoofdreden voor zijn arbeidsongeschiktheid een orthopedisch probleem in.
    Meer dan 300 werknemers meldden een rugprobleem, een 200-tal een bovenste lidmaat-pathologie (inclusief de schoudergordel), 150 een aandoening van het onderste lidmaat en een 100-tal een nekprobleem.
    Tot 19% van de werknemers noteerde een psychische aandoening.
    Depressie en decompensatie waren de meest frequent gerapporteerde psychische diagnosen.
    Het chronisch vermoeidheidssyndroom en fi bromyalgie werd ingevuld door 17 werknemers.
    In de groep niet-orthopedische niet-psychische diagnosen (19%) hadden 46 werknemers een gastroenterale, 34 een neurologische, 26 een cardiovasculaire, 23 een gynaecologische en evenveel een respiratoire pathologie.

    De tevredenheid van de arbeidsongeschikte werknemer over de bedrijfsarts werd geëvalueerd met de vraag : “Staat u overwegend positief of negatief tegenover uw bedrijfsarts of kent u hem niet ?”.
    De resultaten zijn samengevat in Tabel 2 - Tevredenheid over de bedrijfsarts in functie van de werknemer zijn uurrooster, anciënniteit bij de huidige werkgever en leeftijd - cfr. : http://www.iph.fgov.be/aph/pdf/aphfull61_271_281.pdf - p. 277).
    Vijfenvijftig procent beoordeelde de bedrijfsarts positief, 8% negatief.
    Tot 37% kende de bedrijfsarts niet.
    Mannen en vrouwen evalueerden de bedrijfsarts vergelijkbaar (Chikwadraat 1,107, p=0,575).
    Opdeling naar het opleidingsniveau bracht geen verschillen aan het licht (Chi-kwadraat 10,208, p=0,116).
    Evenmin kon een statistisch signifi cant verschil tussen arbeiders en bedienden of tussen de 3 diagnoseklassen aangetoond worden (Chi-kwadraat 1,077, p=0,584) (Chi-kwadraat 8,383, p=0,211).

    Wél was er een signifi cante relatie met het aantal gepresteerde arbeidsuren (Chi- kwadraat 5,976, p=0,05).
    Ook de anciënniteit bij de huidige werkgever speelde een rol (Chi-kwadraat 126,688, p=0,000).
    Vergelijkbare resultaten werden genoteerd voor de ervaring binnen de beroepsgroep : in de werknemersgroep met een beroepservaring van minder dan 1 jaar antwoordde 31 % ‘positief', 4% ‘negatief' en 65% ‘ik ken de bedrijfsarts niet’.
    Voor een beroepsanciënniteit van 1 tot 5 jaar bedroegen de cijfers respectievelijk 44%, 7% en 49%.
    In de hoogste anciënniteitklasse was 62% positief, 8% negatief en kende 30% de bedrijfsarts niet (Chi-kwadraat 70,721, p=0,000).
    Ook een significant verband met de leeftijd van de respondenten werd vastgesteld (Chikwadraat 22,712, p=0,001).


    4. - Bespreking en conclusie

    Tot 55% van de studiepopulatie had een positief oordeel over de bedrijfsarts.
    In een recent reviewartikel worden 9 studies uit Nederland, Finland en de Verenigde Staten van Amerika, waarin de werknemersbeoordeling centraal stond, beschreven.
    De satisfactiegraad schommelde tussen 38 en 97% (5).
    De steekproefomvang varieerde van 61 tot 1266 werknemers en onderzoekspopulatie bestond veelal uit arbeidsgeschikten.
    Meetinstrumenten waren interviews en enquêtes.
    De antwoordschalen hadden 3 tot 7 keuzemogelijkheden.
    Sommige studies evalueerden de tevredenheid over de volledige bedrijfsgeneeskundige dienst, andere de tevredenheid over de bedrijfsarts.
    De bedrijfsarts heeft niet in alle landen hetzelfde takenpakket.
    Zo verricht de Nederlandse bedrijfsarts ook ziekteverzuimcontroles wat zijn imago kan beïnvloeden (13).
    Door de sterk uiteenlopende opzet en methodiek van de studies dienen vergelijkingen met de grootste omzichtigheid te gebeuren.

    Tot 8% beoordeelde de bedrijfsarts negatief.
    Dit is niet verwonderlijk :

    • er is geen sprake van een vrije artsenkeuze : het is de werkgever die een bepaalde bedrijfsarts of bedrijfsgeneeskundige dienst kiest.

    • er is de driehoeksverhouding tussen werkgever, werknemer en bedrijfsarts.
      De onafhankelijke positie van de bedrijfsarts is niet voor alle werknemers even duidelijk.
      De praktijk leert dat de bedrijfsarts zich moet inzetten om het vertrouwen te winnen (14).

    Tot 37% van de respondenten haalde aan de bedrijfsarts niet te kennen.
    Deze cijfers dienen gekaderd te worden in het wettelijk stelsel waarbinnen de bedrijfsarts alleen de ‘onderworpenen’ op medisch onderzoek uitnodigt.
    Het zijn werknemers die wettelijk verplicht onder gezondheidstoezicht van de bedrijfsarts staan.
    In België wordt het aandeel van de ‘onderworpenen’ ten opzichte van de totale werknemerspopulatie op 56% geschat (15).
    Vlaamse cijfers zijn van dezelfde grootte-orde (16).
    Binnen de studiepopulatie mag eenzelfde verhouding verondersteld worden.
    Het is dus niet onlogisch dat een deel van de respondenten de bedrijfsarts niet kende.

    Er werden statistisch signifi cante verschillen genoteerd in functie van het werkrooster.
    Nochtans is de wettelijke opdracht van de bedrijfsarts voor voltijds of deeltijds werkenden dezelfde.
    In de praktijk worden deze werknemers niet anders benaderd door de bedrijfsarts.
    Een mogelijke verklaring zou men kunnen zoeken in het soort werk dat deeltijds tewerkgestelden verrichten.
    Het is mogelijk dat vooral in bepaalde beroepssectoren parttime wordt gepresteerd en dat de arbeidsomstandigheden in deze sectoren aanleiding geven tot een verplicht gezondheidstoezicht.
    Dit kon echter niet nagegaan worden in de onderzochte steekproef.

    Een significant verband tussen de beoordeling door de arbeidsongeschikte werknemers en hun werkervaring lag wel binnen de verwachtingen.
    Onderworpen werknemers worden bij de start van hun loopbaan op aanwervingonderzoek uitgenodigd en nadien op regelmatige basis door de bedrijfsarts onderzocht.
    De frequentie van deze periodieke onderzoeken is functie van het risico waaraan de werknemer is blootgesteld.
    Binnen deze context is het logisch dat werknemers met een lagere anciënniteit bij de werkgever maar ook binnen hun beroepsgroep vaker de bedrijfsarts niet kenden.
    Dezelfde redenering geldt voor de relatie leeftijd - tevredenheid over de bedrijfsarts.
    Hoe ouder men is, hoe groter de kans dat men al eens met de bedrijfsarts in contact kwam.
    Hoewel dit zeker niet voor alle gevallen zo is, kan wellicht enige overlap teruggevonden worden tussen de duur van de laatste tewerkstelling en het laatst uitgevoerde beroep én de leeftijd(scategorie).

    In het voorliggende onderzoek lag de focus op arbeidsongeschikte werknemers.
    Dit uitgangspunt is uniek en niet onbelangrijk.
    De Belgische bedrijfsarts heeft een bijna zuiver preventieve taak.
    Ook de preventie van arbeidsongeschiktheid behoort tot zijn opdracht :

    • primaire preventie omvat het voorkomen van ongezonde werkomstandigheden (die aanleiding geven tot arbeidsongeschiktheid),

    • secundaire preventie is onder meer het tijdig opsporen van (werkgebonden) pathologieën (die tot werkverzuim kunnen leiden) en

    • tertiaire preventie is het beperken van verdere schade (door het bevorderen van de wedertewerkstellingskansen).

    De bedrijfsarts heeft geen onbelangrijke rol in de reïntegratie van arbeidsongeschikte werknemers (17).
    Hij kan trachten werkgebonden oorzaken van arbeidsongeschiktheid op te lossen.
    En door de concretisering van aangepast werk kan langdurige arbeidsongeschiktheid vermeden worden.

    De bedrijfsarts heeft echter weinig of geen contact met arbeidsongeschikte werknemers.
    Hij wordt wettelijk verboden controle uit te oefenen op individueel werkverzuim.
    Om zijn positie als niet-controlerende arts te onderlijnen, neemt de bedrijfsarts, tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode, zelden zelf contact op met de werknemer.
    Veel bedrijfsartsen vernemen pas de diagnose, prognose en beperkingen als de werknemer zich meldt op het werkhervattingonderzoek.
    Het onderzoek wordt gepland op het einde van de arbeidsongeschikt heidsperiode of in de eerste dagen na werkhervatting.
    En zelfs bij werkhervatting krijgt de bedrijfsarts niet voor alle werknemers volledige informatie : het werkhervattingonderzoek is immers voorbehouden voor ‘onderworpenen’.

    Arbeidsongeschikte werknemers kunnen echter aangemoedigd worden zelf de bedrijfsarts te contacteren.
    Zij kunnen de bedrijfsarts ‘spontaan consulteren’.
    De spontane consultatie bij de bedrijfsarts is toegankelijk voor onderworpenen en niet-onderworpenen.
    Het biedt opportuniteiten om de bedrijfsarts tijdig in te schakelen bij problemen rond arbeidsongeschiktheid en werkhervatting.
    De bedrijfsarts krijgt de gelegenheid om werkgebonden problemen en eventuele knelpunten – die een terugkeer naar het werk in de weg staan – te bespreken en naar een oplossing te zoeken.
    Ook de mogelijkheden voor aangepaste of deeltijdse werkhervatting kunnen dan in een vroeg stadium nagegaan worden.
    Het is logisch dat vooral werknemers die tevreden zijn over de bedrijfsarts deze mogelijkheid zullen benutten.
    Het is dus belangrijk het aantal arbeidsongeschikte werknemers die de bedrijfsarts niet kennen of negatief evalueren, te beperken.

    De studie heeft methodologische beperkingen :

    • De steekproefpopulatie omvatte alleen arbeidsongeschikte werknemers van de Christelijke Mutualiteiten Mechelen, Turnhout en Hasselt.
      Werknemers hebben vrije keuze van ziekteverzekeraar.
      In deze regio’s is de aansluitingsgraad 56 tot 67%.
      Het wettelijke kader en de organisatie van de arbeidsgeneeskunde en de ziekteverzekering zijn identiek voor heel Vlaanderen, maar de onderzoeksgroep is niet noodzakelijk representatief voor alle Vlaamse werknemers.

    • Een eenvoudige meting werd gebruikt : slechts één vraag betreffende de tevredenheid van arbeidsongeschikte werknemers over de bedrijfsarts werd voorgelegd.
      Het aantal antwoordmogelijkheden was beperkt.
      Evenmin werd een definitie geboden van wat onder de termen ‘positief’, ‘negatief’ en ‘kent de bedrijfsarts niet’ diende verstaan te worden.

    Ondanks de genoemde beperkingen helpt deze studie hiaten in het onderzoek naar de relatie werknemer - bedrijfsarts te vullen, met name de tevredenheid van de arbeidsongeschikte werknemer over de bedrijfsarts.
    Medische publicaties over de werknemerstevredenheid zijn niet talrijk (3-5).
    Meer onderzoek in deze context is zeker zinvol.

    Concluderend kan gesteld worden dat meer dan de helft van de arbeidsongeschikte werknemers uit de steekproef overwegend positief stond tegenover de bedrijfsarts.
    Het niet kennen van de bedrijfsarts of hem negatief beoordelen, is te verklaren vanuit het wettelijke kader waarbinnen de Belgische bedrijfsarts functioneert.
    Toch is het een gemiste kans dat tal van arbeidsongeschikte werknemers niet of onvoldoende vertrouwd waren met de bedrijfsarts.
    Want vanuit reïntegratie-oogpunt is een goede verstandhouding belangrijk.
    Werknemers op ziekteverlof kunnen immers de bedrijfsarts spontaan consulteren om belemmeringen voor werkhervatting tijdig op te lossen en zo langdurige of blijvende arbeidsongeschiktheid te vermijden.


    5. - Referenties

    1. (1) - Het meten van werknemerstevredenheid. Het gebruik van gestandaardiseerde vragenlijsten
      Peersman W, Seuntjens L, Jacobs N, De Maeseneer J - Huisarts Nu 2001; 30: 398-402

    2. (2) - Gap analysis of health services - Client satisfaction surveys
      Dyck D, Alexander Consulting Group, Calgary, Alberta, Canada - AAOHN J. 1996 Nov;44(11):541-9 - PMID: 9043219
      1. Measurement of client satisfaction is an important component of an effective occupational health service.
      The key to providing an effective health service is meeting or exceeding what clients expect from the service.
      2. Gap analysis, a methodology for measuring service quality gaps, consists of identifying the type of gap(s) (1 through 5) that exist, preventing client satisfaction with the service(s) provided.
      3. Although it has limitations, the SERVQUAL instrument is a valid and reliable tool that can be adapted to measure service quality gaps in occupational health services.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9043219

    3. (3) - Evaluation of occupational health service in the wood processing industry--determination of employee satisfaction
      Kujala V, Väisänen S, University of Oulu, Department of Public Health Science and General Practice, Finland - Occup Med (Lond). 1997 Feb;47(2):95-100 - PMID: 9156479
      In order to define priorities for improvement of the occupational health service (OHS) in one primary health care unit, employees' satisfaction was evaluated with a postal questionnaire.
      The questionnaire covered items on service reservation, personal health education received, quality of the OHS and use of the OHS within six months by the employees.
      This evaluation was one step of the quality system that was planned in accordance with the ISO 9004-2 standard for continuous quality improvement of OHS.
      The study population was all of 1,050 employees working for five employers; 546 (52%) employees responded to the inquiry.
      However, only 377 of them had made use of the OHS within the last six months before the inquiry.
      The mean age of the responders was 42 years (SD = 9 years) and 76% of the respondents were men.
      The percentages of employees with a high degree of satisfaction with the quality of the OHS and personal health education in the OHS were 76% and 69%, respectively.
      However, concerning the quality of the OHS, the proportion of highly satisfied employees was 27% higher (95% CI = 19-35%) among those who had used OHS within six months compared to the others.
      Furthermore, when the oldest (> 48 years) and the youngest (< 35 years) age groups were compared, the difference between the proportions of highly satisfied employees was 21% (95% CI = 31%).
      In conclusion, the high differences suggest a close linkage between the employee's satisfaction with the OHS, the use of the OHS and ageing.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez

    4. (4) - Employee perceptions of workplace health and safety issues - Can a questionnaire contribute to health needs assessment ?
      K. A. Ritchie and J. McEwen, Department of Public Health, University of Glasgow Glasgow, UK - Correspondence and reprint requests to: Dr K. A. Ritchie, Department of Public Health, University of Glasgow, 2 Lilybank Gardens, Glasgow G12 8RZ, UK - Occupational Medicine 1994;44:77-82 - © 1994 Society of Occupational Medicine
      A questionnaire survey was conducted to determine attitudes and perceptions of employees of a Scottish local authority of the role of occupational health services.
      Questions were included covering the following areas : influences on health, the effect of the workplace on health, satisfaction with work and working conditions, the role of occupational health services and personal health experience.
      Most of the survey respondents believed that the prime function of an occupational health service is to ensure a safe working environment.
      However, it was indicated that management has responsibility for employee welfare at work and that an approrpiate management structure to address safety issues should be accessible.
      In addition, employees would like the occupational health service to provide some health promotional activities, particularly stress management courses and the opportunity for exercise.
      Cfr. : http://occmed.oxfordjournals.org/cgi/content/abstract/44/2/77

    5. (5) - Consumer satisfaction with occupational health services - Should it be measured ?
      Verbeek J, van Dijk F, Räsänen K, Piirainen H, Kankaanpää E, Hulshof C, Coronel Institute for Occupational and Environmental Health, Academic Medical Center, Amsterdam Center for Research of Health and Healthcare, University of Amsterdam, PO Box 22700, 1100 DE Amsterdam, The Netherlands : j.h.verbeek@amc.uua.nl - Occup Environ Med. 2001 Apr;58(4):272-8 - PMID: 11245745
      Objectives
      - To find answers in the literature to the questions if, why, and how consumer satisfaction with occupational health services (OHSs) should be measured.
      Methods - Publications about the concept of consumer satisfaction with health care and surveys of consumer satisfaction with occupational health care were reviewed.
      Results - For care providers, surveys of consumer satisfaction can be useful to improve quality or as indicators of non-compliant behaviour among patients.
      For clients, satisfaction surveys can be helpful for choosing between healthcare providers.
      Satisfaction is made up of an affective component of evaluation and a cognitive component of expectations.
      Also, in occupational health care, patient satisfaction is measured by dimensions such as the humanness and competence of the care provider similar to health care in general.
      However, there are dimensions that are specific to occupational health-such as the perceived independence of the physician, unclear reasons for visiting an OHS and the perceived extent of knowledge of OHS professionals about the patient's working conditions.
      Dimensions of client satisfaction are mostly similar to patient satisfaction but include more businesslike aspects.
      They are different for the two groups of client, employers and employees.
      To measure consumer satisfaction in occupational healthcare specific questionnaires must be constructed.
      To achieve the highest possible reader satisfaction guidelines are provided for construction of a questionnaire.
      Conclusions - Consumer satisfaction is a complex theoretical concept, but it is relatively easy to measure in practice and can be a valuable tool for quality improvement.
      Consumers' evaluations of occupational health services will become increasingly important due to changes in the organisation of occupational health care.
      Occupational healthcare providers are encouraged to measure the consumer satisfaction of their services.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11245745?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RV
      DocSum

    6. (6) - Artsenoverleg over werkhervatting van langdurig arbeidsongeschikten
      Mortelmans AK, Donceel P, Masschelein R, Lahay D - Tijdschrift voor Geneeskunde : Volume : 59, issue : 5, date : 2003, pages: 305-314
      Tijdens een langere periode van afwezigheid op het werk komt de patiënt in contact met de behandelend arts, de verzekeringsarts en eventueel ook met de arbeidsgeneesheer.
      Deze geneeskundigen zijn, bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en de begeleiding naar werkhervatting, elk vanuit hun gezichtshoek bezig met hetzelfde probleem.
      Toch is overleg tussen deze drie artsengroepen zeldzaam.
      Verduidelijking van hun rol wijst nochtans op complementariteit.
      De verzekeringsarts kent het best de mogelijkheden in de wetgeving inzake schadeherstel.
      De maatregel waarbij adviserend geneesheren aangepaste werkhervatting kunnen toelaten en zo professioneel herstel parallel aan het medisch herstel kunnen organiseren, is waardevol maar ondergebruikt.
      De behandelend arts kent het best de patiënt en kan de positieve zijde van een vroegtijdige, gestadige en graduele toename van de fysieke en psychologische arbeidsbelasting bespreekbaar maken.
      De arbeidsgeneesheer kent het best de mogelijkheden in het bedrijf en is de enige die de werkgever en de vakbonden van het nut van herstelbevorderende revalidatieprogramma's kan overtuigen.
      Contacten tussen verzekeringsarts, arbeidsgeneesheer en behandelend arts kunnen zeer waarschijnlijk resulteren in geoptimaliseerde begeleiding van langdurig arbeidsongeschikten.
      Meer wetenschappelijke initiatieven over multidisciplinaire samenwerking en haar effect op de werkhervattingskansen zijn wenselijk.
      Het ReGa-project beantwoordt aan deze noodzaak tot wetenschappelijk onderzoek omtrent de tertiaire preventie van langdurige arbeidsongeschiktheid.
      Collaboration between doctors on return to work
      During a long period of work incapacity, a patient regularly is visiting his treating physician, his health insurance physician and eventually his occupational physician.
      All these physicians are involved in the same problem : the assessment of work incapacity and the reorientation of the employee towards professional reintegration.
      Although their role in this matter is clearly complementary, their mutual collaboration is limited.
      The insurance physician is best informed about the legal aspects of the Belgian sickness insurance.
      The medical adviser of the health insurance can permit an adapted return to work, a useful but underappreciated measure.
      The treating physician knows best the patient's illness and can discuss the positive aspects of an early and gradual increase of the workload.
      The occupational physician is aware of the possibilities for re-employment in the company and is able to convince the employer and the trade unions of the importance of rehabilitation programs.
      Contacts between the insurance, the occupational and the treating physician may probably result in enhanced rehabilitation for employees with long-term sick leave.
      More studies about multidisciplinary collaboration and their effect on professional reintegration are needed.
      The Rehabilitation through Combined Action - project is a scientific research project fulfilling this need.
      Cfr. : http://poj.peeters-leuven.be/content.php?url=article&id=1001555&journal_code=TVG

    7. (7) - De zieke werknemer - Welke opdrachten voor de bedrijfsarts ?
      Vlaamse Universitaire Studiedag voor Arbeidsgeneeskunde; 7 juni 2001, Brussel. Leuven, 2001

    8. (8) - Occupational factors in sickness certification
      Tellnes G, Bruusgaard D, Sandvik L, Department of General Practice, University of Oslo, Norway - Scand J Prim Health Care. 1990 Mar;8(1):37-44 - PMID: 2141430
      Physical work load was assessed by doctors and patients to have contributed to the health problems leading to sickness certification in 48.4% of 1413 patients certified sick by 118 general practitioners in Buskerud county, Norway (1986).
      Correspondingly, psychological factors were considered contributory in 32.1%.
      The potential for prevention of health problems underlying sickness certificates was reported in 37.1%.
      As expected, the frequency of sickness certification in which physical work load and psychological factors were considered to have contributed varied with the patients' occupation, type of work and health problem.
      Physical work load was assessed as contributory particularly in patients with musculoskeletal/connective tissue diseases whose work involved much walking and lifting (93.2%) or was physically strenuous (94.0%).
      Psychological factors were assessed as contributory in a high percentage of cases whose work was mostly sedentary.
      The findings indicate that the potentials for prevention as assessed by doctors and patients were highest when the health problems underlying sickness certification were associated with musculoskeletal/connective tissue diseases.
      The results indicate a potential for prevention and limitation of sickness certification which may be utilized by a better collaboration between community medicine and occupational health services.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=pubmed&uid=2141430&cmd=showdetailview&indexed=google

    9. (9) - Modified Work and Return to Work - A Review of the Literature
      Krause N.1; Dasinger L.K.2; Neuhauser F.3, 1 : School of Public Health, Division of Epidemiology, University of California, Berkeley, California – 2 : Public Health Institute, Berkeley, California – 3 : UC Data, University of California, Berkeley, California - Journal of Occupational Rehabilitation, Volume 08, Number 2, June 1998 , pp. 113-139(27)
      Workplace injuries which result in lost time from work can have considerable financial repercussions for employer and employee alike, not to mention their physical and emotional impact on the employee.
      In order to lessen workers' compensation costs and facilitate the rehabilitation process, some employers offer modified work to their injured employees in order to allow an earlier return to work than would ordinarily be possible.
      Although modified work is regarded by many as a cornerstone in the job rehabilitation process, little is known about the structure, effectiveness and efficiency of such programs.
      This report is a systematic review of the scientific literature on modified work published since 1975.
      Its objective is to synthesize and critically appraise the research on modified work and, specifically, to assess the effectiveness of modified work programs.
      Using a systematic keyword search in three online libraries, 29 empirical studies of modified work programs were selected for review.
      The studies were evaluated for methodological quality, from which 13 higher quality studies were identified.
      On the basis of these 13 studies, the effectiveness of modified work programs was evaluated.
      The main finding of this review is that modified work programs facilitate return to work for temporarily and permanently disabled workers.
      Injured workers who are offered modified work return to work about twice as often as those who are not.
      Similarly, modified work programs cut the number of lost work days in half.
      The available evidence also suggests that modified work programs are cost-effective.
      Comprehensive cost-benefit analyses are needed to confirm this finding.
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/klu/joor/1998/00000008/00000002/00415938

    10. (10) - Samenwerking arbeidsgeneesheer, verzekeringsarts en behandelende arts in België en Nederland - Deel 2 - Vergelijkbare initiatieven
      Anna Katharina Mortelmans (corresponding author), Peter Donceel & Diederik Lahaye
      Tijdschr Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 2003, vol :11 issue :1 pages :21-23

      Cfr. : https://lirias.kuleuven.be/handle/123456789/143164

    11. (11) - Samenwerking tussen de bedrijfsarts, verzekeringsarts en curatieve arts - Resultaten van een cross-sectioneel onderzoek bij Belgische bedrijfsartsen
      Anna Katharina Mortelmans (corresponding author), Peter Donceel, Raphaël Masschelein & Guido Moens – TSG, 2004, vol :82 issue :2 pages :104-111
      Cfr. : https://lirias.kuleuven.be/handle/123456789/142980

    12. (12) - Arbeidsongeschikte werknemers willen de bedrijfsarts betrekken bij hun ziekteverzuim - Participatie en niet-participatie aan een interventiestudie over gegevensuitwisseling tussen de bedrijfsarts, de verzekeringsarts en de curatieve arts
      Anna Katharina Mortelmans (corresponding author), Peter Donceel & Diederik Lahaye - Arbeidsgezondheidzorg en Ergonomie, 2004, vol : XLI issue :3 pages :107-113
      Cfr. : https://lirias.kuleuven.be/handle/123456789/142983

    13. (13) - Recent changes in occupational medicine in The Netherlands
      Weel AN, van der Beek AJ, Kroon PJ, Verbeek JH, van Dijk FJ, CORVU Amsterdam School of Occupational Medicine, Academic Medical Centre, University of Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands : a.n.weel@amc.uva.nl - Int Arch Occup Environ Health. 1999 Aug;72(5):285-91 - PMID: 10447657
      In some respects, the Dutch seem to be forerunners in Europe.
      Occupational health care for all workers can be considered as a substantial progress.
      Nonetheless, The Netherlands has taken the lead in Europe regarding high work pressure, sickness absence and disability for work.
      The resulting focus on sickness absence management in many companies is associated with changes in the tasks and position of the occupational physician.
      Quality of occupational health care is not always as high as it should be, partly as a result of the commercial approach occupational health services have to adopt nowadays.
      However, the post-academic education programme, with special attention for training of skills, is increasingly adapted to occupational physicians working in a commercial environment.
      Moreover, a basis has been laid for a better infrastructure and occupational physicians show an increase in professional enthusiasm.
      Furthermore, co-operation between different professionals has become increasingly common, resulting in a more comprehensive support for companies.
      Efforts are being made for better co-operation with general practitioners and medical specialists.
      Finally, the priorities for future research have been clearly outlined by a programming study.
      Experts are in demand for studies regarding implementation and evaluation of interventions, especially cost-benefit analysis.
      Furthermore, work stress and musculoskeletal disorders remain on the research agenda.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez

    14. (14) De relatie van de werknemer met zijn bedrijfsarts
      Bruins Slot JHW – In: 'Handboek bedrijfsgezondheidszorg – Band I' - Buijs PC, Van Oosterom A, Wolvetang H – Maarssen : Elsevier/Bunge, 1998: C6-1: 1-6
      Handboek bedrijfsgezondheidszorg
      P. Buijs – Utrecht : Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1990 - Provinciaal Veiligheidsinstituut : Contactpersoon : Walter Vervloet - Tel. : (32) – (0)3 203 42 21 – E-mail : pvi@felnet.info – Website : http://www.provant.be/pvi/ -
      Cfr. : http://bib.felnet.be/index.asp?PS=boek&nr=477280

    15. (15) COPREV, Jaarverslag 2002/9
      COPREV - Vereniging van Externe diensten voor preventie en bescherming op het werk – Contact : Carl Briké - Tel. : 02 515 08 78 - E-carl.brike@co-prev.be of Katie Polet – Tel. : 02 515 08 98 fax - E-mail: katie.polet@co-prev.be
      Cfr. : http://www.co-prev.be/

    16. (16) Bedrijfsgezondheidszorg in Vlaanderen – Omgevingsanalyse
      J. Van Heuverswyn - Vlaamse Overheid, Departement Welzijn,volksgezondheid en gezin, 2000
      Cfr. : http://www.wvg.vlaanderen.be/welzijnengezondheid/ & http://start.vlaanderen.be/thema.php?nav=burger&thema_id=31

    17. (17) De rol van de bedrijfsarts bij de reïntegratie van arbeidsongeschikte werknemers
      M. Douwen - Vervolmakingscyclus voor Verzekeringsgeneeskunde 1999; 37: 141-64


    Cfr. : http://www.iph.fgov.be/aph/pdf/aphfull61_271_281.pdf


    Lees verder : Deel IV

    25-11-2009 om 22:29 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (1 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, reïntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen







    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel IV


    V. - Beoordelen, behandelen, begeleiden
    - Medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid -
    (advies)

    Brief van Prof. dr JA Knottnerus, Voorzitter van de Gezondheidsraad
    aan
    de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dd. 22-07-2005


    Het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid behoeft verbetering.
    Ontwikkeling van richtlijnen voor beoordeling, behandeling en begeleiding (‘3B -richtlijnen’) die door alle betrokken beroepsgroepen gedragen worden, kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren.
    De verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming kan bovendien ondersteund en verder ontwikkeld worden door de opbouw van ‘mediprudentie’.
    In het kort is dat de kern van dit advies, dat is opgesteld door een commissie van de Gezondheidsraad ter beantwoording van een adviesaanvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens zijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


    Na een korte geschiedenis van het arbeidsongeschiktheidsprobleem in Nederland in hoofdstuk 2, geeft de commissie in hoofdstuk 3 een beknopt overzicht van de stand van de wetenschap inzake het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
    Onder andere door de ontwikkeling van evidence based richtlijnen wordt ernaar gestreefd de praktijk van het medisch handelen in overeenstemming te brengen en te houden met de stand van de wetenschappelijke kennis.
    In hoofdstuk 4 laat de commissie zien wat er in Nederland op het gebied van de ontwikkeling van richtlijnen voor behandeling en begeleiding bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid gebeurt.
    Opvallend is dat in curatieve richtlijnen het functioneren op het werk geen rol van betekenis speelt.
    De beoordeling van de arbeidsgeschiktheid komt noch in curatieve, noch in bedrijfsgeneeskundige richtlijnen aan de orde.
    De kwaliteitsbevorderende activiteiten die op dit vlak wél gaande zijn richten zich vooral op de interpretatie van de arbeidsongeschiktheidswetgeving en op de verbetering van verzekeringsgeneeskundige beoordelingsprocedures.
    De commissie stelt vast dat er veelbelovende aanzetten zijn tot afstemming en samenwerking tussen de bedrijfsgeneeskunde en de curatieve disciplines.
    De verzekeringsgeneeskunde neemt echter een geïsoleerde positie in.
    In hoofdstuk 5 beargumenteert de commissie waarom dit een onwenselijke situatie is.
    Zij stelt voor om de kwaliteit van het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te verhogen door voor de verschillende aandoeningen overkoepelende 3B-richtlijnen te ontwikkelen : richtlijnen voor beoordeling, behandeling en begeleiding.
    Systematisch verzamelde informatie over de verzuimduur – in relatie tot kenmerken van ziekten, personen en werksituaties – zal in deze richtlijnen verwerkt moeten worden.
    De commissie ziet naast de 3B-richtlijnen geen rol weggelegd voor een separate lijst van ziekten met gemiddelde hersteltermijnen.
    Zij benadrukt dat de kwaliteitsbevorderende werking van richtlijnen afhankelijk is van een succesvolle toepassing in het dagelijks denken en handelen van beroepsbeoefenaren.
    In hoofdstuk 6 betoogt de commissie dat de 3B-richtlijnen en daarvan afgeleide verzekeringsgeneeskundige richtlijnen en protocollen een belangrijk hulpmiddel kunnen zijn bij de verzekeringsgeneeskundige arbeids(on)geschiktheids-beoordeling na twee jaar ziekte.
    Ze helpen bij de evaluatie van de herstel- en reïntegratie-inspanningen en bij de reconstructie van de medische voorgeschiedenis die nodig is om te achterhalen waardoor het uitblijven van het herstel veroorzaakt is.
    De commissie hecht daarnaast groot belang aan de opbouw van ‘mediprudentie’, naar analogie van de jurisprudentie van de rechterlijke macht.
    De commissie gaat vervolgens in hoofdstuk 7 kort in op de behoefte aan wetenschappelijk onderzoek op het gebied van medisch handelen in relatie tot arbeid.
    Zij onderschrijft de analyses en aanbevelingen van de Raad voor Gezondheidsonderzoek en pleit ervoor om veel nadrukkelijker dan tot op heden de factor arbeid te betrekken in het niet specifiek op arbeid georiënteerde medisch-wetenschappelijk onderzoek.
    Voorts wijst zij op het belang van kwalitatief wetenschappelijk onderzoek naar het verschijnsel arbeidsongeschiktheid en de beoordeling daarvan.


    Het advies besluit met een serie aanbevelingen :

    • De commissie beveelt aan een vanuit de betrokken disciplines samengestelde stuurgroep in te stellen die de regie voert in de ontwikkeling en herziening van 3B-richtlijnen en in de formulering van een daaraan gekoppelde onderzoeksagenda.

    • Zij beveelt aan een leidraad ‘juridisch-maatschappelijke aspecten in medische richtlijnen’ te ontwikkelen, waarin wordt uitgewerkt wanneer en hoe deze aspecten in 3B-richtlijnen aan de orde moeten komen.

    • De 3B-richtlijnen moeten voldoen aan een aantal eisen die in dit advies beschreven worden.

    • Gegevens over het tijdsverloop tussen ziekmelding en werkhervatting en de mogelijke determinanten daarvan, zijn van groot belang voor de ontwikkeling van 3B-richtlijnen.
      Verzameling van deze gegevens dient continu en in de context van best practices plaats te vinden.

    • De commissie bepleit een continue en cumulatieve opbouw van mediprudentie.

    Gelet op de inwerkingtreding van de WIA op 1 januari 2006 en het verzoek van de minister om advies over de ontwikkeling van hulpmiddelen voor de claimbeoordeling die op dat moment beschikbaar kunnen zijn, beveelt de commissie aan nog dit jaar een begin te maken met de uitvoering van bovenstaande aanbevelingen.
    Om een snelle start mogelijk te maken adviseert de commissie het volgende :

    • De commissie beveelt aan om voor vijf tot tien aandoeningen die een substantieel deel van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek betreffen
      -(de gedachten van de commissie gaan vooralsnog uit naar de volgende aandoeningen : chronische aspecifieke rugklachten, hartinfarct, depressie, spanningsklachten, chronische-vermoeidheidssyndroom, cerebrovasculaire aandoening, hernia nuclei pulposi, borstkanker, angststoornissen, whiplash)-
      ontwerpprotocollen op te stellen ter ondersteuning van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid.
      Deze protocollen kunnen gebaseerd worden op onlangs verschenen richtlijnen en kunnen nadien betrokken worden bij de voorbereiding van volwaardige 3B-richtlijnen.

    • Zij beveelt aan om voor elk van de aandoeningen waarvoor deze protocollen ontwikkeld worden, op basis van dossiers van reeds afgeronde claimbeoordelingen een aantal concrete beoordelingsgevallen te beschrijven, te analyseren en te becommentariëren, zodat een reeks casusbeschrijvingen met expliciete beargumentering en weging van de claimbeoordeling beschikbaar komt.

    • Het verdient aanbeveling de ontwerpprotocollen en casuïstische analyses door een multidisciplinair samengestelde commissie van deskundigen te laten toetsen en becommentariëren.
      Deze commissie zou hieraan nadere aanbevelingen kunnen verbinden ter verhoging van kwaliteit en doelmatigheid van het claimbeoordelingsproces.

    De Gezondheidsraad is bereid om desgewenst de uitvoering van deze korte termijnaanbevelingen op zich te nemen.
    Zo nodig zou de Gezondheidsraad ook een rol kunnen spelen in de beginfase van de uitvoering van de aanbevelingen voor de langere termijn.
    Bij de uitvoering van de aanbevelingen is betrokkenheid van beroepsverenigingen, UWV, STECR/Laboretum, het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, het Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde, TNO Kwaliteit van leven en andere in aanmerking komende, al dan niet universitaire, kennis- en onderzoekscentra van groot belang.


    Cfr. : http://www.gr.nl/pdf.php?ID=1246&p=1




    VI. - Beroepscode voor bedrijfsartsen

    Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB), oktober 1989


    De ledenvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft in haar algemene ledenvergadering van 11-10-1989 de beroepscode voor bedrijfsartsen vastgesteld.
    Deze code is opgesteld door de Commissie Beroepsuitoefening en Ethiek (CBE) van de NVAB.

    Uitgegaan is van de formulering van een code in een conceptnota van de Nationale Raad voor de Volksgezondheid (NRV), welke werd voorgelegd ter commentariëring aan de leden van de NVAB en aan een aantal consulenten.

    De hiernavolgende tekst is het resultaat van de verwerking van de ontvangen commentaren en de ervaring van de CBE-leden in een herformulering van de NRV-code toegespitst op bedrijfsartsen.

    Er is geen poging gedaan om gedragsregels te formuleren ten aanzien van "aspecten in relatie tot vestiging".
    De vestiging van bedrijfsartsen geschiedt nl. nog steeds in dienstverband en in het kader van wettelijke bepalingen en voorschriften onder toezicht van het Directoraat-Generaal van de Arbeid.
    Desalniettemin komt nu reeds vrije vestiging van (geregistreerde) bedrijfsartsen voor en is het niet onmogelijk dat dit zich in de toekomst uitbreidt.
    Formulering van gedragsregels ten aanzien van vestiging kan derhalve beter worden uitgesteld tot zich hieromtrent meer heeft uitge- kristalliseerd.

    Binnen de kring van bedrijfsartsen is de betekenis van een beroepscode gelegen in een formele vastlegging van de normen en waarden waaraan bedrijfsartsen zich dienen te houden.
    De betekenis van gedragsregels ligt in het formuleren van een aantal elementaire regels voor het gedrag van bedrijfsartsen tijdens hun beroeps- uitoefening.
    Zowel beroepscode als gedragsregels zijn bedoeld als kader, als denkraam, waarbinnen iedere bedrijfsarts zelfstandig zijn/haar persoonlijke beslissingen zal moeten (leren) nemen.
    Immers, het werken van de bedrijfsarts is het werken binnen spanningsvelden en soms ook belangentegenstellingen.
    Beroepscode en gedragsregels kunnen hem/haar mogelijk hierbij een ruggesteun en leidraad bieden, maar hem/haar nooit ontslaan van de eigen verantwoordelijkheid tot het nemen van beslissingen in vaak moeilijke en ingewikkelde situaties.
    De beroepscode is overigens niet alleen een leidraad voor de beroepsgroep maar is ook bedoeld als referentie voor de relevante omgeving van de bedrijfsarts, met name werkgevers en werknemers.

    Ik ben van mening dat met het formuleren van onze beroepscode veel van de onduidelijkheden rond de professie van de bedrijfsarts tot het verleden zullen behoren en beveel hem dan ook van harte ter lezing en verspreiding aan.
    - R.D. Lindeboom, voorzitter NVAB -


    Beroepscode voor bedrijfsartsen

    De bedrijfsarts stelt zich ten doel de gezondheid van werknemers te beschermen en te bevorderen in de relatie tot hun arbeid.

    De bedrijfsarts heeft hierdoor zowel te maken met individuele werknemers als met groepen werknemers, werkzaam binnen organisaties die niet primair gericht zijn op de gezondheid van de werknemers.

    Tussen individu, groep en organisatie kunnen spanningsvelden bestaan waarbinnen de bedrijfsarts moet funktioneren.

    Het deskundig funktioneren binnen deze spanningsvelden is een essentiële vereiste voor de uitoefening van het beroep van bedrijfsarts.


    Categorie 1 - Algemene aspekten

    1. De bedrijfsarts is persoonlijk verantwoordelijk voor de uitoefening van zijn/haar beroep.
      Toelichting : regels en normen, geaccepteerd door een beroepsgroep, kunnen dienen als referentiekader en richtsnoer voor het handelen van de individuele bedrijfsarts, maar kunnen hem/haar niet ontslaan van zijn/haar individuele verantwoordelijkheid.

    2. De bedrijfsarts zal zijn/haar kennis en vaardigheden op peil houden
      Toelichting : voor een adequate zorgverlening op het raakvlak mens - arbeid, dat per definitie voortdurend verandert, is bij- en nascholing een vereiste.

    3. De bedrijfsarts zal slechts opdrachten aanvaarden die in overeenstemming zijn met de beroepsethiek.
      Toelichting : iedere hem/haar gegeven opdracht dient de bedrijfsarts te toetsen aan de door de beroepsgroep aanvaarde normen.
      Hiervoor is hij/zij persoonlijk verantwoordelijk.

    4. De bedrijfsarts behoort zijn/haar beroep uit te oefenen volgens de algemeen aanvaarde normen van fatsoen en volgens de door de beroepsgroep aanvaarde minimumeisen.

    5. De bedrijfsarts heeft geheimhoudingsplicht, tenzij :
      - de wet anders voorschrijft;
      - de cliënt waarop de gegevens betrekking hebben, hem/haar van deze plicht ontslaat;
      - zwijgen onaanvaardbare risico's voor derden met zich meebrengt en er geen andere mogelijkheid is die risico's weg te nemen;
      - er een door wetgever en/of beroepsgroep als misstand beschouwde situatie bestaat.
      Toelichting : alles wat de bedrijfsarts uit hoofde van zijn/haar funktie ter kennis is gekomen, valt onder de geheimhoudingsplicht.
      Deze omvat zowel individuele als bedrijfsgegevens.
      Van de geheimhoudingsplicht kan hij/zij slechts in uitzonderlijke situaties ontslagen worden.
      Zorgvuldige afweging en onderlinge consultatie/ overleg met betrokken partijen zijn hier geboden.


    Categorie 2 - Aspekten in relatie tot de bedrijfsorganisatie en de samenleving

    1. De bedrijfsarts heeft de plicht de gezondheid, veiligheid en het welzijn van de bedrijfspopulatie te bevorderen.
      Hij/zij zal hierbij een zorgvuldige bedrijfsgezondheidkundige afweging moeten maken tussen individuele, groeps- en organisatiebelangen.
      Tevens heeft hij/zij zijn/haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de volksgezondheid en het maatschappelijk welzijn in het algemeen.

    2. De bedrijfsarts zal alleen opdrachten aanvaarden indien zijn/haar positie als onafhankelijk deskundige in voldoende mate is gewaarborgd.

    3. Voor het goed funktioneren van een bedrijfsarts is het essentieel dat hij/zij toegang heeft tot alle werkplekken, funktionarissen en overlegorganen binnen het bedrijf.

    4. De bedrijfsarts zal - op basis van ervaring en de beroepsmatig verkregen gegevens - gezondheidsbedreigende situaties signaleren aan de betrokkenen binnen de bedrijfsorganisatie met het doel de geconstateerde gezondheidsbedreigingen waar mogelijk te elimineren.

    5. Resultaten van bedrijfsgezondheidkundig onderzoek die van bedrijfs- en algemeen belang kunnen zijn worden door de bedrijfsarts tijdig en volledig openbaar gemaakt met inachtneming van hetgeen bepaald is onder categorie 1 sub 5 en categorie 3, sub 15 en 16.

    6. De bedrijfsarts dient zich loyaal op te stellen ten aanzien van het bedrijf c.q. organisatie en de gemeenschap waarbinnen hij/zij als zodanig werkzaam is.
      Toelichting : loyaliteit ten opzichte van de bedrijfsorganisatie houdt in dat de bedrijfsarts een positief-kritische aandacht heeft voor alles wat in het bedrijf gebeurt en van daaruit handelt.

    7. De bedrijfsarts zal eventuele bestaande verschillen van inzicht over bedrijfsorganisatie, bedrijfsklimaat of bedrijfsfunktionarissen in het openbaar of ten overstaan van een aan zijn/haar zorg toevertrouwd individu op zakelijke wijze naar voren brengen.

    8. De bedrijfsarts verricht slechts handelingen en adviezen op gebieden die gelegen zijn op het terrein van eigen kennen en kunnen.
      Toelichting : binnen het aandachtsgebied mens - arbeid zijn vele disciplines en professies werkzaam.
      De bedrijfsarts zal het arbeidsterrein van die andere disciplines en professies, voor zover in de realiteit aanwezig, respecteren en in het belang van de aan hem/haar toevertrouwde populatie hiermee overleggen en samenwerken.
      Anderzijds kan de bij de bedrijfsarts aanwezige kennis en kunde hem/haar dwingen de dialoog met andere disciplines en professies aan te gaan.

    9. De bedrijfsarts zal meewerken aan de juiste uitvoering van de Arbowet en andere (sociale) wetten, waarbij hij/zij in zijn/haar beroepsuitoefening is betrokken voor zover overige beroepsplichten zich daar niet tegen verzetten.


    Categorie 3 - Aspekten in relatie tot het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu

    1. De bedrijfsarts zal ieder individu binnen de aan zijn/haar zorg toevertrouwde populatie de meest adequate zorg verlenen.
      Toelichting : de kerntaak van een bedrijfsarts is preventieve gezondheidszorg zowel op groeps- als op individueel niveau.
      Deze zorg heeft aspekten van onderzoek, voorlichting, advisering, begeleiding, hulpverlening, ondersteuning en behandeling.
      Deze aspekten zijn samengevat in de term "zorg".

    2. De bedrijfsarts zal een ieder die beroepsarbeid verricht en aan zijn/haar zorg is toevertrouwd zonder aanzien des persoons die zorg verlenen.

    3. Voor de bedrijfsarts staan de bedrijfsgezondheidkundige belangen van het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu op de eerste plaats voor zover dit geen ernstige schade toebrengt aan derden.
      Zorgvuldige bedrijfsgezondheidkundige afweging van belangen en consequenties dient hierbij plaats te vinden.

    4. De bedrijfsarts zal de eigen verantwoordelijkheid van het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu respecteren na zonodig op de uit de beslissing van het individu voortvloeiende consequenties te hebben gewezen.

    5. De bedrijfsarts behoort rekening te houden met de levensbeschouwelijke opvat- tingen van het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu.

    6. De bedrijfsarts houdt op zorgvuldige wijze rekening met de beperkte mogelijkheden van het individu om binnen de bedrijfsgezondheidszorg zijn/haar eigen arts c.q. andere hulpverlener te kiezen en zal binnen redelijkheid alles in het werk stellen om eventuele negatieve effecten van dit feit zoveel mogelijk te beperken.

    7. De relatie tussen de bedrijfsarts en het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu is wegens de binding van de bedrijfsgezondheidszorg aan organisaties geen vrijblijvende.
      Deze relatie kan niet zonder consequenties door een van beiden worden verbroken.

    8. De bedrijfsarts hoort het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu of diens vertegenwoordiger op begrijpelijke en adequate wijze te informeren.

    9. Tenzij de wet uitdrukkelijk anders voorschrijft of indien er gezondheidsrisico's voor derden of acute noodsituaties bestaan, berust de zorg van de bedrijfsarts voor het individu op diens toestemming.

    10. De bedrijfsarts zal het vertrouwen van het aan zijn/haar zorg toevertrouwde individu niet beschamen.

    11. Indien een belangrijk verschil van inzicht bestaat tussen de bedrijfsarts en het aan zijn/haar zorgen toevertrouwde individu dient de mogelijkheid van een second opinion te worden geboden.

    12. Het individu kan een klacht indienen bij een daartoe bevoegde instantie.

    13. De bedrijfsarts behoort een individu dat spoedeisende hulpverlening nodig heeft deze op adequate wijze te verstrekken.

    14. De bedrijfsarts verzamelt slechts de individuele gegevens die voor een goede uitvoering van de bedrijfsgezondheidszorg nuttig zijn.
      Hierbij dient de privacy van het individu te worden gewaarborgd.

    15. De bedrijfsarts heeft geheimhoudingsplicht van alles wat hem/haar uit hoofde van zijn/haar funktie bekend wordt/is geworden (zie ook categorie 1.5.).
      Hetzelfde geldt voor alle onder zijn/haar verantwoordelijkheid werkende medewerkers.

    16. Rapportering aan derden mag slechts na toestemming van het betrokken individu geschieden met inachtneming van hetgeen gesteld is in categorie 1.5.

    17. Groepsonderzoek dient, voor zover niet wettelijk verplicht, slechts op vrijwillige basis en na voldoende voorlichting met betrekking tot het doel en de wijze van rapportage, plaats te vinden.
      Bij rapportage met betrekking tot groepen moeten de gegevens anoniem en niet tot individuen herleidbaar zijn.


    Categorie 4 - Aspekten in relatie tot collegae-artsen en andere hulpverleners

    1. De bedrijfsarts zal streven naar het in stand houden van een goede samenwerking met andere werkers op het terrein van de bedrijfsgezondheidszorg, gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening en met anderen die voor een goede uitoefening van zijn/haar beroep van belang zijn.

    2. De bedrijfsarts biedt collegae alle hulp, die hij/zij krachtens zijn/haar deskundigheid en ervaring kan en mag bieden.

    3. De bedrijfsarts toont bereidheid tot samenwerking en het verstrekken van goede informatie.

    4. De bedrijfsarts zal zich niet laatdunkend uitlaten over collegae en andere hulpverleners in het openbaar of tegenover het aan zijn/haar zorgen toevertrouwde individu.
      Toelichting : het mededeling doen over een bestaand verschil van inzicht met een andere collega/hulpverlener dient op zodanige wijze te geschieden dat het persoonlijk of professioneel aanzien van de betrokkene niet onnodig wordt geschaad.

    5. De bedrijfsarts zal bij verwijzing van een aan zijn/haar zorg toevertrouwd individu alle relevante informatie verstrekken.

    6. De bedrijfsarts zal zo nodig overleg plegen met degene die een aan zijn/haar zorg toevertrouwd individu naar hem/haar verwijst.

    7. Wanneer de bedrijfsarts bepaalde bedrijfsgezondheidkundige handelingen aan anderen opdraagt, blijft hij/zij eindverantwoordelijk voor de opdracht, de inhoud en de uitvoering daarvan.

    8. Intercollegiale informatie-uitwisseling behoeft de toestemming van betrokkene alsmede een gerichte vraagstelling (zie ook categorie 3.3. en 3.10.).

    9. De "beroepscode" of "gedragsregels" hebben ook betrekking op stagiaires en/of assistenten.


    Categorie 5 - Aspekten met betrekking tot het vastleggen van patiënten-/cliëntengegevens

    1. De bedrijfsarts behoort in het belang van een goede zorg en begeleiding van het aan zijn/haar zorgen toevertrouwde individu een dossier vast te leggen.

    2. De bedrijfsarts bewaart het dossier onder zijn/haar verantwoordelijkheid ook na beëindiging van de professionele relatie zolang als zinvol is voor een adequate bedrijfsgezondheidszorg met inachtneming van hetgeen hierover in de wet c.q. officiële richtlijnen is/wordt bepaald.

    3. Het individu heeft recht op inzage respectievelijk op aanvulling of correctie van zijn/haar dossier.
      Van het dossier gescheiden, strikt persoonlijke aantekeningen van de bedrijfsarts vallen daarbuiten.
      Ten aanzien van gegevens verstrekt door derden geldt dat indien de bedrijfsarts meent dat deze derden bezwaar tegen inzage door betrokkene zouden kunnen hebben, contact dient te worden opgenomen om in overleg tot een goede oplos- sing te kunnen komen.

    4. Uitsluitend daartoe bevoegde personen hebben toegang tot de dossiers/gegevens.

    5. De bedrijfsarts zorgt er voor dat ook in overige opzichten de privacy bij registratie van gegevens gewaarborgd is, overeenkomstig hetgeen hierover in de wet c.q. officiële richtlijnen is/wordt voorgeschreven.


    Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uli/?uli=AMGATE_6059_340_TICH_L664433438




    VII. - Klinische blik verzekeringsartsen onbetrouwbaar
    Aanvullend beroepschrift Mr. E van den Bogaard - November 2007

    Aan de Rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht
    Postbus 75850, 1070 AW AMSTERDAM
    Dossier : 20060024B – E-mail : evdbogaard@westhoff.nl - Uw referentie : 06 / 5066 WAO – Inzake : A. / UWV (ook verstuurd per fax : 020 - 541 27 45) - 20 november 2007


    Inhoud

    1. – Inleiding

    2. - Beoordeling van psychische problematiek (strijd met artikel 3:2 en 3:4 Awb, artikel 18 lid 1 WAO en artikel 4 lid 1 en 2 van het Schattingsbesluit)

      • 2.1 Inleiding
      • 2.2 De groeiende kloof tussen verzekeringsgeneeskunde en “evidence-based” geneeskunde
      • 2.3 Wettelijk kader
      • 2.4 Klinische blik bij psychische klachten: berucht onbetrouwbaar
      • 2.5 Algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoekmethoden
      • 2.6 Bijzondere problemen bij - retrospectieve - toetsing in bezwaar en beroep

    3. - Wanneer dient de rechter een deskundige in te schakelen ?

      • 3.1 Twijfel
      • 3.2 Wat geeft aanleiding tot twijfel ?
      • 3.3 Materiële inhoud
      • 3.4 Wijze van totstandkoming

    4. - Bijzonderheden in de zaak A.

      • 4.1 Consistentie van het medisch oordeel in de loop der tijd
      • 4.2 Sociale omstandigheden

    Conclusie


    1. - Inleiding

    1.1 - In het inleidend beroepschrift van 17 oktober 2006 is al aangegeven dat aanleiding bestaat om een expertise te doen verrichten.
    In dit aanvullend beroepschrift wordt dit verzoek nader onderbouwd.
    Daarbij zal worden ingegaan op verschillende aspecten van de zorgvuldigheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling.

    1.2 - In paragraaf 2 wordt in meer algemene zin ingegaan op de bijzondere problemen zich voordoen bij de beoordeling van psychische problematiek.
    Aan de hand van internationale wetenschappelijke literatuur, die gemakshalve ook als bijlage bij dit aanvullend beroepschrift wordt overgelegd, zal worden aangetoond dat de wijze waarop verweerder omgaat met psychische problematiek van verzekerenden in strijd is met de eisen van zorgvuldigheid en belangenafweging van artikel 3:2 en 3:4 Awb, de objectiviteitsvereiste van artikel 18 lid 1 WAO, het reproduceerbaarheidsvereiste van artikel 4 lid 1 onder b van het Schattingsbesluit en met het vereiste van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden van artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit.

    1.3 - In paragraaf 3 wordt ingegaan op de vraag in welke situaties de rechter tot raadpleging van een deskundige moet worden overgegaan.

    1.4 – In paragraaf 4 wordt ingegaan op de bijzonderheden van de zaak van de heer A.


    2. - Beoordeling van psychische problematiek (strijd met artikel 3:2 en 3:4 Awb, artikel 18 lid 1 WAO en artikel 4 lid 1 en 2 van het Schattingsbesluit)

    2.1 - Inleiding

    2.1.1 - In verzekeringsgeneeskundige rapportages waarin psychische problematiek een rol speelt, zijn vaak passages te lezen in de trant van : “bij oriënterend psychiatrisch onderzoek geen (evidente) tekenen van (grove) psychopathologie”.
    Ook is vaak een summiere beschrijving opgenomen van de “status praesens mentalis” zoals die op de verzekeringsarts is overgekomen.
    Van vragenlijsten wordt doorgaans geen gebruik gemaakt.
    In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat het onderzoek naar (de gevolgen van) psychische problematiek door verweerders verzekeringsartsen (zeer) beperkt van opzet en inhoud is.
    Indien de psychische problematiek de hoofdklacht is, is dit niet anders - hetgeen toch eigenlijk bevreemdt.

    2.1.2 - In de onderhavige zaak is de rapportage van de primaire arts A.K. van B. van 2 mei 2006 een mooi voorbeeld van een uiterst summier psychisch onderzoek : “Psychische toestand : Helder bewustzijn, georiënteerd in tijd en plaats.
    De stemming is normofoor met een normaal modulerend affect.
    Er is noormaal oogcontact.
    Er is een normale inhoud en tempo van denken en spreken.
    ” (B35.2)

    2.1.3 - Het gevolg hiervan is dat de beoordeling van psychische problematiek door verweerders verzekeringsartsen niet voldoet aan de eisen die daaraan blijkens internationale wetenschappelijke literatuur behoren te worden gesteld.
    Daardoor handelt verweerder in strijd met artikel 3:2 en 3:4 Awb en in het bijzonder met hetgeen in artikel 18 lid 1 WAO en artikel 4 leden 1 en 2 van het Schattingsbesluit is bepaald.

    2.1.4 - Bij de uitwerking van deze stelling in het navolgende wordt in paragraaf 2.2 eerst ingegaan op het probleem dat de verzekeringsgeneeskundige structureel niet meegaat met de ontwikkelingen binnen de “evidence-based” geneeskunde.
    Vervolgens wordt in paragraaf 2.3 het wettelijk kader geschetst aan de hand waarvan de gevolgen hiervan dienen te worden beoordeeld.
    In paragraaf 2.4 wordt tegen de achtergrond van dit wettelijke kader ingegaan op de wetenschappelijke kritiek op de “klinische blik” als zelfstandig beoordelingsinstrument.
    In paragraaf 2.5 wordt hierbij de in het Schattingsbesluit geformuleerde eis van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden betrokken.
    In paragraaf 2.6 wordt tot slot nog ingegaan op een bijzonder probleem bij de beoordeling van psychische problematiek in het kader van de bewaar- en beroepsprocedure.

    2.2 - De groeiende kloof tussen verzekeringsgeneeskundige en “evidencebasedgeneeskunde

    2.2.1 - In zijn advies “Beoordelen, behandelen, begeleiden - Medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid” van 22 juli 2005, nr. 2005/10, blz. 27, heeft de Gezondheidsraad geconstateerd dat uit recente adviezen van de Raad voor Gezondheidsonderzoek over bedrijfsgeneeskunde en verzekeringsgeneeskunde blijkt dat veel van het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid niet wetenschappelijk is te onderbouwen.
    De verzekeringsgeneeskunde blijkt erg op zichzelf te staan : “Verzekeringsgeneeskundigen zijn, ook in de recent op gang gekomen multidisciplinaire samenwerkingsprojecten, vrijwel niet betrokken bij de ontwikkeling van curatieve en bedrijfsgeneeskundige richtlijnen. (...)
    Omgekeerd lijkt de evidence based richtlijnontwikkeling aan de kwaliteitsbevordering in de verzekeringsgeneeskunde tot op heden voorbij te gaan.
    ” (blz. 42/43)

    2.2.2 - Ook binnen de verzekeringsgeneeskundige is men zich bewust van de groeiende kloof tussen de medische wetenschap en de verzekeringsgeneeskundige praktijk.
    Zo waarschuwen Van Dijk et al in het 'Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde' van december 2003 ervoor dat het achterblijven van de kwaliteit van de dienstverlening door bedrijfs- en verzekeringsartsen niet acceptabel is : “Arbodiensten en UWV en niet in het minst de professionals zelf als verantwoordelijke deskundigen zullen alle zeilen bij moeten zetten om een inhaalslag te maken.
    Het verlenen van zorg en dienstverlening die niet up-to-date is, maakt arbodiensten en UWV buitengewoon kwetsbaar voor klachten en procedures over de geleverde kwaliteit, van de zijde van bedrijven, werknemers, verzekeraars, overheid en politiek, vooral als duidelijk is dat het veel beter kan. (...)
    De kloof met de wetenschappelijke wereld en met de technische mogelijkheden wordt snel groter.
    Arbodiensten en UWV lopen hierbij een groot risico van klachten en procedures betreffende de kwaliteit van de zorg en diensten.
    ” 1

    2.2.3 - De Gezondheidsraad wijst er in zijn advies echter ook op dat het medisch handelen in relatie tot arbeid zijn houvast ontleent aan dezelfde wetenschappelijke kennis die het medisch handelen in het algemeen ten dienste staat – met name die over ziektemechanismen, over diagnostiek en over de effecten van behandelingen (blz. 27) en dat de verzekeringsarts die beschikbare kennis in zijn beoordeling zal moeten betrekken (blz. 34).
    Ook al is de wetenschappelijke basis waarop de verzekeringsarts kan steunen beperkt, hij kan steun ondervinden van de instrumenten en modellen voor bewijsvoering, informatieverzameling en outputspecificatie die in de loop der tijd ontwikkeld zijn (blz. 35).

    2.2.4 - Op grond van dit advies van de Gezondheidsraad dient te worden gesteld dat, indien met betrekking tot de te beoordelen medische problematiek evidence-based instrumenten bestaan ten behoeve van diagnostiek en behandeling, de verzekeringsarts ook gehouden is - zowel vanuit medische optiek als vanuit juridische optiek - om van die instrumenten gebruik te maken.
    De consequentie hiervan is dat indien de verzekeringsarts geen gebruik maakt van wel beschikbare instrumenten, hij onzorgvuldig - want in strijd met de medische standaard - handelt en dat een besluit dat op een dergelijk gebrekkig onderzoek berust, gebrekkig is.

    2.3 - Wettelijk kader

    2.3.1 - Artikel 3:2 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

    2.3.2 - Artikel 3:4 Awb bepaalt in lid 1 dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt en in lid 2 dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

    2.3.3 - Artikel 18 lid 1 WAO bepaalt dat de arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling objectief medisch dient te worden vastgesteld.
    De Centrale Raad van Beroep vertaalt dit in vaste jurisprudentie met de formulering : “op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten”.

    2.3.4 - Artikel 4 lid 1 onder b van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bepaalt dat een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek tot dezelfde bevindingen en conclusies zal kunnen leiden.

    2.3.5 - Artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bepaalt dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek dient te geschieden aan de hand van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden.

    2.4 - 'Klinische blik' bij psychische klachten - Berucht onbetrouwbaar

    2.4.1 - De kern van het probleem bij de beoordeling van psychische problematiek schuilt daarin dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de psychische belastbaarheid doorgaans uitsluitend is gebaseerd op de “klinische blik” van de verzekeringsarts.
    Aanvullend onderzoek vindt meestal niet plaats.

    2.4.2 - Uit verschillende, als bijlagen bij dit aanvullend beroepschrift overgelegde, internationale publicaties blijkt echter dat de betrouwbaarheid van de klinische blik al meer dan 40 jaar voorwerp van onderzoek is en dat uit die onderzoeken consequent naar voren komt dat deze onbetrouwbaar is.2, 3, 4

    2.4.3 - Op 4 en 5 oktober 2007 heb ik aan de Maastrichtse hoogleraar psychologie prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach dit probleem voorgelegd.
    Zijn reactie en de daarbij meegezonden literatuur treft u ook als bijlagen.
    Zijn opvatting : “ik denk dat de huidige procedure die VA’s volgen zeer aanvechtbaar is.
    Het is aantoonbaar riskant om op basis van een gesprek uit te maken of de klachten van een kandidaat uitkeringsgerechtigde al dan niet authentiek zijn.
    In de VS wordt het verzuim om in zulke situaties tests te gebruiken als een ernstige kunstfout gezien.
    En dat is terecht.
    Punt is namelijk dat er goede tests voor handen zijn waarmee de kans op vals positieven en vals negatieven valt te reduceren
    .” 5

    2.4.4 - Het eerste probleem is dat de klinische blik per definitie subjectief is, zodat persoonlijke belangstelling van de verzekeringsarts en de chemie tussen arts en onderzochte een grote rol spelen.
    Dit wordt met zoveel woorden erkend door Laitinen-Krispijn en Nicolas in het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde van april 2006 : “In de praktijk is de kwaliteit van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling sterk afhankelijk van ervaring en belangstelling van de verzekeringsarts voor psychische klachten. (...)
    Het hangt in grote mate af van welke verzekeringsarts je spreekt wat de uitkomst is
    .’” 6
    Dit leidt ertoe dat :
    - niet wordt voldaan aan de in artikel 18 lid 1 WAO gestelde eis dat de gevolgen van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling objectief medisch worden vastgesteld;
    - zeer beperkt wordt voldaan aan de in artikel 4 lid 1 onder b van het Schattingsbesluit gestelde eis van reproduceerbaarheid;
    - de willekeur op de loer ligt en daarmee strijd met artikel 3:4 Awb.

    2.4.5 - Verder blijkt uit de literatuur dat de klinische blik wordt vertroebeld door de volgende processen (cfr. de artikelen van Faust & Ziskin (1988)2 en Meyer et al (2001)3) :
    - zoeken naar bevestiging van de eerste indruk, waarbij aan tegenbewijs (falsificatie) minder of geen betekenis wordt gehecht;
    - overmatig vertrouwen in eigen kunnen;
    - het is zonder specifiek gericht onderzoek niet mogelijk vast te stellen of iemand simuleert (de overgelegde literatuur laat hiervan sterke voorbeelden zien)7;
    - er bestaat bij psychische problematiek geen eenduidige relatie tussen diagnose en functionele mogelijkheden. 6

    2.4.6 - Uit het artikel van Meyer et al (blz. 150/151)3 blijkt hoe groot de verschillen zijn tussen de resultaten van mono-methodisch onderzoek (klinische blik) en multimethodisch onderzoek.
    De verschillen zijn zo groot dat het de moeite waard is de gehele paragraaf te citeren : “Method Disparities and Errors in Practice - Current knowledge about the substantial disagreements between methods of information gathering has important implications for health care.
    The data indicate that even though it may be less expensive at the outset, a single clinician using a single method (e.g., interview) to obtain information from a patient will develop an incomplete or biased understanding of that patient.
    To the extent that such impressions guide diagnostic and treatment decisions, patients will be misunderstood, mischaracterized, misdiagnosed and less than optimally treated.
    Over the long term, this should increase health care costs.
    These issues are not trivial.
    The evidence indicates that clinicians who use a single method to obtain patient information regularly draw faulty conclusions.
    For instance, Fennig, Craig, Tanenberg-Karant, and Bromet (1994) reviewed the diagnoses assigned to 223 patients as part of usual hospital practice.
    Clinical diagnoses were then compared with diagnoses derived from a comprehensive multimethod assessment that consisted of a semistructured patient interview, a review of the patient's medical record, a semistructured interview with the treating clinician and an interview with the patient's significant other, all of which were then reviewed and synthesized by two clinicians to derive final diagnoses from the multimethod assessment.
    Even though Fennig, Craig, Tanenberg-Karant et al. (1994) used very liberal criteria to define diagnostic agreement (e.g., major depression with psychotic features was treated as equivalent to dysthymia), the diagnoses assigned during the course of typical clinical practice had poor agreement with the diagnostic formulations derived from the more extensive synthesis of multiple assessment methods.
    Overall, after discounting chance agreement, the clinical diagnoses agreed with the multimethod conclusions only about 45-50% of the time.
    This was true for a range of disorders on the schizophrenic, bipolar and depressive spectrums.
    Because these conditions are treated in decidedly different ways, such frequent misdiagnoses in typical practice suggest that many patients erroneously receive antipsychotic, antimanic and antidepressant medications.
    Another example involves fully structured interviews like the Composite International Diagnostic Interview (CIDI), which have a format that makes them essentially equivalent to an oral self-report instrument.
    A salient question concerns the extent to which diagnoses from CIDI-type scales agree with those derived from clinicians who also rely on their impression of the patient (e.g., from semistructured interviews, from clinical consensus after following the patient over time).
    Although diagnoses from the CIDI and diagnoses derived from semistructured interviews suffer from criterion contamination because both the predictor and criterion rely on the patient's report as a primary source of information (cfr. : e.g., Malgady, RogIer, & Tryon, 1992), Table 3 indicates that across 33 samples and 5,990 patients, the correspondence between CIDI-type diagnoses and clinician diagnoses was quite modest (K = .34; Table 3, Entry 34; see Meyer, in press).
    Similar findings have been observed when Axis I diagnoses from the Structured Clinical Interview for the Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders were compared with clinician diagnoses (mean K = .26, N = 100; Steiner, Tebes, Sledge, & Walker, 1995), suggesting again that the source of information for diagnostic inferences exerts a prominent influence over final classifications (cfr. : e.g., Offord et al., 1996).
    Although the above disagreements are pronounced, even more drastic errors have been found for personality disorders.
    Perry (1992) and Pilkonis et al. (1995) compared diagnoses derived from a semistructured clinical interview with diagnoses based on more extensive and complex assessments using multiple methods of gathering patient information.
    Across studies, there was a meager correspondence between the diagnoses derived from a single clinician using the single method of assessment and the diagnoses derived from the multimethod evaluations (K = .28; N = 218; see Entry 48 in Table 3).
    In fact, after correcting for agreements due to chance, about 70% of the interview-based diagnoses were in error.
    The evidence also indicates that personality disorder diagnoses diverge substantially across other sources of information.
    For instance, Table 3 shows that diagnoses derived from self-report bear little resemblance to those derived from clinicians (K = .18, N = 2,859; Table 3, Entry 33) and that diagnoses from semistructured patient interviews bear little resemblance to those based on semistructured interviews with significant others in the patient's life (K = .12, N = 768; Table 3, Entry 30).
    Though the latter results are sobering, they are open to interpretation about which perspective is more correct.
    The most relevant evidence is that which compared interviews with the multimethod synthesis of information.
    These data clearly demonstrate how conclusions derived from a typical evaluation using a single method of assessment had little correspondence with those derived from a more comprehensive evaluation.
    By necessity then, the research findings indicate that many patients may be misunderstood or improperly treated when they do not receive thorough assessments.
    Errors of misappraisal and mistreatment are most likely when administrative efforts to save money restrict clinicians to very brief and circumscribed evaluations.

    Dat klinische (mono-methodisch gestelde) diagnosen in niet meer dan 45-50% van de gevallen en bij persoonlijkheidstoornissen zelfs maar in ongeveer 30% van de gevallen, door multi-methodisch onderzoek worden bevestigd - met als gevolg dat in 50-70% van de gevallen een verkeerde behandeling is ingezet -, is ronduit schokkend.
    Vertaald naar de verzekeringsgeneeskunde betekent dit dat het aannemelijk is dat in 50% of meer van de beoordelingen sprake is van een onjuiste vaststelling van de psychische belastbaarheid.


    Lees verder : Deel V

    25-11-2009 om 22:21 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, reïntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel V


    2.4.7 - Deze onbetrouwbaarheid van interview-gebaseerde beoordelingen komt ook naar voren in de veel breder opgezette meta-analyse van 136 onderzoeken door William M. Grove et al. 4 : “On average, mechanical-prediction techniques were about 10% more accurate than clinical predictions.
    Depending on the specific analysis, mechanical prediction substantially outperformed clinical prediction in 33%-47% of studies examined.
    Although clinical predictions were often as accurate as mechanical predictions, in only a few studies (6%-16%) were they substantially more accurate.
    Superiority for mechanical-prediction techniques was consistent, regardless of the judgment task, type of judges, judges' amounts of experience or the types of data being combined.
    Clinical predictions performed relatively less well when predictors included clinical interview data.

    2.4.8 - Waartoe overmatig zelfvertrouwen bij diagnosticerende artsen kan leiden, blijkt uit een onderzoek uit 1987 over het vermogen van adolescenten om bij het invullen van vragenlijsten aannemelijke neuropsychologische defecten te simuleren : “Three subjects between the ages of 9 and 12 years were recruited through friends of the laboratory support staff.
    The subjects had no history of learning difficulties, serious medical illness or head injury and each was an above-average student.
    We informed subjects and their parents that we wished to examine faking on psychological tests.
    The subjects were told to perform less well than usual but not to be so obvious in doing so that the person testing them would know they were faking.
    No other guidance was provided. (...) Of the 42 case respondents (15 for Case I, 11 for Case 2 and 16 for Case 3), 39 (93%) judged the protocols as abnormal and 3 (7%) as normal.
    Of the former 39 respondents. 34 (87%) attributed the abnormality to conical dysfunction. 5 (13%) to functional factors and 0 to malingering.
    Thus, almost all of the respondents were convinced that abnormality was present, and no respondent detected faking or malingering. (...) About three fourths of the judges indicated moderate or greater confidence and almost two fifths indicated high or very high confidence.
    We had planned to analyze relations between diagnostic accuracy and a number of variables, including confidence.
    However, significant findings were precluded because accuracy did not vary (i.e., error rate was 100%.).
    It seems appropriate to call most of the judges overconfident because the majority indicated moderate or greater confidence on a task in which no judge made an accurate identification.
    ” 8
    De meeste beoordelaars hadden een zeer groot vertrouwen in de juistheid van hun bevindingen, terwijl die bevindingen in 90-100% van de gevallen onjuist waren.
    Uit dit onderzoek blijkt dat het bij gezonde personen die opzettelijk simuleren nauwelijks tot niet mogelijk is om objectief en betrouwbaar vast te stellen of en in hoeverre sprake is reële neuropsychologische problematiek of van simulatie.
    Uit ander onderzoek blijkt echter dat simulatie wel betrouwbaar is vast te stellen met behulp van specifieke daarop gerichte testen.8, 9

    2.4.9 - De verzekeringsarts moet op grond van een gesprek met een verzekerde, die (in beginsel) niet simuleert, de geclaimde klachten en beperkingen beoordelen.
    Hij moet daarbij onderscheiden tussen wat reëel is en als gevolg van ziekte of gebrek kan worden aangemerkt en datgene wat in de presentatie mogelijk te sterk wordt aangezet of niet als gevolg van ziekte kan worden aangemerkt.
    Als het maken van dat onderscheid al niet mogelijk is bij gezonde personen die bewust simuleren, dan is dat bij zieke personen wier klachtenbeleving mogelijk sterker is dan medische verklaarbaar, maar voor een (substantieel) deel wel reëel, nog veel minder mogelijk.
    Er valt dan ook niet te ontkomen aan de conclusie dat een klinische beoordeling van psychische klachten op basis van niet meer dan een beoordelingsgesprek ontoereikend is en met andere vormen van onderzoek moet worden aangevuld om tot een betrouwbaar en reproduceerbaar resultaat te komen.
    Het belang hiervan wordt onderstreept door het onderzoek van Greiffenstein en Baker waaruit naar voren komt dat in letselschadezaken (“compensable context”) de kans op simulatie groter is naar mate het objectieve letsel beperkter is.10
    Niet vergeten mag worden dat het fenomeen “simulatie/maligneren” twee zijden heeft : uiteraard dient voorkomen te worden dat claims worden gehonooreerd c.q. beperkingen worden aangenomen die er de facto niet zijn, maar evenzeer dient te worden voorkomen dat op grond van een onvoldoende onderbouwd vermoeden van maligneren claims c.q. beperkingen worden afgewezen die er wel degelijk zijn.

    2.4.10 - Uit de literatuur blijkt dat er voldoende betrouwbare tests beschikbaar zijn om bijv. :
    - de klachten goed in beeld te brengen (SCL-9011 en 4DKL12), zodat gericht nader onderzoek kan plaatsvinden;
    - een angststoornis of depressie uit te sluiten (HADS en DASS)13, zodat van nader onderzoek naar die stoornissen kan worden afgezien of (indien die diagnosen niet worden uitgesloten) gericht verder onderzoek kan plaatsvinden;
    - simulatie vast te stellen (ASTM en vooral SIMS). 9

    2.4.11 - Uit de literatuur komen geen argumenten naar voren op grond waarvan bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het gebruik van dergelijke instrumenten zou moeten worden afgezien.
    Wel komen uit die literatuur sterke argumenten naar voren die het (aanvullende) gebruik van testonderzoek ondersteunen.
    Cfr. Meyer et al. : “Data from more than 125 meta-analyses on test validity and 800 samples examining multimethod assessment suggest 4 general conclusions :
    (a) psychological test validity is strong and compelling,
    (b) psychological test validity is comparable to medical test validity,
    (c) distinct assessment methods provide unique sources of information and
    (d) clinicians who rely exclusively on interviews are prone to incomplete understandings.
    Following principles for optimal nomothetic research, the authors suggest that a multimethod assessment battery provides a structured means for skilled clinicians to maximize the validity of individualized assessments.
    ” 3

    2.4.12 - Op basis van de overgelegde wetenschappelijke literatuur kan dan ook niet anders dan worden geconcludeerd dat een verzekeringsgeneeskundige beoordeling die is gebaseerd op alleen de “klinische blik” van de verzekeringsarts, niet als ‘state of the art’ kan worden aangemerkt, maar dient te worden aangevuld met en getoetst aan de resultaten van testonderzoek (cfr. ook C. de Ruiter, Evidence-based psychodiagnostiek).14
    Verder dient te worden vastgesteld dat er voldoende valide en betrouwbare testmethodieken zijn die ook in de verzekeringsgeneeskunde kunnen worden toegepast, zodat eigenlijk onbegrijpelijk is waarom daarvan niet meer gebruik wordt gemaakt (cfr. de waarschuwing in het hiervoor al geciteerde artikel van Van Dijk et al.).1
    Tot slot verdient opmerking dat in de bedrijfsgeneeskunde, die toch sterk aan de verzekeringsgeneeskunde is gelieerd, wel in toenemende mate van testonderzoek gebruik wordt gemaakt (cfr. de NVAB-richtlijn “Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten” van 28 januari 2000 op : http://www.ohcbv.nl/hulppagina/documenten/richtlijn%20psychische%20klachten.pdf -).

    2.5 - Algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden

    2.5.1 - In artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit wordt de eis gesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek geschiedt aan de hand van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden.

    2.5.2 - In de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit is ter toelichting bij de introductie van deze eis het volgende te lezen : “In zijn brief aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 september 1997 over de richtlijn MAOC wijst het Ctsv er op dat «uit hetgeen de wetgever en de rechter naar voren brengen kan worden opgemaakt, dat de uitvoerder van de AAW/WAO bij zijn medische beoordeling niet over een nacht ijs mag gaan.
    Een gedegen medisch onderzoek is altijd een vereiste en hoe moeilijker het is een medische oorzaak vast te stellen, hoe grondiger en uitvoeriger het te verrichten onderzoek zal moeten zijn».
    Het besluitvormingsproc
    es dient derhalve voldoende waarborgen te bevatten voor een gefundeerd medisch oordeel. (...)
    Om te kunnen spreken van een kwalitatief goede claimbeoordeling dient aan de volgende eisen te worden voldaan. Ten eerste is daar de vaststelbaarheid van de stoornissen, beperkingen en handicaps. (...)
    De tweede voorwaarde is dat het vaststellen van de ongeschik
    theid medisch dient te zijn, hetgeen wil zeggen op in de reguliere gezondheidszorg aanvaarde wijze.
    Dit vereist dat onderzoeksmethoden toegepast dienen te worden die in de verzekeringsgeneeskunde onder artsen en paramedische deskundigen algemeen geaccepteerd zijn. (...)
    Een derde voorwaarde is dat het oordeel van de verzekeringsarts objectief moet zijn.
    Objectief in dit verband wil zeggen gebaseerd op de feiten, niet beïnvloed door vooroordelen.
    ” (Stb 2000, 307, blz. 15/16)
    Er dient dus sprake te zijn van een gefundeerd medisch oordeel dat op een in de reguliere gezondheidszorg aanvaarde wijze wordt vastgesteld en objectief is.

    2.5.3 - Gelet op de uit de wetenschappelijke literatuur daartegen blijkende bezwaren, kan de loutere klinische blik niet worden aangemerkt als een “algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethode” als bedoeld in artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit.

    2.5.4 - Blijkens het Handboek psychodiagnostiek onder redactie van Corine de Ruiter & Martin Hildebrand uit 2006, blz. 11-17, dient psychodiagnostiek zoveel mogelijk evidence-based te zijn, hetgeen inhoudt :
    - dat er gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten;
    - er sprake is van transparantie (expliciet maken van de keuze voor bepaalde meetinstrumenten en van de relatie tussen ruwe testgegevens en de interpretatie daarvan);
    - er multimethodisch wordt gewerkt, d.w.z. dat gebruik wordt gemaakt van meer testmethoden en meer informatiebronnen.14
    De eis van artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit leidt er dan ook toe dat de verzekeringsarts zijn oordeel over psychische problematiek zal dienen te baseren op de combinatie van testonderzoek en klinische beoordeling.
    Het testonderzoek kan daarbij zowel de richting wijzen voor nader onderzoek als een kritische toets zijn voor het eigen klinisch oordeel, bijv. doordat simulatie objectief wordt aangetoond, een diagnose wordt uitgesloten of een eigen hypothese wordt gefalsificeerd of juist bevestigd.

    2.5.5 - De vraag tot slot of de verzekeringsarts in het gebruik van dit soort instrumenten is geschoold, is niet relevant : hij kan zich ofwel daarin alsnog scholen ofwel gebruik maken van externe expertise.
    Dat aan externe expertise kosten zijn verbonden, mag niet ten nadele van de verzekerde worden gebracht. Artikel 3:4 lid 2 Awb staat daaraan in de weg.

    2.6 - Bijzondere problemen bij - retrospectieve - toetsing in bezwaar en beroep

    2.6.1 - Hetgeen hiervoor is beschreven, doet zich voor bij de beoordeling van de actuele belastbaarheid.
    Indien eenmaal een besluit met betrekking tot het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is genomen, dan staat in bezwaar of beroep niet meer de actuele belastbaarheid ter beoordeling, maar die op de datum in geding.
    Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ7600, terecht overweegt, hebben dergelijke zaken altijd een retrospectief karakter en zal dan steeds een beoordeling van een situatie in het verleden moeten plaatsvinden.

    2.6.2 - Prof. dr. P.J. van Koppen wijst er echter in zijn artikel “Weg van de toerekeningsvatbaarheid - Over rapportages over de verdachte” in Trema, 27, 221-228 – cfr. : http://www.nscr.nl/publicaties/artikel.php?artikel_ID=426 -, op dat er helemaal geen tests bestaan waarmee iemands toestand in het verleden kan worden vastgesteld (blz. 224 l.k.) en dat er vele factoren zijn waardoor een retrospectieve beoordeling wordt verstoord.

    2.6.3 - Dat een beoordeling achteraf niet rechtstreeks mogelijk is en met bijzondere moeilijkheden heeft te kampen, leidt ertoe dat aan de eisen die aan een actuele beoordeling dienen te worden gesteld, strikt de hand moet worden gehouden.

    2.6.4 - Tweede consequentie daarvan is dat gebreken in de beoordeling zo kort mogelijk na de datum in geding moeten worden hersteld.
    De inschatting van de situatie per datum in geding op basis van een onderzoek ongeveer 1½ jaar na dato (in het kader van de procedure bij de rechtbank, zoals in casu) is veel moeilijker dan op basis van een onderzoek rondom tot enkele maanden na die datum (zoals in bezwaar mogelijk is).
    Indien het multimethodische onderzoek pas na 4 tot 5 jaar plaatsvindt (zoals bij onderzoeken in opdracht van de Centrale Raad van Beroep het geval is) geldt dat nog meer.

    2.6.5 - Een en ander leidt ertoe dat, indien de rechtbank de medische grondslag ontoereikend acht, hij zelf opdracht tot nader onderzoek moet geven en niet mag volstaan met een vernietiging en terugwijzing naar het UWV.
    Met dat laatste is immers meer tijd gemoeid.


    3. - Wanneer dient de rechter een deskundige in te schakelen ?

    3.1 – Twijfel

    Volgens vaste jurisprudentie is er in het algemeen slechts aanleiding tot het inschakelen van een medisch deskundige, indien de gedingstukken dan wel de aangedragen medische gegevens reden geven voor twijfel aan de juistheid van de voor betrokkene vastgestelde beperkingen (cfr. bijv. CRvB 04-08-1998, USZ 1998/273).
    Voorts kan daartoe aanleiding bestaan indien sprake is van een situatie waarin de standpunten van de verzekeringsarts en de behandelend arts tegenover elkaar staan zonder dat bij voorbaat kan worden gezegd dat een van die standpunten volstrekt onvoldoende gemotiveerd of anderszins volstrekt onhoudbaar is (cfr. : CrvB 11-01-2000, USZ 2000/79).
    In CRvB 28-03-2007, LJN BA2093, wordt een vergelijkbaar oordeel gegeven, maar dan met verwijzing naar onderdeel 2.3.5. van de Standaard “Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen” (cfr. : http://www.nvvg.nl/download/vatools/Onderzoeksmethoden%20bij%20psychische%20stoornissen.pdf -).

    3.2 - Wat geeft aanleiding tot twijfel ?

    3.2.1 - Twijfel kan veroorzaakt worden door zowel de wijze van totstandkoming als de materiële inhoud van de rapportage van de verzekeringsarts.
    Indien de wijze van totstandkoming al tot twijfel aanleiding geeft, wordt aan de materiële inhoud eigenlijk niet meer toegekomen.

    3.2.2 - Dit betekent dat voor het onderbouwen van twijfel het niet altijd noodzakelijk is nieuwe medische stukken over te leggen.
    Dat volgt ook uit de aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (USZ 1998/273), waarin de reden tot twijfel wordt gevonden in “de gedingstukken dan wel de aangedragen medische gegevens”.

    3.3 - Materiële inhoud

    3.3.1 - Materiële twijfel is het gemakkelijkst en vaak ook het meest in het oog springend.
    Verschil van inzicht tussen verzekeringsarts en behandelaar over de arbeidsmogelijkheden, zoals in de hiervoor aangehaalde uitspraken, is een voorbeeld hiervan.
    Ook kan sprake zijn van verschillen in gestelde diagnose of van informatie die voorheen nog niet bekend was.

    3.3.2 - Materiële twijfel kan ontstaan door het overleggen van nieuwe medische stukken, maar ook vanuit het reeds bestaande dossier.
    In de jurisprudentie over de consistentie van het medisch oordeel in de tijd (zie hierna in paragraaf 4.1) komt de twijfel steevast voort uit discrepanties tussen de bestreden beoordeling en eerdere beoordelingen zonder dat sprake is van nieuw overgelegde medische stukken.

    3.4 - Wijze van totstandkoming

    3.4.1 - Er mag echter niet aan voorbij worden gegaan dat ook de wijze van totstandkoming van het advies van de verzekeringsarts aanleiding kan geven tot twijfel.

    3.4.2 - Indien het door de verzekeringsarts verrichte onderzoek niet voldoet aan de eisen van :
    - zorgvuldig onderzoek (artikel 3:2 en 3:4 Awb),
    - objectiviteit (18 lid 1 WAO),
    - reproduceerbaarheid (artikel 4 lid 1 onder b Schattingsbesluit),
    - consistentie (artikel 4 lid 1 onder c Schattingsbesluit) en
    - onderzoeksmethode (artikel 4 lid 2 Schattingsbesluit)
    dan kan niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van het resultaat van die beoordeling en moet er rekening mee worden gehouden dat er een reële kans bestaat dat een onderzoek dat wel aan alle eisen voldoet, tot andere uitkomsten leidt.
    In deze situatie is weliswaar minder evident dat het advies van de verzekeringsarts mogelijk onjuist is dan bij een duidelijk verschil van inzicht met de behandelaar, maar de mogelijkheid dat kwalitatief beter onderzoek tot andere resultaten leidt, mag niet voor risico en rekening van de betrokken verzekerde worden gelaten.

    3.4.3 - Van een dergelijke situatie is sprake indien de verzekeringsarts heeft verzuimd gebruik te maken van onderzoeksinstrumenten die wel beschikbaar zijn.

    3.4.4 - Verder dient bij deze toetsing te worden betrokken het in hoofdstuk 3 (blz. 31 e.v.) van zijn advies van 4 juni 2007, nr. 2007/14, “Verzekeringsgeneeskundige mediprudentie” - cfr. : http://www.gr.nl/pdf/200714.pdf - door de Gezondheidsraad voorgestelde toetsingskader.
    Indien de verzekeringsgeneeskundige rapportage niet voldoet aan de in dit toetsingskader geformuleerde eisen, dan is niet voldaan aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldig onderzoek en kan niet zonder meer van de juistheid van de bevindingen en conclusies worden uitgegaan.

    3.4.5 - Tot slot moet er rekening mee worden gehouden dat een verzekerde aanzienlijk minder gemakkelijk toegang heeft tot (onafhankelijke) medische expertise dan het UWV, dat die expertise immers in dienst heeft.
    Volgens het rapport “Ben ik overtuigd ?” behoort in verband hiermee het beginsel van de ongelijkheidscompensatie een rol te spelen bij de beslissing een deskundige te benoemen (Ben ik overtuigd ? - Werkgroep Medische Toetsing - Notitie van een werkgroep voorzitters sectoren bestuursrecht, mr. A.H.J. Lennaerts, Arrondissementsrechtbank Assen, mei 1995).


    4. - Bijzonderheden in de zaak A.

    4.1 - Consistentie van het medisch oordeel in de loop der tijd

    4.1.1 - Artikel 4 lid 1 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bepaalt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dient te voldoen aan de volgende vereisten :
    - a. (...)
    - b. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;
    - c. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.
    Deze eisen kunnen kort worden aangeduid als eisen van reproductiviteit (onderdeel b) en consistentie (onderdeel c).
    De Centrale Raad van Beroep heeft in een reeks van uitspraken de lijn neergelegd dat een wijziging van de belastbaarheid in beginsel dient te kunnen worden teruggevoerd op een verandering van de medische situatie.
    Indien sprake is van een lichtere inschatting van de beperkingen bij een overigens ongewijzigd medisch beeld, dient dat verschil in inschatting overtuigend te worden gemotiveerd (cfr. CRvB 08-03-2005, USZ 2005/168; CRvB 08-03-2005, USZ 2005/168; CRvB 03-01-2007, LJN AZ6490; CRvB 14-02-2007, LJN AZ8558).
    De overwegingen in CRvB 11-05-2007, LJN BA5749, met betrekking tot het laten vervallen van een urenbeperking zijn zeer illustratief : “Bij de thans in geding zijnde schatting heeft het Uwv, anders dan bij een eerdere beoordeling, geen urenbeperking meer geïndiceerd geacht voor appellante.
    Naar het oordeel van de Raad ontbreekt echter een voldoende overtuigende onderbouwing voor het laten vervallen van deze urenbeperking.
    De primaire verzekeringsarts is in zijn rapport d.d. 15 april 2003 op grond van het dagverhaal van appellante tot de conclusie gekomen dat zij voldoende rust krijgt en er geen indicatie meer is voor een urenbeperking en de bezwaarverzekeringsarts heeft zich, zonder nader in te gaan op dit aspect, achter dit medische oordeel van de primaire verzekeringsarts geschaard.
    Een dergelijke motivering acht de Raad in het licht van de eerdere medische rapportage waarin wel een urenbeperking is aangenomen echter onvoldoende, te meer daar appellante heeft gesteld dat in haar gezondheidstoestand geen verbetering is gekomen.

    Hoewel de Centrale Raad in bovengenoemde uitspraken niet met zoveel woorden verwijst naar artikel 4 lid 1 van het Schattingsbesluit, dient deze jurisprudentie wel in het licht van deze bepaling te worden gezien.
    Waar artikel 4 lid 1 Schattingsbesluit met name lijkt te zien op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek met betrekking tot alleen de datum in geding, ziet de aangehaalde jurisprudentie van de Centrale Raad met name op de reproduceerbaarheid en consistentie van de beoordeling in de loop der tijd.

    4.1.2 - Bezwaar-verzekeringsarts W.M. K. schrijft in haar rapportage van 4 oktober 2006 (B58) dat de ernst van de psychische problematiek ten opzichte van het vorige beoordelingsmoment (22 mei 1996, B24 en 25/26) is afgenomen.
    Toch is dat niet zo evident : A.’s huisarts spreekt over een depressieve stoornis met paniekaanvallen, waar de primair oordelende arts A.K. van B. spreekt van spanningsklachten (B35.2) en de bezwaar-verzekeringsarts van een aanpassingsstoornis, recidiverend met depressieve stemming.
    De stelling van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 6 december 2006 (B66) dat men het eigenlijk over alles eens is, is dan ook niet juist.
    Er bestaat wel degelijk verschil van mening over zowel de diagnose als (vooral) de ernst daarvan.
    Hier wreekt zich direct dat verweerder geen gebruik maakt van vragenlijsten als de 4DKL of SCL-90.
    Indien wel van dit soort (screenende) vragenlijsten gebruik zou zijn gemaakt, zouden de lijsten van 1996 en heden met elkaar vergeleken kunnen worden en een meer objectief beeld kunnen worden verkregen van de verschillen in de door A. ervaren c.q. gerapporteerde klachten tussen beide data.
    Verder ligt een opklaren van de depressieve stoornis niet zo voor de hand, nu de thuissituatie, die daarbij blijkens het dossier een aanzienlijke onderhoudende rol speelt, niet wezenlijk is veranderd.
    Ook vanuit de wetenschappelijke literatuur kan worden onderbouwd dat veeleer sprake is van een juist ongunstige prognose (cfr. W. van der Hoek - 'Prognose van depressie in het kader van de claimbeoordeling voor de nieuwe WAO' in TBV 2006, nr. 4).15
    De in het dossier te vinden waarschuwingen van psychiater Y. B. (B18) en psychiater A. K. (B24) tot slot ondersteunen de vermeende opklaring ook niet.

    4.1.3 - Kortom, de bevindingen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit wijken zodanig af van de overige in het dossier aanwezig bevindingen, dat serieuze twijfel is gerechtvaardigd over de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit.

    4.2 - Sociale omstandigheden

    4.2.1 - Uit het dossier komt naar voren dat verweerders besluit vooral is ingegeven door de overweging dat de belastende thuissituatie van A. bij de beoordeling van zijn arbeidsmogelijkheden geen rol mag spelen.
    Zoals de bezwaar-verzekeringsarts het in haar rapportage van 6 december 2006 (B66) formuleert : verweerder meent dat A. een keus moeten maken tussen het verzorgen van zijn zieke vrouw en het verrichten van arbeid.

    4.2.2 - Dit standpunt is niet alleen buitengewoon cynisch, maar ook onjuist.
    In het Verzekeringsgeneeskundig protocol Algemene inleiding van 19 december 2006, nr. 2006/22, blz. 15/16, schrijft de Gezondheidsraad : “Het concept “ongeschiktheid tot werken ten gevolge van ziekte” in het Schattingsbesluit wordt in de bijbehorende Nota van toelichting uitgewerkt aan de hand van drie begrippen die ontleend zijn aan de in 1980 voor het eerst verschenen International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (ICIDH) van de WHO : de begrippen stoornis, beperking en handicap. (...)
    De ICIDH werd in 2001 opgevolgd door de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) : (...) Centraal in de ICF staat een model van het menselijk functioneren (figuur 1), waarin de onderlinge relaties tussen stoornissen, beperkingen en handicaps (in de ICF-terminologie : participatieproblemen) in beeld worden gebracht.
    De drie niveaus waarop ziekte zich manifesteert worden omschreven als :
    - het niveau van de functies en anatomische eigenschappen, waarop zich stoornissen kunnen voordoen,
    - het niveau van de activiteiten, de onderdelen van iemands handelen, waarop beperkingen aanwezig kunnen zijn en
    - het niveau van de participatie, waarop sprake kan zijn van participatieproblemen, i.e. : problemen met het deelnemen aan het maatschappelijk leven.
    De drie niveaus van het menselijk functioneren hangen niet alleen in onderlinge wisselwerking met elkaar samen, maar zijn ook verbonden met externe factoren (fysieke en sociale) en met persoonlijke factoren (bijvoorbeeld leeftijd, persoonlijkheid levensstijl), die zowel op het functioneren van invloed zijn als erdoor beïnvloed worden.
    De verzekeringsarts maakt bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van dit samenhangende, dynamische systeem van het menselijk organisme en zijn omgeving een momentopname.
    Is er op dít moment sprake van een consistente en plausibele samenhang van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen ?
    Is dat het geval, dan kan er sprake zijn van “ongeschiktheid tot werken ten gevolge van ziekte” in de zin van het Schattingsbesluit.
    Om na te kunnen gaan of bij iemand een dergelijke consistente en plausibele samenhang aan de orde is, is het van belang zicht te hebben op de externe en persoonlijke factoren die met het functioneren van de persoon verbonden zijn.
    De stoornissen, beperkingen en participatieproblemen doen zich altijd voor in een bepaalde persoon in een bepaalde omgeving.
    Al naar gelang de eigenschappen van die persoon en omgeving kan de samenhang van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen verschillende gedaanten aannemen.
    Mede daarom is de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling altijd een individuele beoordeling.
    Soms zal blijken dat in het ontstaan of voortbestaan van een samenhangend geheel van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen externe en persoonlijke factoren, zoals gebrek aan sociale steun, inactiviteit, persoonlijkheidskenmerken, ambities, copingstijlen enzovoort, een belangrijke rol spelen.
    Dat is geen reden om, wanneer is vastgesteld dat van een dergelijke samenhang sprake is, de omvang van de beperkingen als geringer te beoordelen dan wanneer niet of nauwelijks aanwijsbare persoonlijke of externe factoren in het geding zouden zijn geweest.”

    4.2.3 - Het geheel buiten beschouwing laten van de invloed van de thuissituatie is dan ook in strijd met huidig wetenschappelijk medisch inzicht.

    4.2.4 - Hieraan wordt toegevoegd dat blijkens hetgeen psychiater Y. B. (B18) en psychiater A. K. (B24) schrijven, het verstoren van het wankele evenwicht thuis een relevant risico op decompensatie met zich meebrengt.
    Of zoals prof. dr. H.J. van A. het in zijn brief van 17 september 1996 (B23) schrijft : “Niet zijn arbeidsongeschiktheid wordt sociaal maatschappelijk bepaald, maar zijn psychische ziekte wordt sterk sociaal/maatschappelijk beïnvloed.
    Verweerder gaat hier ten onrechte aan voorbij.


    5. - Conclusie

    5.1 - Een en ander leidt tot de conclusie dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 3:2 en 3:4 Awb, artikel 18 lid 1 WAO en artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit dienen te worden gesteld.

    5.2 - Deze gebreken aan de beoordeling leiden ertoe dat ernstig dient te worden getwijfeld aan de juistheid van de uit die gebrekkige beoordeling getrokken conclusies.
    Dat dient te leiden tot benoeming van een onafhankelijk deskundige.

    5.3 - Voorgesteld wordt daartoe een psycholoog te benoemen en in de te verstrekken opdracht de instructie op te nemen in het kader van zijn onderzoek tevens een psychiatrisch consult te doen plaatsvinden.

    5.4 - Indien u overgaat tot de benoeming van een deskundige, verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen mij uit te laten over de te formuleren vraagstelling.

    Hoogachtend,
    E. van den Bogaard.


    Bijlagen

    Om de reden van overlegging van de betreffende artikelen te illustreren, heb ik bij een aantal artikelen enkele in het oog springende passages geciteerd :

    1. Een virtuele bibliotheek voor arbo en sociale zekerheid
      F. van Dijk, G. Reinders, F. Schaafsma, D. Spreeuwers, C. Hulshof, M. Abspoel, F. Vlek, J. Verbeek - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 11 (december 2003), p. 368-372
      Cfr. : http://dare.uva.nl/record/142407

    2. The Expert Witness in Psychology and Psychiatry
      David Faust and Jay Ziskin (1988) - Science, Vol. 241, 1 July 1988, p. 32
      “Studies that compare clinicians' predictions against objectively determinable, hard data commonly show that error rate exceeds accuracy rate (3).
      In one study, for example, a series of military recruits was retained in service despite psychiatrists' recommendations that they be discharged for severe psychiatric liabilities. (11)
      After 2 years, most of these individuals had remained on active duty and their overall rate of success and adjustment was not substantially different from that of matched controls initially judged to be free of pathology.”
      “In another study, lay interviewers using standardized questions produced information of equal or greater validity than psychiatrists conducting interviews in their preferred manner.”
      “In a study on the detection of malingering, most clinicians expressed extreme confidence on a diagnostic task in which error rate ranged from 90 to 100%.”
      “Clinicians commonly propose that their conclusions rest on a careful weighting of many variables, whereas objective analysis typically shows that only a few variables, perhaps two or three, exert a significant impact (39-40). Clinicians also assert that complex configural analysis or data integration is necessary to reach accurate conclusions-that one never considers datum in isolation but rather the "whole" or overall pattern of results.
      However, numerous studies suggest that no clinician, or human being for that matter, can begin to manage such complex cognitive operations (41-43). The attempt to grasp interactions among even two or three variables can outstrip human cognitive capacities.”
      Cfr. : http://www.sciencemag.org/cgi/content/abstract/241/4861/31

    3. Psychological testing and psychological assessment - A review of evidence and issues
      Meyer, G. J., Finn, S. E., Eyde, L. D., Kay, G. G., Moreland, K. L., Dies, R. R., Eisman, E. J., Kubiszyn, T. W., & Reed, G. M. (2001) - American Psychologist, 56, 128–165
      Cfr. below : 4) 'Clinical versus mechanical prediction - A meta-analysis'
      Cfr. :
      http://www.biomedexperts.com/Abstract.bme/11279806/Psychological_testing_and_psycholo
      gical_assessment_A_review_of_evidence_and_issues

    4. Clinical versus mechanical prediction - A meta-analysis
      Grove, W.M., Zald, D.H., Hallberg, A.M., Lebow, B., Snitz, E., & Nelson, C. (2000) - Psychological Assessment, 12, 19–30
      Het artikel van Meyer et al is weliswaar veel directer toegespitst op de beoordeling van psychische problematiek, maar het onderzoek van Grove et al geldt als klassieker in de “statisch versus klinisch” discussie.
      Er komt uit naar voren dat de gebrekkigheid van het klinisch oordeel zeer algemeen is en zich in versterkte mate voordoet zodra dat oordeel is gebaseerd op gegevens die zijn verkregen uit een interview.
      Dat laatste is relevant aangezien een beoordelingsgesprek met een verzekeringsarts een interview is.
      “The process of making judgments and decisions requires a method for combining data.
      To compare the accuracy of clinical and mechanical (formal, statistical) data-combination techniques, we performed a meta-analysis on studies of human health and behavior.
      On average, mechanical-prediction techniques were about 10% more accurate than clinical predictions.
      Depending on the specific analysis, mechanical prediction substantially outperformed clinical prediction in 33%-47% of studies examined.
      Although clinical predictions were often as accurate as mechanical predictions, in only a few studies (6%-16%) were they substantially more accurate.
      Superiority for mechanical-prediction techniques was consistent, regardless of the judgment task, type of judges, judges' amounts of experience or the types of data being combined.
      Clinical predictions performed relatively less well when predictors included clinical interview data.
      These data indicate that mechanical predictions of human behaviors are equal or superior to clinical prediction methods for a wide range of circumstances.”
      “Why do we obtain these results ?
      Humans are susceptible to many errors in clinical judgment (Garb, 1998; Kahneman, Slovic, & Tversky, 1982).
      These include ignoring base rates, assigning nonoptimal weights to cues, failure to take into account regression toward the mean, and failure to properly assess covariation.
      Heuristics such as representativeness (which leads to belief in the law of small numbers) or availability (leading to over-weighting vivid data) can similarly reduce clinicians' accuracy.
      Also, clinicians often do not receive adequate feedback on the accuracy of their judgments (Einhora & Hogarth, 1978), which gives them scant opportunity to change maladaptive judgment habits.
      In this regard, it is notable that experienced psychologists frequently show little improvement in the accuracy of their clinical judgments relative to the clinical judgments of psychology graduate students (Garb, 1989, 1998).
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=10752360&dopt=Abstract

    5. E-mailwisseling prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach d.d. 4 en 5 oktober 2007

    6. Verzekeringsgeneeskundige beoordeling bij psychische problematiek
      S.M. Laitinen-Krispijn, L.C. Nicolaï - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 4 (2006), p. 167-170
      Cfr. : http://www.st-ab.nl/wetwiaor1rvpa-06.htm

    7. Pediatric malingering – The capacity of children to fake believable deficits on neuropsychological testing
      Faust, David; Hart, Kathleen J.; Guilmette, Thomas J – Journal of Consulting and Clinical Psychology, 1988 Aug Vol 56(4) 578-582
      Cfr. : http://eric.ed.gov/ERICWebPortal/custom/portlets/recordDetails/detailmini.jsp?_nfpb=true&_&ERICExtSearch_SearchValue_0=EJ384977&ERICExtSearch_SearchType
      _0=no&accno=EJ384977

    8. Over het simuleren van cognitieve stoornissen
      M. Jelicic, H. Merckelbach, M. Cima - Tijdschrift voor Psychiatrie 45 (2003) 11, p. 687-696
      “Zodra clinici het juridisch domein betreden om daar cognitieve klachten en symptomen van patiënten te taxeren, moeten zij beducht zijn voor de mogelijkheid dat afhankelijk van de context, klachten en symptomen worden gemaximaliseerd of juist geminimaliseerd.
      Het is voor psychiaters en neurologen goed om er rekening mee te houden dat simuleren vooral kan voorkomen bij patiënten die verwikkeld zijn in de afhandeling van letselschade, bij verdachten van misdrijven en bij forensische patiënten.
      Deze categorieën van patiënten kunnen voordeel hebben bij het aandikken of juist onderrapporteren van cognitieve stoornissen.
      Nagaan of patiënten met schadeclaims cognitieve stoornissen simuleren, kan het best geschieden met gespecialiseerde tests als de AKTG en vragenlijsten als de SIMS.
      Om bij verdachten onderscheid te maken tussen organische en gesimuleerde amnesie voor een misdrijf, moet men zich afvragen of hij of zij de specifieke kenmerken van hersenbeschadiging heeft.
      Daarnaast kan in bepaalde gevallen worden overwogen om een SVT in te zetten.
      De SS is een veelbelovend instrument om forensische patiënten te onderzoeken op hun neiging tot fake good.
      Mocht de clinicus bij patiënten met letselschade, verdachten van een misdrijf of forensische patiënten onvoldoende rekening houden met simuleren, dan is sprake van een gemankeerd onderzoek.”
      Cfr. : www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/zoeken/download.php?id=70

    9. Detection of feigned cognitive dysfunction using special malinger tests - A simulation study in naïve and coached malingerers
      Elicic, M., Merckelbach, H., Candel, I., & Geraerts, E. (in press) - International Journal of Neuroscience, Volume 117, Issue 8 August 2007 , pages 1185 – 1192
      The aim of the present study was to compare the accuracy of the Amsterdam Short Term Memory (ASTM) test with that of the Structured Inventory of theMalingered Symptomatology (SIMS) in detecting feigning of cognitive dysfunction in na¨2ve and coached participants.
      Ninety undergraduate students were administered the ASTM and the SIMS and asked to respond honestly (controls; n = 30) or instructed to malinger cognitive dysfunction due to head injury.
      Before the both instruments were administered, naïve malingerers received no further information (n = 30), whereas coached malingerers were given some information about brain injury and a warning not to exaggerate symptoms (n = 30).
      Both tests correctly classified 90% of the naïve malingerers.
      The ASTM detected 70% of the coached malingerers, whereas the SIMS continued to detect 90% of them.
      The findings suggest that coaching undermines the diagnostic accuracy of the ASTM, but does not seem to influence the accuracy of the SIMS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=pubmed&uid=17613120&cmd=showdetailview&indexed=google

    10. W. John, Miller was (mostly) right - Head injury severity inversely related to simulation
      Greiffenstein, Manfred F.; Baker - Legal and Criminological Psychology, Volume 11, Number 1, February 2006 , pp. 131-145
      “We found robust inverse dose-response relationships in two of three functional areas.
      Poorer performance on simple memory and motor tasks in persons with minor craniocervical injury.
      Examination of base rates for three types of simulated deficit (memory, motor, psychiatric) demonstrated that suspected simulation was the rule rather than the exception.
      Those reporting the most symptoms (‘floridity’ in Miller’s terms) showed the highest rates of egregious simulation, although not universally so.”
      “We strongly urge formal effort testing in all compensation seekers.”
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/bpsoc/lcp/2006/00000011/00000001/art00010

    11. De bruikbaarheid van de nieuwe normen van de SCL-90 bij het opsporen van psychische klachten in een arbeids(on)geschiktheidsprocedure
      H. Scharft, C.J.F. Kemperman, M.P. Steenhuis - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 2004 (12), 7, 204-207

    12. Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen
      Gezondheidsraad 2007/5, blz. 33
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/CBA/wetgeving/WetgevingB/Regverzekgeneeskundproto/
      05.html

      en
      Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten - Geautoriseerde richtlijn 28 januari 2000
      Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) – Eindhoven, 2004 - blz. 80

    13. Drie vragenlijsten voor diagnostiek van depressie en angststoornissen
      E.M. de Croon, K. Nieuwenhuijsen, N.I.R. Hugenholtz, F.J.H. van Dijk - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 13 (2005), p. 98-103
      Cfr. : http://www.psychischenwerk.nl/datafiles/Drie%20vragenlijsten%20voor%20diagnostiek.pdf

    14. Evidence-based psychodiagnostiek
      C. de Ruiter - In 'Handboek psychodiagnostiek - Van testmethode naar toepassing' - C. de Ruiter en M. Hilderbrand (red.) - Harcourt 2006, blz. 11-18
      “Ten slotte houdt evidence-based psychodiagnostiek in dat er multimethodisch gewerkt wordt.
      Dit wil zeggen dat diagnostische uitspraken over personen zoveel mogelijk gebaseerd dienen te zijn op gegevens die verkregen zijn uit meerdere testmcthodeii eri van meerdere informatiebronnen.
      Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat monomethodisch onderzoek (bijvoorbeeld : louter zelfrapportagetests of louter een onderzoeksgesprek met de cliënt) veelal leidt tot onjuiste interpretaties (Meyer e.a., 2001).
      Wanneer eenzelfde persoonlijkheidskenmerk, bijvoorbeeld impulsiviteit, met behulp van verschillende testmethoden wordt onderzocht (bijvoorbeeld : met een experimentele cognitieve computertaak, niet een zelfrapportagevragenlijst als de Barratt Impulsiveness Scale en door heteroanamnestische gesprekken met bekenden van de onderzochte over dit aspect van zijn persoonlijkheid, ontstaat pas een volledig beeld.
      Wanneer de resultaten verkregen met verschillende testmethoden convergeren, kan de psychodiagnosticus zijn diagnostische interpretaties met meer stelligheid formuleren dan wanneer dat niet het geval is.
      Soms roepen divergerende testresultaten aanvullende vragen op die alleen met nader diagnostisch onderzoek of door andere informatiebronnen aan te boren, beantwoord kunnen worden.
      Dit proces verhoogt uiteraard de kans op een juiste en nauwkeurige diagnose.
      Bij multimethodisch werken behoort uiteraard ook de integratie van contextuele factoren bij de interpretatie van diagnostische gegevens.
      Contextuele factoren kunnen immers een rol spelen bij de totstandkoming van de uiteindelijke testscores, denk bijvoorbeeld aan de rol van vermoeidheid, aandacht en medewerking bij de scores op neuropsychologische tests.”
      Cfr. : http://www.corinederuiter.eu/book-detail.php?bookid=5

    15. Prognose van depressie in het kader van de claimbeoordeling voor de nieuwe WAO
      W. van der Hoek - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 2006 (14), 4, 161-166
      “Voor de verzekeringsarts is van belang dat bij een cliënt die 2 jaar verzuimt wegens een depressie en die een einde-wachttijdbeoordeling voor de WIA ondergaat, gesproken kan worden van een chronische depressie met ongunstige prognose.
      Zo al (gedeeltelijk) herstel optreedt dan nog is er een grote kans op terugval, verhoogd verzuim en verminderde productiviteit.
      Dit betekent dat in de belastbaarheid vastgesteld bij einde wachttijd in het kader van de WIA vaak geen belangrijke verbetering mag worden verwacht.”
      Cfr. :
      http://www.gr.nl/pdf.php?ID=1475&p=1


    Cfr. : : http://www.steungroep.nl/archief/stukken/vandenbogaard20071120.pdf


    Lees verder : Deel VI

    25-11-2009 om 22:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, reïntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)


    Blog als favoriet !

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Raadpleeg steeds je arts !
    Inhoud blog
  • Tijd om afscheid te nemen...
  • Fibromyalgie in het kort
  • Leden ME/CVS Vereniging unaniem tegen CBO-voorstel
  • Blood donation, XMRV & chronic fatigue syndrome
  • Illness duration and coping style in chronic fatigue syndrome
  • Review confirms PTSD in Gulf vets - Panel finds many reports of multisymptom illnesses
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel I
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel II
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel III
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IV
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel V
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VI
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VIII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IX
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel X
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel XI
  • When do symptoms become a disease ?
  • Burnout
  • Gepest ? - Zet de juiste stappen
  • Voldoet jouw werkplek aan de ARBO-normen ?
  • Chiropractie - Vrijspraak voor Simon Singh in smaadzaak
  • ME/CVS ? - Werk mee aan onderzoek naar tegemoetkoming chronisch zieken !
  • Magical Medicine - How to make a disease disappear
  • A new hypothesis of chronic fatigue syndrome - Co-conditioning theory
  • A light in the darkness - Good news ahead for XMRV ?
  • Zomertijd - Help je biologische klok
  • Beter van de bedrijfsarts
  • De invloed van economisering op het werk van artsen
  • Chronisch Vermoeidheidssyndroom (IOCOB)
  • Gezond brein, gezonde darmen
  • A retrospective review of the sleep characteristics in patients with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
  • Opdracht voor het volgende kabinet : afschaffing van het UWV
  • Test maakt validering pijn bij ME/CVS patienten mogelijk
  • Surprise discovery that HIV retrovirus hides in bone marrow offers new hope for eradication
  • A doctor's roadmap for dealing with the problems of ME/CFS
  • De Terug Plezant Club
  • Het retrovirus XMRV - Waar of niet waar ?
  • Being homebound with chronic fatigue syndrome - A multidimensional comparison with outpatients
  • Oplaaiende symptomen ME patient verraden ontstekingsreactie
  • UWV : 'ME/CVS is ziekte in zin van arbeidsongeschiktheid'
  • Een succesverhaal met Vistide in de strijd tegen ME/CVS - Een verhaal over herstel
  • Depressie
  • Hoe stressvol is je leven ?
  • Making the diagnosis of CFS/ME in primary care - A qualitative study
  • A new system of evaluating fibromyalgia and chronic fatigue
  • Nijmeegs onderzoek haalt CVS-doorbraak onderuit
  • Psychotherapie bij depressie overschat
  • Secrets of novel retrovirus unfolding
  • XMRV : 'missing link' bij ME/CVS ?
  • Reeves, hoofd van CDC CVS onderzoeksprogramma, gaat weg
  • Constant agony of an ME sufferer
  • Canon van de geneeskunde in Nederland
  • Dr. Frank dieet
  • Defeatism is undermining evidence that chronic fatigue syndrome can be treated
  • Cellular and molecular mechanisms of interaction between the neuroendocrine and immune systems under chronic fatigue syndrome in experiment
  • Zo zorg je voor weerstand - Houd je lichaam in optimale conditie
  • Fibromyalgie Vlaanderen Nederland - Dr. Bauer
  • Bussemaker komt terug op erkenning CVS
  • Postexertional malaise in women with chronic fatigue syndrome - Laboratioriumonderzoek bevestigt inspanningsintolerantie bij ME/CVS
  • Ze vertelden stervende dochter dat ze een leugenaar was - Interview met ME moeder Criona Wilson
  • Bijwerkingen antidepressiva erger dan gedacht
  • Bereken je BMI
  • Host range and cellular tropism of the human exogenous gammaretrovirus XMRV
  • The Brain Boosting B-12 - Hydroxocobalamin
  • Vertaling Canadese criteria ME/CVS
  • Slapeloosheid & osteopathie
  • Het Advies- en meldpunt ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
  • Association between serum ferritin [stored iron] level and fibromyalgia syndrome
  • Dr. Mikovits XMRV Seminar (videos)
  • Zorgen voor een ander (2010) - Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Herwin je veerkracht - Omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
  • Je eten bepaalt je slaap
  • Dierenleed
  • ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Understanding fibromyalgia pain
  • Hyperalgesia in chronic fatigue syndrome
  • Wegwijzer psychische problemen
  • Positieve psychologie
  • Fietsen in de sneeuw...
  • Tips tegen de koude
  • Failure to detect the novel retrovirus XMRV in chronic fatigue syndrome
  • Nieuwe behandeling VermoeidheidCentrum zeer effectief
  • Een Zalig Kerstfeest en een gezond en voorspoedig 2010 !
  • Taming stressful thoughts
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel I
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel II
  • Canadese kriteria voor kinderen ook geschikt om onderscheid te maken tussen "milde" en "ernstige" gevallen
  • Stop met piekeren
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel I
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel II
  • Making a Difference in ME/CFS (Chronic Fatigue Syndrome) and FM
  • Psychotherapie - Van theorie tot praktijk
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel I
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
  • Fibromyalgie
  • Europees instrument spoort fibromyalgie op
  • Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
  • Cognitieve gedragstherapie bij depressie
  • Nooit meer hetzelfde...
  • Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
  • SOS ! Hulp voor ouders
  • Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
  • The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
  • Verdedig je tegen wintervirussen
  • 7 geheimen die vrouwen verzwijgen
  • Eén op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
  • Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIX
  • Doe een wens... - Make a wish...
  • 7 geheimen die mannen verzwijgen
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXX
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - GRATIS !
  • Af en toe een geheim is juist gezond
  • FM/CVS en verzekeringen - Info voor thesis
  • Mogelijke doorbraak MS-behandeling
  • Wees een winterdepressie voor
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel I
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel II
  • The Guaifenesin Story
  • A virus linked to chronic fatigue syndrome - Dr. Nancy Klimas interviews
  • Don't wait for a cure to appear
  • Gezonde chocoladeletters van Sinterklaas
  • Oorzaken van puisten
  • Sporten beter dan pauzeren bij RSI
  • Alles voor het goeie doel !!
  • Gewoon gelukkig zijn...
  • Chronic Fatigue Syndrome - La bête noire of the Belgian Health Care System
  • Persoonlijkheidstests
  • Vaccinatie risicogroepen H1N1
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer - Een update (Greta)
  • Weersfactoren oorzaak van hoofdpijn
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part I
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part II
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part III
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IV
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part V
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VI
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VIII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IX
  • Challenges to conventional thinking about mind and body
  • What is CFS and what is ME ?
  • CVS-Referentiecentra - Opheffing en sluiting
  • Heb ik voldoende ontspanning ?
  • 7 tips tegen een overactieve blaas
  • Wallen en kringen onder de ogen
  • Recovered CFS/ME Patient Goes to Washington, D.C.
  • Chronische vermoeidheid zit niet tussen de oren
  • Dr. Bauer heeft mijn leven gered
  • Has your marriage been damaged by fibromyalgia or chronic fatigue syndrome ?
  • Vijf grootste bedreigingen gezondheid
  • Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen
  • Je beste antistresstip
  • Sufferers of chronic fatigue see life as a balancing act
  • Te hard gewerkt...
  • Prof. Dr. Johann Brauer op mijn blog
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer
  • Is de griepprik gevaarlijk ?
  • Griep en verkoudheid - Deel I
  • Griep en verkoudheid - Deel II
  • Support the 500 Professionals of the IACFS/ME
  • Slanker met je hartritme
  • Enzym veroorzaakt gevolgen slaaptekort
  • Now we can get down to business
  • XMRV and chronic fatigue syndrome
  • Verslaving is een behandelbare hersenziekte
  • Kopstukken filosofie - Oktober 2009
  • Gek op je werk
  • Fikse schadevergoeding om antidepressivum
  • ME/CFS patients have retrovirus (XMRV) on YouTube

    Foto

    Archief per week
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    martine1953
    blog.seniorennet.be/martine
    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!