NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • Exhaubs
  • Quonoge
  • easerne
  • Boact
  • antebra

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • Leningaanbod gelden (Mr Arnoid Weman)
        op Fibromyalgie in het kort
  • cbd oil for pain dosage (Sonjaorgab)
        op Vluchten in het werk
  • best cbd hemp oil for pain (SonjaHom)
        op Vluchten in het werk
  • cbd oil for pain (Sonjaorgab)
        op Vluchten in het werk
  • cbd oil for pain (SonjaHom)
        op Vluchten in het werk
  • cbd oil for pain dosage (SonjaHom)
        op Vluchten in het werk
  • Leonard finals after Kevin Durant, two of them deep in conversation, specially arranged in the NBA (Bobbykic)
        op Even geduld...
  • Kevin Durant many rebounds in the playoffs to record 64th (Bobbybep)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • le farmacie vendono cialis senza ricetta Si (RalphNal)
        op Fibromyalgie & hormonen... - Deel II
  • Auckland is Kevin Durant new home renovation basketball court help young people (Bobbykic)
        op Tijd om afscheid te nemen...
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    waasland
    blog.seniorennet.be/waaslan
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    tjebbe
    blog.seniorennet.be/tjebbe
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    alfonsvc
    blog.seniorennet.be/alfonsv
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    waasland
    blog.seniorennet.be/waaslan
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    hopeloos
    blog.seniorennet.be/hopeloo
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie PatiŽnten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    25-11-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel V


    2.4.7 - Deze onbetrouwbaarheid van interview-gebaseerde beoordelingen komt ook naar voren in de veel breder opgezette meta-analyse van 136 onderzoeken door William M. Grove et al. 4 : ďOn average, mechanical-prediction techniques were about 10% more accurate than clinical predictions.
    Depending on the specific analysis, mechanical prediction substantially outperformed clinical prediction in 33%-47% of studies examined.
    Although clinical predictions were often as accurate as mechanical predictions, in only a few studies (6%-16%) were they substantially more accurate.
    Superiority for mechanical-prediction techniques was consistent, regardless of the judgment task, type of judges, judges' amounts of experience or the types of data being combined.
    Clinical predictions performed relatively less well when predictors included clinical interview data.
    ď

    2.4.8 - Waartoe overmatig zelfvertrouwen bij diagnosticerende artsen kan leiden, blijkt uit een onderzoek uit 1987 over het vermogen van adolescenten om bij het invullen van vragenlijsten aannemelijke neuropsychologische defecten te simuleren : ďThree subjects between the ages of 9 and 12 years were recruited through friends of the laboratory support staff.
    The subjects had no history of learning difficulties, serious medical illness or head injury and each was an above-average student.
    We informed subjects and their parents that we wished to examine faking on psychological tests.
    The subjects were told to perform less well than usual but not to be so obvious in doing so that the person testing them would know they were faking.
    No other guidance was provided. (...) Of the 42 case respondents (15 for Case I, 11 for Case 2 and 16 for Case 3), 39 (93%) judged the protocols as abnormal and 3 (7%) as normal.
    Of the former 39 respondents. 34 (87%) attributed the abnormality to conical dysfunction. 5 (13%) to functional factors and 0 to malingering.
    Thus, almost all of the respondents were convinced that abnormality was present, and no respondent detected faking or malingering. (...) About three fourths of the judges indicated moderate or greater confidence and almost two fifths indicated high or very high confidence.
    We had planned to analyze relations between diagnostic accuracy and a number of variables, including confidence.
    However, significant findings were precluded because accuracy did not vary (i.e., error rate was 100%.).
    It seems appropriate to call most of the judges overconfident because the majority indicated moderate or greater confidence on a task in which no judge made an accurate identification.
    Ē 8
    De meeste beoordelaars hadden een zeer groot vertrouwen in de juistheid van hun bevindingen, terwijl die bevindingen in 90-100% van de gevallen onjuist waren.
    Uit dit onderzoek blijkt dat het bij gezonde personen die opzettelijk simuleren nauwelijks tot niet mogelijk is om objectief en betrouwbaar vast te stellen of en in hoeverre sprake is reŽle neuropsychologische problematiek of van simulatie.
    Uit ander onderzoek blijkt echter dat simulatie wel betrouwbaar is vast te stellen met behulp van specifieke daarop gerichte testen.8, 9

    2.4.9 - De verzekeringsarts moet op grond van een gesprek met een verzekerde, die (in beginsel) niet simuleert, de geclaimde klachten en beperkingen beoordelen.
    Hij moet daarbij onderscheiden tussen wat reŽel is en als gevolg van ziekte of gebrek kan worden aangemerkt en datgene wat in de presentatie mogelijk te sterk wordt aangezet of niet als gevolg van ziekte kan worden aangemerkt.
    Als het maken van dat onderscheid al niet mogelijk is bij gezonde personen die bewust simuleren, dan is dat bij zieke personen wier klachtenbeleving mogelijk sterker is dan medische verklaarbaar, maar voor een (substantieel) deel wel reŽel, nog veel minder mogelijk.
    Er valt dan ook niet te ontkomen aan de conclusie dat een klinische beoordeling van psychische klachten op basis van niet meer dan een beoordelingsgesprek ontoereikend is en met andere vormen van onderzoek moet worden aangevuld om tot een betrouwbaar en reproduceerbaar resultaat te komen.
    Het belang hiervan wordt onderstreept door het onderzoek van Greiffenstein en Baker waaruit naar voren komt dat in letselschadezaken (ďcompensable contextĒ) de kans op simulatie groter is naar mate het objectieve letsel beperkter is.10
    Niet vergeten mag worden dat het fenomeen ďsimulatie/malignerenĒ twee zijden heeft : uiteraard dient voorkomen te worden dat claims worden gehonooreerd c.q. beperkingen worden aangenomen die er de facto niet zijn, maar evenzeer dient te worden voorkomen dat op grond van een onvoldoende onderbouwd vermoeden van maligneren claims c.q. beperkingen worden afgewezen die er wel degelijk zijn.

    2.4.10 - Uit de literatuur blijkt dat er voldoende betrouwbare tests beschikbaar zijn om bijv. :
    - de klachten goed in beeld te brengen (SCL-9011 en 4DKL12), zodat gericht nader onderzoek kan plaatsvinden;
    - een angststoornis of depressie uit te sluiten (HADS en DASS)13, zodat van nader onderzoek naar die stoornissen kan worden afgezien of (indien die diagnosen niet worden uitgesloten) gericht verder onderzoek kan plaatsvinden;
    - simulatie vast te stellen (ASTM en vooral SIMS). 9

    2.4.11 - Uit de literatuur komen geen argumenten naar voren op grond waarvan bij een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van het gebruik van dergelijke instrumenten zou moeten worden afgezien.
    Wel komen uit die literatuur sterke argumenten naar voren die het (aanvullende) gebruik van testonderzoek ondersteunen.
    Cfr. Meyer et al. : ďData from more than 125 meta-analyses on test validity and 800 samples examining multimethod assessment suggest 4 general conclusions :
    (a) psychological test validity is strong and compelling,
    (b) psychological test validity is comparable to medical test validity,
    (c) distinct assessment methods provide unique sources of information and
    (d) clinicians who rely exclusively on interviews are prone to incomplete understandings.
    Following principles for optimal nomothetic research, the authors suggest that a multimethod assessment battery provides a structured means for skilled clinicians to maximize the validity of individualized assessments.
    Ē 3

    2.4.12 - Op basis van de overgelegde wetenschappelijke literatuur kan dan ook niet anders dan worden geconcludeerd dat een verzekeringsgeneeskundige beoordeling die is gebaseerd op alleen de ďklinische blikĒ van de verzekeringsarts, niet als Ďstate of the artí kan worden aangemerkt, maar dient te worden aangevuld met en getoetst aan de resultaten van testonderzoek (cfr. ook C. de Ruiter, Evidence-based psychodiagnostiek).14
    Verder dient te worden vastgesteld dat er voldoende valide en betrouwbare testmethodieken zijn die ook in de verzekeringsgeneeskunde kunnen worden toegepast, zodat eigenlijk onbegrijpelijk is waarom daarvan niet meer gebruik wordt gemaakt (cfr. de waarschuwing in het hiervoor al geciteerde artikel van Van Dijk et al.).1
    Tot slot verdient opmerking dat in de bedrijfsgeneeskunde, die toch sterk aan de verzekeringsgeneeskunde is gelieerd, wel in toenemende mate van testonderzoek gebruik wordt gemaakt (cfr. de NVAB-richtlijn ďHandelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachtenĒ van 28 januari 2000 op : http://www.ohcbv.nl/hulppagina/documenten/richtlijn%20psychische%20klachten.pdf -).

    2.5 - Algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden

    2.5.1 - In artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit wordt de eis gesteld dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek geschiedt aan de hand van algemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethoden.

    2.5.2 - In de Nota van Toelichting bij het Schattingsbesluit is ter toelichting bij de introductie van deze eis het volgende te lezen : ďIn zijn brief aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 september 1997 over de richtlijn MAOC wijst het Ctsv er op dat ęuit hetgeen de wetgever en de rechter naar voren brengen kan worden opgemaakt, dat de uitvoerder van de AAW/WAO bij zijn medische beoordeling niet over een nacht ijs mag gaan.
    Een gedegen medisch onderzoek is altijd een vereiste en hoe moeilijker het is een medische oorzaak vast te stellen, hoe grondiger en uitvoeriger het te verrichten onderzoek zal moeten zijnĽ.
    Het besluitvormingsproc
    es dient derhalve voldoende waarborgen te bevatten voor een gefundeerd medisch oordeel. (...)
    Om te kunnen spreken van een kwalitatief goede claimbeoordeling dient aan de volgende eisen te worden voldaan. Ten eerste is daar de vaststelbaarheid van de stoornissen, beperkingen en handicaps. (...)
    De tweede voorwaarde is dat het vaststellen van de ongeschik
    theid medisch dient te zijn, hetgeen wil zeggen op in de reguliere gezondheidszorg aanvaarde wijze.
    Dit vereist dat onderzoeksmethoden toegepast dienen te worden die in de verzekeringsgeneeskunde onder artsen en paramedische deskundigen algemeen geaccepteerd zijn. (...)
    Een derde voorwaarde is dat het oordeel van de verzekeringsarts objectief moet zijn.
    Objectief in dit verband wil zeggen gebaseerd op de feiten, niet beÔnvloed door vooroordelen.
    Ē (Stb 2000, 307, blz. 15/16)
    Er dient dus sprake te zijn van een gefundeerd medisch oordeel dat op een in de reguliere gezondheidszorg aanvaarde wijze wordt vastgesteld en objectief is.

    2.5.3 - Gelet op de uit de wetenschappelijke literatuur daartegen blijkende bezwaren, kan de loutere klinische blik niet worden aangemerkt als een ďalgemeen aanvaarde verzekeringsgeneeskundige onderzoeksmethodeĒ als bedoeld in artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit.

    2.5.4 - Blijkens het Handboek psychodiagnostiek onder redactie van Corine de Ruiter & Martin Hildebrand uit 2006, blz. 11-17, dient psychodiagnostiek zoveel mogelijk evidence-based te zijn, hetgeen inhoudt :
    - dat er gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde en wetenschappelijk onderbouwde instrumenten;
    - er sprake is van transparantie (expliciet maken van de keuze voor bepaalde meetinstrumenten en van de relatie tussen ruwe testgegevens en de interpretatie daarvan);
    - er multimethodisch wordt gewerkt, d.w.z. dat gebruik wordt gemaakt van meer testmethoden en meer informatiebronnen.14
    De eis van artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit leidt er dan ook toe dat de verzekeringsarts zijn oordeel over psychische problematiek zal dienen te baseren op de combinatie van testonderzoek en klinische beoordeling.
    Het testonderzoek kan daarbij zowel de richting wijzen voor nader onderzoek als een kritische toets zijn voor het eigen klinisch oordeel, bijv. doordat simulatie objectief wordt aangetoond, een diagnose wordt uitgesloten of een eigen hypothese wordt gefalsificeerd of juist bevestigd.

    2.5.5 - De vraag tot slot of de verzekeringsarts in het gebruik van dit soort instrumenten is geschoold, is niet relevant : hij kan zich ofwel daarin alsnog scholen ofwel gebruik maken van externe expertise.
    Dat aan externe expertise kosten zijn verbonden, mag niet ten nadele van de verzekerde worden gebracht. Artikel 3:4 lid 2 Awb staat daaraan in de weg.

    2.6 - Bijzondere problemen bij - retrospectieve - toetsing in bezwaar en beroep

    2.6.1 - Hetgeen hiervoor is beschreven, doet zich voor bij de beoordeling van de actuele belastbaarheid.
    Indien eenmaal een besluit met betrekking tot het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is genomen, dan staat in bezwaar of beroep niet meer de actuele belastbaarheid ter beoordeling, maar die op de datum in geding.
    Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 30 januari 2007, LJN AZ7600, terecht overweegt, hebben dergelijke zaken altijd een retrospectief karakter en zal dan steeds een beoordeling van een situatie in het verleden moeten plaatsvinden.

    2.6.2 - Prof. dr. P.J. van Koppen wijst er echter in zijn artikel ďWeg van de toerekeningsvatbaarheid - Over rapportages over de verdachteĒ in Trema, 27, 221-228 Ė cfr. : http://www.nscr.nl/publicaties/artikel.php?artikel_ID=426 -, op dat er helemaal geen tests bestaan waarmee iemands toestand in het verleden kan worden vastgesteld (blz. 224 l.k.) en dat er vele factoren zijn waardoor een retrospectieve beoordeling wordt verstoord.

    2.6.3 - Dat een beoordeling achteraf niet rechtstreeks mogelijk is en met bijzondere moeilijkheden heeft te kampen, leidt ertoe dat aan de eisen die aan een actuele beoordeling dienen te worden gesteld, strikt de hand moet worden gehouden.

    2.6.4 - Tweede consequentie daarvan is dat gebreken in de beoordeling zo kort mogelijk na de datum in geding moeten worden hersteld.
    De inschatting van de situatie per datum in geding op basis van een onderzoek ongeveer 1Ĺ jaar na dato (in het kader van de procedure bij de rechtbank, zoals in casu) is veel moeilijker dan op basis van een onderzoek rondom tot enkele maanden na die datum (zoals in bezwaar mogelijk is).
    Indien het multimethodische onderzoek pas na 4 tot 5 jaar plaatsvindt (zoals bij onderzoeken in opdracht van de Centrale Raad van Beroep het geval is) geldt dat nog meer.

    2.6.5 - Een en ander leidt ertoe dat, indien de rechtbank de medische grondslag ontoereikend acht, hij zelf opdracht tot nader onderzoek moet geven en niet mag volstaan met een vernietiging en terugwijzing naar het UWV.
    Met dat laatste is immers meer tijd gemoeid.


    3. - Wanneer dient de rechter een deskundige in te schakelen ?

    3.1 Ė Twijfel

    Volgens vaste jurisprudentie is er in het algemeen slechts aanleiding tot het inschakelen van een medisch deskundige, indien de gedingstukken dan wel de aangedragen medische gegevens reden geven voor twijfel aan de juistheid van de voor betrokkene vastgestelde beperkingen (cfr. bijv. CRvB 04-08-1998, USZ 1998/273).
    Voorts kan daartoe aanleiding bestaan indien sprake is van een situatie waarin de standpunten van de verzekeringsarts en de behandelend arts tegenover elkaar staan zonder dat bij voorbaat kan worden gezegd dat een van die standpunten volstrekt onvoldoende gemotiveerd of anderszins volstrekt onhoudbaar is (cfr. : CrvB 11-01-2000, USZ 2000/79).
    In CRvB 28-03-2007, LJN BA2093, wordt een vergelijkbaar oordeel gegeven, maar dan met verwijzing naar onderdeel 2.3.5. van de Standaard ďOnderzoeksmethoden bij psychische stoornissenĒ (cfr. : http://www.nvvg.nl/download/vatools/Onderzoeksmethoden%20bij%20psychische%20stoornissen.pdf -).

    3.2 - Wat geeft aanleiding tot twijfel ?

    3.2.1 - Twijfel kan veroorzaakt worden door zowel de wijze van totstandkoming als de materiŽle inhoud van de rapportage van de verzekeringsarts.
    Indien de wijze van totstandkoming al tot twijfel aanleiding geeft, wordt aan de materiŽle inhoud eigenlijk niet meer toegekomen.

    3.2.2 - Dit betekent dat voor het onderbouwen van twijfel het niet altijd noodzakelijk is nieuwe medische stukken over te leggen.
    Dat volgt ook uit de aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (USZ 1998/273), waarin de reden tot twijfel wordt gevonden in ďde gedingstukken dan wel de aangedragen medische gegevensĒ.

    3.3 - MateriŽle inhoud

    3.3.1 - MateriŽle twijfel is het gemakkelijkst en vaak ook het meest in het oog springend.
    Verschil van inzicht tussen verzekeringsarts en behandelaar over de arbeidsmogelijkheden, zoals in de hiervoor aangehaalde uitspraken, is een voorbeeld hiervan.
    Ook kan sprake zijn van verschillen in gestelde diagnose of van informatie die voorheen nog niet bekend was.

    3.3.2 - MateriŽle twijfel kan ontstaan door het overleggen van nieuwe medische stukken, maar ook vanuit het reeds bestaande dossier.
    In de jurisprudentie over de consistentie van het medisch oordeel in de tijd (zie hierna in paragraaf 4.1) komt de twijfel steevast voort uit discrepanties tussen de bestreden beoordeling en eerdere beoordelingen zonder dat sprake is van nieuw overgelegde medische stukken.

    3.4 - Wijze van totstandkoming

    3.4.1 - Er mag echter niet aan voorbij worden gegaan dat ook de wijze van totstandkoming van het advies van de verzekeringsarts aanleiding kan geven tot twijfel.

    3.4.2 - Indien het door de verzekeringsarts verrichte onderzoek niet voldoet aan de eisen van :
    - zorgvuldig onderzoek (artikel 3:2 en 3:4 Awb),
    - objectiviteit (18 lid 1 WAO),
    - reproduceerbaarheid (artikel 4 lid 1 onder b Schattingsbesluit),
    - consistentie (artikel 4 lid 1 onder c Schattingsbesluit) en
    - onderzoeksmethode (artikel 4 lid 2 Schattingsbesluit)
    dan kan niet zonder meer worden uitgegaan van de juistheid van het resultaat van die beoordeling en moet er rekening mee worden gehouden dat er een reŽle kans bestaat dat een onderzoek dat wel aan alle eisen voldoet, tot andere uitkomsten leidt.
    In deze situatie is weliswaar minder evident dat het advies van de verzekeringsarts mogelijk onjuist is dan bij een duidelijk verschil van inzicht met de behandelaar, maar de mogelijkheid dat kwalitatief beter onderzoek tot andere resultaten leidt, mag niet voor risico en rekening van de betrokken verzekerde worden gelaten.

    3.4.3 - Van een dergelijke situatie is sprake indien de verzekeringsarts heeft verzuimd gebruik te maken van onderzoeksinstrumenten die wel beschikbaar zijn.

    3.4.4 - Verder dient bij deze toetsing te worden betrokken het in hoofdstuk 3 (blz. 31 e.v.) van zijn advies van 4 juni 2007, nr. 2007/14, ďVerzekeringsgeneeskundige mediprudentieĒ - cfr. : http://www.gr.nl/pdf/200714.pdf - door de Gezondheidsraad voorgestelde toetsingskader.
    Indien de verzekeringsgeneeskundige rapportage niet voldoet aan de in dit toetsingskader geformuleerde eisen, dan is niet voldaan aan de daaraan te stellen eisen van zorgvuldig onderzoek en kan niet zonder meer van de juistheid van de bevindingen en conclusies worden uitgegaan.

    3.4.5 - Tot slot moet er rekening mee worden gehouden dat een verzekerde aanzienlijk minder gemakkelijk toegang heeft tot (onafhankelijke) medische expertise dan het UWV, dat die expertise immers in dienst heeft.
    Volgens het rapport ďBen ik overtuigd ?Ē behoort in verband hiermee het beginsel van de ongelijkheidscompensatie een rol te spelen bij de beslissing een deskundige te benoemen (Ben ik overtuigd ? - Werkgroep Medische Toetsing - Notitie van een werkgroep voorzitters sectoren bestuursrecht, mr. A.H.J. Lennaerts, Arrondissementsrechtbank Assen, mei 1995).


    4. - Bijzonderheden in de zaak A.

    4.1 - Consistentie van het medisch oordeel in de loop der tijd

    4.1.1 - Artikel 4 lid 1 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten bepaalt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dient te voldoen aan de volgende vereisten :
    - a. (...)
    - b. een door een andere verzekeringsarts uitgevoerd verzekeringsgeneeskundig onderzoek zal tot dezelfde bevindingen en conclusies kunnen leiden;
    - c. de redeneringen en conclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zijn vrij van innerlijke tegenspraak.
    Deze eisen kunnen kort worden aangeduid als eisen van reproductiviteit (onderdeel b) en consistentie (onderdeel c).
    De Centrale Raad van Beroep heeft in een reeks van uitspraken de lijn neergelegd dat een wijziging van de belastbaarheid in beginsel dient te kunnen worden teruggevoerd op een verandering van de medische situatie.
    Indien sprake is van een lichtere inschatting van de beperkingen bij een overigens ongewijzigd medisch beeld, dient dat verschil in inschatting overtuigend te worden gemotiveerd (cfr. CRvB 08-03-2005, USZ 2005/168; CRvB 08-03-2005, USZ 2005/168; CRvB 03-01-2007, LJN AZ6490; CRvB 14-02-2007, LJN AZ8558).
    De overwegingen in CRvB 11-05-2007, LJN BA5749, met betrekking tot het laten vervallen van een urenbeperking zijn zeer illustratief : ďBij de thans in geding zijnde schatting heeft het Uwv, anders dan bij een eerdere beoordeling, geen urenbeperking meer geÔndiceerd geacht voor appellante.
    Naar het oordeel van de Raad ontbreekt echter een voldoende overtuigende onderbouwing voor het laten vervallen van deze urenbeperking.
    De primaire verzekeringsarts is in zijn rapport d.d. 15 april 2003 op grond van het dagverhaal van appellante tot de conclusie gekomen dat zij voldoende rust krijgt en er geen indicatie meer is voor een urenbeperking en de bezwaarverzekeringsarts heeft zich, zonder nader in te gaan op dit aspect, achter dit medische oordeel van de primaire verzekeringsarts geschaard.
    Een dergelijke motivering acht de Raad in het licht van de eerdere medische rapportage waarin wel een urenbeperking is aangenomen echter onvoldoende, te meer daar appellante heeft gesteld dat in haar gezondheidstoestand geen verbetering is gekomen.
    Ē
    Hoewel de Centrale Raad in bovengenoemde uitspraken niet met zoveel woorden verwijst naar artikel 4 lid 1 van het Schattingsbesluit, dient deze jurisprudentie wel in het licht van deze bepaling te worden gezien.
    Waar artikel 4 lid 1 Schattingsbesluit met name lijkt te zien op het verzekeringsgeneeskundig onderzoek met betrekking tot alleen de datum in geding, ziet de aangehaalde jurisprudentie van de Centrale Raad met name op de reproduceerbaarheid en consistentie van de beoordeling in de loop der tijd.

    4.1.2 - Bezwaar-verzekeringsarts W.M. K. schrijft in haar rapportage van 4 oktober 2006 (B58) dat de ernst van de psychische problematiek ten opzichte van het vorige beoordelingsmoment (22 mei 1996, B24 en 25/26) is afgenomen.
    Toch is dat niet zo evident : A.ís huisarts spreekt over een depressieve stoornis met paniekaanvallen, waar de primair oordelende arts A.K. van B. spreekt van spanningsklachten (B35.2) en de bezwaar-verzekeringsarts van een aanpassingsstoornis, recidiverend met depressieve stemming.
    De stelling van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 6 december 2006 (B66) dat men het eigenlijk over alles eens is, is dan ook niet juist.
    Er bestaat wel degelijk verschil van mening over zowel de diagnose als (vooral) de ernst daarvan.
    Hier wreekt zich direct dat verweerder geen gebruik maakt van vragenlijsten als de 4DKL of SCL-90.
    Indien wel van dit soort (screenende) vragenlijsten gebruik zou zijn gemaakt, zouden de lijsten van 1996 en heden met elkaar vergeleken kunnen worden en een meer objectief beeld kunnen worden verkregen van de verschillen in de door A. ervaren c.q. gerapporteerde klachten tussen beide data.
    Verder ligt een opklaren van de depressieve stoornis niet zo voor de hand, nu de thuissituatie, die daarbij blijkens het dossier een aanzienlijke onderhoudende rol speelt, niet wezenlijk is veranderd.
    Ook vanuit de wetenschappelijke literatuur kan worden onderbouwd dat veeleer sprake is van een juist ongunstige prognose (cfr. W. van der Hoek - 'Prognose van depressie in het kader van de claimbeoordeling voor de nieuwe WAO' in TBV 2006, nr. 4).15
    De in het dossier te vinden waarschuwingen van psychiater Y. B. (B18) en psychiater A. K. (B24) tot slot ondersteunen de vermeende opklaring ook niet.

    4.1.3 - Kortom, de bevindingen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit wijken zodanig af van de overige in het dossier aanwezig bevindingen, dat serieuze twijfel is gerechtvaardigd over de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit.

    4.2 - Sociale omstandigheden

    4.2.1 - Uit het dossier komt naar voren dat verweerders besluit vooral is ingegeven door de overweging dat de belastende thuissituatie van A. bij de beoordeling van zijn arbeidsmogelijkheden geen rol mag spelen.
    Zoals de bezwaar-verzekeringsarts het in haar rapportage van 6 december 2006 (B66) formuleert : verweerder meent dat A. een keus moeten maken tussen het verzorgen van zijn zieke vrouw en het verrichten van arbeid.

    4.2.2 - Dit standpunt is niet alleen buitengewoon cynisch, maar ook onjuist.
    In het Verzekeringsgeneeskundig protocol Algemene inleiding van 19 december 2006, nr. 2006/22, blz. 15/16, schrijft de Gezondheidsraad : ďHet concept ďongeschiktheid tot werken ten gevolge van ziekteĒ in het Schattingsbesluit wordt in de bijbehorende Nota van toelichting uitgewerkt aan de hand van drie begrippen die ontleend zijn aan de in 1980 voor het eerst verschenen International Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps (ICIDH) van de WHO : de begrippen stoornis, beperking en handicap. (...)
    De ICIDH werd in 2001 opgevolgd door de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) : (...) Centraal in de ICF staat een model van het menselijk functioneren (figuur 1), waarin de onderlinge relaties tussen stoornissen, beperkingen en handicaps (in de ICF-terminologie : participatieproblemen) in beeld worden gebracht.
    De drie niveaus waarop ziekte zich manifesteert worden omschreven als :
    - het niveau van de functies en anatomische eigenschappen, waarop zich stoornissen kunnen voordoen,
    - het niveau van de activiteiten, de onderdelen van iemands handelen, waarop beperkingen aanwezig kunnen zijn en
    - het niveau van de participatie, waarop sprake kan zijn van participatieproblemen, i.e. : problemen met het deelnemen aan het maatschappelijk leven.
    De drie niveaus van het menselijk functioneren hangen niet alleen in onderlinge wisselwerking met elkaar samen, maar zijn ook verbonden met externe factoren (fysieke en sociale) en met persoonlijke factoren (bijvoorbeeld leeftijd, persoonlijkheid levensstijl), die zowel op het functioneren van invloed zijn als erdoor beÔnvloed worden.
    De verzekeringsarts maakt bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van dit samenhangende, dynamische systeem van het menselijk organisme en zijn omgeving een momentopname.
    Is er op dŪt moment sprake van een consistente en plausibele samenhang van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen ?
    Is dat het geval, dan kan er sprake zijn van ďongeschiktheid tot werken ten gevolge van ziekteĒ in de zin van het Schattingsbesluit.
    Om na te kunnen gaan of bij iemand een dergelijke consistente en plausibele samenhang aan de orde is, is het van belang zicht te hebben op de externe en persoonlijke factoren die met het functioneren van de persoon verbonden zijn.
    De stoornissen, beperkingen en participatieproblemen doen zich altijd voor in een bepaalde persoon in een bepaalde omgeving.
    Al naar gelang de eigenschappen van die persoon en omgeving kan de samenhang van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen verschillende gedaanten aannemen.
    Mede daarom is de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling altijd een individuele beoordeling.
    Soms zal blijken dat in het ontstaan of voortbestaan van een samenhangend geheel van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen externe en persoonlijke factoren, zoals gebrek aan sociale steun, inactiviteit, persoonlijkheidskenmerken, ambities, copingstijlen enzovoort, een belangrijke rol spelen.
    Dat is geen reden om, wanneer is vastgesteld dat van een dergelijke samenhang sprake is, de omvang van de beperkingen als geringer te beoordelen dan wanneer niet of nauwelijks aanwijsbare persoonlijke of externe factoren in het geding zouden zijn geweest.Ē

    4.2.3 - Het geheel buiten beschouwing laten van de invloed van de thuissituatie is dan ook in strijd met huidig wetenschappelijk medisch inzicht.

    4.2.4 - Hieraan wordt toegevoegd dat blijkens hetgeen psychiater Y. B. (B18) en psychiater A. K. (B24) schrijven, het verstoren van het wankele evenwicht thuis een relevant risico op decompensatie met zich meebrengt.
    Of zoals prof. dr. H.J. van A. het in zijn brief van 17 september 1996 (B23) schrijft : ďNiet zijn arbeidsongeschiktheid wordt sociaal maatschappelijk bepaald, maar zijn psychische ziekte wordt sterk sociaal/maatschappelijk beÔnvloed.Ē
    Verweerder gaat hier ten onrechte aan voorbij.


    5. - Conclusie

    5.1 - Een en ander leidt tot de conclusie dat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 3:2 en 3:4 Awb, artikel 18 lid 1 WAO en artikel 4 lid 2 van het Schattingsbesluit dienen te worden gesteld.

    5.2 - Deze gebreken aan de beoordeling leiden ertoe dat ernstig dient te worden getwijfeld aan de juistheid van de uit die gebrekkige beoordeling getrokken conclusies.
    Dat dient te leiden tot benoeming van een onafhankelijk deskundige.

    5.3 - Voorgesteld wordt daartoe een psycholoog te benoemen en in de te verstrekken opdracht de instructie op te nemen in het kader van zijn onderzoek tevens een psychiatrisch consult te doen plaatsvinden.

    5.4 - Indien u overgaat tot de benoeming van een deskundige, verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen mij uit te laten over de te formuleren vraagstelling.

    Hoogachtend,
    E. van den Bogaard.


    Bijlagen

    Om de reden van overlegging van de betreffende artikelen te illustreren, heb ik bij een aantal artikelen enkele in het oog springende passages geciteerd :

    1. Een virtuele bibliotheek voor arbo en sociale zekerheid
      F. van Dijk, G. Reinders, F. Schaafsma, D. Spreeuwers, C. Hulshof, M. Abspoel, F. Vlek, J. Verbeek - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 11 (december 2003), p. 368-372
      Cfr. : http://dare.uva.nl/record/142407

    2. The Expert Witness in Psychology and Psychiatry
      David Faust and Jay Ziskin (1988) - Science, Vol. 241, 1 July 1988, p. 32
      ďStudies that compare clinicians' predictions against objectively determinable, hard data commonly show that error rate exceeds accuracy rate (3).
      In one study, for example, a series of military recruits was retained in service despite psychiatrists' recommendations that they be discharged for severe psychiatric liabilities. (11)
      After 2 years, most of these individuals had remained on active duty and their overall rate of success and adjustment was not substantially different from that of matched controls initially judged to be free of pathology.Ē
      ďIn another study, lay interviewers using standardized questions produced information of equal or greater validity than psychiatrists conducting interviews in their preferred manner.Ē
      ďIn a study on the detection of malingering, most clinicians expressed extreme confidence on a diagnostic task in which error rate ranged from 90 to 100%.Ē
      ďClinicians commonly propose that their conclusions rest on a careful weighting of many variables, whereas objective analysis typically shows that only a few variables, perhaps two or three, exert a significant impact (39-40). Clinicians also assert that complex configural analysis or data integration is necessary to reach accurate conclusions-that one never considers datum in isolation but rather the "whole" or overall pattern of results.
      However, numerous studies suggest that no clinician, or human being for that matter, can begin to manage such complex cognitive operations (41-43). The attempt to grasp interactions among even two or three variables can outstrip human cognitive capacities.Ē
      Cfr. : http://www.sciencemag.org/cgi/content/abstract/241/4861/31

    3. Psychological testing and psychological assessment - A review of evidence and issues
      Meyer, G. J., Finn, S. E., Eyde, L. D., Kay, G. G., Moreland, K. L., Dies, R. R., Eisman, E. J., Kubiszyn, T. W., & Reed, G. M. (2001) - American Psychologist, 56, 128Ė165
      Cfr. below : 4) 'Clinical versus mechanical prediction - A meta-analysis'
      Cfr. :
      http://www.biomedexperts.com/Abstract.bme/11279806/Psychological_testing_and_psycholo
      gical_assessment_A_review_of_evidence_and_issues

    4. Clinical versus mechanical prediction - A meta-analysis
      Grove, W.M., Zald, D.H., Hallberg, A.M., Lebow, B., Snitz, E., & Nelson, C. (2000) - Psychological Assessment, 12, 19Ė30
      Het artikel van Meyer et al is weliswaar veel directer toegespitst op de beoordeling van psychische problematiek, maar het onderzoek van Grove et al geldt als klassieker in de ďstatisch versus klinischĒ discussie.
      Er komt uit naar voren dat de gebrekkigheid van het klinisch oordeel zeer algemeen is en zich in versterkte mate voordoet zodra dat oordeel is gebaseerd op gegevens die zijn verkregen uit een interview.
      Dat laatste is relevant aangezien een beoordelingsgesprek met een verzekeringsarts een interview is.
      ďThe process of making judgments and decisions requires a method for combining data.
      To compare the accuracy of clinical and mechanical (formal, statistical) data-combination techniques, we performed a meta-analysis on studies of human health and behavior.
      On average, mechanical-prediction techniques were about 10% more accurate than clinical predictions.
      Depending on the specific analysis, mechanical prediction substantially outperformed clinical prediction in 33%-47% of studies examined.
      Although clinical predictions were often as accurate as mechanical predictions, in only a few studies (6%-16%) were they substantially more accurate.
      Superiority for mechanical-prediction techniques was consistent, regardless of the judgment task, type of judges, judges' amounts of experience or the types of data being combined.
      Clinical predictions performed relatively less well when predictors included clinical interview data.
      These data indicate that mechanical predictions of human behaviors are equal or superior to clinical prediction methods for a wide range of circumstances.Ē
      ďWhy do we obtain these results ?
      Humans are susceptible to many errors in clinical judgment (Garb, 1998; Kahneman, Slovic, & Tversky, 1982).
      These include ignoring base rates, assigning nonoptimal weights to cues, failure to take into account regression toward the mean, and failure to properly assess covariation.
      Heuristics such as representativeness (which leads to belief in the law of small numbers) or availability (leading to over-weighting vivid data) can similarly reduce clinicians' accuracy.
      Also, clinicians often do not receive adequate feedback on the accuracy of their judgments (Einhora & Hogarth, 1978), which gives them scant opportunity to change maladaptive judgment habits.
      In this regard, it is notable that experienced psychologists frequently show little improvement in the accuracy of their clinical judgments relative to the clinical judgments of psychology graduate students (Garb, 1989, 1998).
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=10752360&dopt=Abstract

    5. E-mailwisseling prof. dr. H.L.G.J. Merckelbach d.d. 4 en 5 oktober 2007

    6. Verzekeringsgeneeskundige beoordeling bij psychische problematiek
      S.M. Laitinen-Krispijn, L.C. NicolaÔ - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 4 (2006), p. 167-170
      Cfr. : http://www.st-ab.nl/wetwiaor1rvpa-06.htm

    7. Pediatric malingering Ė The capacity of children to fake believable deficits on neuropsychological testing
      Faust, David; Hart, Kathleen J.; Guilmette, Thomas J Ė Journal of Consulting and Clinical Psychology, 1988 Aug Vol 56(4) 578-582
      Cfr. : http://eric.ed.gov/ERICWebPortal/custom/portlets/recordDetails/detailmini.jsp?_nfpb=true&_&ERICExtSearch_SearchValue_0=EJ384977&ERICExtSearch_SearchType
      _0=no&accno=EJ384977

    8. Over het simuleren van cognitieve stoornissen
      M. Jelicic, H. Merckelbach, M. Cima - Tijdschrift voor Psychiatrie 45 (2003) 11, p. 687-696
      ďZodra clinici het juridisch domein betreden om daar cognitieve klachten en symptomen van patiŽnten te taxeren, moeten zij beducht zijn voor de mogelijkheid dat afhankelijk van de context, klachten en symptomen worden gemaximaliseerd of juist geminimaliseerd.
      Het is voor psychiaters en neurologen goed om er rekening mee te houden dat simuleren vooral kan voorkomen bij patiŽnten die verwikkeld zijn in de afhandeling van letselschade, bij verdachten van misdrijven en bij forensische patiŽnten.
      Deze categorieŽn van patiŽnten kunnen voordeel hebben bij het aandikken of juist onderrapporteren van cognitieve stoornissen.
      Nagaan of patiŽnten met schadeclaims cognitieve stoornissen simuleren, kan het best geschieden met gespecialiseerde tests als de AKTG en vragenlijsten als de SIMS.
      Om bij verdachten onderscheid te maken tussen organische en gesimuleerde amnesie voor een misdrijf, moet men zich afvragen of hij of zij de specifieke kenmerken van hersenbeschadiging heeft.
      Daarnaast kan in bepaalde gevallen worden overwogen om een SVT in te zetten.
      De SS is een veelbelovend instrument om forensische patiŽnten te onderzoeken op hun neiging tot fake good.
      Mocht de clinicus bij patiŽnten met letselschade, verdachten van een misdrijf of forensische patiŽnten onvoldoende rekening houden met simuleren, dan is sprake van een gemankeerd onderzoek.Ē
      Cfr. : www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/zoeken/download.php?id=70

    9. Detection of feigned cognitive dysfunction using special malinger tests - A simulation study in naÔve and coached malingerers
      Elicic, M., Merckelbach, H., Candel, I., & Geraerts, E. (in press) - International Journal of Neuroscience, Volume 117, Issue 8 August 2007 , pages 1185 Ė 1192
      The aim of the present study was to compare the accuracy of the Amsterdam Short Term Memory (ASTM) test with that of the Structured Inventory of theMalingered Symptomatology (SIMS) in detecting feigning of cognitive dysfunction in na®2ve and coached participants.
      Ninety undergraduate students were administered the ASTM and the SIMS and asked to respond honestly (controls; n = 30) or instructed to malinger cognitive dysfunction due to head injury.
      Before the both instruments were administered, naÔve malingerers received no further information (n = 30), whereas coached malingerers were given some information about brain injury and a warning not to exaggerate symptoms (n = 30).
      Both tests correctly classified 90% of the naÔve malingerers.
      The ASTM detected 70% of the coached malingerers, whereas the SIMS continued to detect 90% of them.
      The findings suggest that coaching undermines the diagnostic accuracy of the ASTM, but does not seem to influence the accuracy of the SIMS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?db=pubmed&uid=17613120&cmd=showdetailview&indexed=google

    10. W. John, Miller was (mostly) right - Head injury severity inversely related to simulation
      Greiffenstein, Manfred F.; Baker - Legal and Criminological Psychology, Volume 11, Number 1, February 2006 , pp. 131-145
      ďWe found robust inverse dose-response relationships in two of three functional areas.
      Poorer performance on simple memory and motor tasks in persons with minor craniocervical injury.
      Examination of base rates for three types of simulated deficit (memory, motor, psychiatric) demonstrated that suspected simulation was the rule rather than the exception.
      Those reporting the most symptoms (Ďfloridityí in Millerís terms) showed the highest rates of egregious simulation, although not universally so.Ē
      ďWe strongly urge formal effort testing in all compensation seekers.Ē
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/bpsoc/lcp/2006/00000011/00000001/art00010

    11. De bruikbaarheid van de nieuwe normen van de SCL-90 bij het opsporen van psychische klachten in een arbeids(on)geschiktheidsprocedure
      H. Scharft, C.J.F. Kemperman, M.P. Steenhuis - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 2004 (12), 7, 204-207

    12. Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen
      Gezondheidsraad 2007/5, blz. 33
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/CBA/wetgeving/WetgevingB/Regverzekgeneeskundproto/
      05.html

      en
      Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten - Geautoriseerde richtlijn 28 januari 2000
      Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) Ė Eindhoven, 2004 - blz. 80

    13. Drie vragenlijsten voor diagnostiek van depressie en angststoornissen
      E.M. de Croon, K. Nieuwenhuijsen, N.I.R. Hugenholtz, F.J.H. van Dijk - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 13 (2005), p. 98-103
      Cfr. : http://www.psychischenwerk.nl/datafiles/Drie%20vragenlijsten%20voor%20diagnostiek.pdf

    14. Evidence-based psychodiagnostiek
      C. de Ruiter - In 'Handboek psychodiagnostiek - Van testmethode naar toepassing' - C. de Ruiter en M. Hilderbrand (red.) - Harcourt 2006, blz. 11-18
      ďTen slotte houdt evidence-based psychodiagnostiek in dat er multimethodisch gewerkt wordt.
      Dit wil zeggen dat diagnostische uitspraken over personen zoveel mogelijk gebaseerd dienen te zijn op gegevens die verkregen zijn uit meerdere testmcthodeii eri van meerdere informatiebronnen.
      Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat monomethodisch onderzoek (bijvoorbeeld : louter zelfrapportagetests of louter een onderzoeksgesprek met de cliŽnt) veelal leidt tot onjuiste interpretaties (Meyer e.a., 2001).
      Wanneer eenzelfde persoonlijkheidskenmerk, bijvoorbeeld impulsiviteit, met behulp van verschillende testmethoden wordt onderzocht (bijvoorbeeld : met een experimentele cognitieve computertaak, niet een zelfrapportagevragenlijst als de Barratt Impulsiveness Scale en door heteroanamnestische gesprekken met bekenden van de onderzochte over dit aspect van zijn persoonlijkheid, ontstaat pas een volledig beeld.
      Wanneer de resultaten verkregen met verschillende testmethoden convergeren, kan de psychodiagnosticus zijn diagnostische interpretaties met meer stelligheid formuleren dan wanneer dat niet het geval is.
      Soms roepen divergerende testresultaten aanvullende vragen op die alleen met nader diagnostisch onderzoek of door andere informatiebronnen aan te boren, beantwoord kunnen worden.
      Dit proces verhoogt uiteraard de kans op een juiste en nauwkeurige diagnose.
      Bij multimethodisch werken behoort uiteraard ook de integratie van contextuele factoren bij de interpretatie van diagnostische gegevens.
      Contextuele factoren kunnen immers een rol spelen bij de totstandkoming van de uiteindelijke testscores, denk bijvoorbeeld aan de rol van vermoeidheid, aandacht en medewerking bij de scores op neuropsychologische tests.Ē
      Cfr. : http://www.corinederuiter.eu/book-detail.php?bookid=5

    15. Prognose van depressie in het kader van de claimbeoordeling voor de nieuwe WAO
      W. van der Hoek - Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 2006 (14), 4, 161-166
      ďVoor de verzekeringsarts is van belang dat bij een cliŽnt die 2 jaar verzuimt wegens een depressie en die een einde-wachttijdbeoordeling voor de WIA ondergaat, gesproken kan worden van een chronische depressie met ongunstige prognose.
      Zo al (gedeeltelijk) herstel optreedt dan nog is er een grote kans op terugval, verhoogd verzuim en verminderde productiviteit.
      Dit betekent dat in de belastbaarheid vastgesteld bij einde wachttijd in het kader van de WIA vaak geen belangrijke verbetering mag worden verwacht.Ē
      Cfr. :
      http://www.gr.nl/pdf.php?ID=1475&p=1


    Cfr. : : http://www.steungroep.nl/archief/stukken/vandenbogaard20071120.pdf


    Lees verder : Deel VI

    25-11-2009 om 22:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel VI

    VIII. - Het Chronische Vermoeidheidssyndroom en de arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling

    Scriptie van Margreet Bakker, Zwolle & Mary-Lou van der Werf, Bodegraven in het kader van de opleiding 'Arts voor Arbeid en Gezondheid' Ė Uitstroomprofiel 'Verzekeringsarts' - Cursusgroep 95 II bij TNO Arbeid te Hoofddorp - Januari 2000 (periode data-verzameling : augustus 1997- augustus 1999) - TNO Arbeid, Hoofddorp


    Inhoudsopgave
    Voorwoord
    Citaat
    Lijst van afkortingen

    1. - Samenvatting

    2. - Inleiding
    2.1 Waarom deze scriptie
    2.2 Begripsbepaling en definities
    2.3 Doelstelling, probleemstelling en vraagstelling
    2.3.1 Doelstelling en probleemstelling
    2.3.2 Vraagstelling
    2.3.3 Opzet van de scriptie

    3. - Literatuuronderzoek
    3.1 Vraagstelling
    3.2 Materiaal en methode
    3.3 Resultaten

    4. - Enquete
    4.1 Vraagstelling
    4.2 Materiaal en methode
    4.3 Resultaten
    4.3.1 Vragen over WAO beoordeling
    4.3.2 Vragen over CVS
    4.3.3 Casus
    4.3.4 Opmerkingen
    4.3.5 Het FIS belastbaarheidspatroon

    5. - Discussie
    5.1 Conclusies
    5.2 Aanbevelingen

    6. - Literatuurlijst

    Bijlagen
    I. - Begeleidende brief en vragenlijst
    II. - Resultaten in tabellen
    III. - Reacties
    IV. - FIS belastbaarheidspatroon


    Voorwoord

    Tijdens onze opleiding tot Arts voor Arbeid en Gezondheid (AAG) hebben wij besloten om onze krachten te bundelen en samen een scriptie te schrijven.
    Achteraf hebben wij hier geen spijt van gehad.
    Er zijn vele kilometers afgelegd.
    Gelukkig hebben we ook dankbaar gebruik kunnen maken van de 'elektronische' snelweg.
    Wij hebben ervaren dat het samen doen van een onderzoek erg stimulerend kan werken.
    Naast de vele zweetdruppels heeft dit ook veel gezellige momenten opgeleverd.
    Een gedeelte van het onderzoek hebben we gezamenlijk uitgevoerd: het kiezen van een onderwerp, het formuleren van de doelstelling, probleemstelling, onderzoeksvragen, onderzoeksopzet, het maken van de vragenlijst, conclusies en aanbevelingen.
    Het literatuuronderzoek en de verwerking van de enquete-resultaten werden door ieder van ons afzonderlijk gedaan (Mary-Lou van der Werf resp. Margreet Bakker).
    We hebben het onderzoek in het seizoen 1997-1998 opgezet.
    De enquete is in juni 1998 uitgegaan, en de bewerking van de resultaten en het schrijven van de scriptie heeft in 1998-1999 plaats gevonden.
    Wij willen Peter Coffeng, bedrijfsartslopleider TNO Arbeid, hartelijk bedanken voor zijn steun en adviezen gedurende de afgelopen periode en zijn hulp bij de statistische bewerking.
    Tenslotte gaat onze dank ook uit naar alle collega's die hebben meegewerkt aan het enquete-onderzoek.

    Relevantie voor het werk als AAG

    De verzekeringsarts heeft regelmatig te maken met clienten die zich arbeidsongeschikt hebben gemeld met vage klachten, zoals die voorkomen bij het chronisch vermoeidheidssyndroom en andere minder goed omschreven, moeilijk objectiveerbare aandoeningen.
    Het in kaart brengen van de beperkingen en de mogelijkheden voor werk van deze patienten is lastig, vooral vanwege de vaagheid van de klachten.
    De WAO-beoordeling is aan steeds meer regels, richtlijnen en standaarden gebonden.
    Deze regels zijn de laatste jaren onderwerp van veel discussie geweest, wat de duidelijkheid omtrent de toepassing niet ten goede is gekomen.
    Vanwege de groei van het aantal mensen met een uitkering, en de politieke druk om zoveel mogelijk mensen aan het werk te houden (en dus uit de WAO) is er veel kritiek op het handelen van de verzekeringsartsen.
    De verzekeringsartsen zouden te coulant omspringen met de regels.
    Daarnaast is er een sterke lobby van patientenorganisaties, die pleiten voor erkenning van de aandoening en voor een minder strenge beoordeling door de verzekeringsartsen.
    Met ons onderzoek hebben we getracht duidelijk te maken wat de visie van de verzekeringsartsen is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en met name bij moeilijk objectiveerbare aandoeningen.
    Daarbij hebben we vragen gesteld over hoe het handelen van de verzekeringsarts in de praktijk plaats vindt, waarmee men moeite heeft, en hoe dit handelen zich verhoudt tot de richtlijnen en standaarden.

    Citaat

    ď...Waarom kan het b1ljkbaar niemand schelen wat ME eigenlijk is ?
    Laat ik zelf het antwoord maar geven. Het is mijn simpele, doch naargeestige theorie dat ME met heel andere ogen zou worden bekeken als de vijftienduizend tot honderdvijftigduizend slachtoffers hoofdzakelijk mannen waren in plaats
    Van vrouwen - al was het maar omdat de uitval op de arbeidsmarkt dan omvangrijker zijn zijn en er dus grotere economische belangen op het spel stonden.
    Was ME een typische mannenziekte geweest, dan was er van meet af ernstig gesproken over een zorgwekkende epidemie en was iedereen op zijn kop gaan staan om de oorzaken op te sporen.
    Ē (Renate Dorrestein : 'Heden ik' - Pandora 1993, negende druk, p.164 Ė cfr. : http://www.renatedorrestein.nl/index.php?id=68 -).


    1. - Samenvatting

    We hebben ons onderzoek opgesplitst in twee delen : een literatuuronderzoek en een inventariserend onderzoek naar de visie van de verzekeringsartsen in de vorm van een enquete.

    De literatuur

    Er is veel onderzoek verricht naar het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) in het algemeen.
    Veel literatuur over CVS zijn verslagen van klinisch onderzoek naar de mogelijke oorzaken van CVS en de interpretatie van de gevonden resultaten bij laboratarium- en andere testen.
    Er is ook vaak gezocht naar oorzaken op het psychische vlak.
    Het ziektebeeld werd al in de 18e eeuw beschreven.
    Tot op heden is echter niet duidelijk wat de oorzaak is.
    Er is dus ook nog geen effectieve behandeling.
    De diagnose kan alleen gesteld kan warden indien men aan bepaalde criteria voldoet.
    Het symptomen complex is vastgesteld.
    Daarnaast zijn er vragenlijsten ontwikkeld om de invloed van de vermoeidheidsklachten op het persoonlijk functioneren vast te leggen.
    Minder is bekend c.q. geschreven over CVS in relatie tot arbeid.
    Voor zover ons bekend is het nog geen onderwerp van een scriptie geweest.
    Binnen TNO loopt er wel een onderzoek naar de relatie tussen CVS en arbeid [12].
    Er zijn juridische uitspraken gedaan over het al dan niet kunnen verrichten van arbeid.
    Daarbij moet bedacht warden dat de uitspraken van vooral de Hoge Raad uitgaan van de interpretatie van de richtlijnen zoals die er lagen op het moment waarop het geding speelde.
    Dit loopt dus wat achter bij de nieuwere versies van de richtlijnen.
    Eťn van de problemen waar wij als verzekeringsartsen mee te maken hebben is het feit dat moeheid moeilijk objectief te meten is.
    Dit heeft directe gevolgen voor het vaststellen van de belastbaarheid en dus van de arbeidsongeschiktheid.
    De richtlijnen van het LISV, met name MAOC, zijn hierbij een hulpmiddel.
    We adviseren meer onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden, waarbij bijvoorbeeld ook gekeken kan worden naar de mogelijkheden voor thuiswerken in eigen tempo.

    De enquete

    Aan 175 verzekeringsartsen van GAK en GUO werden in juni 1998 enquete-formulieren opgestuurd.
    Er werden 107 enquetes terug ontvangen, waarvan 106 bruikbaar waren voor het onderzoek.
    Het doel van de enquete was inzicht te krijgen in hoe de verzekeringsartsen de standaarden en richtlijnen hanteren, en in het bijzonder bij de beoordeling van moeilijk objectiveerbare aandoeningen als CVS.
    Het eerste deel van de enquete was algemeen, met vragen naar de persoonskenmerken van de verzekeringsartsen (leeftijd, geslacht, jaren ervaring), zodat kon nagegaan worden of de spreiding overeen kwam met de aanwezige verdeling van deze kenmerken.
    Dit is het geval, zodat op dat punt de steekproef representatief kan zijn.

    In het tweede deel van de vragenlijst werden algemene vragen gesteld over de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en de hantering van richtlijnen daarbij.

    Het derde deel van de vragenlijst bevatte een aantal vergelijkbare vragen, toegespitst op CVS.

    Tenslotte werden aan de hand van een casus nog enkele vragen gesteld.
    De meeste vragen blijken niet goed statistisch te toetsen, behalve bij de vragen over het opvragen van informatie.
    Wel zijn tendensen aan te geven.

    De kennis over de richtlijnen is volgens de verzekeringsartsen voldoende aanwezig.
    Wij hebben niet getoetst of dit inderdaad het geval is.
    Veel verzekeringsartsen interpreteren de standaarden en richtlijnen echter niet op een zelfde uniforme wijze en men gebruikt de speelruimte die is overgelaten voor de individuele beoordeling.
    Een meerderheid vindt dat er sprake is van ziekte of gebrek bij CVS, veroorzaakt door een combinatie van factoren (somatisch, psychisch en sociaal).
    Moeheid is echter moeilijk objectief te meten.
    Het blijkt dat bij CVS wel significant vaker informatie wordt opgevraagd bij de behandelende sector dan bij andere aandoeningen.

    De verzekeringsartsen willen geen aparte richtlijn voor vage aandoeningen of speciaal voor CVS.
    Voor geen enkele aandoening acht men het nodig om een heel nieuwe richtlijn op te stellen en zo uitzonderingen gaan maken op de algemeen geldende regels.
    De huidige richtlijnen worden voldoende geacht voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
    Het is de beoordeling zelf die wel eens moeite kost, zoals bleek uit de commentaren die de verzekeringsartsen gaven.

    Het onderzoek is verricht met een niet gevalideerde vragenlijst en heeft zich beperkt tot een deel van de verzekeringsartsen van GAK en GUO.
    Onder de collega's van de andere Uvi's kunnen andere ervaringen en andere meningen bestaan.
    Het onderzoek zou daarom herhaald moeten worden onder een grotere, uitgebreidere groep verzekeringsartsen, waarbij een meer gevalideerde vragenlijst gebruikt dient te worden.
    Mogelijk is er dan wel statistische relevantie aan te geven bij de meeste vragen.


    2. - Inleiding

    2.1 - Waarom deze scriptie

    Aanleiding was de uitspraak van de Hoge Raad in 1997 over de mate van arbeidsgeschiktheid en het recht op een uitkering van een vrouw met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en de commotie die daarop ontstond in de pers en in reactie daar weer op binnen de uitvoeringsorganen voor de sociale verzekering.
    Dit geval speelde nog in de tijd dat men het begrip "niet objectiveerbare afwijkingen" hanteerde.
    Het beroep werd ongegrond verklaard, omdat er bij de aandoening CVS tot op heden geen objectiveerbare afwijkingen kunnen worden gevonden.

    Naar aanleiding van deze uitspraak volgde veel discussie onder de verzekeringsartsen, hoewel dat ook al een paar jaar aan de gang was in verband met alle richtlijnen en standaarden.
    Ondertussen leidde het ook op politiek niveau tot een hevige discussie en lobby activiteiten door de diverse patientenverenigingen.

    In 1998 werd de vraag actueel of er een speciale richtlijn zou moeten komen voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van mensen met moeilijk objectiveerbare aandoeningen, of speciaal voor CVS-patienten.

    Het Tijdelijk Instituut voor Coordinatie en Afstemming TICA, later LISV (Landelijk Instituut voor Sociale Verzekeringen), heeft o.a. het Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium MAOC als standaard voor de beoordeling van de belastbaarheid bij WAO-claimbeoordelingen ingevoerd, samen met een aantal andere standaarden en richtlijnen.
    De verzekeringsartsen hebben bij de beoordeling van clienten met vage klachten vaak moeite met de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid aan de hand van de standaarden en richtlijnen.
    Dit was al gebleken uit onze eigen werksituatie, in discussies in de onderlinge toetsing en in de NVVG.

    Wij hebben onze scriptie in de periode 1997 - 1998 opgezet om na te gaan wat er onder de verzekeringsartsen aan meningen leeft, wat betreft de toepassing van MAOC bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het algemeen en in het bijzonder bij de beoordeling van een moeilijk objectiveerbare aandoening als CVS.
    We wilden daarbij ook de theorie van de richtlijnen vergelijken met de dagelijkse praktijk van de verzekeringsartsen.
    Het heeft tenslotte een directe weerslag op ons dagelijks handelen.

    2.2 - Begripsbepaling en definities

    CVS
    CVS is het 'chronisch vermoeidheidssyndroom'.
    Het staat voor een complex van symptomen dat gepaard gaat met ernstige, invaliderende vermoeidheid, zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak [3,11].
    Deze vermoeidheid moet langer dan een half jaar bestaan.
    Tevens dienen andere aandoeningen te worden uitgesloten.
    Daarnaast gaat het gepaard met tenminste zes andere symptomen, waaronder onverklaarde gegeneraliseerde spierzwakte, diffuse hoofdpijn, keelpijn, pijnlijke lymfklierzwelling hals/oksel en neuropsychologische klachten (o a vergeetachtigheid, concentratiestoornissen).
    In andere literatuur wordt soms een ander aantal criteria gehanteerd, voordat men tot de diagnose CVS komt [1].
    CVS wordt ook wel 'myalgische encephalitis' (ME) genoemd.
    Aangezien er tot nu toe geen echte ontsteking in de hersenen is aangetoond, willen we deze term niet gebruiken.
    Desondanks worden de twee afkortingen de literatuur vaak door elkaar gebruikt.
    Ook de patientenverenigingen hanteren de term ME.
    We hebben gepoogd om in deze scriptie alleen de term CVS te gebruiken, behalve daar waar in de literatuur de schrijvers een andere term gebruiken.

    Arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
    Langdurig arbeidsongeschikten vragen op een gegeven moment een uitkering aan in het kader van de ziektewet, WAO of AAW/WAZ/WAJONG.
    De medische beoordeling wordt verricht door verzekeringsartsen.
    Zij stellen tijdens de Ziektewetperiode vast of er sprake is van arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk.
    Na ontvangst van een aanvraag voor uitkering in het kader van WAO of AAW/WAZ/WAJONG stelt de verzekeringsarts de belastbaarheid vast voor passend werk.
    Daarbij gaat men uit van criteria als consistentie, plausibiliteit, biografie en het dagverhaal.
    Hierbij dient de verzekeringsarts gebruik te maken van een aantal standaarden en richtlijnen, die zijn vastgesteld door het LISV.
    Bij voldoende duurzame mogelijkheden voor activiteiten, met name voor werk, wordt een belastbaarheidspatroon opgesteld.
    Aan de hand hiervan beoordeelt de arbeidsdeskundige of er voldoende passende functies aan te wijzen zijn.
    Het verlies aan vermogen om het eigen inkomen te verdienen (in vergelijking met het oorspronkelijke inkomen) bepaalt of en voor hoeveel procent de client een uitkering krijgt.

    Het Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC)
    De mate van arbeidsongeschiktheid wordt in het merendeel van de gevallen vastgesteld door de verzekeringsarts in samenwerking met de arbeidsdeskundige.
    Hierbij wordt het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium gevormd door het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium en het arbeidskundig arbeidsongeschiktheidscriterium.
    Tot augustus 1993 werd gesteld dat in het kader van ha arbeidsongeschiktheidscriterium er sprake moest zijn van ziekte of gebrek, rechtstreeks leidend tot arbeidsongeschiktheid.
    In 1993 is het arbeidsongeschiktheidscriterium als volgt gewijzigd : 'Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse want bij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen'.[8]
    Door de problemen met de interpretatie van deze definitie werd in 1996 door het TICA (thans LISV) de richtlijn MAOC opgesteld, om meer duidelijkheid te verschaffen over de toepassing ervan.
    Het gaat nu om ongeschiktheid tot werken wegens ziekte of gebrek, waarbij er een logische samenhang moet zijn tussen de "ziekte" en de "ongeschiktheid".

    2.3 - Doelstelling, probleemstelling en vraagstelling

    2.3.1 Doelstelling en probleemstelling
    Doel van ons onderzoek is meer inzicht te krijgen in de wijze waarop verzekeringsartsen omgaan met de claimbeoordeling bij clienten met vage klachten, in dit geval met CVS.
    Hierbij willen we tevens onderzoeken in hoeverre de standaarden en richtlijnen ( MAOC) in de dagelijkse praktijk van verzekeringsartsen worden toegepast.
    Tenslotte willen we onderzoeken in hoeverre er onder verzekeringsartsen behoefte bestaat aan een specifieke richtlijn voor CVS of andere moeilijk te objectiveren aandoeningen.

    2.3.2 Vraagstelling
    - Wat is er in de literatuur bekend over CVS in het algemeen en in het bijzonder in relatie tot de claimbeoordeling ? Wat is volgens de verzekeringsartsen de oorzaak van CVS en komt dit overeen met de gegevens uit de literatuur ?
    - Hoe vaak wordt een client met CVS op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien ?
    - Maakt het verschil of een verzekeringsarts meer of minder ervaring heeft cq. geregistreerd is bij de claimbeoordeling en in het bijzonder bij clienten met CVS ?
    - Hoe gaan verzekeringsartsen in de praktijk om met clienten met vage klachten, zoals CVS en welke problemen ervaren zij bij de claimbeoordeling ? Verschilt dit van de beoordeling van clienten met duidelijker klachten ?
    - Is het stellen van een diagnose van belang bij de claimbeoordeling ? In welke gevallen wordt er aanvullende informatie opgevraagd en bij wie ?
    - Welke specifieke problemen ondervinden verzekeringsartsen bij de claimbeoordeling van clienten met een vage aandoening ?
    - Houden de verzekeringsartsen zich aan de richtlijnen en standaarden zoals deze zijn opgesteld door TICA, LISV en CTSV ? In welke gevallen wordt er afgeweken van de richtlijn MAOC ?
    - Hoe gaan verzekeringsartsen om met de richtlijn MAOC bij de claimbeoordeling van clienten met CVS en is er sprake van een uniforme wijze van beoordelen ? Gebruiken ze in deze gevallen meer
    de uitzonderingsregels ?
    - Is er behoefte aan een nieuwe richtlijn voor CVS of andere moeilijk te objectiveren aandoeningen ?

    2.3.3 Opzet van de scriptie
    We hebben veel van het werk samen gedaan, maar uit praktische overwegingen ook taken verdeeld.
    Het was ondoenlijk om alles samen te doen, alleen al door de geografische afstand tussen onze woningen en werkplekken.
    Naast de asfalt snelweg hebben we ook geregeld de elektronische snelweg genomen om in contact met elkaar te blijven.

    Ons onderzoek is opgebouwd uit twee delen.
    We hebben door middel van een enquete geinventariseerd wat de visie van collega verzekeringsartsen is over moeilijk objectiveerbare aandoeningen en het gebruik van MAOC hierbij.

    Daarnaast hebben we een literatuurstudie gedaan, om onderbouwing van onze stellingen te vinden en uit te zoeken wat bekend is in uit literatuur over deze onderwerpen.
    Gezamenlijk hebben we de vragen bedacht en de vragenlijst opgesteld.
    Het turven en bewerken van de resultaten heeft M. Bakker vooral gedaan.
    Na de gezamenlijke speurtocht in bibliotheken en elders, is de verzamelde literatuur bestudeerd en bewerkt door ML. van der Werf.
    De resultaten zijn telkens onderling besproken en daarna verder bewerkt.

    .../...

    5. - Discussie

    Wij hebben door middel van een eigen onderzoek collega verzekeringsartsen gevraagd naar hun mening over de bruikbaarheid van de richtlijn MAOC, bij de medische arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, in het algemeen en in het bijzonder bij een moeilijk objectiveerbare aandoening als CVS.
    Daarvoor hebben we gebruik gemaakt van een steekproef onder de verzekeringsartsen.
    We hebben zelf een vragenlijst opgezet en de respons daarop methodisch onderzocht.
    De resultaten hebben we daarna vergeleken met de literatuurstudie over CVS en werkhervatting.

    De medische beoordeling van arbeidsongeschiktheid is een ingewikkeld proces, waar vele factoren een rol bij spelen.
    Een deel van het proces is direct afhankelijk van de verzekeringsarts : de kennis van zaken van de
    verzekeringsarts (medisch en verzekeringsgeneeskundig), de interactie tussen arts en belanghebbende en praktische zaken als informatie van het management en zelfs individuele werkdruk.
    Er zijn grote belangen mee gemoeid, zowel voor de individuele belanghebbende als voor de uitkeringspolitiek.
    Daarom willen overheid, politiek en patientenverenigingen inzicht hebben in de materie en deze kunnen beinvloeden.

    Richtlijnen

    De verzekeringsarts heeft geleerd om door middel van de diverse onderzoeksmethoden een inschatting te maken van de mogelijkheden en beperkingen van de belanghebbende.
    Verder heeft de verzekeringsarts een aantal richtlijnen en standaarden ter beschikking.
    Voor de meesten zijn deze richtlijnen meer een ondersteuning bij de beoordeling dan een keurslijf.
    Ze zijn bruikbaar bij de beoordeling van alle aandoeningen waarmee de clienten op het spreekuur komen, dus niet alleen voor moeilijk objectiveerbare aandoeningen.
    De overgrote meerderheid van de ondervraagde verzekeringsartsen stelt dan ook dat het niet nodig is om de mensen met moeilijk objectiveerbare aandoeningen en CVS in het bijzonder, een aparte
    behandeling te geven of volgens een aparte richtlijn te beoordelen.
    Dit komt overeen met de resultaten van de enquete die het LISV in 1998 heeft gehouden, onder vooral stafverzekeringsartsen [9].
    Daar wordt uitgegaan van vier interpretaties.
    Deze komen ook allemaal voor in de reacties die wij ontvingen, vooral in de opmerkingen bij de vragen 28 en H.

    Opvallend bij ons onderzoek is dat naar het oordeel van het merendeel (69%) van de ondervraagde verzekeringsartsen een specifieke richtlijn voor CVS niet nodig is.
    Een specifieke richtlijn voor moeilijk te objectiveren aandoeningen als CVS zou in theorie kunnen bijdragen aan verbetering van de uniformiteit van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, echter er zullen verschillen in interpretatie van de richtlijn blijven bestaan.

    Bij de casus acht het merendeel ( ca. 65%) van de ondervraagde verzekeringsartsen de belanghebbende beperkt belastbaar, waarbij er een grote spreiding in de aangegeven belastbaarheid, op vrijwel alle punten, blijkt te zijn.
    Dit verklaart voor een deel het gebrek aan uniformiteit bij het opstellen van het FIS belastbaarheidspatroon.

    Hoewel de oorzaak van CVS tot op heden niet bekend is, blijkt uit ons onderzoek dat een meerderheid van do verzekeringsartsen vindt dat er wel sprake is van ziekte of gebrek, waarbij men de oorzaak vooral zoekt in de psychosociale hoek of in een combinatie van factoren.
    Dit komt grotendeels overeen met de gegevens uit de literatuur.

    Een algemeen aanvaardbare behandeling is er (nog) niet.
    Desondanks hecht een ruime meerderheid van de respondenten uit ons onderzoek veel waarde aan ťťn of andere vorm van behandeling, als teken van herstelgedrag.
    Ook wordt veel waarde toegekend aan de activiteiten die door client worden ondernomen om weer aan het werk te gaan cq. te blijven.
    Naast de houding van de client is echter ook de houding van de (verzekerings)arts van belang bij het acceptatieproces, waardoor de client beter kan omgaan met zijn klachten.
    Dit kan uiteindelijk de prognose in positieve zin beinvloeden.
    Zoals reeds eerder is aangegeven zijn er een aantal richtlijnen en standaarden ontwikkeld, mede ter ondersteuning van de verzekeringsarts in zijn/haar dagelijkse praktijk.
    Zoals wellicht te verwachten is blijken deze richtlijnen en standaarden niet op een uniforme wijze geinterpreteerd te worden.
    In de meeste richtlijnen wordt ruimte gegeven om te kunnen afwijken van de regels, mits dit beargumenteerd wordt.
    Dit geldt ook veer de richtlijn MAOC.
    Uit de literatuur is gebleken dat er twee hoofdstromingen kunnen worden onderscheiden; de finale benadering en de causale benadering.
    Uit ons onderzoek komt naar voren dat een kleine meerderheid de diagnose niet van belang vindt of niet doorslaggevend (finale benadering).
    Daarentegen blijkt uit de opmerkingen van de respondenten dat men zoekt naar consistentie in de reeks van stoornissen, beperkingen en handicaps (causale benadering).
    Uit de literatuur blijkt dat de richtlijn door de meeste artsen wordt gebruikt, hetgeen overeenkomt met de bevindingen uit ons eigen onderzoek waaruit blijkt dat ruim 73% de richtlijn vaak tot altijd gebruikt.
    Verder blijkt uit de literatuur dat het dagverhaal van groot belang is bij de beoordeling.
    Dit geldt ook voor het opvragen van informatie.
    Uit ons onderzoek is gebleken dat bij de WAO-beoordeling in het algemeen slechts in ruim 28% van de gevallen altijd informatie wordt opgevraagd.
    Bij CVS blijkt dit echter te zijn verdubbeld, namelijk in ruim de helft (59,4%) van de gevallen wordt er altijd informatie opgevraagd.
    Hoewel het begrip belastbaarheid niet voorkomt in de richtlijn, komt uit ons onderzoek naar voren dat het merendeel van de respondenten beperkingen in zowel het sociale, psychische, fysieke functioneren en in de belastingsduur van belang acht bij het vaststellen van de belastbaarheid.
    Dit geldt ook voor de WAO-beoordelingen in het algemeen.

    De enquete

    De enquete was opgezet om na te gaan hoe verzekeringsartsen omgaan met de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het algemeen en in het bijzonder bij clienten met CVS.
    Daarnaast werden een aantal persoonskenmerken gevraagd, om na te gaan of er verschillen zijn tussen de ervaren en onervaren verzekeringsartsen.
    Hierbij lijken er geen verschillen te zijn tussen ervaren en onervaren artsen.
    Degenen met veel ervaring hebben in de loop der jaren verschillende richtlijnen mee gekregen, die soms haaks op elkaar stonden.
    Meestal gaat men uit van datgene wat het meeste strookt met de eigen opvattingen.
    Dit is zelfs het geval als daardoor de richtlijnen niet volledig gevolgd worden.
    Verder bieden de richtlijnen speelruimte die de verzekeringsarts als professional zelf kan invullen.
    Dit kan een verklaring zijn voor interpretatieverschillen, waardoor er een gebrek aan uniformiteit lijkt te zijn in de behandeling ondanks kennis van de richtlijnen.
    Enige spreiding in de resultaten van een arbeidsongeschiktsheidsbeoordeling (dus van de vaststelling van de belastbaarheid) zal altijd aanwezig zijn, als rechtstreeks gevolg van de persoonlijke interacties tussen de client en de verzekeringsarts.
    Dit is niet te vermijden en volgens ons ook geen probleem.
    De richtlijnen een het belastbaarheidspatroon zijn hulpmiddelen om do belastbaarheid mee te kunnen verwoorden.

    Voor de uiteindelijke uitkering is het arbeidsdeskundig onderzoek veel bepalender, omdat het van de loontechnische gegevens afhangt wat het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt (vergelijking van de verdiencapaciteit met het maatmanloon).

    De diagnose is in MAOC niet rechtstreeks van belang.
    Voor de verzekeringsartsen is het wel een houvast bij de beoordeling.
    Men realiseert zich wel dat het niet de doorslaggevende factor kan zijn voor het toekennen van een uitkering.
    Er is een grote spreiding in de genoemde diagnoses, die overeenkomt in het algemene deel over CVS met de diagnose in de casus.
    Er is wel een verband tussen de diagnose en de aangegeven mate van belastbaarheid.
    Er is nog geen richtlijn over het vaststellen van de belastbaarheid.
    Met name uit de reacties en opmerkingen naar aanleiding van sommige vragen en de casus blijkt dat men vaak worstelt met een juiste beoordeling van de belastbaarheid van clienten met vage klachten.

    De vragenlijst is door ons samengesteld en is dus niet gevalideerd.
    We waren ook beperkt in de aantallen verzekeringsartsen die we konden benaderen.
    We hebben ons beperkt tot het aanschrijven van een deel van de collega's van het GAK en alle verzekeringsartsen van het GUO.
    Er was een respons van in totaal 61 %.
    Dat betekent ook dat 39% niet antwoordde.
    Dit kan te maken hebben met het tijdstip van uitzetten van de enquete, in juni, dus kort voor de zomervakantie.
    Het kan ook betekenen dat de collega's, die niet geantwoord hebben, het te druk hadden of geen interesse hadden in een enquete.

    De enqueteresultaten bleken bij nader inzien niet statistisch te bewerken, op de vragen over het opvragen van de informatie na.
    Vanwege de kleine aantallen bleek het meestal niet mogelijk de Chi-kwadraat toets of andere toetsen toe te passen.
    Daarom is alleen volstaan met een beschrijving van de enquete-resultaten en de tendensen daarin.
    Bij veel van de vragen bleek er wel degelijk een verband te zijn tussen de antwoorden.
    Het kan zijn dat op een aantal vragen een sociaal wenselijk antwoord is gegeven.
    We hebben niet de kennis van de verzekeringsartsen getoetst, maar alleen gevraagd of men bekend was met het MAOC.
    Wel hebben we door middel van de casus toch een kleine toetsing van de praktijk aan de theorie geprobeerd in te passen.
    Het blijkt dat de meeste verzekeringsartsen wel consequent in hun antwoorden waren.
    Bij een eventueel vervolgonderzoek adviseren we wel om een grotere onderzoeksgroep te nemen, zodat er wel sprake kan zijn van statistische relevantie.
    Overigens dient ook opgemerkt te worden dat in ons onderzoek het aantal beoordelingen van clienten met CVS niet groot is.
    Een kleine meerderheid van de verzekeringsartsen ziet er 1 tot vijf per jaar.

    5.1 Ė Conclusies

    Een deel van het proces van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling kan in standaarden en protocollen worden vastgelegd.
    Dit werkt voor sommigen belemmerend en voor anderen als een houvast in het werk.
    De regels waarmee gewerkt moet worden zijn de afgelopen jaren enkele malen (gedeeltelijk) veranderd.
    Hierdoor is de duidelijkheid niet verbeterd voor de verzekeringsartsen.

    Verzekeringsartsen zitten in hun werk tussen twee vuren.
    Aan de ene kant willen ze de belanghebbende helpen een goede oplossing te vinden in termen van hervatting in passend werk, ongeacht het bijbehorende WAO-percentage.
    Hiervoor worden de opgelegde regels wel eens naar eigen inzicht, maar wel beargumenteerd, terzijde geschoven.
    Aan de andere kant moeten ze zich verantwoorden voor veel aspecten : inzichtelijke besluitvorming, tijdigheid, rechtmatigheid, conform de standaarden en protocollen.
    En in algemene zin is er druk van buiten af : voortdurende beschuldigingen in het nieuws dat ze te zachtmoedig zijn in de beoordeling en dus verantwoordelijk zijn voor de stijgingen in het aantal WAO-gerechtigden.

    Uit de enquete blijkt dat de verzekeringsartsen in het algemeen zich verantwoordelijk voelen om zo goed mogelijk werk af te leveren.
    De daarbij opgesomde aspecten, ook in de spontaan en op verzoek gegeven reacties, komen overeen met de enquete die onder de stafartsen is gehouden door het LISV.
    De verzekeringsartsen houden zich dus aan de instructies van de stafverzekeringsartsen en de opgelegde standaarden.

    Bij de beoordeling van moeilijk te objectiveren aandoeningen, in casu CVS, zijn de regels nog vaker veranderd.
    Eerst mochten deze aandoeningen niet resulteren in een uitkering, want er waren geen objectief vast te stellen afwijkingen, dus daarmee niet arbeidsongeschikt.
    Nu kan het ook zonder objectief vast te stellen afwijkingen weer wel, waarbij argumenten als beperkingen in het dagverhaal en consistentie in de anamnese samen de plausibiliteit toetsen.
    De moeilijk objectiveerbare aandoeningen en CVS in het bijzonder, geven problemen bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen.
    Dit geldt vooral voor het vaststellen van de mate waarin de klachten objectiveerbaar aanwezig zijn en minder voor de arbeidsongeschiktheidbeoordeling als zodanig.

    Verzekeringsartsen willen alle clienten gelijk behandelen en dus geen onderscheid maken naar de diagnose.
    Men heeft in het algemeen dus geen behoefte aan aparte regels voor de diverse groepen patienten.
    De verzekeringsartsen houden zich aan de richtlijnen en standaarden.
    In ieder geval streeft men er naar.
    Verder is binnen de standaarden nog zo veel speelruimte voor de individuele, professionele beoordeling, dat de verzekeringsarts er mee kan werken.
    Het is wel een van de redenen van de spreiding in de uitkomsten van de beoordeling.
    Verzekeringsartsen hebben het vooral moeilijk bij de beoordeling van de consistentie en de plausibiliteit van de klachten en de arbeidsongeschiktheid.
    Het komt doordat de clienten in de eerste plaats erkenning van hun aandoening willen hebben (dat ontbrak vaak in het verleden).
    In de tweede plaats gaat het om een klachtenpatroon dat het persoonlijk functioneren op soms oninvoelbare wijze beperkt.

    Ondanks alles komen de werkwijzen en de meningen van de verzekeringsartsen grotendeels overeen.
    De beoordeling is gebonden aan richtlijnen wat de uniformiteit bevordert, maar nog niet volledig maakt.
    Er blijft altijd een professionele autonomie, die verschillen verklaart.

    5.2 Ė Aanbevelingen

    1. Geen enkele groep van patienten, c.q. clienten met een bepaalde aandoening, mag anders behandeld worden dan andere patientengroepen.
    De richtlijnen dienen voor alle beoordelingen op dezelfde wijze te worden gehanteerd en geinterpreteerd.
    In individuele gevallen laten de richtlijnen voldoende mogelijkheden om beargumenteerd af te wijken van de standaardregel.

    2. De houding van de (verzekerings)arts is van belang bij het acceptatieproces, waardoor de patient c.q. client beter kan omgaan met zijn/haar klachten.
    Zoals ook uit de literatuur blijkt, kan dit uiteindelijk bijdragen tot een gunstiger prognose voor wat betreft terugkeer naar het arbeidsproces.

    3. Een specifieke richtlijn voor CVS of andere moeilijk te objectiveren aandoeningen is niet noodzakelijk.

    4. Een hulpmiddel bij het objectiveren van moeheid kan de multidimensionele meetmethode zijn die is ontwikkeld door de Nijmeegse Onderzoeksgroep CVS.

    5. Wij adviseren om de enquete te herhalen, waarbij ook de verzekeringsartsen van de andere Uvi's aangeschreven worden, dus niet alleen van GUO en GAK, maar ook Cadans, SFB en USZO.
    Daarbij zou een grotere groep ondervraagd moeten worden, om de statistische relevantie te kunnen toetsen.

    6. Verdere standaardisering van de vaststelling van de belastbaarheid is noodzakelijk.
    Het gebruik van het FIS is daarbij ťťn van de noodzakelijke hulpmiddelen om de belastbaarheid vast te leggen
    .../...

    Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?highlight=verzekeringsgeneeskundig&pageid=6357&printlink=true


    Lees verder : Deel VII

    25-11-2009 om 21:56 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel VII


    IX. - Werk, uitval en reÔntegratie bij patiŽnten met ME/CVS

    Birgitte M. Blatter, Ruurt van den Berg, Dick van Putten, TNO Kwaliteit van Leven in Hoofddorp - Correspondentieadres : Dr. Birgitte M. Blatter, TNO Kwaliteit van Leven, Postbus 718, 2130 AS Hoofddorp : b.blatter@arbeid.tno.nl


    1. - Samenvatting

    Doel van dit onderzoek was inzicht te krijgen in het werk, de beperkingen, gepercipieerde oorzaken, behandelingen en veranderingen na werkhervatting van ME/CVS-patiŽnten in Nederland.
    Een vragenlijstonderzoek is uitgevoerd bij 1035 ME/CVS-patiŽnten, via drie uitvoeringsinstellingen, de ME-patiŽntenvereniging en belangenvereniging.
    Van de ME/CVS-patiŽnten werkte 30% op het moment van invullen van de vragenlijst.
    Veel patiŽnten rapporteerden ernstig beperkt te zijn in het uitvoeren van forse inspanning en ook in cognitieve functies zoals concentreren.
    De door de patiŽnten meest genoemde oorzaken voor ME/CVS waren een stoornis in het immuunsysteem (56%), een virus/bacterie (47%) of een stoornis in de energiehuishouding van de cellen (46%).
    Eenderde was ooit onder behandeling geweest van een internist, 72% van een alternatieve genezer en 44% van een psycholoog.
    Van de uitgevallen werknemers met ME/CVS schatte maar een zeer klein percentage (13%) in meer dan 15 uur per week te kunnen werken.
    Na reÔntegratie werd er dan ook minder uren gewerkt.
    Ook werd er minder vaak een leidinggevende functie uitgevoerd.


    2. - Inleiding

    ME/CVS (myalgische encephalomyelitis/chronisch vermoeidheidssyndroom) is een van de meest omstreden aandoeningen in de hedendaagse geneeskunde.
    Dit blijkt wel uit de commotie en de verwarring die is ontstaan over het recent gepubliceerde rapport van de Gezondheidsraad.(1)
    De gezondheidsraad oordeelde dat CVS een reŽle, ernstig invaliderende aandoening is en achtte het voor de praktijk nuttig om CVS als een eigenstandige aandoening te beschouwen.
    De minister van Volksgezondheid,Welzijn en Sport reageerde hierop dat hij niet bereid is ME/CVS als ziekte te erkennen.
    Volgens de Gezondheidsraad heeft zij echter nooit het advies gegeven de ziekte te erkennen en dient door de politiek besloten te worden of CVS een aandoening is die in het kader van wetgeving erkend moet worden.
    Volgens de criteria van de Centers for Disease Control in de VS2 moet de diagnose ME/CVS gesteld worden wanneer er sprake is van een klinisch geŽvalueerde chronische vermoeidheid die onverklaarbaar is, persisteert of recidiveert, nieuw is of een duidelijk begin heeft, niet het gevolg is van voortdurende inspanning, niet aanzienlijk vermindert door rust en een aanzienlijke vermindering van het vroegere activiteitenniveau op het gebied van werk, studie, sociale of persoonlijke activiteiten tot gevolg heeft.

    • De door ME/CVS-patiŽnten meest genoemde klachten waren ernstige moeheid (89%), concentratie- en geheugenproblemen (64%), problemen met temperatuursregeling (59%) en pijnlijke spieren (58%).

    • Van de ME/CVS-patiŽnten rapporteerde 93% ernstig beperkt te zijn in het leveren van forse inspanning; 44% rapporteerde ernstig beperkt te zijn in het concentreren.

    • De door patiŽnten meest genoemde oorzaken voor ME/CVS waren een stoornis in het immuunsysteem (56%), een virus/bacterie (47%) of een stoornis in de energiehuishouding van de cellen (46%).

    • Van de totale onderzoekspopulatie was 35% ooit onder behandeling geweest van een internist, 72% van een alternatieve genezer en 44% van een psycholoog.

    • De therapieŽn die het meest gevolgd waren, waren medicatie (57%), fysiotherapie (38%) en het volgen van een dieet onder begeleiding (31%).

    Tegelijkertijd dienen ten minste vier aanvullende symptomen voor te komen, zoals na inspanning een malaisegevoel hebben dat meer dan 24 uur aanhoudt, concentratieverlies, spierpijn, hoofdpijn en gewrichtspijn.
    Voor curatief gebruik wordt in Nederland vaak volstaan met de eenvoudiger criteria van Van der Meer et al. (3)
    Volgens Klein Rouweler et al. (4) die een prevalentiestudie onder 1000 huisartsen uitvoerden, zijn er in Nederland ten minste 27.000 ME/CVS-patiŽnten oftewel 1,7 per 1000 inwoners.
    Ter vergelijking : de prevalentie van MS is 0,85 per 1000,5 en die van astma 11 per 1000.6
    Over het verloop en de prognose van de ziekte is bekend dat van volledig herstel slechts bij een kleine groep sprake is.
    Gedeeltelijk herstel komt vaker voor.
    Volgens Vercoulen et al.7 is na 18 maanden 3% volledig hersteld, 17% gedeeltelijk verbeterd en 80% niet verbeterd of achteruitgegaan.
    ME/CVS is een aandoening die dus per definitie samengaat met beperkingen in het dagelijks en werkzame leven.
    Veel patiŽnten kunnen hun werk niet of niet meer fulltime doen.

    Er is nog weinig onderzoek uitgevoerd naar de ME/CVS in relatie tot werk, verzuim en reÔntegratie.
    Een verkennend onderzoek naar werk van ME/CVS-patiŽnten is in 1998 uitgevoerd onder 50 ME/CVS-patiŽnten; ook zijn enkele afstudeerscripties van bedrijfs- en verzekeringsartsen uitgevoerd naar het chronische vermoeidheidssyndroom.
    In 1999 is een longitudinaal observationeel onderzoek gestart om indicatoren voor uitval en reÔntegratie bij ME/CVS-patiŽnten te identificeren.
    In het huidige artikel worden de resultaten van de eerste vragenlijstronde (uitgevoerd in 2000) gepresenteerd.
    De vraagstellingen van het huidige onderzoek luiden als volgt :

    • in hoeverre werken ME/CVS-patiŽnten en wat voor inkomensbron hebben degenen die niet werken ?

    • hoe ziek en beperkt zijn ME/CVS-patiŽnten ?

    • hoe denken zij over de oorzaken van hun aandoening en welke behandelingen hebben zij gevolgd ?

    • verandert het werk na reÔntegratie en wat doen degenen zonder werk om weer aan het werk te komen ?

    Inzicht in deze problematiek vanuit patiŽntenperspectief kan ten goede komen aan de onderlinge afstemming tussen arts en patiŽnt en daarmee het bespoedigen van het herstel van de patiŽnt.


    3. - Populatie en methoden

    De onderzoekspopulatie is in 2000 samengesteld : mogelijke ME/CVS-patiŽnten zijn aangeschreven via de uitvoeringsinstellingen (uviís) GAK, Cadans en USZO, de patiŽntenorganisatie ME-Stichting en Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid.
    In totaal zijn 2806 personen aangeschreven.
    Via GAK, Cadans en USZO zijn respectievelijk 195, 120 en 21 personen benaderd die geregistreerd waren als WAO-uitkeringsgerechtigd en bij wie de diagnose ME/CVS was gesteld (Cas-diagnosecode N690, Ďvermoeidheidssyndroom na virale infectieí).
    Via de ME-Stichting en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid zijn respectievelijk 1220 en 1250 personen aangeschreven die het meest recent aangemeld waren in hun adressenbestanden.
    Alle aangeschreven personen ontvingen een vragenlijst, een informatiefolder en antwoordenveloppe.
    De vragenlijst bestond uit een kort algemeen deel, een deel over de gezondheid en privť-situatie en een drietal modules over het werk.
    Het algemene deel bevatte vooral vragen over demografische factoren.
    Het gezondheidsdeel bevatte onder andere vragen over de ernst van de ziekte (met de CIS-20 vragenlijst12) en de beperkingen in het dagelijks leven (dimensie Ďfysiek functionerení uit de RAND-3613) en vragen over gevolgde behandelingen.
    Aanvullend op de RAND-36 zijn enkele vragen over andere beperkingen in functioneren gesteld, zoals niet kunnen concentreren, lezen, schrijven en tv-kijken.
    De werkmodules gingen over het werk dat men had vůůr langdurige uitval, over het werk op het moment van invullen van de vragenlijst en over eventuele uitgevoerde acties en contacten die men had na uitval uit het werk.
    De psychosociale factoren die in dit onderzoek meegenomen waren, bestonden uit : organisatie van het werk, regelmogelijkheden, taakeisen, sociale steun van collegaís en leidinggevenden, vaardigheidsmogelijkheden (mogelijkheden om vaardigheden te ontwikkelen en toe te passen in het werk) en negatieve opmerkingen van collegaís.
    Om opgenomen te worden in de onderzoekspopulatie is als criterium aangehouden dat de diagnose ME/CVS gesteld moest zijn door een arts.
    Wanneer men in de vragenlijst rapporteerde dat de er sprake was van een zelfdiagnose of een diagnose van een alternatieve behandelaar die geen arts was, is men uitgesloten van het onderzoek.
    Op basis van de werksituatie is de populatie ingedeeld in vier categorieŽn :

    • een groep personen die nooit gewerkt had

    • een groep die op het moment van invullen van de vragenlijst werkte

    • een groep die (langdurig) uitgevallen was uit het werk en niet werkte en

    • een groep die (langdurig) uitgevallen was maar weer werkte (gereÔntegreerde patiŽnten).

    Langdurig is gedefinieerd als langer dan 6 weken.
    Beschrijvende analyses zijn uitgevoerd, waarbij percentages en gemiddelde schaalscores berekend zijn.
    Bij gevonden verschillen in deze percentages en gemiddelden tussen subgroepen zijn p-waarden gepresenteerd om na te gaan of deze verschillen statistisch significant zijn.
    Hierbij is als grenswaarde gehanteerd : p < 0,05.


    4. - Resultaten

    Van de 2806 verstuurde vragenlijsten bleken er 67 dubbel verstuurd te zijn, 27 naar onjuiste adressen en 99 naar personen die geen ME/CVS hadden.
    Van de 2613 netto verstuurde vragenlijsten kwamen er 1035 ingevuld retour (respons van 40%).
    Bij 111 van deze 1035 personen was de diagnose ME/CVS niet door een arts gesteld.
    Deze mensen zijn uitgesloten uit het onderzoek, waardoor de uiteindelijke onderzoekspopulatie bestond uit 924 ME/CVS-patiŽnten.

    Figuur 1 - Schematische weergave van werk en inkomen van de populatie
    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf


    5. - Werksituatie

    Van deze 924 ME/CVS-patiŽnten hadden 152 personen nooit gewerkt (16%) (figuur 1).
    Deze groep bestond voornamelijk uit huisvrouwen en studenten.
    Sommige personen waren gestopt met werken voordat zij ME/CVS kregen.
    Eenenzestig mensen (die nog nooit langdurig waren uitgevallen) werkten op het moment van invullen van de vragenlijst (7%).
    Hiervan rapporteerde 62% echter dat zij door hun ziekte minder waren gaan werken en 32% meldde door de ziekte ander werk te zijn gaan doen.
    Deze percentages kunnen elkaar overlappen.
    Van de 924 ME/CVS-patiŽnten waren 488 personen uitgevallen uit het werk en niet werkend op het moment van invullen van de lijst (53%).
    Dertien procent hiervan bestond uit mensen die langer dan 6 weken ziek waren (64 personen).
    Ten slotte werkten 209 van de 924 personen weer, na eerder uitgevallen te zijn uit het werk (23%).
    Veertien personen konden niet ingedeeld worden in een categorie met betrekking tot werk of arbeidsongeschiktheid.
    Deze personen zijn wel meegenomen in de totale populatie.

    5.1 Ė Inkomen

    Voor de totale onderzoekspopulatie geldt :

    • 34% had een volledige WAO-uitkering

    • 22% een partiŽle WAO-uitkering

    • 3% een Wajong-uitkering

    • 2,5% loondoorbetaling vanwege ziekteverzuim

    • 1% een WW-uitkering

    • 3% een bijstandsuitkering

    • 18% een inkomen uit arbeid

    • 4,5% geen uitkering/loon uit arbeid.

    In figuur 1 is ook aangegeven op welke wijze de onderscheiden groepen een inkomen verkrijgen.

    Tabel 1 - Algemene karakteristieken en gezondheidsindicatoren van ME/CVS-patiŽnten
    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf

    5.2 - Hoe ervaren de ME/CVS-patiŽnten hun aandoening ?

    Een beschrijving van de algemene karakteristieken van deze vier groepen en van de totale groep ME/CVS-patiŽnten is gegeven in tabel 1.
    De totale onderzoekspopulatie bestond uit relatief veel vrouwen (83%) en was hoogopgeleid (38% had een HBO of academische opleiding).
    De gezondheidsindicatoren laten een consistent beeld zien van de vier groepen ME/CVS-patiŽnten.
    Zij die nooit gewerkt hadden en arbeidsongeschikt waren, rustten de meeste uren, hadden het hoogste aantal klachten, de hoogste vermoeidheidsscore en de ongunstigste beperkingenscore; de ME/CVS-patiŽnten die altijd gewerkt hadden en gereÔntegreerd waren, gaven op al deze aspecten een relatief gunstiger oordeel.
    Al deze verschillen waren statistisch significant (p < 0,05).
    De meest genoemde klachten (niet in tabel) waren ernstige moeheid (89%), concentratie- en geheugenproblemen (64%), problemen met temperatuursregeling (59%), pijnlijke spieren (58%), overgevoeligheid voor licht, geluid of geuren (49%) en allergieŽn (36%).
    49% rapporteerde Ďoverige klachtení te hebben, waaronder veel darmklachten, duizeligheid en misselijkheid voorkwamen.
    Wat betreft het voorkomen van ernstige beperkingen, rapporteerde 93% ernstig beperkt te zijn in het leveren van forse inspanning en 44% in het concentreren.

    Tabel 2. - Mening van patiŽnten over oorzaken van ME/CVS
    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf

    5.3 - Hoe denken patiŽnten over oorzaken en welke behandeling volgen zij ?

    In tabel 2 wordt weergegeven hoe ME/CVSpatiŽnten oordeelden over de oorzaken van hun ziekte.
    De meest genoemde oorzaken waren een stoornis in het immuunsysteem (56%), een virus/bacterie (47%) of een stoornis in de energiehuishouding van de cellen (46%).
    Onder de categorie Ďandersí werden ook nog zaken vermeld als hormoonstoornissen, te streng/geen grenzen kunnen stellen, stofwisselingsstoornis en stoornis in het zenuwstelsel.
    Gemiddeld noemden de patiŽnten bijna drie oorzaken, daarmee ook zelf aangevend dat er waarschijnlijk van een multifactorieel bepaalde aandoening sprake is.

    Tabel 3. - Behandeling van ME/CVS-patiŽnten
    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf

    Van de totale onderzoekspopulatie was 35% ooit onder behandeling geweest van een internist, 72% van een alternatieve genezer en 44% van een psycholoog (tabel 3).
    De meest gevolgde therapieŽn waren medicatie (57%), fysiotherapie (38%) en het volgen van een dieet onder begeleiding (31%).
    De medicijnen die artsen voorschreven, waren voornamelijk vitaminepreparaten en voedingssupplementen, antidepressiva (seroxat en prozac), carnitine en pijnstillers (paracetamol en diclofenac).

    Tabel 4. - Beschrijving (vorige en huidige) werk van gereÔntegreerde ME/CVS-patiŽnten
    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf

    5.4 - Werkaanpassingen bij (weer) werkende ME/CVS-patiŽnten

    Om meer inzicht te krijgen in de aard van de werkaanpassingen bij ME/CVS-patiŽnten zijn de kenmerken van werk onderzocht bij patiŽnten die na langdurige uitval het werk weer hervat hebben (tabel 4).
    Het werk van ME/CVS-patiŽnten betrof na reÔntegratie gemiddeld minder vaak een vast dienstverband en een leidinggevende functie en vaker een kleiner dienstverband en beeldschermwerk.
    Opvallend is ook het verschil tussen het officiŽle en werkelijke aantal werkuren na hervatting.
    Aanpassingen in het werk na hervatting waren bij het grootste deel van de ME/CVS-patiŽnten ingevoerd (77%).
    Behalve de vaardigheidsmogelijkheden waren alle psychosociale factoren gunstiger beoordeeld na hervatting.
    Het contact met de bedrijfsarts was toegenomen, maar dit gebeurde vaak op initiatief van de bedrijfsarts.

    Tabel 5. - Beschrijving acties om aan het werk te komen en mening over toekomst van uitgevallen ME/CVS-patiŽnten
    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf

    5.5 - Activiteiten gericht op werkhervatting

    In tabel 5 worden de contacten om weer aan het werk te komen na uitval uit het werk en meningen over de toekomst beschreven.
    Van de uitgevallen patiŽnten had 54% het halfjaar voorafgaand aan het invullen van de vragenlijst nog contact met collegaís, 41% met chef of leidinggevende en 33% met de bedrijfsarts.
    Eenderde van de uitgevallen respondenten gaf aan (onder voorwaarden) weer aan het werk te willen, ondanks de klachten en beperkingen die men had.
    De voorwaarden die men het meest noemde, ware n: korter werken, werken in lager tempo, zelf indelen van werk, thuiswerken, andere werktijden en totaal ander werk.
    De grootste groep kon met geen mogelijkheid inschatten hoe lang het zou duren totdat men weer aan het werk zou gaan; 14% schatte de tijd korter dan een jaar.
    Slechts 13% gaf aan meer dan 15 uur per week duurzaam te kunnen werken (waarvan 10% tussen 16 en 30 uur en 3% meer dan 30 uur per week).
    33% gaf aan nul uur per week te kunnen werken.


    6. - Discussie

    Het onderzoek heeft een respons van bijna 40%.
    Hierbij moet het volgende opgemerkt worden.
    Een onbekend deel van via de MEStichting en de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid aangeschreven personen is geen patiŽnt.
    Zij zijn beroepsmatig geÔnteresseerd in ME/CVS of hebben alleen informatie opgevraagd.
    Daarnaast ging het om een vrij uitgebreide vragenlijst die mogelijk de respons in juist deze groep nadelig beÔnvloed heeft.
    De mate van representativiteit van de onderzoeksgroep voor de gehele doelgroep van ME/CVS-patiŽnten is hierdoor niet duidelijk.
    Aangezien de vragenlijsten uit privacyoogpunt via de uviís en belangenverenigingen verstuurd waren en geen non-respons onderzoek is uitgevoerd, kunnen hier geen onderbouwde uitspraken over gedaan worden.
    Het absolute aantal mensen in de onderzoekspopulatie met een WAO-uitkering waarbij de diagnose ME gesteld is, is zeer klein.
    Via het toenmalige GAK, Cadans en USZO, de drie grootste uitvoeringsinstellingen, werden slechts 336 als zodanig geregistreerde personen opgespoord.
    Uit onderzoek bij verzekeringsartsen en bedrijfsartsen blijkt dan ook dat vaak een andere diagnose wordt gesteld bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, omdat veel artsen de omschrijving van de N690-diagnose niet vinden passen bij de aandoening.(14)
    De gemiddelde vermoeidheid van de huidige onderzoeksgroep is lager dan in het onderzoek van Vercoulen et al. (12)
    Deze lagere score is wellicht verklaarbaar doordat de huidige populatie niet via klinische inclusie is samengesteld en de populatie van Vercoulen (voor een groot deel) wel.
    De beperkingenscore van de huidige onderzoekspopulatie (score 43) is laag in vergelijking met die van hartinfarctpatiŽnten (71), patiŽnten die een beroerte gehad hebben (73), diabetes mellitus (75), astma (82) of kanker (82).(15)
    Deze lagere score betekent dat de ME/CVS-patiŽnten in deze onderzoekspopulatie duidelijk meer beperkingen ervaren dan patiŽnten met andere chronische aandoeningen (bij wie vermoeidheid vaak ook een kenmerkende klacht is).
    Opvallend is dat een zeer groot deel van de ME/CVS-patiŽnten (72%) ooit een alternatieve genezer heeft bezocht, waarschijnlijk doordat de reguliere geneeskunde geen bevredigende behandeling kan bieden.
    Een uitsplitsing van gezondheidskarakteristieken naar wel of niet werkzaam zijn van de populatie laat een te verwachten beeld zien : de werkende respondenten voelen zich gezonder dan de uitgevallen respondenten.
    Ook hebben we veranderingen in het werk bekeken die na reÔntegratie plaatsvinden.
    Na reÔntegratie werden er minder uren gewerkt en ontstond er een groot verschil tussen het officiŽle en werkelijke aantal werkuren.
    Er werd minder vaak een leidinggevende functie uitgevoerd en de psychosociale aspecten werden gunstiger beoordeeld.
    Wel waren de vragen over het vorige en het huidige werk op hetzelfde tijdstip ingevuld (namelijk nadat men weer aan het werk was) en zouden de beleving en verwachtingen van de respondenten een deel van de verschillen hebben kunnen veroorzaakt.
    Belangrijke bevinding blijft dat de respondenten zťlf aangaven dat er verbetering was opgetreden.
    Deze verbetering kan natuurlijk ook samenhangen met het feit dat in de nieuwe werksituatie feitelijk minder uren hoeven worden gewerkt dankzij een partiŽle WAO-uitkering.
    Anders gezegd : een partiŽle uitkering kan wezenlijk bijdragen aan het aan het werk blijven.
    Van de respondenten schatte 33% in helemaal niet meer te kunnen werken.
    Deze cijfers zijn gunstiger dan die van De Bruijn.(16)
    Zij vond in een onderzoek bij 86 ME/CVSpatiŽnten dat 60% aangaf geen werk meer te kunnen doen.

    Samengevat kunnen we concluderen dat 30% van de ME/CVS-patiŽnten werkte; 7% was nooit langdurig uitgevallen en 23% werkte na eerder uitgevallen te zijn geweest.
    Degenen die niet werkten, hadden in het algemeen (73%) een WAO-uitkering of ziektewetuitkering (13%).
    Van de overige groep had eenderde geen inkomen.
    De meest (door bijna iedereen) gerapporteerde klacht was ernstige moeheid, maar een meerderheid van de patiŽnten had tevens concentratieproblemen en/of pijnlijke spieren.
    ME/CVS-patiŽnten ervaarden meer beperkingen dan mensen met andere chronische aandoeningen.
    De patiŽnten waren niet eensgezind wat betreft de oorzaken van hun aandoening, maar de meeste genoemde oorzaak (56%) was een stoornis in het immuunsysteem.
    Relatief de meeste patiŽnten waren onder behandeling geweest van een alternatieve genezer.
    Na reÔntegratie veranderde het werk: men had minder vaak een baan met een vast dienstverband of een leidinggevende functie maar de psychosociale omstandigheden verbeterden wel.
    Het contact houden met collegaís en leidinggevende was de meest voorkomende activiteit om weer aan het werk te komen.


    Literatuur

    1. Het chronische-vermoeidheidssyndroom
      Gezondheidsraad, 25-01-2005 - Publicatie nr 2005/02
      Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport - Onderwerp : Aanbieding advies : 'Het chronische-vermoeidheidssyndroom' Ė ISBN : 90-5549-554-9

      Inhoud
      Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
      Executive summary
      1 Ė Inleiding
      1.1 Over CVS
      1.2 Over het advies

      2 - De context
      2.1 Het dagelijks leven van de CVS-patiŽnt
      2.2 Erkenning
      2.3 De deskundige patiŽnt
      2.4 In de spreekkamer
      2.5 Uitdagingen

      3 - Definitie en plaatsbepaling
      3.1 Casusdefinitie CVS
      3.2 De definitie in de praktijk
      3.3 Overlap met andere ziektebeelden en comorbiditeit
      3.4 Classificatieperikelen

      4. - Cijfers
      4.1 Internationale gegevens
      4.2 Nederlandse cijfers
      4.3 Ontbrekende gegevens
      4.4 Wetenschappelijke onderbouwing van de epidemiologische gegevens

      5. - Gedachten over oorzaken en ontstaan
      5.1 Benadering
      5.2 Lichaam en geest
      5.3 Waardoor en hoe
      5.4 Etiologie
      5.5 Pathofysiologie
      5.6 Perspectieven

      6. - Diagnostiek, begeleiding, behandeling
      6.1 Over moeheid
      6.2 Moeheid in de huisartsenpraktijk : enkele cijfers
      6.3 Hoofdpunten van het beleid bij moeheidsklachten
      6.4 Moeheidsklachten en CVS in relatie tot arbeid
      6.5 Behandelingsmogelijkheden
      6.6 De zorg voor CVS-patiŽnten

      7. - Jongeren en CVS
      7.1 De context
      7.2 Prevalentie van CVS bij jongeren
      7.3 Incidentie van CVS bij jongeren
      7.4 Prognose
      7.5 Symptomen
      7.6 De prechronische fase
      7.7 De rol van de ouders
      7.8 Behandeling
      7.9 De schoo

      8. - Wetenschappelijk onderzoek
      Literatuur
      Inhoud
      Bijlagen
      - A De adviesaanvraag
      - B De commissie
      - C Hoofdlijnen van de ICF (International Classification of Functioning)

      Cfr. : http://www.gezondheidsraad.nl/pdf.php?ID=1167

    2. The chronic fatigue syndrome - A comprehensive approach to its definition and study
      Fukuda K, Straus S, Hickie I et al. - Ann Intern Med 1994; 121:953Ė959

    3. Langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten - samenvatting, conclusies en aanbevelingen voor het beleid van de medicus practicus
      Meer JWM van der, Rijken PM, Bleijenberg G et al. - Utrecht : Nivel, 1997
      Langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten vormen een belangrijk medisch probleem.
      Voor de patient betekenen deze een aanzienlijke aantasting van de kwaliteit van leven; voor de gezondheidszorg brengen de moeheidsklachten hoge lasten met zich mee vanwege de vele (meestal teleurstellende) diagnostische en therapeutische interventies die worden toegepast.
      De organisaties van patienten met deze klachten hanteren de term 'myalgische encephalomyelitis' (ME), suggererend dat aan de ziekte een somatische oorzaak ten grondslag ligt.
      Artsen en onderzoekers delen deze overtuiging niet (volledig), omdat hiervoor tot nu toe onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat.
      Zij spreken daarom liever van het 'chronische vermoeidheidssyndroom' (CVS).
      Een aantal patienten heeft brieven geschreven aan de Minister van Volksgezondheld, Welzijn en Sport, waarin zij aangeven vaak geconfronteerd te worden met artsen die zeggen de diagnose niet te kunnen stellen of zelfs zeggen dat de ziekte niet bestaat.
      Zij voelen zich door artsen onvoldoende serieus genomen.
      Als reactie hierop heeft de Minister aangedrongen op overleg tussen huisartsen en specialisten over de diagnosestelling, behandeling en begeleiding van (patienten met) CVS.
      Inmiddels heeft dit overleg plaatsgevonden.
      De auteurs van dit verslag participeerden in het overleg.
      Bij het overleg werd uitgegaan van de volgende probleemstelling :
      - ďWat is het meest adequate beleid voor (huis)artsen inzake de diagnosestelling, behandeling en begeleiding van patienten met langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten, gegeven de huidige stand van wetenschappelijke kennis ?ď-
      Als voorbereiding op dit overleg is een literatuurstudie uitgevoerd, waarin de huidige stand van wetenschappelijke kennis over moeheid en CVS en het huidige beleid van huisartsen inzake moeheidsklachten is nagegaan (Rijken, Van der Velden, Dekker et al., 1996).
      In dit verslag wordt een kort overzicht gegeven van de belangrijkste resultaten van deze literatuurstudie en de conclusies die hieruit getrokken zijn in het overleg.
      De conclusies worden bovendien vertaald in aanbevelingen voor de medicus practicus.
      Cfr. ook :
      Onderzoek naar de prevalentie van bet chronische vermoeidheidssyndroom zoals herkend door huisartsen in Nederland en de attitude van huisartsen ten opzichte van het chronisch vermoeidheidssyndroom - Samenvatting Prevalentierapport CVS
      Mw. drs. IL H. Klein Rouweler, onderzoeker, afdeling Medische Psychologie - Dr. J.L. Severens, onderzoeker, afdeling M.T.A. - Dr. G. Bleijenberg, projectleider, afdeling Medische Psychologie - Academisch Ziekenhuis Nijmegen, oktober 1999 - Dit onderzoek is gesubsidieerd door het ME-Fonds - Bron : Sjaak Smeenk : sjadasme@hetnet.nl
      .../...
      3.3 - Samenvatting van de resultaten van het prevalentieonderzoek
      Het aantal CVS-patienten gerapporteerd door huisartsen is in vergelijking met het vorig onderzoek in 1993 met meer dan de helft toegenomen tot gemiddeld 195 CVS-patienten per 100.000.
      In 1993 was dit gemiddeld 112 per 100.000.
      Vanwege de scheve verdeling worden de gegevens tevens gebaseerd op de mediaan van 118 per 100.000.
      Bij extrapolatie naar de Nederlandse bevolking wordt de puntprevalentie geschat op gemiddeld 26.712 CVS-patienten in Nederland (op basis van de mediaan op 16.164 CVS-patienten in Nederland).
      De verdeling tussen vrouwen en mannen is identiek aan vorig onderzoek, namelijk 4:1
      Van alle CVS-patienten is 8% < 18 jaar (gemiddeld 15 per 100.000).
      Vanwege een andere leeftijdsverdeling is dit niet vergelijkbaar met eerder onderzoek.
      Een deel van de huisartsen (13%) geeft aan geen CVS-patienten in de praktijk te hebben en noemt hier diverse redenen voor : bezwaar tegen het gebruik van de diagnose, gebrek aan kennis omtrent CVS en het niet voorkomen van deze klachten in de huisartspraktijk.
      In het eerder onderzoek bedroeg dit percentage het dubbele namelijk 27%.
      Ruim driekwart van de huisartsen verwijst zijn CVS-patienten naar een medisch specialist terwijl ruim eenderde verwijst naar een paramedisch hulpverlener en de geestelijke gezondheidszorg.
      Een groot deel van de huisartsen zegt ook CVS-patienten zelf te begeleiden c.q. te behandelen.
      Het gemiddeld aantal patienten met chronische vermoeidheid in samenhang met een lichamelijke ziekte is 11.4 per huisarts (gemiddeld komt dit neer op 451 per 100.000).
      Bij extrapolatie naar de Nederlandse bevolking zijn dat gemiddeld 61.781 patienten met ernstige moeheid in samenhang met een lichamelijke ziekte.
      3.6 - Samenvatting van de resultaten van het interview
      De drie patienten uit de drie casussen zijn voor huisartsen erg herkenbaar, met name de patient uit casus 3 waarbij de zelfdiagnose CVS meestal wordt bevestigd of waarop een neutrale reactie wordt gegeven.
      Diagnose CVS - De diagnose CVS zou ons inziens bij alle drie casussen gesteld moeten worden, dit gebeurt echter slechts in 53% van de gevallen.
      Zij die de diagnose CVS niet stellen noemen als voornaamste reden het willen uitstellen van de diagnose door eerst verder te (laten) onderzoeken (81%).
      Een kleinere groep stelt de diagnose CVS niet vanwege bezwaar tegen de diagnose CVS (14%) of uit kennisgebrek (5%).
      Zij die de diagnose CVS wel stellen herkennen in de casus de twee belangrijkste criteria van CVS, namelijk de ernstige moeheidsklachten en het ontbreken van een lichamelijke oorzaak voor de klachten.
      Het criterium 'ernstige beperkingen' worden in verhouding door weinig huisartsen genoemd.
      Huisartsen geven aan de patient ook uitleg omtrent CVS en richten zich vooral op het beschrijven van de symptomen van CVS (81%).
      Een klein deel van de huisartsen (19%) stelt de patient gerust door te zeggen dat CVS ook weer over kan gaan.
      Het benoemen van de diagnose naar de patient doet tweederde van de huisartsen om de patient houvast en duidelijkheid te bieden.
      De overige huisartsen benoemen de diagnose CVS ook voor hun eigen duidelijkheid, als werkdiagnose.
      Indien huisartsen de diagnose CVS zelf stellen bij de casus bevestigen zij ook de zelfdiagnose van de patient.
      Huisartsen die de diagnose CVS niet stellen ontkennen de zelfdiagnose of vragen aan de patient hoe deze hieraan komt.
      Samenvatting van de drie casussen
      Bijlage I - Samenvatting van de drie casussen
      Casus 1 - Anne - Anne is moeder van twee jonge kinderen en staat drie dagen in de week aan school als onderwijzeres.
      Ze is een actieve vrouw zonder klachten tot een halfjaar geleden.
      Ze komt dan voor het eerst met moeheidsklachten die geleidelijk in ernst toenemen.
      De huisarts doet bloedonderzoek en vindt niets.
      Nu komt ze bij de huisarts en heeft nog steeds ernstige moeheidsklachten die niet overgaan door bedrust.
      Ze kan lichamelijk nog maar weinig doen en ligt veel op bed, soms loopt ze even naar de brievenbus.
      Ook haar kinderen en man merken de verandering, ze is de laatste tijd ook chagrijnig naar hen toe.
      Ze vraagt wat ze toch heeft en vraagt een verwijzing naar de internist omdat ze zich zorgen maakt.
      De huisarts doet een algemeen lichamelijk onderzoek en vindt geen aanwijzingen voor lichamelijke afwijkingen.
      Casus 2 Ė Iris - Iris woont samen en was voor haar ziek zijn werkzaam als maatschappelijk werkster.
      Een jaar geleden komt ze bij de huisarts met moeheidsklachten die plotseling op zijn gekomen.
      De huisarts doet een bloedonderzoek en vindt geen afwijkingen.
      Zes weken later zijn de klachten er nog steeds en wordt ze verwezen naar een internist die ook niets vindt.
      De huisarts ziet haar daarna regelmatig ook met andere klachten zoals spierpijn, concentratieproblemen keelontstekingen en wazig zien.
      Een oorzaak voor de lichamelijke klachten wordt nooit gevonden.
      Door de lichamelijke beperkingen heeft ze moeite om contacten te onderhouden.
      Nu komt ze en zegt het geestelijk niet meet aan te kunnen, ze weet niet hoe ze met de klachten moet omgaan.
      Casus 3 Ė Rita - Rita is een alleenstaande bijstandsmoeder met een zoon van 6 jaar.
      Haar ouders wonen bij haar in de straat.
      Ze is al heel lang bekend bij de huisarts.
      Drie jaar geleden komt ze voor het eerst met moeheidsklachten.
      Met name in de winter heeft ze last van moeheid.
      De huisarts heeft haar al eens een periode met Seroxat behandeld zonder resultaat.
      Ze komt ongeveer om de zes weken bij de huisarts met allerlei lichamelijke klachten : hoofdpijn, darmklachten, keelontstekingen, spierpijnen etc.
      De huisarts onderzoekt haar regelmatig maar vindt geen oorzaak voor de klachten, de moeheidsklachten zijn altijd aanwezig.
      Naast de moeheid spelen ook vaak problemen thuis, vanwege de lichamelijke beperkingen kan ze maar moeilijk voor haar zoon zorgen.
      Nu komt ze en weet wat ze heeft, een kennis heeft het ook, namelijk ME.
      Na het lezen hierover herkent ze zich volkomen.
      Ze wil de huisarts een artikel laten lezen over een verstoorde darmflora hetgeen voorkomt bij mensen met ME en waar zij ook veel last van heeft.
      Samenvatting resultaten van alle huisartsen per casus
      Casus 1
      - Huisartsen stellen de diagnose CVS vaak niet vanwege het gebrek aan lichamelijk onderzoek bij deze patient.
      Huisartsen begeleiden deze patient meestal wel (uitzondering zijn twee huisartsen).
      Deze patient krijgt vooral adviezen gericht op het activeren.
      Casus 2 - Hierbij wordt de diagnose CVS vaker gesteld omdat de klachten langer aanwezig zijn dan in casus 1 en eerdere verwijzing naar een internist niets heeft opgeleverd.
      Vijf huisartsen bieden deze patient geen begeleiding, drie verwijzen direct voor behandeling en twee weten niet hoe zij patient kunnen begeleiden.
      De overige huisartsen bieden wel begeleiding aan.
      Casus 3 - Het merendeel van de huisartsen bevestigt de zelfdiagnose van de patient of reageert neutraal.
      Als oorzaak voor de klachten denken vele huisartsen aan de aanwezige psychosociale problematiek.
      De meeste huisartsen bieden deze patient begeleiding aan.
      Acht huisartsen geven deze patient antidepressiva.
      Bijna driekwart verwijst deze patient voor verdere behandeling.
      Bijlage III - Visie op CVS door huisartsen (enkele citaten uit de interviews)
      Selectie van citaten - Van de 50 huisartsen die werden geinterviewd zijn van 18 huisartsen delen uit het interview geciteerd.
      De selectie van deze 18 zijn niet representatief voor de resultaten van de 50 huisartsen.
      Er is voor deze vaak wat negatief getinte uitspraken gekozen om een indruk te geven wat huisartsen moeilijk vinden in het contact met CVS-patienten.
      Diagnose/etiket CVS -
      - "Ik stel de diagnose bewust nooit aangezien het tot niets leidt, het geeft geen handvat en is operationeel niet handig. Indien iemand anders de diagnose stelt heeft de patient een etiket en kan zichzelf patient noemen".
      - "Ik stel bewust geen diagnose CVS aangezien ik mensen wil behoeden voor het stigma ME
      - "Ik stel de diagnose nooit omdat ik hier geen vat op heb. Het etiket CVS maakt mensen zieker, ik ga als huisarts in op de klachten. Ik zie CVS als een vergaarbak van klachten, patienten bijten zich hierin vast en worden daardoor niet beter".
      - "Vooral de diagnose ME irriteert me, dit zet ik direct om in CVS, dan wordt het al heel anders".
      - "Ik zie CVS als een non-disease aangezien : * Je een stel symptomen bij elkaar raapt zodat het een syndroomlijst  wordt en waarom doe je dat, waarom is dat etiket nodig ? Patienten hebben de houding : ik heb CVS en kan daar al mijn klachten bij onderbrengen, vind ik als huisarts moeilijk - * CVS heeft geen therapeutische consequenties - * Wanneer we het CVS noemen weet de patient en de dokter dat er geen therapie voor is, het is uitzichtloos, eindeloos, zal altijd bestaan... de patient is reddeloos verloren - * Als huisarts moet ik preventief werken tegen somatische fixatie, als je CVS gaat bevestigen teken je voor een vonnis en kom je er nooit meer uit, dan blijven mensen somatiseren".
      - "Ik geloof niet in CVS, driekwart van de patienten die komen zijn moe. Ik gebruik een standaard protocol voor mensen met psychosomatische klachten (dus voor CVS). Ik neem de patienten serieus, deo uitgebreid bloed -en lichamelijk onderzoek en vraag depressie- en stressfactoren uit. Daarna praat ik door over hoe ga je met de klachten om. Eventueel verwijs ik door voor behandeling naar een psychotherapeut. Een nadeel van het stellen van de diagnose is dat mensen zich gaan vastbijten hierin en er verkeerd mee omgaan".
      Onmachtgevoelens van de huisarts
      - "CVS vind ik moeilijk, het is een onbevredigende conclusie omdat je het slecht handen en voeten kunt geven. Ik vind het moeilijk om te bepalen wanneer heb ik nu alles uitgesloten, Ik blijf op mijn hoede".
      Deze huisarts vertelt bij binnenkomst dat hij CVS een moeilijk onderwerp vindt :
      - "Ik heb vooral moeite met de diagnose CVS, wanneer heb ik voldoende oorzaken uitgesloten, hoever ga ik hierin als huisarts. Eigenlijk kan ik in wezen niets met CVS. Als ik bij hoge uitzondering de diagnose stel dan vertel ik aan de patient dat het waarschijnlijk CVS is. Ik houd het bewust open omdat mensen moeilijk van het etiket afkomen en ik als huisarts nooit zeker weet of ik alles heb uitgesloten".
      - "Ik vind de diagnose CVS moeilijk te stellen omdat ik weinig handvatten heb, ik laat dit altijd over aan een specialist. Ik weet absoluut niet wat ik met deze mensen aan moet en zeg dit ook aan de patient".
      - "Ik vind het lastig dat er bij CVS geen oorzaak is te vinden, ik moet dat eerst zelf accepteren en verwijs dus om lichamelijke oorzaken uit te sluiten. Wanneer ik het zelf heb geaccepteerd vertel ik aan de patient dat hij/zij de diagnose CVS heeft. Ik kan wel zeggen tegen de patient accepteer CVS maar moet het als huisarts eerst zelf accepteren".
      - "Ik kan als huisarts zo weinig met CVS en dat geeft me een machteloos gevoel. Door de machteloosheid raak ik sneller geirriteerd en voel ik me vervelend".
      - "Ik vind het omgaan met CVS een groot probleem. Wanneer iemand binnen komt denk ik daar heb je haar weer, wat moet ik ermee als huisarts, er is geen goede therapie voor, pappen en nathouden dan maar. Ik zal blij zijn als ik kan verwijzen en een scholing hiervoor kan volgen".
      - "Ik vind het een groot probleem om voor CVS-patienten de WAO uitkering of een andere uitkering rond te krijgen. Het is moeilijk om de diagnose CVS op papier vastgelegd te krijgen".
      Visie omtrent CVS
      - "In deze praktijk komen veel buitenlandse vrouwen met moeheidsklachten waarbij niets gevonden wordt. Ik vind dit een zeer lastige groep ook vanwege de cultuurproblemen, het is vaak hopeloos en voor mij frustrerend en lastig".
      - "In mijn praktijk kom ik CVS niet tegen, ik kom er zelf wel uit met de patient. Ik zie CVS als cultuurziekte waarin mensen geleerd hebben hieraan toe te geven en niet geleerd hebben kritisch naar zichzelf te kijken".
      - "Ik kan me absoluut niet voorstellen dat je van de ene op de andere dag zegt, ik ben te moe om een half uur op te zijn of koffie te zetten. Deze mensen zijn er, dus ik kan het maar beter accepteren !".
      - "CVS-patienten praten vaak met een bepaalde afstand over wat ze hebben en zoeken erkenning".
      - "Sinds de nascholing omtrent CVS ben ik anders gaan denken over CVS. Ik weet nu dat mensen rustiger worden wanneer hun klachten een naam krijgen en heb dat ook gemerkt. De verandering is ook gekomen doordat er de laatste tijd steeds meer aandacht voor CVS komt".
      Cfr. : ME-Net@Nic.Surfnet.nl


    Lees verder : Deel VIII

    25-11-2009 om 21:52 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel VIII

    1. De morbiditeit van astma en COPD in Nederland - Een inventariserend onderzoek ten behoeve van de beleidsondersteuning van het Nederlands Astma Fonds [The morbidity of asthma and Chronic Obstructive Pulmonary Disease in the Netherlands]
      Smit HA, Beaumont M - RIVM - Bilthoven - Nederland - www.rivm.nl -, 2000 - RIVM Rapport 260855001
      Rapport in het kort - In opdracht van het Nederlands Astma Fonds is een inventarisatie gemaakt van beschikbare kennis over de morbiditeit van astma en COPD in Nederland.
      De volgende vraagstellingen werden geformuleerd : ďInventarisatie : welke gegevensbronnen zijn beschikbaar, welke gegevens zijn daarin aanwezig ? In hoeverre kunnen de beschikbare gegevens inzicht verschaffen in incidentie en prevalentie van astma en COPD ? Wat zijn leemtes in de beschikbare gegevens ? Presentatie : wat is de incidentie en prevalentie van astma en COPD op basis van de beschikbare gegevens ? Kan onderscheid worden gemaakt in astma en COPD afzonderlijk, ernstgraad en specifieke groepen ?Ē
      Er is reeds veel informatie beschikbaar over de morbiditeit van astma en COPD in Nederland.
      Het inzicht kan consistenter en ruimer worden wanneer een aantal aanvullende analyses worden verricht op bestaande gegevensbestanden door de beherende instanties van de bestanden.
      Inherent aan de overlap tussen de ziektebeelden astma en COPD, is het niet altijd mogelijk om een valide onderscheid daartussen te maken.
      Gegevens over ernstgraden ontbreken vrijwel geheel, maar deze zouden wel verzameld kunnen worden wanneer consensus bereikt zou kunnen worden over de wijze waarop 'ernst' wordt gedefinieerd.
      De meest opvallende leemtes betreffen beschikbaarheid van gegevens over astma en COPD morbiditeit in zeer jonge kinderen, jong-volwassenen en ouderen, alsmede kennis over astma en COPD morbiditeit in etnische groepen.
      English abstract - The survey of the available data on morbidity and mortality of asthma and Chronic Obstructive Pulmonary Disease (COPD) in the Netherlands presented here was carried out by order of the Netherlands Asthma Foudation.
      Objectives were to : 1) collect the available data on asthma and COPD in the Netherlands and identify gaps in these data and 2) describe the incidence and prevalence of asthma and COPD.
      The description, taking asthma and COPD separately, was to focus on the degrees of severity and on the specific subgroups in the general population, e.g. ethnic and socio-economic groups.
      The available data were seen to provide a reasonable picture of the morbidity caused by asthma and COPD in the Netherlands; this picture will be improved by more specific secondary analysis of the available data.
      Nevertheless, inherent to the overlapping of these two diseases is the failure to always being able to make a valid distinction between asthma and COPD.
      Data on degrees of severity may be obtained though registration if consensus can be reached on the definition of degrees of severity.
      The most noticeable gaps were in the lack of data for very young children, young adults and the elderly and for the ethnic subgroups.
      Cfr. : http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/260855001.html

    2. Hoe vaak komt multiple sclerose voor en hoeveel mensen sterven eraan ?
      Zwanikken CP in : 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning' - Nationaal Kompas Volksgezondheid (cfr. : http://www.nationaalkompas.nl -) - Bilthoven : RIVM, 2003
      Cfr. : http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o2139n17761.html

    3. Prognosis in chronic fatigue syndrome - A prospective study on the natural course
      Vercoulen JH, Swanink CM, Fennis JF, Galama JM, van der Meer JW, Bleijenberg G, Department of Medical Psychology, University Hospital Nijmegen, The Netherlands - J Neurol Neurosurg Psychiatry. 1996 May;60(5):489-94 - PMID: 8778251
      Objective
      - To determine spontaneous improvement after a follow up interval of 18 months in patients with chronic fatigue syndrome and to identify factors that predict improvement.
      Methods - A longitudinal study was used. Of 298 initially assessed self referred patients fulfilling criteria for chronic fatigue syndrome, 246 patients completed self report questionnaires at follow up (response rate 83%).
      A multidimensional assessment method was used, measuring behavioural, emotional, cognitive and social functioning.
      Comparison data from 53 healthy subjects matched for age, sex and educational level were available.
      Results - Three per cent of patients reported complete recovery and 17% reported improvement.
      At follow up, there were considerable problems at work and consumption of medication was high.
      Subjective improvement was confirmed by dimensional change : at follow up recovered patients had similar scores to healthy subjects and improved patients showed significant improvement on four out of seven outcome measures and had higher scores than healthy subjects in all dimensions.
      Sociodemographic variables or treatment by specialists and alternative practitioners did not predict improvement.
      Predictors of improvement were : subjective sense of control over symptoms, less fatigue, shorter duration of complaints and a relative absence of physical attributions.
      Conclusion - The improvement rate in patients with a relatively long duration of complaints is small. Psychological factors are related to improvement, especially cognitive factors.
      Cfr. : http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=486359

    4. Chronische-vermoeidheidsyndroom in relatie tot arbeid - Een verkennend onderzoek naar arbeidsverleden, huidig werk en werkhervatting
      B.M. Blatter en I.L.D. Houtman, respectievelijk onderzoeker en senior onderzoeker, zijn werkzaam bij het Team Beleidsonderzoek Arbeid en Gezondheid. NIA TNO, Hoofddorp - M. van Dormolen is thans werkzaam bij het Instituut voor Arbeidsintegratie en Scholing, Heliomare, Wijk aan Zee - A.W. Graffelman is werkzaam op de afdeling Huisartsgeneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde. LUMC (Leids Universitair Medisch Centrum), Leiden - C.H.J.M. Opmeer en L. Nagelkerken zijn beiden werkzaam bij TNO-PG te Leiden, respectievelijk op de divisie Collectieve Preventie en de divisie Immunologie en Infektieziekten - Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde (TBV), nummer 7, oktober 1998, p. 201Ė209
      Samenvatting - In het kader van een multidisciplinair onderzoek naar immunologische parameters, leefstijlfactoren en arbeidsgebonden factoren is een verkennend en beschrijvend onderzoek opgezet naar de arbeidssituatie van personen met het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS).
      De onderzoekspopulatie bestond uit 54 CVS-patienten en 54 controlepersonen die via huisartsenpraktijken in Leiden en omgeving waren verkregen.
      Gegevens over de ernst van de klachten, het arbeidsverleden, de huidige functie, werkhervatting en leefgewoonten zijn verzameld met behulp van een schriftelijke vragenlijst.
      Gegevens van de CVS-patienten zijn vergeleken met gezonde controlepersonen en met patienten met neuromusculaire aandoeningen (NMA), multiple sclerose (MS) en astma.
      Het bleek dat beroepen in de gezondheidszorg, onderwijs en andere vakspecialismen relatief vaak voorkwamen bij CVS-patienten vergeleken met de andere patienten, dat CVS-patienten vaak extra werkaanpassingen willen, dat door collega's en leidinggevenden van CVS-patienten relatief vaak negatieve opmerkingen worden gemaakt over de ziekte en dat door zowel werkende als niet werkende CVS-patienten meer contact onderhouden wordt met en personeelszaken.
      Inleiding - Het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS), ook wel ME (Myalgische Encefalomyelitis) genoemd, is een van de meest omstreden aandoeningen in de hedendaagse geneeskunde. (1)
      De aandoening is echter niet zeldzaam; volgens Bazelmans et al. (2) die een prevalentiestudie onder alle huisartsenpraktijken uitvoerden, zijn er in Nederland tenminste 17.000 CVS-patienten.
      CVS werd in bovengenoemd onderzoek gedefinieerd als ernstige vermoeidheid, die tenminste 1 jaar duurt, leidt tot een beperking van dagelijkse activiteiten, en waarvoor geen oorzaak is gevonden.
      Dikwijls is bij CVS ook een aantal begeleidende klachten aanwezig, zoals spierpijn, gewrichtsklachten en neuropsychologische klachten.
      De aandoening wordt per exclusionem vastgesteld.
      De etiologie van CVS is onbekend. Hoewel de laatste jaren veel onderzoek is gedaan naar definities, pathogenese en prevalentie van CVS (2-4) is er nog geen onderzoek uitgevoerd naar arbeid in relatie tot CVS en uitval uit het arbeidsproces van CVS-patienten.
      Door de recente aandacht in de media voor CVS-patienten die geen WAO-uitkering ontvingen, is de maatschappelijke belangstelling voor de ziekte in relatie tot arbeidsongeschiktheid toegenomen.
      In dit artikel worden de resultaten gepresenteerd van een explorerend en beschrijvend onderzoek naar de arbeidssituatie van personen met CVS, waarbij het arbeidsverleden en het huidige werk als reintegratieaspecten aan bod komen.
      Anders dan in eerder genoemd prevalentieonderzoek (2) is in het hier te bespreken onderzoek een langer dan zes maanden durende vermoeidheid gehanteerd als inclusiecriterium.
      Het onderzoek maakt deel uit van een multidisciplinair opgezet onderzoek naar immunologische parameters, leefstijlfactoren en arbeidsgebonden factoren in relatie tot CVS.
      De vraagstelling luidt aldus : hoe onderscheidt een populatie met CVS zich van enkele andere populaties met chronische ziekten zoals multiple sclerose (5), neuromusculaire aandoeningen (6) en astma (7) en van een gezonde populatie ten aanzien van aspecten in het huidige werk, in het arbeidsverleden en ten aanzien van aspecten van werkhervatting ?
      Het maatschappelijk belang van dit onderzoek ligt in de mogelijkheid aanknopingspunten te vinden om arbeidsparticipatie en werkhervatting van CVS-patienten te verhogen.
      .../...
      Conclusie - Voorzichtige conclusies die uit dit verkennende onderzoek getrokken kunnen worden zijn : er zijn even vaak maatregelen ter aanpassing van het werk getroffen bij personen met CVS als bij andere werkende chronisch zieke personen, maar CVS-patienten willen veel vaker extra aanpassingen in hun werk.
      Zowel door collega's van CVS-patienten als door directe leidinggevenden worden veel vaker negatieve opmerkingen gemaakt over de ziekte dan door collega's en leidinggevenden van patienten met NMA, MS of astma.
      Zowel de werkende als de niet meer werkende CVS-patienten onderhouden meer contacten met de bedrijfsgezondheidsdienst en met personeelszaken vergeleken met patienten met NMA of MS.
      Om aan werk te komen worden door CVS-patienten veel vaker contacten met de chef onderhouden dan door NMA-patienten.
      Het lijkt de moeite waard om deze explorerende studie te vervolgen met onderzoek onder een groter aantal patienten, waarin het mogelijk is zowel determinanten van WAO-intrede en werkhervatting, als werkgebonden determinanten van het ontstaan van CVS te onderzoeken.
      .../...
      Cfr. : ME-Net@Nic.Surfnet.nl

    5. Het chronische vermoeidheidsyndroom en de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
      Bakker M, Werf M-L van der - Hoofddorp : TNO Arbeid, 2000
      Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf

    6. De verzekeringsgeneeskundige weging bij moeheidsklachten - De invloed van een geaccepteerde klinische diagnose
      Scriptie van mevr. T. Wolters in het kader van de opleiding 'Sociale geneeskunde', tak 'Verzekeringsgeneeskunde' aan de Netherlands School of Public Health (NSPH) te Utrecht, maart 1999
      Inhoudsopgave
      Samenvatting
      Inleiding
      Literatuuronderzoek
      Sarcoidosis
      Chronisch vermoeidheidssyndroom
      Oordeelsvorming
      Hypothesen en vraagstelling
      Methode
      Resultaten enquete
      Spontane opmerkingen
      Beschouwing resultaten enquete
      Beschouwing spontane opmerkingen
      Discussie, conclusies en aanbeveling
      Literatuurlijst
      Bijlagen.
      Samenvatting
      Verzekeringsgeneeskundige weging is een van de moeilijkste onderdelen van het vak van de verzekeringsarts.
      Bij vage klachten en ziektebeelden wordt er veel verdeeldheid onder verzekeringsartsen geconstateerd.
      Dit geldt ook voor klachten in het kader van een overigens geaccepteerd klinisch beeld dat zich ogenschijnlijk in een rustig of niet-actief stadium bevindt.
      Het onderzoek in deze scriptie gaat over het verschil in de verzekeringsgeneeskundige weging bij vage klachten met en zonder een geaccepteerde klinische diagnose.
      Het eerste deel bestaat uit een literatuuronderzoek, waarin de stand van zaken betreffende het chronisch vermoeidheidssyndroom en sarcoidosis kort wordt samengevat en de hoofdklacht vermoeidheid in klinisch perspectief geplaatst wordt.
      Tevens wordt enige theorie omtrent verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming besproken.
      Vervolgens is er een fictieve casus opgesteld, die op twee manieren verder is uitgewerkt.
      In casus A betreft het een chronisch vermoeidheidssyndroom en in casus B moeheid bij een in het verleden aangetoonde sarcoidosis in rustig stadium, zonder aantoonbare ziekte activiteit.
      In beide gevallen wordt een verminderde belastbaarheid op psychiatrische en neurologische gronden uitgesloten door middel van een expertise, waarin tevens het cognitief functioneren is getest.
      Bij de casusbeschrijving wordt een enqueteformulier gevoegd, waarop een aantal vragen staan betreffende het bestaan van beperkingen en ongeschiktheid voor de functie, de restvaliditeit en het oordeel over het al dan niet bestaan van ziekte of gebrek.
      Op het formulier is ruimte gelaten voor spontane opmerkingen.
      Er zijn vier hypothesen geformuleerd, namelijk :
      - dat in geval van casus B vaker een volledige arbeidsongeschiktheid zal worden geadviseerd dan in casus A,
      - dat in casus B minder uren restvaliditeit en ernstiger beperkingen zullen worden aangegeven dan in casus A en
      -dat er in casus A vaker wordt uitgesproken dat er geen sprake is van rechtstreeks en objectief aantoonbaar gevolg van ziekte of gebrek.
      Een enquete is verricht aan de hand van een van beide casusbeschrijvingen, die samen met het bijbehorende enqueteformulier is toegestuurd aan 101 verzekeringsartsen.
      Deze waren gelijk verdeeld over casus A en B.
      In totaal werden 72 reacties ontvangen.
      Ten aanzien van het aantal gevallen waarin er een volledige arbeidsongeschiktheid wordt geadviseerd waren de resultaten tegen verwachting.
      Het lijkt erop dat er in geval van het chronisch vermoeidheidssyndroom vaker een volledige arbeidsongeschiktheid wordt geadviseerd, maar dit is statistisch gezien niet significant.
      Ten aanzien van de restvaliditeit in uren is er een gering verschil : in de sarcoidosisgroep wordt gemiddeld een iets groter aantal uren geadviseerd dan in de CVS-groep.
      Hoewel dit een resultaat tegen verwachting is, is er geen sprake van een statistische significantie.
      Dit geldt eveneens voor de ernst van de beperkingen.
      Ten aanzien van de laatste stelling wordt 'geen ziekte of gebrek' statistisch significant vaker uitgesproken in de CVS-groep.
      Dit is conform verwachting.
      Om de spontane opmerkingen in het perspectief van verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming te kunnen plaatsen is het proefschrift van Razenberg bestudeerd, dat aan de hand van een uitgebreid eigen onderzoek (casus van een belanghebbende met lage rugklachten) tracht te achterhalen hoe de verzekeringsarts denkt.
      Hieruit blijkt dat er weinig vuistregels zijn die een directe relatie leggen tussen onderzoeksbevindingen en het bepalen van de belastbaarheid.
      Onderzoek wordt vooral verricht uit zorgvuldigheid en ter bevordering van de rechtsgelijkheid.
      De verzekeringsgeneeskundige hanteert het belasting-belastbaarheidsmodel.
      De mate van gestructureerd zijn van de problematiek van belanghebbende en de expliciete kennis van het ziektebeeld samen bepalen wat voor strategie wordt gevolgd bij het oplossen van de vraagstelling.
      Bij een ongestructureerd probleem waarover weinig concrete kennis voorhanden is, wordt gekozen voor een zogenaamde speltheoretische probleembenadering, waarin rekening wordt gehouden met de reactie van de belanghebbende en wordt gezocht naar oorzaak-gevolg relaties.
      Een drietal elementen zijn hier uitgelicht en afgezet tegen de spontane opmerkingen op het enqueteformulier.
      Dit betreft gebruikmaking van het model belasting-belastbaarheid, het bestaan van systematische kennis over het ziektebeeld, en het doel van het verrichten van eigen onderzoek.
      Omtrent systematische kennis van de ziektebeelden wordt weinig teruggevonden in de spontane opmerkingen.
      Het doel van eigen onderzoek is vooral het bepalen van de lijdensdruk, testen van de realiteit van de klachten en beperkingen en het zoeken naar consistentie met de mening van anderen die bij belanghebbende betrokken zijn.
      Naast bovengenoemde elementen worden -alleen in casus A - veel spontane opmerkingen geplaatst over het hanteren van protocollen en richtlijnen.
      Al deze elementen zijn een bevestiging van de constatering van Razenberg dat in de onderhavige problematiek een speltheoretische benadering wordt gekozen.
      Concluderend kunnen uit de resultaten weinig statistisch significante conclusies worden getrokken.
      De getallen zijn daarvoor te klein.
      Het lijkt erop dat er vaker een volledige arbeidsongeschiktheid wordt geadviseerd in geval van het CVS.
      Er is wel een significant verschil in de advisering 'geen ziekte of gebrek'.
      Een aantal door Razenberg onderzochte items ten aanzien van verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming wordt teruggevonden in de spontane opmerkingen.
      Daarnaast wordt er in geval van het CVS vaak teruggevallen op richtlijnen en jurisprudentie.
      Speltheoretische elementen zijn in beide casus goed te herkennen.
      Om elementen die bij de weging een rol spelen kritischer te kunnen wegen wordt aanbevolen hierop gericht aanvullend onderzoek te verrichten.
      Inleiding
      In het vak verzekeringsgeneeskunde is de verzekeringsgeneeskundige afweging ťťn van de moeilijkste onderdelen van de beroepsuitoefening.
      De komst van de wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) op 1 augustus 1993 heeft het er niet bepaald gemakkelijker op gemaakt.
      De formulering van het arbeidsongeschiktheidscriterium lijkt op het eerste gezicht vrij duidelijk : 'arbeidsongeschikt is de persoon die als rechtstreeks en objectief gevolg van ziekten of gebreken zijn functie niet kan vervullen'.
      Toch is onder verzekeringsartsen over weinig zoveel discussie als juist hierover.
      Het verschijnen van de richtlijnen van het TICA omtrent het Medisch Arbeids Ongeschiktheids Criterium (het MAOC) is hiervan een illustratie.
      Toen bij mij het idee voor deze scriptie ontstond, was het MAOC overigens nog niet verspreid.
      'Objectief' blijkt in gesprekken met collega's een rekbaar begrip en de indruk bestaat dat er erg verschillend mee wordt omgegaan.
      Vooral wanneer het gaat om belanghebbenden met een ziektebeeld dat met de huidige stand van de wetenschap niet te bewijzen valt, zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom.
      Eťn van de concrete problemen waarmee ik tijdens de gevalsbehandeling verder mee word geconfronteerd, is de weging van de mate van arbeidsongeschiktheid bij belanghebbenden met bijvoorbeeld sarcoidosis of een ander geaccepteerd en duidelijk klinisch te beschrijven ziektebeeld en ernstige moeheidsklachten.
      Vooral wanneer wel de diagnose is gesteld, maar de ziekte zich in een rustig stadium bevindt, zonder aantoonbare activiteit, is de weging van de ondervonden beperkingen niet eenvoudig.
      Toch zou, met de wetgeving in het achterhoofd, de manier waarop de weging plaatsvindt duidelijk genoeg moeten zijn en leiden tot reproduceerbare resultaten.
      Dit bracht mij op de vraag wat de invloed is van een gestelde diagnose van een geaccepteerde ziekte zoals bovenbeschreven, op de weging van de aangegeven beperkingen.
      Er is voor het chronisch moeheidssyndroom gekozen, omdat dit in de dagelijkse praktijk veelvuldig voorkwam en nog steeds voorkomt.
      Voor sarcoidosis werd gekozen omdat de daarbij voorkomende klachten een grote overlap hebben met het chronisch moeheidssyndroom en er casuistiek met deze problematiek voorhanden was.
      Dit heeft in eerste instantie geleid tot literatuuronderzoek over beide boven beschreven entiteiten en over verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming.
      Daarna zijn hypothesen geformuleerd, hetgeen hieronder verder zal worden beschreven.
      Doel van het onderzoek is om meer inzicht te krijgen in de variatiebreedte van de verzekeringsgeneeskundige weging in beide bovenbeschreven gevallen en de daartoe leidende overwegingen.
      Literatuuronderzoek
      Begonnen is in 1995 met het opvragen van literatuur over sarcoidosis.
      Een uitdraai van Medline is via de afdeling documentatie van het USZO gemaakt over de jaren 1994 en 1995, met sarcoidosis als zoekwoord.
      Hieruit zijn aan de hand van de abstracts een aantal artikelen geselecteerd.
      Verder is via de bibliotheek van de NSPH gekeken wat er reeds in scriptievorm aanwezig was over de verzekeringsgeneeskundige weging bij vage ziektebeelden.
      Dat leverde een tweetal scripties op, namelijk over moeheid en over fibromyalgie.
      Tenslotte is literatuur opgevraagd over het chronisch vermoeidheidssyndroom.
      Gezocht is via Medline over het jaar 1996, aangezien er vanuit is gegaan dat daarmee de stand van zaken actueel genoeg zou zijn.
      Verder is door de documentaliste spontaan een aantal stuks literatuur verstrekt, waaronder het proefschrift van Swanink en de uitgave van de Myalgische Encephalomyeltis Stichting uit 1996.
      Een aantal artikelen waren reeds 'in mijn eigen bestand' aanwezig.
      Literatuur over verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming is gezocht en gevonden in de bibliotheek van de NSPH.
      Een samenvatting van de bestudeerde literatuur zal hieronder worden gegeven.
      Beide bestudeerde ziektebeelden hebben een aantal overeenkomsten, waarbij de moeheid en een diversiteit aan andere vage lichamelijke klachten kan bestaan.
      Omdat zowel de overeenkomsten als de verschillen veelvuldig zijn, is hier uitgebreid op beide beelden ingegaan.
      .../...
      Discussie, conclusies en aanbeveling
      Bij het uitwerken van de resultaten van de verrichte enquete is gebleken dat er over het algemeen tegen de verwachting in lijkt te worden geadviseerd.
      Er wordt vaker een volledige arbeidsongeschiktheid geadviseerd in casus A (moeheid bij chronisch vermoeidheidssyndroom) dan in casus B (moeheid bij aangetoonde sarcoidosis).
      Er wordt een geringere belastbaarheid geadviseerd in casus A dan in casus B, zowel in aantal uren als in ernst van de beperkingen.
      Bovendien lijkt er meer overeenstemming te zijn in de adviezen ten aanzien van casus B dan in casus A.
      Wel is er een statistisch hoger percentage 'geen ziekte of gebrek' in de casus met het vermoeidheidssyndroom.
      Hierbij moet overigens worden aangetekend, dat de aantallen waarom het gaat klein zijn en de statistische relevantie zoals vermeld zeer beperkt is.
      Dat neemt niet weg dat de resultaten bijna allemaal tegen de verwachting in zijn.
      Een aantal elementen zouden daarbij een rol kunnen spelen :
      Element 1 - De belanghebbende die zich met een chronisch vermoeidheidssyndroom presenteert op het spreekuur doet over het algemeen een indrukwekkend verhaal met beperkingen, waarvoor (nog) geen eenduidige verklaring is gevonden.
      Een veelheid van al dan niet alternatieve hulpverleners wordt geconsulteerd, die meestal niet veel succes hebben met hun behandeling.
      Mogelijk ontstaat hierbij al dan niet bewust bij de verzekeringsarts de overtuiging 'dat er dan toch wel iets aan de hand zal zijn', hoewel er geen duidelijke afwijkingen worden gevonden.
      De worsteling tussen afgaan op de door betrokkene vermelde belastbaarheid en het bestaan van objectief aantoonbare beperkingen wordt fraai geillustreerd door een advisering 'geen ziekte of gebrek', terwijl tegelijkertijd geen restvaliditeit aanwezig wordt geacht.
      Element 2 - Er wordt veelvuldig verwezen naar al dan niet fout of tegengesteld geinterpreteerde richtlijnen en jurisprudentie.
      Kennelijk is alle verzamelde informatie moeilijk eenduidig te interpreteren, zodat men teruggrijpt naar regelgeving.
      Dit gebeurt echter alleen in casus A.
      In casus B wordt sneller overgegaan tot het accepteren van de beperkingen als objectiveerbaar, aangezien er een klinisch geaccepteerd ziektebeeld aanwezig is (geweest).
      Element 3 - Het patientenplatform van de CVS patienten is zeer strijdbaar en mondig en oefent veel druk uit op onder andere de politiek.
      Dit om tot sen zekere erkenning van het ziektebeeld en de vaak als ernstig ervaren beperkingen te komen.
      Bezwaarschriften en klachtenbrieven van patienten van wie de claim is afgewezen laten vaak een uitgebreide documentatie en grote strijdvaardigheid zien.
      Of de verzekeringsarts deze confrontatie (onbewust) uit de weg gaat is niet duidelijk.
      Of er wat dat betreft sen verschil in advisering bestaat tussen verzekeringsartssn die wel en verzekeringsartsen die niet hun eigen bezwaarschriften behandelen is niet onderzocht.
      Element 4 - Gevoelsmatig is mogelijk de claim die uitgaat van een belanghebbende met een klinisch geaccepteerd ziektebeeld geringer dan de die van een belanghebbende die weliswaar een door de WHO als ziekte geduide diagnose hebben, maar die al van te voren weten dat de claimbeoordeling mogelijk niet zonder haken en ogen is.
      Dat zou kunnen verklaren waarom er in casus B sen grotere restvaliditeit wordt geadviseerd dan in casus A.
      De geplaatste spontane opmerkingen, zowel in geval van casus A als casus B kunnen grotendeels worden gezien in het licht van sen speltheoretische benadering.
      Er is weinig tot niets bekend over de directe relatie tussen de gepresenteerde klacht en de belastbaarheid.
      Veel van de gevraagde aanvullende informatie staat dan ook in het licht van onzekerheidsreductie (zoeken naar consistentie met de mening van anderen, zoeken naar objectieve gegevens) en anticiperen op de reactie van de belanghebbende (verwijzing naar protocollen en standaarden, alsmede jurisprudentie).
      Het enige min of meer als objectief te beschouwen gegeven, het dagverhaal, blijkt dan ook nog in een eerder onderzoek waarschijnlijk geen goede maat te zijn voor de belastbaarheid.
      In deze scriptie is alleen sen analyse gemaakt van de spontaan geplaatst opmerkingen op de antwoordformulieren.
      Om meer inzicht te krijgen in de elementen die voor de diverse vsrzekeringsartsen een rol spelen in de beoordeling, zou een vervolgonderzoek kunnen worden gedaan aan de hand van een casus.
      Hierin zouden de diverse elementen apart kunnen worden gescoord op een puntenschaal, dan wel gerangschikt naar hun relatieve gewicht bij de beoordeling.
      Dit zou een onderwerp voor een andere scriptie kunnen worden.
      .../...
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6351&printlink=true&highlight=bd

    7. De checklist Individual Strength (CIS)
      Vercoulen HMM, Alberts M, Bleijenberg G - Gedragstherapie 1999; 32: 131Ė136
      Bij chronisch vermoeidheidssyndroom is de meeste ervaring opgedaan met de Checklist Individuele Spankracht.
      Met behulp hiervan kunnen vier factoren onderscheiden worden :
      (1) ernst van de ervaren vermoeidheid,
      (2) concentratie,
      (3) motivatie en
      (4) lichamelijke activiteit.
      Hoge scores duiden op problemen in die factor.
      De schaal heeft een goede interne betrouwbaarheid (alpha =.90) en discriminerende validiteit.
      De test-hertestbetrouwbaarheid is .86.
      Van de CIS bestaan uitgebreide normgegevens van verschillende groepen gezonde personen en patiŽnten, waaronder CVS patiŽnten (Vercoulen et al, 1999).
      CVS-patiŽnten scoren op alle subschalen significant hoger dan patiŽnten met functionele buikklachten en gezonde personen.
      De patiŽnten met functionele buikklachten hebben ook statistisch significant hogere scores dan gezonde personen hetgeen het non-specifieke karakter van moeheid onderstreept (Vercoulen et al., 1994).
      Een score van tenminste 35 op de factor 'Ernst van de ervaren vermoeidheid' wordt opgevat als een indicatie voor ernstige vermoeidheid.
      Cfr. :
      - http://www.lo-bsw.ugent.be/VVGP/ficheCIS.pdf
      - http://www.psychischenwerk.nl/pw/subarticle.php?id=133&aid=2382
      - http://www.umcn.nl/scientist/

    8. Het meten van de algemene gezondheidstoestand met de RAND-36 - Een handleiding
      Karen I. van der Zee, Robbert Sanderman, Groningen : Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken, 1993 : F.L.P.van.Sonderen@med.rug.nl - ISBN 90 72156 60 9
      De RAND-36 is ontstaan vanuit de toenemende behoefte aan meetinstrumenten om de algemene gezondheidstoestand vast te leggen.
      Dit recent ontwikkelde instrument bevat schalen voor fysiek functioneren, sociaal functioneren, rolbeperkingen door fysieke of emotionele problemen, mentale gezondheid, energie, pijn en algemene gezondheidsbeleving.
      Deze uitgave geeft een overzicht van de eerste psychometrische bevindingen.
      Cfr. :
      - http://www.marijbar.nl/meten-algemene-gezondheidstoestand-met-rand-36-handleiding
      - http://www.rug.nl/gradschoolshare/research_tools/assessment_tools/RAND-36_handleiding.pdf

    9. Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen over ME/CVS - Visie en praktijk
      Birgitte M. Blatter, Ruurt van den Berg, Dick van Putten, TNO Kwaliteit van Leven in Hoofddorp : b.blatter@arbeid.tno.nl - - Tijdschr Bedrijfs Verzekeringsgeneeskd 2005; geaccepteerd
      Het doel van het onderzoek was de visies en het handelen van bedrijfs- en verzekeringsartsen te
      inventariseren en met elkaar te vergelijken, ten aanzien van patiŽnten met myalgische encephalomyelitis / chronisch vermoeidheidssyndroom (ME/CVS).
      De onderzoeksgroep bestond uit 110 bedrijfsartsen en 111 verzekeringsartsen.
      De gegevens werden via vragenlijsten verzameld.
      De belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn dat het merendeel van de artsen vindt dat bij ME/CVS sprake is van ziekte of gebrek en dat de helft bij deze patiŽnten de diagnosecode N690 hanteert.
      Mogelijke oorzaken worden vooral gezocht in stoornissen in energiehuishouding (vaker door de bedrijfsartsen) en Ďde psychische hoekí (vaker door de verzekeringsartsen).
      Behandelingen of begeleidingsrichtingen waar de artsen dan ook het meest in zien, zijn activeren van de patiŽnten (vooral bedrijfsartsen) en psychologische of cognitieve gedragstherapie (vooral verzekeringsartsen).
      Een meerderheid van de bedrijfsartsen heeft behoefte aan een richtlijn voor sociaal-medische begeleiding van patiŽnten met ME/CVS; (onofficiŽle) richtlijnen worden op dit moment sporadisch gebruikt.
      Verzekeringsartsen hebben relatief minder behoefte aan een beoordelingsrichtlijn.
      Cfr. :
      - mijn blog Ė www.jules.be - dd. 03/10/05
      - http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/cvs-visie-en-praktijk.pdf

    10. De A&O Psycholoog op het snijvlak van Individu en Organisatie - Profilering bij verzuimvraagstukken
      S. Rethmeier i.o.v. sector Arbeid & Organisatie van het NIP, 2005
      Over de diverse rollen en de meerwaarde van de A&O-psycholoog bij verzuim door psychische klachten.
      Inclusief actieplan voor profilering van deze psycholoog.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_rethmeier.pdf

    11. De kwaliteit van leven (RAND-36) in twee Nederlandse populaties
      Edlinger M, Hoeymans N, Tijhuis M et al. - TSG 1998; 76: 211Ė219
      Short form Health Survey :
      - SF-36 : ďVragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. Het instrument bestaat uit 8 dimensies : fysiek functioneren, rolbeperkingen door fysieke gezondheidsproblemen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, vitaliteit, sociaal functioneren, rolbeperkingen door emotionele problemen en geestelijke gezondheid. Deze 8 dimensies kunnen bovendien gesommeerd worden in een lichamelijke en een psychische hoofddimensieĒ.
      - SF-24 : ďVariant van de SF 20 en SF-36 (zie aldaar), een vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. De SF-24 bestaat uit 7 dimensies : fysiek functioneren, rolbeperkingen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, vitaliteit, sociaal functioneren en geestelijke gezondheidĒ.
      - SF-20 - ďVariant van de SF-36 en SF24 (zie aldaar), een vragenlijst voor het meten van kwaliteit van leven. De SF-20 bestaat uit 6 dimensies : fysiek functioneren, rolbeperkingen, pijn, algemene gezondheidsbeleving, sociaal functioneren en geestelijke gezondheidĒ.
      Cfr. :
      - http://www.lo-bsw.ugent.be/VVGP/structuurfiche_sf36.pdf
      - http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o2379n16912.html

    12. De toekomst van de A&G psychologie is positief !
      Wilmar Schaufeli, Universiteit Utrecht - A&G, december 2007
      Traditioneel benadrukt de A&G psychologie de problematische kant van het functioneren van mensen in organisaties.
      In feite ontleent deze tak van de psychologie daaraan tot op heden zelfs haar legitimiteit.
      De vraag die in deze lezing centraal staat is of dat in de toekomst ook het geval zou dienen te zijn.
      Er zal worden beargumenteerd dat de toekomst van de A&G psychologie ligt in het bestuderen en bevorderen van gezondheid en welbevinden in plaats van in het behandeling en voorkomen van ongezondheid en onwelbevinden.
      Het traditionele verhaal dat stress op het werk almaar toeneemt wordt gelogenstraft door de feiten.
      Uit cijfers uit Nederland, de EU en de VS blijkt dat er sprake is van een stabilisatie en zelfs een lichte verbetering.
      Anderzijds komt uit deze cijfers naar voren dat het met de overgrote meerderheid van de werknemers goed gaat.
      In plaats van zich uitsluitend en alleen te richten op de kleine groep probleemgevallen zou de A&G psychologie meer aandacht voor de grote groep werknemers moeten hebben waarmee het weliswaar goed gaat, maar waarbij het volledige potentieel wellicht niet wordt benut.
      Uit een korte beschouwing over de recente ontwikkelingen in organisaties, in de zorg en in de wetenschap blijkt dat deze allemaal in dezelfde richting gaan en wijzen op het toenemende belang van Ďpositieveí gezondheid.
      Dat wil zeggen dat het traditionele denken in termen van afwezigheid van ziekte of klachten plaatsmaakt voor de opvatting dat gezondheid van werknemers vooral te maken heeft met optimaal functioneren op het werk.
      De toekomst van de A&G psychologie is positief omdat deze ligt in het bestuderen en bevorderen van optimaal functioneren van mensen in organisaties.
      - Download presentatie (ppt) -
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_schaufeli_tekst.pdf

    13. Uitgeteld - Cijfers omtrent de gezondheidsbeleving, sociale situatie en hulpbehoefte van donateurs van de Myalgische Encephalomyelitis - Een inventarisatie van de wenselijkheid van een hulpnetwerk voor ME-patienten
      Dr. Gerda de Bruijn - Stichting in de regio Amsterdam. Amsterdam, 1994
      .../...
      Conclusie
      De belangrijkste conclusie uit dit onderzoek is dat onder de in en rondom Amsterdam wonende ME-patienten die lid zijn van de patientenorganisatie behoefte bestaat aan vooral praktische en in mindere mate aan emotionele ondersteuning en dat de meerderheid van de respondenten van de diensten van een vrijwilligersnetwerk gebruik zou willen maken.
      Het lijkt wenselijk te proberen een dergelijk hulpnetwerk te ontwikkelen.
      Deze conclusie kan niet landelijk gegeneraliseerd worden : de behoefte aan hulp blijkt vooral te bestaan bij mensen die geen partner hebben en in Amsterdam zijn relatief veel alleenwonenden.
      Wel is het aannemelijk dat de conclusie eveneens geldigheid heeft voor de andere grote steden en in het bijzonder voor die steden waar ook de thuiszorgorganisaties kampen met een gebrek aan menskracht.
      Zoals uit onderzoek onder andere patienten-groeperingen al bekend was blijkt ook hier bij de ME-patienten dat vooral alleenwonenden en vrouwen mantelzorg ontberen.
      In het laatste, 7e hoofdstuk worden enkele gedachten ontwikkeld over hoe de ontwikkeling van een dergelijk netwerk gestalte zou kunnen gaan krijgen.
      Naast deze belangrijkste conclusie dat een hulpnetwerk voor ME-patienten in en rondom Amsterdam wenselijk is zijn er nog enkele aanbevelingen voor nader onderzoek :
      - een vergelijkbaar onderzoek nogmaals uit te voeren in enkele minder verstedelijkte gebieden buiten de Randstad zodat ingeschat kan worden of een landelijke uitbouw van het hulpnetwerk wenselijk is;
      - bij toekomstig onderzoek onder ME-patienten meer aandacht te geven aan de mogelijke sociale gevolgen van de ziekte, in het bijzonder met betrekking tot het sociaal gelsoleerd raken, tot de partnerrelatie en de kinderwens van de betrokkenen, hun werksituatie en de financiele gevolgen van deze nog niet '
      medisch objectiveerbare' ziekte;
      -
      bij toekomstig onderzoek onder ME-patienten aandacht te geven aan de mogelijkheid dat het gebrek aan steun dat vrouwen ondervinden een van de oorzaken kan zijn van het feit dat ME bij vrouwen vaker een chronische vorm lijkt aan te nemen dan bij mannen;
      - op korte termijn aandacht te geven aan de mogelijkheid dat het bestrijden van het probleem van de wachtlijsten bij de gezinsverzorging negatieve gevolgen heeft voor de mate waarin hulpbehoevenden (onder wie ME-patienten) nog thuiszorg krijgen.
      Cfr. : https://listserv.surfnet.nl/scripts/WA.EXE?A2=ind9812c&L=me-net&P=3628
      Cfr. ook :
      'Wie helpt mij nu ik te moe ben ?' op : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=728&printlink=true&highlight=gezondheidsbeleving


    Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf


    Lees verder : Deel IX

    25-11-2009 om 21:48 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
    Klik op de afbeelding om de link te volgen



     
     
     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel IX

    Cfr. ook :

    Nederlandstalig

    1. Verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming - Inzicht in de praktijk
      Razenberg P.P.A. - Proefschrift 1992
      Cfr. : http://search.ugent.be/meercat/x/all-view?q=%22Expert+Testimony.%22&start=7&filter=&sort=&rec=rug01:000268801
      Cfr. ook : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6351&printlink=true&highlight=verzekeringsgeneeskundige

    2. 21/2 jaar na het eerste ziektejaar - Werken met WAO-uitkering ? 12-maandszieken over hun arbeidsongeschiktheid, herbeoordeling en reÔntegratie
      Hento I, Doorn M van, Deursen C van Ė Leiden : Astri, 2003
      Cfr. : http://www.worldcat.org/oclc/66770024&referer=brief_results

    3. Aanpak verzuim om psychische redenen (leidraad)
      Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid, november 2001
      Het verzuim om psychische redenen heeft een grote omvang, terwijl herstel en reÔntegratie bij een betere aanpak in de overgrote meerderheid van de gevallen mogelijk is.
      De huidige aanpak van verzuim om psychische redenen komt veelal neer op goed bedoelde verwaarlozing; men laat de zaak rusten omdat men de klacht serieus wil nemen, maar niet weet hoe er mee om te gaan.
      Er is kennelijk in het krachtenveld van werknemer, werkgever, arbozorg en gezondheidszorg geen mogelijkheid van zelfsturing van waaruit de optimale structuur voor herstel en reÔntegratie vanzelfsprekend ontstaat.
      Toch is er een groeiende Ďschatí aan ervaring en Ďbest practicesí bij zowel bedrijven als ondersteunende professionals.
      Voor alles is betrokkenheid en inzet van de direct betrokken werkgever en werknemer nodig.
      Zij zijn verantwoordelijk voor het eindresultaat.
      Deskundige hulp is nodig, maar werkgever en werknemer zijn verantwoordelijk voor herstel en reÔntegratie.
      Blijft dat uit dan is dat tot schade van het bedrijf, dat met toenemende (financiŽle) lasten wordt geconfronteerd; tot schade van de betrokken werknemers, die afgeschreven worden terwijl een geringe investering nieuwe perspectieven schept; en tot schade tenslotte van de samenleving als geheel.
      Deze leidraad maakt verzuim om psychische redenen (zie bijlage voor een nadere begripsbepaling) voor zowel werknemer als werkgever hanteerbaar.
      Niet primair omdat verzuim een bedrijfsprobleem is, maar omdat verzuim om psychische redenen bij een niet goede aanpak door werkgever en werknemer na een periode van inertie kan leiden tot een Ďglijbaaní naar arbeidsongeschiktheid.
      En dat komt er maar al te vaak op neer dat mensen met al hun mogelijkheden worden afgeschreven vanwege tekortkomingen die met aandacht, zorg en enige stimulans verholpen (hadden) kunnen worden.
      Psychische klachten en problemen moeten serieus genomen worden; gegeven alle maatschappelijke veranderingen, de toenemende functie van arbeid als zingever, maar ook de toenemende onzekerheid met betrekking tot werk en de steeds grotere psychomentale belasting in bijna alle vormen van werk zal de problematiek eerder meer dan minder worden.
      Het succes van de leidraad berust op de bereidheid van werkgever en werknemer om zich naar de leidraad te gaan gedragen.
      De leidraad is in die zin vrijwillig.
      Motor achter de leidraad is dat werkgever en werknemer elkaar over en weer aanspreken op acties die gedaan moeten worden om tot herstel van klachten en werkhervatting te komen.
      Bij geschillen over de aanpak is er een geschillenprocedure.
      In die zin is het gebruik van de leidraad zelfregulerend.
      In het kader van de toepassing van de WAO zal de uitvoeringsinstelling (Uvi)/UWV onder andere toetsen of de leidraad in voldoende mate is gevolgd en uitgevoerd.
      Indien dit niet het geval is en de motieven voor een andere aanpak onderbouwen het afwijken van de leidraad onvoldoende dan dient dit gevolgen te hebben voor de werkgever en/of de werknemer.
      De leidraad richt zich op de aanpak van verzuim als het eenmaal is ontstaan.
      Het voorkomen van het verzuim is uiteraard doelmatiger.
      Op langere termijn zullen gezondheidsklachten, verzuim en arbeidsongeschiktheid primair langs die weg teruggedrongen moeten worden.
      Een goed preventief beleid draagt daardoor bij aan een betere productie en dienstverlening.
      De mogelijkheden en het effect van dergelijke preventie hangt in belangrijke mate af van de bedrijfscultuur.
      In de leidraad worden verbanden gelegd naar een meer structurele en preventieve aanpak van de psychische problematiek. In een later stadium zal de preventieve aanpak door de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid nog verder worden uitgewerkt.
      De leidraad voor verzuim berust op de groeiende ervaring en inzichten van werknemers, werkgevers, patiŽnten en deskundigheid van de verschillende betrokken beroepsgroepen.
      Maar daarmee is het geen geopenbaarde waarheid noch een feilloze garantie voor succes.
      Bepalend is het resultaat: werkhervatting en herstel.
      De leidraad beschrijft slechts stappen die naar huidig inzicht tot dat resultaat kunnen leiden.
      Maar als de ervaring en praktijk tot hetzelfde of een beter resultaat leiden, laat dan de leidraad geen excuus zijn om die te verlaten; aan de vruchten kent men de juiste aanpak, niet aan de regels.
      Cfr. : http://www.arbeidsdeskundigen.nl/downloads/download.php?file=aanpak%2520verzuim%2520om%2520psychische%2520redenen.pdf

    4. Aanpak werkdrukbeleving in de praktijk ! - Bijeenkomst NIP-sectie Arbeid & Gezondheid - Theorie en praktijk van Arbeid en Gezondheid
      Nannette Schenk, Zorggroep Laak & Eemhoven, 7 december 2007
      Informatie over doorbraakproject 'Op (leef)tijd inzetbaar !' dat ingezet is vanuit het ervaren van werkdruk in de avond- en nachtdiensten.
      Uit onderzoek kwam naar voren dat niet de leeftijd bepalend is voor de beleving, maar de functieduur, het soort werk en de werk- en leefstijl.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=122&topmenuid=4

    5. AGREE Instrument voor beoordeling van richtlijnen
      AGREE Collaboration, september 2001
      Cfr. :
      - http://www.agreetrust.org/docs/AGREE_Instrument_Translations/AGREE_Instrument_Dutch.
      pdf

      -
      http://www.ghip.nl/ghip/_files/agree%20instrument-handboek/agree%20instrument%20handboek/agree_instrument_handboek.doc.
      - http://www.ghip.nl/ghip/_files/implementatie,%20grol,%20richtlijnen/implementatie_kennis_in_praktijk__richtlijnen.pdf

    6. All day and all of the night - The relative contribution of two dimensions of workaholism to well-being in self-employed workers
      T.W. Taris, S.A.E. Geurts, W.B. Schaufeli, R.W.B. Blonk, S.E. Lagerveld, 2008
      Workaholics zijn mensen die alles voor hun werk opzij zetten.
      Een Nederlands onderzoek onder een kleine vijfhonderd zelfstandige ondernemers brengt de gevolgen van workaholism in kaart.
      Het harde werken zorgt voor stress en gaat daarmee vaak gepaard met lichamelijke en geestelijke klachten.
      De klachten worden met name veroorzaakt door de psychologische component van workaholism e: het niet kunnen loslaten.
      De gedragscomponent (aantal uren) heeft minder effect.
      Cfr. : http://www.informaworld.com/smpp/content~content=a794672673~db=all

    7. Arbeidsongeschiktheid en Chronisch Vermoeidheidssyndroom Ė Informatiemiddag
      ArboPortaal, 26-09-2008
      De Steungroep Myalgische Encephalitis of Chronisch Vermoeidheidssyndroom en Arbeidsongeschiktheid organiseert op 30 september 2008 in Hengelo een informatiemiddag over de arbeidsongeschiktheidskeuring en het nieuwe keuringsprotocol van het Chronische Vermoeidheidssyndroom en Myalgische Encephalomyelitis.
      Deze bijeenkomst is in de eerste plaats bestemd voor de betreffende patiŽnten en hun juridische, medische en maatschappelijke hulpverleners.
      Ook voor anderen die vergelijkbare problemen met keuringen hebben, zoals bijvoorbeeld mensen met fibromyalgie, kan de bijeenkomst interessant zijn.
      Sprekers : Gemma de Meijer en Ynske Jansen
      Op deze bijeenkomst zal Gemma de Meijer vertellen over de voetangels en klemmen bij een arbeidsongeschiktheidskeuring en de manier waarop iemand zich daar zo goed mogelijk op kan voorbereiden.
      Ynske Jansen geeft uitleg over het Verzekeringsgeneeskundig Protocol ME/CVS en de manier waarop ME/CVS-patiŽnten dat bij de keuring kunnen gebruiken.
      Ook zal zij aandacht besteden aan de ervaringen die inmiddels in de praktijk met het protocol zijn opgedaan.
      Er is ruime gelegenheid voor het stellen van vragen.
      Bijeenkomst op 30 september in Hengelo
      De bijeenkomst vindt plaats op dinsdag 30 september 2008 in het Tuindorphotel ít Lansink aan de CT Storkstraat 18 in Hengelo (Overijssel).
      Vanaf 13.00 uur is men welkom.
      Het programma start om 13.30 uur en zal top ca. 16.30 duren.
      Informatie
      Nadereinformatie over deelname en kosten zijn verkrijgbaar via de Steungroep ME via e-mail : info@steungroep.nl - of telefonisch op nummer 050 549 29 06.
      Cfr. : http://www.arboportaal.nl/nieuws/informatiemiddag-arbeidsongeschiktheidskeuring-en

    8. Arbocuratieve samenwerking - Verslag van drie regionale projecten
      Bakker RH, Krol B, van der Gulden JWJ et al. - TSG 2003;81:265-73
      Cfr. : http://share.eldoc.ub.rug.nl/root2/2003/Arbosavev/

    9. Arbokennisproducten onder de AGREE-loep Ė Een onderzoek naar de bruikbaarheid van een beoordelingsinstrument voor arbokennisproducten
      Opdrachtgever : Prof.dr. F.J.H.van Dijk, Coronel Instituut Ė Opdrachtnemer : Kwaliteitsbureau NVAB - Uitvoering : Drs. J.A.H.J. Hoenen, Bureau Beter - Inhoudelijke begeleiding : Dr. C.T.J.Hulshof, NVAB - Projectleiding : Dr. C. van Vliet, directeur NVAB Ė Eindrapport, september 2005
      Als kennis beschikbaar is over de effectiviteit van het handelen van arboprofessionals, is toepassing daarvan in de dagelijkse praktijk geen vanzelfsprekendheid. Voor het verspreiden van kennis worden diverse soorten kennisproducten gebruikt.
      Los van de inhoudelijke kwaliteit, opbouw, omvang of herkomst van die kennisproducten, is de systematische implementatie in veel arbodiensten en aan-grenzende praktijken een probleem.
      Beschikbare kennis stroomt onvoldoende door, zowel binnen beroepsgroepen als tussen beroepsgroepen.
      In de arbowereld worden tal van wegen bewandeld om het kwaliteitspeil van de zorg te verbeteren en op peil te houden : scholing, richtlijnen, protocollen, werkvoorschriften, audits, intervisie, onderlinge toetsing, refereerbijeenkomsten en het gebruik van performance indicatoren.
      Elk van deze methodieken levert weliswaar een bijdrage aan het kwaliteits-systeem, maar welke weg of combinatie van wegen daarbij het beste bewandeld kan worden lijkt meer een zaak van persoonlijke voorkeur of geschiedenis dan van overwegingen van effectiviteit.
      Het is voor veel arboprofessionals op dit moment niet duidelijk hoe bijvoorbeeld NVAB-Richtlijnen, Leidraden, STECR-Werkwijzers, interne werkvoorschriften of PAGO-Protocollen zich tot elkaar verhouden en welke waarde aan de verschillende aanbevelingen toegekend mag worden.
      Om de inhoudelijke waarde van deze documenten te kunnen vergelijken is het van belang dat criteria ontwikkeld en bediscussieerd worden om tot een gefundeerd kwaliteitsoordeel te kunnen komen.
      De NVAB vindt dit van belang en wil daaraan graag een bijdrage leveren.
      In het kader van het ĎProgramma ter versterking van de kennis- onderzoeksinfrastructuur van arbo-dienstení (KIS) van het Coronel Instituut (AMC) is derhalve door het Kwaliteitsbureau NVAB een onderzoek uitgevoerd ter bevordering van de implementatie van hoogwaardige informatie en kennis in de praktijk van arbodiensten.
      Dit rapport doet verslag van dit onderzoek.
      Het doel van het onderzoek was arboprofessionals te helpen bij het beoordelen van de waarde van de diverse richtlijnen en kennisproducten (samen Ďarbokennisproductení genoemd).
      Wat zijn belangrijke en beoordeelbare criteria waar een goed arbokennisproduct aan moet voldoen ?
      Is het mogelijk om tot overeenstemming te komen over die criteria ?
      Op welke manier kunnen wetenschappelijke kwaliteit en praktijkgerichtheid tegen elkaar afgewogen worden ?
      Voor deze en andere vragen is in dit onderzoek nagegaan of en hoe arboprofessionals een aantal aspecten van kwaliteit kunnen beoordelen van arbokennisproducten waar zij in de praktijk mee te maken hebben.
      Er is onderzocht of kwaliteitsverschillen tussen diverse arbokennisproducten zinvol zichtbaar te zijn maken met behulp van het internationaal gevalideerde AGREE-instrument voor richtlijnen (Appraisal of Guidelines for Research and Evaluation).
      Een aantal arbokennisproducten zijn beoordeeld door sleutelpersonen uit het arboveld.
      Hiermee is tegelijkertijd ook een indruk verkregen van een draagvlak voor criteria voor arbokennisproducten en is de bruikbaarheid van deze criteria getest.
      De sleutelpersonen waren afkomstig uit kringen van NVAB, Kennisinstituten en arbodiensten.
      Met medewerking van STECR hebben ook vele STECR stafleden en leden van STECR kenniskringen actief in het onderzoek geparticipeerd.
      Het AGREE-instrument kan voor de beoordeling van de inhoudelijke waarde van arbokennisproducten een markeringspunt vormen in de toekomstige discussie over dit onderwerp.
      Over de waarde en interpretatie van de hier getoonde resultaten is uiteraard discussie mogelijk.
      Ik nodig hierbij dan ook alle betrokkenen en betrokken instanties uit dat te doen.
      Als dit rapport mede een aanzet is tot die discussie, kan dit project in ieder geval als geslaagd beschouwd worden.
      Tot slot wil ik graag alle beoordelaars van harte bedanken voor hun grote inzet en hun waardevolle tijd die zij in dit project gestoken hebben.
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R1604031342821039

    10. Aspecifieke lage-rugklachten - Bestaande Nederlandse en buitenlandse richtlijnen vergeleken
      Tuut MK, Tulder MW van, Everdingen JJE van, Sanders R, Assendelft WJJ - Medisch Contact 2002;57(26/27):1016-9
      Cfr. :
      -
      http://www.spinejournal.com/pt/re/spine/abstract.00007632-200410150-00021.htm;jsessionid=LZXVqs0yyfgGb9nTLGT5jZrRhyGkG0vC6drwGNdGQLnq2k2h
      LnK2!-1521892404!181195629!8091!-1

      -
      https://www.cebp.nl/media/m1137.pdf
      -
      http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R181383266122354

    11. Attributies en chronische vermoeidheid (Attributions and chronic fatigue)
      Bleijenberg G - Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1510-2
      Cfr. : http://repository.ubn.ru.nl/bitstream/2066/25336/1/25336___.PDF

    12. BBB-richtlijnen - Verrijking of verstarring
      David Bruinvels, Kenniscentrum - Bijeenkomst Kring Bedrijfsartsen Amsterdam e.o.
      .../...
      Geplande VG-protocollen :
      - Aspecifieke lage rugpijn : http://home.kpnplanet.nl/~wrvandenbroek@kpnplanet.nl/doc/protocollen30nov05.pdf
      - Hartinfarct : http://home.kpnplanet.nl/~wrvandenbroek@kpnplanet.nl/doc/protocollen30nov05.pdf
      - Overspanning : http://wia-wao.nl/doc/dep.pdf
      - Depressie : http://wia-wao.nl/doc/dep.pdf
      - Angststoornissen : http://wia-wao.nl/doc/abb.pdf
      - Whiplash
      - Chronisch vermoeidheidssyndroom : http://wia-wao.nl/doc/cvs.pdf
      - Borstkanker : http://wia-wao.nl/doc/abb.pdf
      - Lumbosacraal radiculair syndroom : http://wia-wao.nl/doc/cvs.pdf
      - Cerebrovasculaire aandoeningen : http://wia-wao.nl/doc/abb.pdf
      Cfr. ook : 'Protocollen ondersteunen beoordeling arbeidsongeschiktheid' op : http://www.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_1_TICH_R1906525
      40757429//

      .../...
      Commentaar NVAB :
      - Terecht geheel gericht op VG-beoordeling
      - Niet veel harde criteria voor beoordeling
      - Weinig concrete sturing voor VG
      - Voor VG of polisvoorwaarde verzekering ?
      - Het doel van het protocol is niet omschreven
      - Vrijblijvend ťn door minister vastgelegd ?
      - EBM van prognostische factoren is wenselijk.
      .../...
      Cfr. : http://www.emgo.nl/Presentations/Kringbijeenkomst%202006-06-19%20web.pdf

    13. Bedrijfsartsen verruimen horizon - Positioneringsnota verlegt grenzen vak
      Pieter Rodenburg, Voorzitter NVAB Ė Arbo visie nr.6, 2007
      De nieuwe bedrijfsarts is eerstelijnshulpverlener en adviseur op het gebied van arbeid en gezondheid.
      Hij is er niet alleen voor werknemers en werkgevers, maar voor alle (aspirant)werkenden.
      Dat is kort gezegd de kern van de recente positioneringsnota van de beroepsvereniging van bedrijfsgeneeskundigen.
      Welke rol wensen de bedrijfsartsen te spelen en waarom ?
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R194491605552273

    14. Bedrijfsgeneeskundige Dagen 2008 - 'Van denken naar doen'
      29 en 30 mei 2008
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_340_TICH_R24588120176692
      9//

    15. Behandeling van het chronisch-vermoeidheidssyndroom in de huisartsenpraktijk
      Van Duppen D, Neirinckx J, Seuntjens L - Huisarts & Wetenschap 2003;46:259-62
      Cfr. : http://www.stresslabo.be/infovoorhuisartsen/chronischvermoeidheidsyndroom/index.html

    16. Behoud het goede
      Burgers JS, van Barneveld TA, van Everdingen JJE - Medisch Contact 2004;59(42):1634-7
      Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/content/dossiers/1158432241/143345841/AMGATE_6059
      _138_TICH_R139149259913505/?PHPSESSID=48b7ccc2acaf1cb63dcae3bfe5f995b1

    17. Beleidsregels beoordelingskader poortwachter - Besluit, toelichting en bijlage met kader voor de beoordeling van reÔntegratie-inspanningen
      Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), Amsterdam, 2002
      Cfr. : http://www.st-ab.nl/wetwaoor2bbp.htm

    18. Beleidssuggesties bij ĎDe bedrijfsarts als extra voorziening in de georganiseerde eerste lijní
      NVAB : De bedrijfsarts als extra voorziening in de georganiseerde eerste lijn
      - Publicatie : Nr. 22 - 1 juni 2007, Rubriek : Federatienieuws Ė Bron(nen) : 970

      In de loop van 2005 ontstonden op verschillende plaatsen in het land initiatieven waarbij een bedrijfsarts als extra voorziening werkzaam was in een eerstelijnssetting.
      Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) verzocht het Kwaliteitsbureau NVAB om deze pilots te onderzoeken op proces en uitkomst.
      In 2006 is daarom een onderzoek verricht naar proces en uitkomst van zeven projecten.
      De zeven pilots vonden plaats in :
      Eindhoven - In een gezondheidscentrum werkte een bedrijfsarts van Achmea Arbo en in een huisartspraktijk een bedrijfsarts van ArboNed.
      Den Haag - In een gezondheidscentrum werkte een zelfstandige bedrijfsarts.
      Groningen - In twee gezondheidscentra werkten bedrijfsartsen van Ardyn.
      Jubbega - In een huisartspraktijk werkte een zelfstandige bedrijfsarts.
      Noordwijk - In een gezondheidscentrum werkte een bedrijfsarts van Achmea Arbo.
      Twee pilots gaan door en op diverse plaatsen zijn nieuwe initiatieven in ontwikkeling.
      De bedrijfsarts was ťťn of meer dagdelen per week aanwezig in de eerstelijns voorziening.
      De huisarts (soms een andere discipline) verwees patiŽnten naar deze bedrijfsarts wanneer de klacht of de aandoening naar zijn of haar mening een relatie met het werk had.
      Daarnaast was de bedrijfsarts beschikbaar voor ad hoc vragen en overleg.
      De belangrijkste diagnoses van patiŽnten die werden doorverwezen naar de bedrijfsarts waren psychische klachten (52,2%) en klachten aan het bewegingsapparaat (25,5%).
      De meeste patiŽnten (89,4%) hadden betaald werk; 85,2 procent werkte in loondienst. 4,9 procent had uitsluitend onbetaald werk.
      Van 41,3 procent van de verwezen patiŽnten was bekend dat zij ten tijde van het consult bij de bedrijfsarts volledig hun werk verzuimden, bij 13 procent was sprake van gedeeltelijk verzuim.
      In deze (natuurlijke) samenwerkingssetting blijken huisartsen en bedrijfsartsen waardering voor elkaars inbreng te ontwikkelen en ontstaat een goede samenwerking op informele basis.
      De verwezen patiŽnten waren zeer tevreden over deze vorm van zorg en over de huisarts en de bedrijfsarts in het centrum.
      Uit de toelichtingen bleek dat zij deze setting als een Ďneutraleí omgeving ervaren.
      Het gehele onderzoeksrapport is te vinden op de site van de NVAB : www.nvab-online.nl (onder Ďpublicatiesí).
      Cfr. :
      - http://www.fasteerstelijn.nl/index2.php?pid=1111&sub=&taalkeuze=1&newsid=273
      - http://medischcontact.nvamg.artsennet.nl/content/dossiers/845409222/957881961/AMGATE
      _6059_138_TICH_R1936121237027209/?PHPSESSID=49ac11af33a01d15102ce2ad290ffc41#0

      - http://nvab.artsennet.nl/content/articles/4440/AMGATE_6059_340_TICH_R144866446486
      16/?PHPSESSID=c4936c7cb566c5e7bc0b14ddbde5880f

    19. Beoordelen, behandelen, begeleiden - Medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid (advies)
      Brief van Prof. dr JA Knottnerus, Voorzitter van de Gezondheidsraad aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dd. 22-07-2005
      Het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid behoeft verbetering.
      Ontwikkeling van richtlijnen voor beoordeling, behandeling en begeleiding (Ď3B -richtlijnení) die door alle betrokken beroepsgroepen gedragen worden, kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren.
      De verzekeringsgeneeskundige oordeelsvorming kan bovendien ondersteund en verder ontwikkeld worden door de opbouw van Ďmediprudentieí.
      In het kort is dat de kern van dit advies, dat is opgesteld door een commissie van de Gezondheidsraad ter beantwoording van een adviesaanvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens zijn collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
      Na een korte geschiedenis van het arbeidsongeschiktheidsprobleem in Nederland in hoofdstuk 2, geeft de commissie in hoofdstuk 3 een beknopt overzicht van de stand van de wetenschap inzake het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
      Onder andere door de ontwikkeling van evidence based richtlijnen wordt ernaar gestreefd de praktijk van het medisch handelen in overeenstemming te brengen en te houden met de stand van de wetenschappelijke kennis.
      In hoofdstuk 4 laat de commissie zien wat er in Nederland op het gebied van de ontwikkeling van richtlijnen voor behandeling en begeleiding bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid gebeurt.
      Opvallend is dat in curatieve richtlijnen het functioneren op het werk geen rol van betekenis speelt.
      De beoordeling van de arbeidsgeschiktheid komt noch in curatieve, noch in bedrijfsgeneeskundige richtlijnen aan de orde.
      De kwaliteitsbevorderende activiteiten die op dit vlak wťl gaande zijn richten zich vooral op de interpretatie van de arbeidsongeschiktheidswetgeving en op de verbetering van verzekeringsgeneeskundige beoordelingsprocedures.
      De commissie stelt vast dat er veelbelovende aanzetten zijn tot afstemming en samenwerking tussen de bedrijfsgeneeskunde en de curatieve disciplines.
      De verzekeringsgeneeskunde neemt echter een geÔsoleerde positie in.
      In hoofdstuk 5 beargumenteert de commissie waarom dit een onwenselijke situatie is.
      Zij stelt voor om de kwaliteit van het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te verhogen door voor de verschillende aandoeningen overkoepelende 3B-richtlijnen te ontwikkelen : richtlijnen voor beoordeling, behandeling en begeleiding.
      Systematisch verzamelde informatie over de verzuimduur Ė in relatie tot kenmerken van ziekten, personen en werksituaties Ė zal in deze richtlijnen verwerkt moeten worden.
      De commissie ziet naast de 3B-richtlijnen geen rol weggelegd voor een separate lijst van ziekten met gemiddelde hersteltermijnen.
      Zij benadrukt dat de kwaliteitsbevorderende werking van richtlijnen afhankelijk is van een succesvolle toepassing in het dagelijks denken en handelen van beroepsbeoefenaren.
      In hoofdstuk 6 betoogt de commissie dat de 3B-richtlijnen en daarvan afgeleide verzekeringsgeneeskundige richtlijnen en protocollen een belangrijk hulpmiddel kunnen zijn bij de verzekeringsgeneeskundige arbeids(on)geschiktheids-beoordeling na twee jaar ziekte.
      Ze helpen bij de evaluatie van de herstel- en reÔntegratie-inspanningen en bij de reconstructie van de medische voorgeschiedenis die nodig is om te achterhalen waardoor het uitblijven van het herstel veroorzaakt is.
      De commissie hecht daarnaast groot belang aan de opbouw van Ďmediprudentieí, naar analogie van de jurisprudentie van de rechterlijke macht.
      De commissie gaat vervolgens in hoofdstuk 7 kort in op de behoefte aan wetenschappelijk onderzoek op het gebied van medisch handelen in relatie tot arbeid.
      Zij onderschrijft de analyses en aanbevelingen van de Raad voor Gezondheidsonderzoek en pleit ervoor om veel nadrukkelijker dan tot op heden de factor arbeid te betrekken in het niet specifiek op arbeid georiŽnteerde medisch-wetenschappelijk onderzoek.
      Voorts wijst zij op het belang van kwalitatief wetenschappelijk onderzoek naar het verschijnsel arbeidsongeschiktheid en de beoordeling daarvan.
      Het advies besluit met een serie aanbevelingen :
      - De commissie beveelt aan een vanuit de betrokken disciplines samengestelde stuurgroep in te stellen die de regie voert in de ontwikkeling en herziening van 3B-richtlijnen en in de formulering van een daaraan gekoppelde onderzoeksagenda.
      - Zij beveelt aan een leidraad Ďjuridisch-maatschappelijke aspecten in medische richtlijnení te ontwikkelen, waarin wordt uitgewerkt wanneer en hoe deze aspecten in 3B-richtlijnen aan de orde moeten komen.
      - De 3B-richtlijnen moeten voldoen aan een aantal eisen die in dit advies beschreven worden.
      - Gegevens over het tijdsverloop tussen ziekmelding en werkhervatting, en de mogelijke determinanten daarvan, zijn van groot belang voor de ontwikkeling van 3B-richtlijnen. Verzameling van deze gegevens dient continu en in de context van best practices plaats te vinden.
      - De commissie bepleit een continue en cumulatieve opbouw van mediprudentie.
      Gelet op de inwerkingtreding van de WIA op 1 januari 2006 en het verzoek van de minister om advies over de ontwikkeling van hulpmiddelen voor de claimbeoordeling die op dat moment beschikbaar kunnen zijn, beveelt de commissie aan nog dit jaar een begin te maken met de uitvoering van bovenstaande aanbevelingen. Om een snelle start mogelijk te maken adviseert de commissie het volgende :
      - De commissie beveelt aan om voor vijf tot tien aandoeningen die een substantieel deel van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek betreffen -(de gedachten van de commissie gaan vooralsnog uit naar de volgende aandoeningen : chronische aspecifieke rugklachten, hartinfarct, depressie, spanningsklachten, chronische-vermoeidheidssyndroom, cerebrovasculaire aandoening, hernia nuclei pulposi, borstkanker, angststoornissen, whiplash)-, ontwerpprotocollen op te stellen ter ondersteuning van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid. Deze protocollen kunnen gebaseerd worden op onlangs verschenen richtlijnen en kunnen nadien betrokken worden bij de voorbereiding van volwaardige 3B-richtlijnen.
      - Zij beveelt aan om voor elk van de aandoeningen waarvoor deze protocollen ontwikkeld worden, op basis van dossiers van reeds afgeronde claimbeoordelingen een aantal concrete beoordelingsgevallen te beschrijven, te analyseren en te becommentariŽren, zodat een reeks casusbeschrijvingen met expliciete beargumentering en weging van de claimbeoordeling beschikbaar komt.
      - Het verdient aanbeveling de ontwerpprotocollen en casuÔstische analyses door een multidisciplinair samengestelde commissie van deskundigen te laten toetsen en becommentariŽren. Deze commissie zou hieraan nadere aanbevelingen kunnen verbinden ter verhoging van kwaliteit en doelmatigheid van het claimbeoordelingsproces.
      De Gezondheidsraad is bereid om desgewenst de uitvoering van deze korte termijnaanbevelingen op zich te nemen.
      Zo nodig zou de Gezondheidsraad ook een rol kunnen spelen in de beginfase van de uitvoering van de aanbevelingen voor de langere termijn.
      Bij de uitvoering van de aanbevelingen is betrokkenheid van beroepsverenigingen, UWV, STECR/Laboretum, het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, het Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde, TNO Kwaliteit van leven en andere in aanmerking komende, al dan niet universitaire, kennis- en onderzoekscentra van groot belang.
      Cfr. :
      - http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=1059&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/activering_reintegratie/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue
      - http://www.gezondheidsraad.nl/pdf.php?ID=1246&p=1
      - http://www.gr.nl/pdf.php?ID=1246&p=1

    20. Beroepscode voor bedrijfsartsen
      Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB), oktober 1989
      Cfr. :
      http://nvab.artsennet.nl/uli/?uli=AMGATE_6059_340_TICH_L664433438

    21. Beter, leuker, slimmer - De uitdaging van stress
      Marc Schabracq, C.L. Cooper & David J. van Maanen Ė Scriptum, januari 2001 - ISBN10 : 9055941751 / ISBN13 : 9789055941759
      Hoewel stress zeker niet wenselijk is, heeft stress wel degelijk ook een positieve functie.
      Stress heeft namelijk een belangrijke signaalwaarde : waar verschillende mensen telkens last hebben van stressverschijnselen is er kennelijk iets fundamenteel mis met het werk of de werkomgeving, iets wat naast stressverschijnselen ook andere ongewenste effecten heeft.
      Stress biedt hiermee een ingang om systeemfouten in de organisatieprocessen op te sporen en bespreekbaar te maken.
      Dit maakt het mogelijk tot structurele verbeteringen te komen die een betere aanpassing aan de buitenwereld inhouden.
      Dit geldt zowel voor individuele medewerkers als voor de gehele organisatie.
      Uitgaande van de gedachtegang dat veelvuldig voorkomende stressverschijnselen een signaal zijn van inadequate organisatieprocessen, richten de auteurs zich in hun aanpak van stressmanagement in de eerste plaats op deze organisatieprocessen, zowel in de directe omgeving van het werk als in het werk zelf.
      Het idee hierachter is dat een en ander zo moet zijn ingericht dat de betrokkenen op een vanzelfsprekende en plezierige wijze hun hoofd bij het werk kunnen houden.
      Het project gaat hiermee verder dan alleen stress voorkomen en wegnemen.
      Het richt zich vooral ook op het scheppen van betere werkvormen en werkomgevingen.
      Bij het verwezenlijken van de doelstelling stressrisico's te verminderen zijn de belangrijkste leidraden de organisatie en haar medewerkers uit te dagen in hun werkprocessen te streven naar grotere effectiviteit en betere kwaliteit van de productie, meer plezier in en motivatie voor het werk en meer creativiteit en de persoonlijke en professionele ontwikkeling van de betrokkenen.
      Cfr. :
      http://www.bol.com/nl/p/boeken/beter-leuker-slimmer-druk-1/666880890/index.html

    22. Blauwdruk voor de aanpak van werkgerelateerde interventies in CBO-Richtlijnen
      Doel - Het doel van deze blauwdruk is het systematisch betrekken van het aspect Ďwerkí bij de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn.
      Methode - In de eerste plaats wordt door de participerende bedrijfsarts nagegaan of het op grond van kwantitatieve of kwalitatieve aspecten zinvol is om werkgerelateerde interventies verder te onderzoeken.
      Er wordt nagegaan of oorzaken in het werk en arbeidsongeschiktheid bij de betreffende aandoening een belangrijke rol spelen.
      Vervolgens wordt zoals bij alle andere interventies literatuuronderzoek uitgevoerd om te kijken of er evidence is dat deze interventies deze gezondheidsproblemen effectief kunnen verminderen.
      Het gaat hierbij om zowel therapeutische als preventieve interventies zoals periodiek onderzoek of aanstellingskeuringen.
      Zoals tot nu toe gebruikelijk is worden aanbevelingen geformuleerd voor alle artsen, ongeacht of ze binnen of buiten de arbozorg werkzaam zijn.
      Werkwijze - Om het aspect Ďwerkí te betrekken bij de richtlijnontwikkeling dienen de volgende punten systematisch behandeld te worden.
      1/ Algemeen
      a. In welke mate veroorzaakt de aandoening1 beperkingen en treedt er verlies van arbeidsvermogen op ten gevolge van die aandoening ?
      b. In hoeverre vormen verzuim en arbeidsongeschiktheid t.g.v. de aandoening ook een belangrijk maatschappelijk probleem ten gevolge van sterke vermindering van arbeidsparticipatie en hoge kosten ?
      In welke mate geven patiŽnten zelf aan dat werken een moeilijk probleem voor hen vormt ?
      c. In hoeverre vormt het voorkomen van de aandoening als beroepsziekte een belangrijk volksgezondheidsprobleem ?
      2/ Wanneer moet er aan werkgerelateerde interventies gedacht worden ?
      Als de arbeidsanamnese daar op de volgende punten aanleiding toe geeft :
      a. Aard van de werkzaamheden.
      b. Relevante belastende werkomstandigheden: duur en hoogte van de belasting : in welke situaties is het aannemelijk dat er sprake is van overbelasting in de werksituatie ?
      c. Opvattingen van de patiŽnt of de werkgever over gezondheidsklachten in relatie met het werk.
      d. Mogelijkheden binnen de organisatie om met de beperkingen te kunnen blijven functioneren.
      3/ Welke werkgerelateerde interventies zijn er mogelijk ?
      A. Wanneer de oorzaak van de aandoening (met 'de aandoening' wordt bedoeld de aandoening die het onderwerp is van de richtlijn) in het werk ligt :
      - werkplekonderzoek via bedrijfsarts/Arbo-dienst om overbelasting te objectiveren (aard, hoogte en duur van de blootstelling).
      - aanpassingen in de werksituatie om de oorzaak weg te nemen : therapeutisch voor de patiŽnt.
      - verandering van werk omdat aanpassingen niet mogelijk zijn / niet helpen : therapeutisch voor patiŽnt.
      - aanpassingen in de werksituatie volgens arbeidshygiŽnische strategie : primair preventief voor andere werknemers.
      - vroegdiagnostiek en therapie bij gehele afdeling/bedrijf : secundair preventief voor andere werknemers.
      - indien er sprake is van beroepsziekte melding bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten : als instrument voor nationaal preventief beleid.
      B. Wanneer de aandoening leidt tot beperkingen in het functioneren op het werk :
      - geleidelijke werkhervatting.
      - tijdelijke aanpassing werkomstandigheden, werkinhoud.
      - cognitief gedragsmatige aanpak bij misconcepties over functioneren.
      - verandering van werk of definitieve aanpassing van werk bij blijvend verlies van arbeidsvermogen.
      4/ Uitwerking voor de dagelijkse praktijk: implementatie
      Deze uitwerking gaat er vanuit dat het een patiŽnt betreft die betaald werk verricht, meestal in loondienst.
      Dan is er bij ziekten waarvoor een patiŽnt naar een specialist wordt verwezen bijna altijd sprake van een relevante relatie arbeid - gezondheid.
      Bij de implementatie van de richtlijn gaat het erom dat de behandelend arts zich bewust wordt van de relevantie van de relatie tussen werk en gezondheid bij deze aandoening.
      De arts moet zich eigenlijk bij elke patiŽnt afvra-gen Ďkomt het door het werk ?í en Ďheeft het gevolgen voor het functioneren op het werk ?í (te zijner tijd zal het TNO-project ĎArbeidsanamneseí hier nog aanvullende informatie op kunnen leveren).
      Daarna komt de vraag aan bod waar de bedrijfsarts kan worden ingeschakeld als specialist op het terrein arbeid Ė gezondheid.
      Bij de samenwerking tussen behandelend arts en bedrijfsarts wordt er in principe gewerkt volgens de Ďleidraad voor bedrijfsartsen bij samenwerking met huisartsení (NVAB-LHV).
      De bedrijfsarts kan op grond van zijn deskundigheid op de volgende punten een bijdrage leveren aan de aanpak van de aandoening :
      - Bij de diagnostiek kan de bedrijfsarts :
      -- relevante gegevens aanleveren over de blootstelling aan gezondheidsbedreigende factoren in het werk van de betreffende werknemer;
      -- een deskundig oordeel geven over de mogelijkheid dat deze blootstelling de aandoening (mede)veroorzaakt of belemmeringen voor het functioneren met zich mee brengt;
      -- in voorkomende gevallen zelf diagnostiek verrichten naar werkgerelateerde aandoeningen, zoals peak-flow metingen bij longproblemen;
      -- in voorkomende gevallen beoordelen in hoeverre het functioneren van een werknemer zou kunnen verbeteren.
      - Bij de behandeling kan de bedrijfsarts :
      -- aangeven in hoeverre vermindering van blootstelling in het werk de aandoening helpt te genezen of een recidief voorkomt;
      -- aangeven in hoeverre preventieve maatregelen nodig zijn om de aandoening bij andere werknemers te voorkomen;
      -- het bedrijf adviseren om dergelijke maatregelen te nemen;
      -- bij noodzakelijke werkverandering, adviseren over de juiste procedures in het kader van de sociale zekerheid zoals voor de Ziektewet en WAO.
      - Bij de werkhervatting kan de bedrijfsarts :
      -- aangeven op welke wijze werkhervatting het meest optimaal zal verlopen;
      -- welke factoren werkhervatting het meest belemmeren of bevorderen;
      -- het bedrijf adviseren om maatregelen te nemen die de werkhervatting bevorderen.
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R160495744536324

    23. Branchegericht werken door de bedrijfsarts - Vijf voorbeelden van goede praktijk
      - Zonder de Arboconvenanten waren we lang niet waar we nu zijn.
      - In het onderwijs heerst een taboe op disfunctioneren.
      - Het Arboconvenant voor de banken heeft zijn geld dubbel en dwars opgebracht.
      - Voor de bouw moet je de handen uit de mouwen willen steken.
      - Bij het spoor hebben wij gespecialiseerde bedrijfsartsen nodig.
      Projectteam/auteurs : drs. J.C.M. (Jacques) Duijn (projectleider) & dr. A.N.H. (Andrť) Weel (het projectteam wordt geadviseerd door een begeleidingscommissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, overheid, de beroepsgroep en de arbodiensten) - Project Bedrijfsarts en arboconvenanten, NVAB -
      kwaliteitsbureau@nvab-online.nl -, 2005
      Doelstelling van het project is het vergroten van de betrokkenheid van bedrijfsartsen bij de arboconvenanten.
      Dit project de volgende producten opgeleverd :
      - Handwijzer Branches :
      www.nvab-online.nl
      - WebWegWijzer Arboconvenanten :
      www.nvab-online.nl
      - Scholing bedrijfsartsen via de workshop Bedrijfsarts en arboconvenanten
      - Brochure Branchegericht werken door de bedrijfsarts.
      Deze brochure maakt onderdeel uit van het project Bedrijfsarts en arboconvenanten, dat de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) uitvoert.
      Het project is mogelijk gemaakt door een subsidie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
      Met dank aan de geÔnterviewden : Eveline Knibbeler, Hans Burggraaff, Cees Everaert, Gerard Frijstein en Henry Pijpers.
      Cfr. :
      http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R1636591039086116

    24. Challenges and Opportunities for Preventing Depression in the Workplace - A Review of the Evidence Supporting Workplace Factors and Interventions
      G.P. Couser, 2008
      Via de werkplek kan depressie voorkomen worden door te werken aan de veerkracht (resilience) van mensen en het screenen van mensen die een hoog risico lopen.
      Verder is meer kennis nodig over werk en psychische klachten op organisatieniveau en biedt het verder integreren van werk- en zorgsystemen om te komen tot proactive interventies een goede strategie.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_Couder_2008.pdf


    Lees verder : Deel X

    25-11-2009 om 21:44 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel X

    1. Chronisch vermoeidheid syndroom - Cognitieve gedragstherapie helpt beter dan ontspanningsoefeningen
      Blijenberg G - Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 2000,1
      Lees eerder :
      CVS genezen door cognitieve gedragstherapie is niet terecht - Ziek van vermoeidheid
      op : http://www.cvs-online.nl/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=80&mode=thread&order=0&thold=0

    2. Chronisch vermoeidheidssyndroam - Spelen virusinfecties een rol ?
      Galama JMD, Swanink CMA, Vercoulen JHMM et al. - Infectieziekten Bulletin 1996; 7(12); 246-9

    3. Chronisch vermoeidheidssyndroom
      Bleijenberg G, Vercoulen JH, Bazelmans E et al. - In : 'Psychologie en geneeskunde (Behavioural medicine)' - Houten Diegem: Bohn Stafleu Van Loghem; 2000: 243-267 - ISBN-13: 9789031336166
      Cfr. : http://www.beslist.be/boeken/d0000017127/Chronisch_vermoeidheidssyndroom.html

    4. Chronisch vermoeidheidssyndroom en tewerkstelling - Een exploratief onderzoek
      D'hont Jelle - Scriptie tot het behalen van het diploma licentiaat in de psychologie optie 'Bedrijfspsychologie en personeelsbeleid', Universiteit Gent, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, Academiejaar 2001-2002 Ė Promotor : Prof. Dr. Rita Claes Ė Copromotor : Prof. Dr. Stefaan Lievens
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6477&printlink=true&highlight=Chronisch%3cSEP&PHPSESSID=3471113c35220af4c20981e373ebbf56%3eVermoeidheidssyndroom%3cSEP%3een%3cSEP%3eTewerkstelling

    5. Chronisch vermoeidheidsyndroom - Hoe sta je er tegenover ?
      Megen-van Roo AE van, Lulofs R, Schmidt AJM, Halfens R - Scriptie Med Psych en Verplegingswetenschap Universiteit Maastricht, 1995

    6. Chronisch zieken en werk
      Moerman C, Haafkens, J, van Dijk - Amsterdam, Coronel Instituut : 2004.
      Cfr. :
      - http://www.uva-aias.net/staff.asp?user_id=164&menu_id=2&taal=ne
      - http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R160496787307409

    7. Chronische moeheid - Testcase voor de geneeskunde
      Haran D. Glas C - Tijdschr Psychiatrie 1994; 36: 51-61
      Cfr. : https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/1887/10583/1/61_52.pdf

    8. Chronische pijn, chronische vermoeidheid Ė Een indicatie voor psychosomatische revalidatie
      Van Houdenhove B - Tijdschr Geneeskd 1996; 52: 1371-8
      Pijn en vermoeidheid zijn ongetwijfeld de meest frequente klachten waarvoor mensen medische hulp zoeken.
      In vele gevallen nemen de klachten spontaan weer af of kan de oorzaak opgespoord en uitgeschakeld worden, zodat de klachten verdwijnen.
      Bij sommige patienten nochtans blijft de pijn of de vermoeidheid op langere termijn voortbestaan, ondanks pogingen tot adequate behandeling.
      De klachten worden dan een toenemende last en bekommernis en gaan steeds meer een centrale plaats in het leven van de patient innemen.
      Vaak wordt het na verloop van tijd moeilijk om nog een precieze oorzaak voor de klachten aan te duiden of kan de oorzaak niet meer echt weggenomen worden.
      De kans is groot dat deze patienten ten prooi vallen aan medische overconsumptie (,,
      doctor shopping"), regressief ziektegedrag en toenemende invalidering.
      In dit artikel zal worden gesteld dat patienten met een problematiek van chronische pijn en/of chronische vermoeidheid vaak het best kunnen geholpen worden met een "
      psychosomatische revalidatie" benadering.
      Dit wil zeggen : een revalidatie die zich situeert op twee sporen, nl. het fysieke en het
      psychosociale spoor.
      Om deze stelling te onderbouwen, zal vooreerst de belangrijke rol worden aangetoond die psychosociale, naast somatische factoren kunnen spelen in het chronisch worden van zowel pijn als moeheid.
      Vervolgens zal de "
      psychosomatische revalidatie" aanpak concreet worden beschreven.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?highlight=krankheit&pageid=6145&printlink=true

    9. Chronische vermoeidheid
      Bleijenberg G, Vercoulen JHHM, Bazelmans E - Handboek Psychologie juni 1996; 53-68

    10. Chronische vermoeidheid Ė Moe met drieŽntwintig oeís (Chronic fatigue - Tired with 23 i's)
      Van der Meer JW, Elving LD - Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1505-7
      Cfr. : http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/15119

    11. Chronische vermoeidheid en werk - Verslag eerste fase
      Dormolen M van - TNO-rapport 96.083. november 1996
      Vier divisies van TNO Preventie en Gezondheid voeren onderzoek uit naar chronische vermoeidheid en het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).
      Deze divisies zijn Immunologische ziekten & Infectieziekten (I&I), Collectieve Preventie (COP), Vaat- en Bindweefselonderzoek (VBO) en Arbeid en Gezondheid (A&G).
      In dit rapport wordt verslag gedaan van de verkennende activiteiten van de divisie Arbeid en Gezondheid in de eerste fase van het onderzoek, voorafgaand aan het veldonderzoek in de
      tweede fase.
      Aanleiding voor de deelname van de Divisie Arbeid en Gezondheid aan het onderzoek is de onduidelijkheid die er momenteel bestaat over de mate van voorkomen en de oorzaken van CVS, de rol van werk (stress/overbelasting?) en de arbeidsmogelijkheden van CVS patienten.
      Doel van het onderzoeksdeel van de Divisie Arbeid en Gezondheid is de identificatie van oorzakelijke factoren in het werk, het voorkomen van uitval en het bevorderen van werkhervatting.
      De focus ligt hierbij zowel op chronische vermoeidheid in brede zin als op het chronisch vermoeidheidssyndroom.
      In de tweede fase vindt een gezamenlijk onderzoek plaats van de vier deelnemende divisies waarin een groep CVS patienten en een controlegroep fysiologisch en middels vragenlijsten onderzocht wordt.
      In deze tweede fase zal de combinatie van immunologie, leefstijlaspecten en arbeidsaspecten het onderzoek een synergetisch karakter geven.
      De onderzoeksvragen in de eerste fase zijn :
      1. a. Wat is de prevalentie van zeer hoge vermoeidheid ?
      b. In welke sectoren en beroepsgroepen komt zeer hoge vermoeidheid vooral voor ?
      c. Wat is de samenhang tussen factoren in de arbeidssituatie en zeer hoge vermoeidheid ?
      d. Welke is de relatie tussen zeer hoge vermoeidheid en andere gezondheidsparameters ?
      Bij de analyses is gebruik gemaakt van de data bestanden van het Doorlopend Leefsituatie Onderzoek 1989 t/m 1993 (CBS, n=26355) en de Monitor Stress en Lichamelijke Belasting TNO 1993 (n=7717).
      Als vermoeidheidsmaat is gebruik gemaakt van een schaal op basis van de vier vragen uit de VOEG m.b.t. vermoeidheid.
      De maximale score op deze schaal wordt gebruikt als indicator voor zeer hoge vermoeidheid.
      De belangrijkste resultaten zijn :
      - bij 14 procent van de Nederlandse bevolking is sprake van een hoge tot zeer hoge vermoeidheid; bij 6 procent is er sprake van zeer hoge vermoeidheid,
      - vrouwen geven vaker zeer hoge vermoeidheid aan dan mannen (resp. 8 en 4%),
      - het hoogste percentage respondenten met zeer hoge vermoeidheid wordt gevonden bij vrouwen in de leeftijd van 50 t/m 54 jaar (12%),
      - de laagst opgeleiden hebben de hoogste vermoeidheidsscore en het hoogste percentage zeer hoge vermoeidheid (22%).
      - de vermoeidheid is het hoogst in de beroepsgroepen halfgeschoolde handarbeid, kleine zelfstandigen zonder personeel en bij routinematige hoofdarbeid. De vermoeidheidsscore hangt niet samen met het inkomen,
      - een meerderheid van de werkende groep met zeer hoge vermoeidheid voelt zich mentaal uitgeput en "
      opgebrand" door het werk,
      - hoge vermoeidheid gaat vaak samen met het hebben van een langdurige ziekte of aandoening: van degenen met zeer hoge vermoeidheidsscore heeft 65% een langdurige ziekte of aandoening en wordt 37% sterk belemmerd in de dagelijkse bezigheden. De meest voorkomende ziekten/aandoeningen bij de groep met zeer hoge vermoeidheid zijn migraine/hoofdpijnen (38%), slijtage van gewrichten (37%) en hardnekkige rugaandoeningen (27%),
      - mensen met een hoge vermoeidheid hebben minder sociale contacten in zijn in het algemeen minder tevreden en gelukkig,
      - de in de literatuur aangetroffen associatie van chronische vermoeidheid met hoog opgeleide, werkende vrouwen wordt niet ondersteund door de hier bestudeerde gegevens over zware vermoeidheid in de Nederlandse bevolking.
      Voor de tweede fase in het onderzoek is, in samenwerking met de andere deelnemende divisies van TNO-PG, een vragenlijst ontworpen voor onderzoek onder CVS-patienten en een controlegroep.
      Hierin wordt informatie verzameld over de belastende factoren in het werk die zouden kunnen bijdragen aan het ontstaan van CVS en chronische vermoeidheid, de arbeidsmogelijkheden van CVS-patienten en chronisch vermoeiden.
      Daarnaast vindt er onderzoek plaats naar de relaties tussen persoonlijke factoren, belastende factoren in het werk, leefstijl en verstoringen in het immuunsysteem.
      Dit onderzoeksdeel is thans in uitvoering.
      Eindconclusie is dat de mogelijke relaties tussen werk en het chronisch vermoeidheidssyndroom weinig aandacht hebben gekregen in wetenschappelijk onderzoek.
      Dit geldt zowel voor factoren die bijdragen aan het ontstaan van het syndroom, als aan factoren die uitval kunnen helpen voorkomen en de mogelijkheden voor reintegratie.
      De analyses van bestaande data geven wel aanwyzingen dat de arbeidssituatie een rol kan spelen bij het ontstaan van ernstige vermoeidheid in bredere zin.
      De tweede fase van dit onderzoek, die momenteel in uitvoering is, zal bijdragen aan het invullen van de gesignaleerde lacunes.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6421&printlink=true&highlight=vermoeidheidspatienten

    12. Chronische vermoeidheid natuurlijk behandelen
      Markus Harold, dr. - Oorspronkelijke titel 'Chronische Mudigkeit naturlich behandeln' (vertaling : A. Classens) - De Driehoek, Amsterdam, 1994
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=502&printlink=true&highlight=personeelsleden

    13. Chronische-vermoeidheidssyndroom in relatie tot arbeid
      Blatter EM, Houtman IILD, Dormolen M van, Graffelman AW, Opmeer CHJM, Nagelkerken L - TBV 6 oktober 1998; 7:201-9
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6477&printlink=true&highlight=Chronisch%3cSEP&PHPSESSID=3471113c35220af4c20981e373ebbf56%3eVermoeidheidssyndroom%3cSEP%3een%3cSEP%3eTewerkstelling

    14. Chronische-vermoeidheidsyndroom (Chronic fatigue syndrome)
      Van der Meer JW - Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1507-09

    15. Chronische-vermoeidheidsyndroom in relatie tot arbeid - Een verkennend onderzoek naar arbeidsverleden, huidig werk en werkhervatting
      B.M. Blatter, I.L.D. Houtmon, M. van Dormolen, A.W. Graffelman, C.H.I.M. Opmeer, L. Nagelkerken - Tijdschrift voor bedrijfs- en verzekeringsgeneeskunde (TBV), nummer 7, oktober 1998
      In het kader van een multidisciplinair onderzoek naar immunologische parameters, leefstijlfactoren en arbeidsgebonden factoren is een verkennend en beschrijvend onderzoek opgezet naar de arbeidssituatie van personen met het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS).
      De onderzoekspopulatie bestond uit 54 CVS-patienten en 54 controlepersonen die via huisartsenpraktijken in Leiden en omgeving waren verkregen.
      Gegevens over de ernst van de klachten, het arbeidsverleden, de huidige functie, werkhervatting en leefgewoonten zijn verzameld met behulp van een schriftelijke vragenlijst.
      Gegevens van de CVS-patienten zijn vergeleken met gezonde controlepersonen en met patienten met neuromusculaire aandoeningen (NMA), multiple sclerose (MS) en astma.
      Het bleek dat beroepen in de gezondheidszorg, onderwijs en andere vakspecialismen relatief vaak voorkwamen bij CVS-patienten vergeleken met de andere patienten, dat CVS-patienten vaak extra werkaanpassingen willen, dat door collega's en leidinggevenden van CVS-patienten relatief vaak negatieve opmerkingen worden gemaakt over de ziekte en dat door zowel werkende als niet werkende CVS-patienten meer contact onderhouden wordt met en personeelszaken.
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1358&printlink=true&highlight=huisartsgeneeskunde

    16. Claim en beoordeling bij arbeidsongeschiktheid
      UWV - Voor re-integratie en tijdelijk inkomen
      "Claim en beoordeling bij arbeidsongeschiktheid" geeft een overzicht van de belangrijkste nationale en internationale publicaties over de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
      Het doel van dit overzicht is een kennisvermeerdering van de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
      Door het bijeenbrengen en toegankelijk maken van informatie over WIA/WAO/WAZ/Wajong-beoordelingen wordt een representatief overzicht geboden van dit kennisgebied.
      De gebruikers zijn verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen, onderzoekers en beleidsfunctionarissen.
      Dit naslagwerk bevat de rubrieken 'Methodieken en Instrumenten', 'Onderzoek', 'Richtlijnen en Standaarden', 'Scripties', 'Statistiek', 'Wetgeving' en 'Literatuur Re-integratie/Claimbeoordeling'.
      Deze site is ontwikkeld door TNO Kwaliteit van Leven, in samenwerking met en in opdracht van UWV.
      Voor uw vragen en opmerkingen, maar ook als u suggesties heeft ter verbetering van de site, kunt u contact opnemen met de redactie (- redactie.cba@uwv.nl -).
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/CBA/CBAHome/

    17. Classificatie en diagnostiek
      Van Hemert AM Ė In : Spinhoven P et al, editors. 'BehandelingsstrategieŽn bij somatoforme stoornissen' - Houten Diegem: Bohn Stafleu van Loghum;2001

    18. Classificaties voor Arbo en SV
      Lisv. CAS - Voorlichtingscentrum Sociale Verzekering, Utrecht, 1997

    19. Cognitieve gedragstherapie bij relatief actieve en bij passieve CVS-patienten (Cognitive behavior therapy for active and for passive CFS patients)
      Bazelmans E, Prins JB, Bleijenberg G Ė Gedragstherapie 2002;35:191-204
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=2200&printlink=true&highlight=causale

    20. Coping en sociale steun van chronisch zieken - Een overzicht van recent onderzoek, opvang en begeleiding van chronisch zieken
      Ridder D.T.D, de, Schreurs K.M.G. - NCCZ-reeks Zorg, Nationale Commissie Chronisch
      Zieken, Zoetermeer, juni 1994

    21. CVS genezen door cognitieve gedragstherapie is niet terecht - Ziek van vermoeidheid
      Daniela Koele - Bron : Medisch Vandaag, 16-04-2003
      Medici en wetenschappers verschillen fundamenteel over de oorzaken en behandeling van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS).
      De ťťn zoekt het in biomedische oorzaken, de ander bekijkt het vanuit psychologisch oogpunt.
      De CVS-onderzoeksgroep in Nijmegen, die deel uitmaakt van de vakgroep Medische Psychologie, stelt dat cognitieve gedragstherapie de enige wetenschappelijk bewezen therapie is die CVS-patienten daadwerkelijk kan genezen.
      Patienten kunnen klachten in stand houden door verkeerde cognities en gedrag.
      Het ME-Fonds en patientenorganisaties vinden cognitieve gedragstherapie bij CVS-patienten omstreden.
      Volgens M. Koolhaas, bestuurslid van de steungroep ME en arbeidsongeschiktheid, ontstaat het beeld dat myalgische encephalomyelitis (ME) een psychische ziekte is waarvan je door cognitieve gedragstherapie makkelijk zou kunnen herstellen.
      'Pretenderen dat je door cognitieve gedragstherapie van CVS kunt genezen is niet terecht', meent Koolhaas. 'Wel kan de therapie patienten beter leren omgaan met hun ziekte.'
      Prof. dr. G. Bleijenberg, verbonden aan de CVS-onderzoeksgroep in Nijmegen, is sinds begin dit jaar bijzonder hoogleraar in de psychologische aspecten van chronische vermoeidheid.
      Hij zei in zijn oratie dat CVS-patienten met hun klachten serieus moeten worden genomen en dat de ziekte de samenleving veel geld kost (tussen de 254 miljoen en 608 miljoen euro per jaar).
      Volgens hem zijn herkenning en erkenning van de klachten de eerste stappen op weg naar genezing.
      Nog steeds weigert dertien procent van de huisartsen de diagnose te stellen.
      Bleijenberg pleit daarom voor kenniscentra chronische vermoeidheid, ook bedoeld voor mensen met vermoeidheidsklachten na kanker, spierziekten, een hersenbloeding of chronische darmziekten.
      De kenniscentra moeten patienten behandelen, diagnoses stellen en huisartsen, bedrijfsartsen en verzekeringsartsen voorlichten over chronische vermoeidheid.
      Het eerste kenniscentrum bevindt zich in het UMC St Radboud in Nijmegen.
      Dit centrum wil binnenkort beginnen met een dagbehandeling voor patienten met chronische vermoeidheid en heeft al een wachtlijst.
      Volgens de onderzoeksgroep zijn er in Nederland zevenentwintigduizend CVS-patienten.
      Omdat mensen vaak chronisch ziek blijven, groeit dat aantal snel, met ongeveer zesduizend gevallen per jaar.
      Protocol
      Voor CVS-patienten is een speciaal behandelingsprotocol ontwikkeld, naar aanleiding van het Nijmeegse onderzoek naar cognitieve gedragstherapie bij CVS-patienten (The Lancet, maart 2001).
      Uit dat onderzoek bleek dat 35 procent herstelde na zestien sessies cognitieve gedragstherapie in acht maanden.
      Bleijenberg onderscheidt patienten in twee groepen: degenen die nog relatief actief zijn en mensen die vrijwel niets meer doen.
      Vooral voor de eerste groep bleek cognitieve gedragstherapie effectief te zijn.
      Voor de tweede groep, de 'passieve patienten', is inmiddels een ander protocol ontwikkeld.
      Het Universitair Medisch Centrum Nijmegen en GGNet Doetinchem beginnen binnenkort op kleine schaal een proef met de therapie, aanbevolen door Het College voor zorgverzekeringen (CvZ).
      In twee jaar worden tweehonderd CVS-patienten behandeld.
      Het CvZ vindt het wetenschappelijk nog te vroeg en praktisch ook niet haalbaar (er moeten veel gedragstherapeuten worden opgeleid door het grote aantal patienten) om cognitieve gedragstherapie op grote schaal toe te passen.
      Bovendien twijfelt zij aan de kosteneffectiviteit.
      Omdat er nog geen andere therapie is voor CVS-patienten heeft het College toch besloten tot een bescheiden project.
      Daarbij heeft ze geluisterd naar de terughoudendheid van patientenverenigingen, die vinden dat cognitieve gedragstherapie stigmatiserend zou werken.
      De kenniscentra moeten multidisciplinair zijn en niet gericht op 1 type behandeling.
      De ME-patientenverenigingen maken zich echter zorgen over de therapie.
      M. Koolhaas van de steungroep : 'Patienten die meedoen aan cognitieve gedragstherapie moeten volgens het protocol afzien van voorzieningen voor gehandicapten, die ze vaak dringend nodig hebben. Door hulpmiddelen te verschaffen zou je de ME/CVS-patient bestendigen in zijn ziekterol. Ook staat in het protocol dat huisartsen patienten die chronisch vermoeid zijn en beperkingen hebben, direct moeten doorverwijzen naar cognitieve gedragstherapie, zonder specialistisch onderzoek. Juist door uitsluiting van andere ziekten kan een arts de diagnose ME/CVS stellen.'
      Op de publicatie in The Lancet kwam ook uit wetenschappelijke hoek de nodige kritiek.
      Bijvoorbeeld dat patienten niet hoefden te voldoen aan de aanvullende CDC-criteria.
      Dr. E. Goudsmit, gezondheidspsycholoog, getraind in cognitieve gedragstherapie en gepromoveerd op de psychologische en sociale kanten van ME : 'Alleen het hoofdcriterium ernstige vermoeidheid en beperkingen werden meegenomen in het onderzoek. Hierdoor kunnen ook mensen met een andere ziekte, zoals idiopathische vermoeidheid of psychische problemen, zijn behandeld, waardoor de onderzoekspopulatie niet meer alleen uit CVS-patienten bestond. Het is belangrijk dat er subgroepen onderscheiden worden.
      Cognitieve gedragstherapie helpt als er sprake is van stress, irrationele gedachten, te weinig ontspanning of verborgen depressies. Dus bij voortdurende vermoeidheid plus psychische problemen. Waarbij cognitieve gedragstherapie alleen helpt voor de psychische problemen. ME is meer neurologisch. Er zijn geen studies waaruit blijkt dat de therapie ook helpt bij somatische symptomen, zoals duizelingen of problemen met het immuunsysteem. Ik vraag me af welke hulp wordt geboden aan ME-patienten die geen psychologische problemen hebben maar gehandicapt zijn door misselijkheid, het verliezen van hun evenwicht en last hebben van hun blaas en ogen.
      '
      Gynaecoloog R. Vermeulen, inmiddels gespecialiseerd in ME/CVS en directeur van het CVS centrum Amsterdam vult aan : 'Artsen zijn bij ME geneigd van de beleving de ziekte te maken. Over bet algemeen blijken effecten van cognitieve gedragstherapie niet duurzaam te zijn, omdat ook de controlegroep een verwerkingsproces doormaakt. De gedragstherapiegroep heeft in het begin een voorsprong, op lange termijn komen de groepen gelijk. De behandeling is gericht op het verwerken van verlies van gezondheid, dat heeft met CVS-behandeling niets te maken'.
      Volgens de criteria van de Centers for Disease Control (CDC) uit 1994 krijgt een patient de diagnose CVS als er minstens zes maanden sprake is van een ernstige en onverklaarbare vermoeidheid.
      Het gehele activiteitenniveau moet met minimaal vijftig procent zijn afgenomen.
      Ook moeten patienten last hebben van minstens vier van de volgende symptomen :
      - verslechtering van bet kortetermijngeheugen en/of concentratievermogen,
      - pijnlijke keel
      - gevoelige hals- en/of oksellymfeklieren
      - spierpijn
      - hoofdpijn
      - een niet verkwikkende slaap
      - gewrichtspijn
      - algeheel malaisegevoel na inspanning dat minstens vierentwintig uur aanhoudt.
      Cfr. : http://www.cvs-online.nl/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=80&mode=thread&order=0&thold=0

    22. De A&O Psycholoog op het snijvlak van Individu en Organisatie - Profilering bij verzuimvraagstukken
      Sandra Rethmeier - Santpoort Zuid, februari 2005
      Deze notitie biedt inzicht in de mogelijke rol en meerwaarde van A&O psychologen
      op het gebied van arbeids(on)geschiktheid en geeft een aanzet voor een pragmatische manier van profilering.
      De notitie bestaat uit drie onderdelen die met elkaar samenhangen maar die op zichzelf beschouwd kunnen worden.
      In het eerste deel worden aanleiding, doelstellingen en uitgangspunten beschreven.
      Het tweede deel gaat over rol en meerwaarde van psychologen bij verzuimvraagstukken op verschillende niveaus.
      Het derde deel bevat een actieplan om profilering van psycholoog en werkgebied te kunnen realiseren.
      Cfr. :
      http://www.psynip.nl/upload2/projecten/faq_rethmeijer.pdf

    23. De achilleshiel van de Doorbraakprojecten - Verspreiding van resultaten en opgedane kennis stagneert
      Schouten LMT, Seesing F, Tijink H, Everdingen JJE van - Medisch Contact 2004;59(42):1642-4
      Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/blad/Tijdschriftartikel/De-achilleshiel-van-de-Doorbraakprojecten.htm

    24. De bedrijfsarts Ė Dokter en adviseur
      Standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde over nieuwe taken en positionering van de bedrijfsarts in het licht van de ontwikkelingen in gezondheidszorg, de stelselwijziging en de deregulering in de arbodienstverlening.
      Aangenomen op de Algemene Ledenvergadering van de NVAB op 4 april 2007.
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R194490445696614

    25. De bedrijfsarts en de eerste lijn
      Schets van een betere positionering en profilering van de bedrijfsarts in de nabije toekomst : samen met en binnen de eerste lijn (NVAB 2005)
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R159668144987431

    26. De betekenis van medische gegevens bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid (Significance of medical data in work disability evaluation)
      Knepper S - Ned Tijdschr Geneeskd 2002;146:6-8
      Research has shown that insurance doctors in assessing a claim mainly use information provided by the client, whose medical data are not checked with the attending physician, unless a refusal of or a reduction in the disability allowance is to be expected.
      Additionally, further medical investigations are hardly ever requested.
      After a year of absence company doctors hardly ever provide any information to the attending physicians, who in turn take just as little initiative with respect to employment disability.
      The significance of proper medical data for the claim assessment is limited; the majority of chronically ill individuals work and allowances are not given merely because of abnormalities or disorders.
      Medical data only become significant with reference to a problem analysis.
      This is often lacking; there is too little scepticism and too much compliance, which fits in with the conflict reducing function of being disabled for employment purposes.
      Providing more doctors so that more time and attention is available is not enough.
      Radical measures are needed to reduce the influx of claimants and to simplify the assessment process.
      Yet above all, greater responsibility should be given to the client and a different vision on employment and illness is also needed.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=13507596
      Cfr. ook : http://www.ntvg.nl/node/302827/print

    27. De betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van drie versies van de VOEG
      Joosten J, Drop MJ - Gezondheid & Samenleving 1987;8:251
      Cfr. : www.memic.unimaas.nl:8888/daisy/SMILE-CMS/203-SMILE.html

    28. De debetzijde van het hedendaagse stressonderzoek in de psychiatrie
      Van Praag H - Tijdschr Psychiatr 2003;45:141-8
      Achtergrond
      - Psychiatrische syndromen worden veelvuldig voorafgegaan door stressverschijnselen.
      Kardinale vraag voor de psychiatrie is of deze verschijnselen een pathogene rol spelen of dat ze moeten worden opgevat als epifenomenen.
      Doel - Nagaan of stressdiagnostiek in voldoende mate zorgvuldig is om met vrucht te kunnen onderzoeken of stress neurobiologische stoornissen die geassocieerd zijn met het ontstaan van een bepaalde psychopathologische toestand teweeg kan brengen.
      Methode - Analyse van de literatuur over het effect van stress op neurobiologische functies.
      Resultaten - Stressdiagnostiek voldoet in het algemeen niet aan de zorgvuldigheidseisen die noodzakelijk zijn voor vruchtbaar onderzoek naar de neurobiologische en psychiatrische consequenties van stress.
      Conclusies0- Zekerheid over een mogelijk pathogene rol van stress in de psychiatrie kan alleen worden verkregen als wordt aangetoond dat stress neurobiologische veranderingen kan induceren die geassocieerd zijn met een bepaald psychiatrisch toestandsbeeld.
      Voor dergelijk onderzoek is zorgvuldige stressdiagnostiek een eerste vereiste.
      Het huidige stressonderzoek voldoet niet aan deze voorwaarde. De tekortkomingen zullen systematisch moeten worden.
      Cfr. : http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/zoeken/artikel.php?autid=122&pgr=6

    29. De effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij het Chronisch Vermoeidheidssyndroom
      Folkers, M. - Groningen : Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid RuG, 2001
      Dit document, gemaakt in opdracht van de Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid van de Rijksuniversiteit Groningen, bevat een literatuuroverzicht van de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS).
      Onder mensen die lijden aan het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) lijkt een zeker wantrouwen en op zijn minst de nodige scepsis, ten aanzien van het fenomeen Cognitieve GedragsTherapie (CGT).
      De gehanteerde argumenten verschillen, maar hebben vaak dezelfde strekking.
      Het meest gehoorde argument komt er in feite op neer dat door de CGT te 'omarmen' je in feite zou erkennen of op zijn minst de verdenking op je zou laden dat je die mening bent toegedaan, dat CGT "tussen de oren" zou zitten.
      Deze argumenten, hoe begrijpelijk en verklaarbaar ook, zijn volgens de auteur onjuist en doen onrecht aan de mogelijkheden die CGT aan CVS patiŽnten kan bieden.
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/includes/arbo-frameset?doc=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/adlib/docs/GV771-Folkers.pdf

    30. De kwaliteit van CBO-richtlijnen en NHG-Standaarden beoordeeld met het AGREE-instrument
      Burgers, J. S. Boluyt, N. - Huisarts en Wetenschap, 2004, vol. 47, Number 9, pages 394-398 Ė Bohm Stafleu van Loghum Ė ISSN : 0018-7070
      Cfr. :
      http://direct.bl.uk/bld/PlaceOrder.do?UIN=154840628&ETOC=RN&from=searchengine

    31. De moeheid voorbij
      Croon NHT, Wijnen JAG - TBV 1997,5 165
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?highlight=verzekeringsgeneeskundig&pageid=6357&printlink=true

    32. De psychologie van arbeid en gezondheid
      W.B. Schaufeli, A.B. Bakker & J. de Jonge - Bohn Stafleu van Loghum Ė ISBN10 : 9031337307 / ISBN13 : 9789031337309
      De afgelopen decennia heeft zich een nieuw wetenschapsgebied en praktijkveld aangediend : de '
      Psychologie van Arbeid en Gezondheid' ('Occupational Health Psychology').
      Daarin staat het bestuderen en bevorderen van de gezondheid en het welbevinden van mensen in organisaties centraal.
      In onze moderne kennisintensieve dienstverleningseconomie werken mensen niet langer meer met hun handen maar met hun hoofd of met hun hart; dat wil zeggen ze werken niet met dingen, maar met informatie of met andere mensen.
      Door deze verandering van werkinhoud heeft de traditionele fysieke arbeidsbelasting plaatsgemaakt voor mentale en emotionele belasting, met als gevolg dat werkgerelateerde psychische klachten explosief in omvang zijn toegenomen.
      De '
      Psychologie van Arbeid en Gezondheid' is een leerboek dat in ruim twintig hoofdstukken een compleet, systematisch en up-to-date overzicht van de stand van zaken in de A&G-psychologie geeft.
      Het boek is in eerste instantie bedoeld voor universitaire- en HBO-studenten.
      Te denken valt aan universitaire studierichtingen als Psychologie, Beleid en Management, Gezondheidswetenschappen, Bedrijfskunde en Sociologie en aan HBO-opleidingen als Personeel en Organisatie, Personeel en Arbeid, Bedrijfsmaatschappelijk Werk en Human Resource Management.
      Verder kan het boek uitstekend gebruikt worden in postdoctorale opleidingen tot A&O-deskundige, arbo-consulent, bedrijfsgeneeskundige en verzekeringsarts.
      Cfr. :
      http://www.bol.com/nl/p/boeken/de-psychologie-van-arbeid-en-gezondheid-druk-1/1001004001810429/index.html

    33. De psychologie van overspanning - Theorie en praktijk
      Schmidt AJM - Amsterdam: Boom;2000
      Overspanning wordt gebruikt als een verzamelnaam voor allerlei klachten.
      Door de vragen die het gebruik van de term overspanning oproept, ontstaat ruimte voor misverstanden en irritaties.
      Ook in professionele kringen heeft de term verschillende betekenissen.
      Werknemers kunnen op grond van een overspannen toestandsbeeld ziek of zelfs arbeidsongeschikt worden verklaard.
      Anderen nemen deze diagnose echter niet altijd serieus, zoals binnen de psychiatrie en de klinische psychologie.
      Er bestaat dus geen overeenstemming over wat nu precies onder overspanning verstaan dient te worden.
      De 'Psychologie van overspanning' brengt hier verandering in.
      De auteur definieert het begrip 'overspanning' scherper en analyseert de relatie met verwante aandoeningen, zoals depressie, het chronische-vermoeidheidssyndroom en burn-out.
      Er is ook uitgebreid aandacht voor de praktische kant : hoe moet overspanning behandeld worden en welke fasen doorloopt een patiŽnt daarbij ?
      Relevant voor (aankomende) professionele hulpverleners als (bedrijfs)artsen, psychologen of psychiaters, die met overspannen cliŽnten te maken hebben.
      Cfr. : http://www.uitgeverijboom.nl/catalogus/fondsen/psychologie/de_psychologie_van_overspan
      ning_9789053526163.html

    34. De psychometrische kwaliteiten van de MOS 36-item Short Form Health Survey (SF-36) in een Nederlandse populatie
      Zee K.I., van der, Sanderman R., Heyink J. - Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg,
      4, 183-191, 1993
      Cfr. : http://www.umcn.nl/scientist/

    35. De RNase-test en Ampligenģ-behandeling voor het chronische-vermoeidheidsyndroom: mythen en feiten
      S. Vanthuyne & B. Van Houdenhove - 1999
      De ontdekking van een aberrante vorm van het RNase-L-enzym bij patiŽnten lijdend aan het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS), leidde - vooral in BelgiŽ - tot de verwachting dat binnenkort een diagnostische test zou worden ontwikkeld die CVS "
      objectief" zou kunnen aantonen.
      Bovendien zouden CVS-patiŽnten met een positieve test geholpen kunnen worden met het antivirale middel Ampligenģ .
      In dit artikel worden de theoretische en klinische argumenten waarop deze verwachtingen steunen, kritisch onderzocht.
      Tevens wordt een alternatief model aangereikt waarbinnen immunologische afwijkingen bij CVS-patiŽnten kunnen worden verklaard.
      Cfr. : http://www.tvg.be/detail.php?rec=3

    36. De strijd om de jundische erkenning van M.E Ė Juridische problemen omtrent het chronisch vermoeidheid ssyndroom
      Reeuwijk C., van - Wetenschapswinkel Rechten, Universiteit Utrecht, 1995
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=728&printlink=true&highlight=pijnbeleving

    37. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de patient met chronische onverklaarde pijnklachten
      Visser J - Scriptie in het kader van de opleiding tot verzekeringsgeneeskundige, 1990
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6351&printlink=true&highlight=huisartsgeneeskunde

    38. De verzekeringsgeneeskundige weging bij moeheidsklachten - De invloed van een geaccepteerde klinische diagnose
      Mevr. T. Wolters - Scriptie vervaardigd in het kader van de opleiding sociale geneeskunde, tak 'Verzekeringsgeneeskunde', Netherlands School of Public Health (NSPH), Utrecht, maart 1999
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6351&printlink=true&highlight=huisartsgeneeskunde

    39. De ziel uit het lijf.... Verhoogt een overactieve levensstijl de vatbaarheid voor het Chronische-vermoeidheidssyndroom ? [Does an overactive lifestyle increase the susceptibility to chronic fatigue syndrome ?]
      Van Houdenhove B, Neerinckx E - Tijdschr Psychiatr 1998;40:212-20
      Patienten lijdend aan het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS) vertonen opvallend vaak een premorbide ovrractieve levensstijl.
      In dit artikel wordt eerst de actuele stand van het onderzoek op dit vlak samengevat.
      Vervolgens wordt als hypothese geformuleerd dat zowel sociaal-culturele, psychodynamische, cognitieve als psychobiologische factoren een medierende rol kunnen spelen in de relatie tussen overactiviteit en CVS.
      Er wordt ook gesteld dat dit levensstijlkenmrrk vaak een centrale focus zal moeten vormen in de cognitief-gedragstherapeutische behandeling en revalidatie van CVS-patienten.
      Ten slotte worden enkele verdere onderzoeksperspectieven uitgetekend.
      Cfr. :
      - http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6080&printlink=true&highlight=sufferers
      - http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/zoeken/artikel.php?autid=769&pgr=0

    40. Depressie als beroepsziekte - Identificatie van werkgebonden psychosociale risicofactoren uit de landelijke registratie en een systematisch literatuuronderzoek
      de Roos L, Sluiter JK - TBV 2004;12:365-371
      Dit onderzoek richt zich op de relatie tussen werkgebonden psychosociale risicofactoren en het ontstaan van depressie.
      Het doel was na te gaan of een richtlijn voor het melden van depressie als beroepsziekte ontwikkeld kan worden.
      Analyses van meldingen van depressie aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) over 2003, interviews met melders in de eerste helft van 2004 en systematisch literatuuronderzoek werden uitgevoerd.
      Uit de gegevens van het NCvB zijn drie werkgerelateerde risicofactoren gevonden : werkdruk, gebrek aan sociale ondersteuning en toekomstonzekerheid.
      Uit de literatuur werden zes kwalitatief goede studies geÔncludeerd uit 43 studies.
      Een relatie is gevonden tussen gebrek aan sociale ondersteuning op werk of het hebben van niet-passend werk en het ontstaan van depressie.
      Als er gekozen wordt om een registratierichtlijn voor het melden van depressie als beroepsziekte te maken, wordt aanbevolen om expertconsensus als startpunt te nemen waarbij gesteund kan worden op de uitkomsten van dit onderzoek.
      Cfr. :
      http://www.psychischenwerk.nl/pw/article.php?id=2577


    Lees verder : Deel XI

    25-11-2009 om 21:39 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XI

    1. Depressie en arbeid (module, versie 10-01-2005) - Aanvulling op de CBO-richtlijn Depressie (NVAB 2005)
      Depressie is wereldwijd een groot gezondheidskundig probleem vanwege de grote lijdensdruk die de kernsymptomen met zich meebrengen : depressieve stemming en verlies aan plezier, interesse en energie.
      In toenemende mate wordt echter onderkend dat het effect van het beeld verder reikt dan deze klachtbepaalde lijdensdruk.
      Depressie heeft ook een grote invloed op het sociaal functioneren, het onderhouden van relaties en het functioneren in werk.1
      Daarmee is deze aandoening ook een maatschappelijk probleem.
      De maatschappelijke consequenties van depressie blijken omvangrijk.
      Zo is depressie (het unipolaire beeld) verantwoordelijk voor bijna 11% van het totale aantal jaren dat iemand leeft met een beperking door welke oorzaak dan ook, gedefinieerd als ďenige beperking of ontbrekend vermogen om een normaal menselijke activiteit uit te voerenĒ en staat op de vierde plaats als veroorzaker van Ďdisability-adjusted life-yearsí en voortijdige dood wereldwijd.2
      De verwachting is dat het beeld in 2020 de tweede plaats inneemt.3;4
      De hoge prevalentie in de algemene bevolking is ťťn van de oorzaken van deze ingrijpende consequenties.
      Bijna 1 op de vijf Amerikanen maakt in zijn leven een depressieve stoornis door5 en de jaarprevalentie is ongeveer 10%6.
      Voor de Nederlandse situatie, uitgebreid in kaart gebracht in het Nemesis onderzoek, werden prevalenties voor stemmingsstoornissen gevonden van 19% (lifetime) en 7.6% (jaar).
      Voor de major depression golden prevalenties van 15.4% (lifetime) resp. 5.8% (jaar).7
      Hoewel het beeld onder niet-werkenden vaker voorkomt dan onder werkenden is de hoge prevalentie (een jaar prevalentie van 6% voor stemmingststoornissen7 in de beroepsbevolking) ťťn van de oorzaken van de grote maatschappelijke consequenties van het beeld op het gebied van werk.
      Een andere factor is het klachtenbeloop, dat als Ďchronischí wordt omschreven doordat de depressieve stoornis frequent recidiveert en depressieve symptomen in ongeveer 60% van de gevallen aanwezig blijken bij langdurige follow up.8
      In dit hoofdstuk over depressie en werk willen we de volgende vraagstellingen verdergaand behandelen :
      - a. Wat is de precieze omvang van het probleem: in welke mate veroorzaakt depressie beperkingen en treedt er verlies van arbeidsvermogen op ten gevolge van depressie ?
      - b. In hoeverre vormen verzuim en arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de aandoening ook een belangrijk maatschappelijk probleem ten gevolge van sterke vermindering van arbeidsparticipatie en hoge kosten ?
      In weke mate geven patiŽnten zelf aan dat werken een moeilijk probleem voor hen vormt ?
      - c. In hoeverre spelen werkaspecten een rol in beschermende dan wel veroorzakende zin ?
      - d. Welke interventies zijn beschreven en welke zijn effectief ?
      - e. Hoe kunnen aanbevelingen in de praktijk worden geÔmplementeerd ?
      De eerste twee vragen (a en b) worden in paragraaf 1 behandeld. Vraag c komt in paragraaf 2 aan bod en de vraagstellingen.
      Cfr. :
      http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R160496787307409

    2. Diagnostiek en behandeling van jongeren met het chronisch vermoeidheidssyndroom (Diagnosis and treatment of young persons with chronic fatigue syndrome)
      De Jong L-WA, Fiselier-Th JW, Hoogveld S-WB et al. - Tijdschr Kindergeneeskd 2003;71:70-6
      Cfr. : http://www.ziezon.nl/uploadedFiles/171.pdf

    3. Dwalingen en dwaasheden in de geneeskunde
      Skrabanek Petr, McCormick James - Nederlandse vertaling : SUN, Nijmegen, 1993 - ISBN10 : 9061683947 Ė ISBN13 : 9789061683940
      Cfr. : http://www.bol.com/nl/p/boeken/dwalingen-en-dwaasheden-in-de-geneeskunde-druk-1/666815921/index.html

    4. Een actuele visie op het chronische vermoeidheidssyndroom
      Van Houdenhove B, Neerinckx E - Diagnostiek-Wijzer 1996; 8: 51-9
      Het chronische-vermoeidheidssyndroom ( CVS) - ook "myalgische encephalomyelitis" of "ME" genoemd - staat valop in de belangstelllng.
      Steeds meer patienten melden zich bij hun arts aan met klachten over persisterend uitputtingsgevoel, overdreven vermoeibaarbeid na inspanning en diffuse spierklachten.
      De wetenschappelijke literatuur staat bol van heftige discussies over de vraag of de aandoening een organische dan wel een psychische oorsprong heeft.
      Heel wat sceptische hulpverleners betwijfelen overigens of het wel om een "
      echte ziekte" gaat.
      De getroffen patienten voelen zich vaak onbegrepen omdat ze er maar niet in slagen hun omgeving en vooral hun controle-arts, te overtuigen van de realiteit van hun ziektegevoel.
      Dit artikel beoogt een beeld te geven van de actuele stand van het wetenschappelijk denken rond het chronische-vermoeidheidssyndroom.
      De recente literatuur, maar ook onze persoonlijke ervaring met meer dan 300 patienten vormt hierbij het uitgangspunt.
      De vroegere en huidige diagnostische criteria, de differentiaaldiagnose en de beschikbare epidemiologische data zullen worden besproken.
      Voorts besteden wij uitvoerig aandacht aan de multipele factoren die een rol kunnen spelen in de etiopathogenese van het syndroom.
      Hierna zal het interdisciplinair diagnostisch screeningsprogramma worden voargesteld dat ten beboeve van deze patienten loopt aan de Universitaire Ziekenhuizen van de KU Leuven.
      Tenslotte zullen wij nog enkele beschouwingen wijden aan de behandeling.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6164&printlink=true&highlight=empirisch

    5. Een startpunt voor vakinhoudelijke informatie
      Maasen JHW, Noort A - TBV 2004;12(5):143-145
      Cfr. : http://www.arbokennisnet.nl/images/dynamic/downloads/Projectplan%20Arbokennis%20ontsloten.pdf

    6. Een virtuele bibliotheek voor arbo en sociale zekerheid
      Dijk F van, Reinders G, Schaafsma F, Spreeuwers D, Hulshof C, Abspoel M, Vlek F, Verbeek J - TBV 2003;11(12):368-372
      Cfr. : http://dare.uva.nl/record/142407

    7. Effectieve verzuimbeheersing - Het is niet altijd ziek wat zich meldt
      Dirk Verbaan Ė Kluwer, september 2003 - ISBN10 : 9013005136 / ISBN13 : 9789013005134
      Vele wetten zijn in de loop van de tijd in werking getreden om het ziekteverzuim terug te dringen.
      Daarnaast hebben bedrijven en instellingen de wettelijke verplichting gekregen zich te verbinden aan een arbodienst.
      Toch blijft het ziekteverzuim en de intreding in de WAO ondanks alle wettelijke maatregelen een probleem van de eerste orde en moet de Wet Poortwachter zich nog steeds bewijzen.
      Op organisatieniveau beÔnvloedt het ziekteverzuim de bedrijfsvoering, de personeelskosten en de onderlinge verhoudingen.
      De omzet vermindert, orders blijven uit en het imago loopt schade op.
      Effectieve verzuimbeheersing biedt een uitdagende en compacte handreiking om het verzuim tot aanvaardbare proporties terug te brengen en het op dat niveau te houden.
      Het ziekteverzuim en de beheersing daarvan worden vanuit verschillende invalshoeken belicht.
      De achtergronden worden toegelicht, de hoofdlijnen en belangrijkste aandachtspunten worden besproken en tenslotte wordt de operationele uitwerking gedetailleerd beschreven.
      Bij dat alles worden in dit boek stereotype opvattingen kritisch bezien en omgezet in een aantal praktische succesfactoren.
      Cfr. : http://www.bol.com/nl/p/boeken/effectieve-verzuimbeheersing-druk-1/1001004002007740/index.html

    8. Effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij het Chronisch
      Vermoeidheidssyndroom - Literatuur review van de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS)
      in opdracht van de
      Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid van de Rijksuniversiteit Groningen
      Marina Folkers, augustus 2001

      Voorwoord
      In contacten met mensen die lijden aan het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) bemerk ik regelmatig een zeker wantrouwen en op zijn minst de nodige scepsis, ten aanzien van het fenomeen Cognitieve GedragsTherapie (CGT).
      De gehanteerde argumenten verschillen, maar hebben vaak dezelfde strekking.
      Het meest gehoorde argument komt er in feite op neer dat door de CGT te íomarmení je in feite zou erkennen, of op zijn minst de verdenking op je zou laden dat je die mening bent toegedaan, dat CGT "tussen de oren" zou zitten.
      Ik denk dat deze argumenten, hoe begrijpelijk en verklaarbaar ook, onjuist zijn en onrecht doen aan de mogelijkheden die CGT aan CVS patiŽnten kan bieden.
      En het is waar, van CVS is tot op dit moment nog geen organisch substraat aangetoond.
      En dat is vooral vervelend voor CVS patiŽnten omdat a. er ook geen effectieve therapeutische middelen ontwikkeld kunnen worden (laat staan dat er preventieve maatregelen getroffen kunnen worden) en b. sommige mensen, ten onrechte de conclusie zouden kunnen trekken, dat 'het dus psychisch is'.
      En verder is elke (chronische) aandoening voor veel mensen belastend en zit in die zin inderdaad ook 'tussen de oren'.
      Niet meer kunnen doen wat je altijd graag deed, een groot deel van je tijd noodgedwongen in bed moeten doorbrengen, een omgeving of zelfs een partner die geen begrip (meer) op kan brengen enz enz. gaat menigeen niet in de koude kleren zitten.
      En indien er mogelijkheden zijn om de ziekte wat beter hanteerbaar te maken en CGT hoort daar in mijn ogen bij, dan vind ik dat mensen op zijn minst moeten overwegen of liever nog uitproberen of zo'n mogelijkheid iets voor hen zou kunnen betekenen.
      In een recent rapport van de Gezondheidsraad (2001) "Doelmatigheid van langdurige psychotherapie" (cfr. : http://www.gr.nl/pdf.php?ID=188 -) wordt uitvoerig verslag gedaan van o.a. de effecten van CGT bij diverse chronische aandoeningen.
      Een groot deel van de patiŽnten die aan CGT heeft meegedaan voelt zich na afloop veel beter in staat om de problemen die als gevolg van de ziekte zijn ontstaan, te hanteren.
      En er is geen enkele reden om te denken dat bijvoorbeeld reumapatiŽnten wel en CVS patiŽnten geen baat bij CGT zouden kunnen hebben (hoewel er in het rapport van de Gezondheidsraad met geen woord over CVS wordt gerept).
      Het rapport dat voor u ligt pretendeert een rol te kunnen spelen bij het informeren van CVS patiŽnten over de zin en onzin van CGT.
      Het is geen uitputtend overzicht van alle onderzoek dat er op dit gebied is verschenen.
      Er wordt verslag gedaan van een aantal relevante onderzoeken naar de effectiviteit van CGT.
      Verder wordt uitgelegd wat CGT inhoudt, onder andere aan de hand van een gedetailleerd behandelprotocol.
      Het doel is om CVS patiŽnten te informeren over wat CGT wel en niet voor hen kan betekenen.
      Indien dit een bijdrage kan leveren aan een iets draaglijker bestaan, dan is dat doel ruimschoots gehaald.
      Dr. Jelte Bouma,
      CoŲrdinator Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid RuG Groningen, November 2001
      Inleiding
      Het chronisch vermoeidheidssyndroom, bekender onder de namen M.E. (myalgische encephalomyelitis) en postviraal syndroom, is een mysterieuze aandoening die met name het laatste decennium de kop op lijkt te steken.
      Vele tienduizenden Nederlanders lijden in meer of mindere mate aan dit syndroom waarvoor (nog ?) geen eenduidige oorzaak is gevonden.
      Het ontbreken hiervan, in samenhang met het meestal gezonde uiterlijk van de patiŽnten en de normale bevindingen bij bloedonderzoek, leidt vaak tot ontkenning van dit ziektebeeld door de huisarts, specialist, bedrijfsarts, werkgever en niet in de laatste plaats de sociale omgeving.
      De diagnose wordt gesteld op basis van de klachten en de ziektegeschiedenis.
      Sharpe et al. (1991) formuleerden de volgende criteria :
      - het ziektebeeld wordt gekenmerkt door vermoeidheid als hoofdklacht.
      - de klachten bestaan niet levenslang; ze zijn gedurende een periode van minimaal zes maanden meer dagen wel dan niet aanwezig.
      - de vermoeidheid is ernstig en beÔnvloedt fysiek en mentaal functioneren.
      - andere symptomen kunnen voorkomen, in het bijzonder spierpijn en stemmings- of slaapstoornissen.
      - uitgesloten van de diagnose zijn patiŽnten waarbij een medische ziekte is vastgesteld, die bovenstaande klachten kan veroorzaken, alsmede patiŽnten met schizofrenie, bipolaire stoornis, middelen misbruik, eetstoornissen of aangetoonde hersenziekte.
      .../...
      Tot slot
      Geprobeerd is uit een te zetten dat het CVS door combinaties van factoren kan ontstaan.
      Herstel wordt vertraagd door zowel lichamelijke als psychische en psychosociale factoren.
      Vervolgens worden symptomen in stand gehouden door allerlei andere factoren.
      Voorbeelden hiervan zijn emoties, inactiviteit, te snel weer willen beginnen, negatieve automatische gedachten, somatische ziekte-attributies en gebrek aan begrip en erkenning.
      Verschillende medische, medicamenteuze en psychologische behandelingen zijn onderzocht, maar het lijkt dat de beste behandelresultaten tot nog toe worden verkregen met cognitieve gedragstherapie.
      Dit komt, zoals beschreven, uit verschillende onderzoeken naar voren.
      Ter illustratie hiervan is het behandelprotocol volgens Deale et al. overgenomen.
      Het blijkt echter dat na afsluiting van de behandeling voor veel patiŽnten nog hindernissen voorkomen.
      Het gedoseerde inplannen van inspanning en rust moet worden toegepast op diverse situaties waarin verschillende dingen van de patiŽnt worden verwacht.
      In follow-up sessies is het nodig de patiŽnt te blijven volgen.
      Soms is het nodig booster-sessies in te plannen.
      Bij werkhervatting is het zinvol dit altijd in overleg te doen met de Arbo- of bedrijfsarts.
      Een goed overleg met de Arbo- of bedrijfsarts over een geleidelijk werkhervattingplan en werk op een therapeutische basis met duidelijke afgebakende taken, creŽert een gunstige context voor verder herstel (Keysers et al., 1997 ).
      Toch is het nodig te blijven zoeken naar verbeteringen en nieuwe mogelijkheden om nog gunstiger behandelresultaten te bewerkstelligen.
      Daarnaast is uiteraard de hoop gevestigd op een doorbraak in het medisch Ė biologisch onderzoek naar de achterliggende oorzaken van het CVS.
      .../...
      Cfr. : http://www.rug.nl/umcg/faculteit/disciplinegroepen/gezondheidswetenschappen/wetenschaps
      winkel/downloads/cgt.pdf

    9. Enquete Medisch Arbeidsongeschiktheidscriterium
      de Boer WEL, Croon NHT, Toorn M van den, Chanky-Achilles HW - TBV 4 (1996); 3: 98-103
      Cfr. : http://www.nvvg.nl/download/vatools/MAOC.pdf

    10. Evaluatie van de monitorstudie naar stress en lichamelijke belasting
      Houtman I, Goudswaard A, Dhondt S et al. - Den Haag: WGA, 1995
      Cfr. : http://www.ru.nl/arbeidsenorganisatiepsychologie/medewerkers/prof_dr_michiel_0/

    11. Evaluatie van de pilots ĎDe bedrijfsarts als extra voorziening in de georganiseerde eerste lijní
      Onderzoek naar het proces en de uitkomst van zeven projecten waar een bedrijfsarts voor ťťn of twee dagdelen werkzaam was in een eerstelijnsvoorziening.
      Cfr. :
      http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R191901686341162

    12. Functionele somatische syndromen gekenmerkt door stressintolerantie en pijnovergevoeligheid
      B. Van Houdenhove, 2007
      Lichamelijk onverklaarde syndromen komen vaak voor in de huisartsenpraktijk en alle medische specialismen.
      Uitgaande van de controverse tussen "
      lumpers" en "splitters" met betrekking tot deze syndromen, wordt gepleit voor een betere stroomlijning van de hulpverlening voor deze patiŽnten - met name voor de grote groep met persisterende stressintolerantie en pijnovergevoeligheid, die beantwoordt aan de operationele diagnosen "chronischevermoeidheidssyndroom" (CVS) en/of "fibromyalgie" (FM).
      In dit perspectief worden voorstellen gedaan voor het oprichten van vernieuwde, meer rationeel en efficiŽnt georganiseerde "
      CVS/FM-referentiecentra".
      Cfr. : http://www.tvg.be/detail.php?rec=7

    13. Gedragstherapie helpt bij vermoeidheidssyndroom
      De Standaard, 19-03-2001 Ė Bron : ANP
      Gedragstherapie helpt bij mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom CVS.
      Dat is gebleken uit een onderzoek van twee Nijmeegse psychologen onder patiŽnten van de academische ziekenhuizen in Nijmegen en Leiden en het Riagg in Maastricht.
      Zij publiceerden de resultaten in het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet.
      Mensen die aan CVS lijden hebben last van ernstige vermoeidheid, die langer dan zes maanden aanhoudt zonder dat daar een medische verklaring voor kan worden gevonden.
      De ziekte komt steeds vaker voor en vooral onder vrouwen. CVS-patiŽnten blijven meestal jarenlang ,,shoppen'' in de reguliere en alternatieve geneeskunde, zonder daadwerkelijk minder vermoeid te raken.
      Medisch psychologen G. Bleijenberg en J. Prins volgden een groep van 278 patiŽnten.
      Zij deelden de groep door middel van loting in drieŽn.
      Eenderde deel kreeg gedragstherapie, een ander deel deed mee aan begeleid lotgenotencontact en de laatste groep kreeg helemaal geen behandeling, maar was vrij zelf andere oplossingen te zoeken.
      Uit het onderzoek bleek dat lotgenotencontact, anders dan bij andere ernstige chronische ziekten, geen resultaat opleverde.
      Ook de groep die zelf oplossingen mocht zoeken, verbeterde niet.
      Cognitieve gedragstherapie bleek echter een gunstige invloed te hebben op zowel het afnemen van de vermoeidheidsklachten als op het functioneren in het dagelijks leven.
      De therapie besloeg 16 sessies van elk een uur, verdeeld over 8 maanden.
      De patiŽnten moesten geleidelijk aan meer activiteiten ontplooien, evenwichtig verdeeld over de dag.
      Gaandeweg leerden de CVS-patiŽnten om hun dagelijkse bezigheden, inclusief werk, weer op te pakken.
      Centraal in de therapie stond de zelfcontrole van de deelnemers, die moesten leren om zich niet meer afhankelijk van dokters of medicijnen op te stellen.
      Voor patiŽnten die zo passief zijn geworden dat ze helemaal niets meer doen hebben de medisch psychologen een aparte therapie ontwikkeld, die eveneens werkzaam blijkt te zijn.
      Cfr. : http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=dsw19032001_011

    14. Geen effect van fluoxetine bij chronische vermoeidheidssyndroom - Gerandomiseerd, dubbelblind, placebo-gecontroleerd onderzoek
      Vercoulen JHMM, Zitman FG, Fennis JFM et al. - Ned Tijdschr Geneeskd 1997; 31: 1531-5
      Cfr. : http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/25899

    15. Gegijzeld door chronische vermoeidheid
      Neerinckx E. Van Houdenhove B - Tijdschr Psychiatry 1997: 39: 339-41
      Het loopt grondig fout met het chronische-vermoeidheidssyndroom.
      Terwijl er in een onwaarschijnlijk tempo onderzoek wordt gepubliceerd, lijkt de oplossing van het Ďmysterieí van de ziekte steeds verder van huis.
      Toegegeven, eigenlijk is dit niet nieuw.
      De lotgevallen van het historische neurasthenieconcept zijn zeer vergelijkbaar (Shorter 1992).
      Wanneer de geneeskunde geconfronteerd wordt met lichamelijke klachten zonder duidelijk organisch substraat, slaat de dualistische verkramping in alle hevigheid toe...
      De concrete aanleiding voor dit signalement is tweevoudig.
      Vooreerst was er de ontnuchterende ervaring van het congres van de American Association for Chronic Fatigue Syndrome te San Francisco.
      Meerdere sprekers bestonden het Ė overigens perfect binnen de lijnen uitgezet door sommige Ďkey-note speakersí Ė zich bij aanvang van hun lezing te verontschuldigen, indien zij ongewild de indruk zouden wekken psychosociale factoren niet onbelangrijk te vinden in het ontstaan en voortbestaan van chronische-vermoeidheidsklachten.
      Vervolgens lazen we in The Lancet een merkwaardig ĎFrustrating survey of chronic fatigueí (Editorial 1996).
      Teneur van het editoriaal is de incongruentie tussen een gezamenlijk rapport van de Royal Colleges of Physicians, Psychiatrists and General Practitioners (1996) en een vroeger rapport van de zelfhulpgroep, de ME Association.
      Het rapport, aldus The Lancet, overschat het belang van psychologische factoren aangezien de werkgroep Ď... was top-heavy with psychiatric experts...í.
      De auteur van het editoriaal is er bovendien van overtuigd dat het huidige rapport er gekomen is omdat het vroegere Ď... was ďtoo physically oriented for some people and it called for the government to fund research...Ē
      Wat een wetenschappelijke confrontatie van hypothesen behoort te zijn, dreigt dus te verworden tot een strijd van klassieke vooroordelen, versterkt door onmiskenbare belangenconflicten.
      Over welke vooroordelen gaat het precies ?
      Om te beginnen staat psychiatrie blijkbaar voor velen nog steeds gelijk aan het Ďcommon senseí-gebied van mensenkennis dat nauwelijks iets met medische wetenschap te maken heeft.
      Voor anderen is het wel een medisch vakgebied, maar dan beperkt tot de zware geestesstoornissen (schizofrenie e.d.) en daar heeft de gewone patiŽnt uiteraard niets mee te maken...
      Voor nog anderen zijn psychische stoornissen toch vaak Ďeigen schuldí, het gevolg van zwakheid of aanstellerij, kortom, een probleem van Ďniet-willení.
      ĎNiet-kunnení is slechts gerechtvaardigd als een duidelijk meetbare hindernis (een virus, een fractuur, een doorbloedingstekort, een zenuwgeleidingsstoornis e.d.) het functioneren van het instrument (in casu het lichaam) verstoort.
      Wordt deze stoornis aangetoond, dan vervalt elke schuld of verantwoordelijkheid van de patiŽnt, worden ziektegevoel en ziektegedrag vanzelfsprekend en krijgen een label van echtheid en (financiŽle) erkenning.
      Het gekende imagoprobleem van de psychiatrie dus, maar vanwaar deze virulente revival van dualistisch hokjesdenken naar aanleiding van het onderzoek rond het chronische-vermoeidheidssyndroom ?
      Nieuwe en relatief frequent voorkomende, mysterieuze ziekten genereren onderzoeksfondsen, tenminste als het Ďechteí ziekten zijn.
      Wie het boek Osler's Web (Johnson 1996) leest, kan zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat voor een aantal Amerikaanse onderzoeksgroepen het overeind houden van een virale en/of immunologische hypothese voor het chronische-vermoeidheidssyndroom simpelweg van vitaal belang is.
      Laboratoria hebben onderzoeksgelden nodig en patiŽntenverenigingen Ė die in grote mate onderzoek financieren! Ė willen een Ďechteí ziekteoorzaak.
      Men vervolledige het plaatje...
      Ook de media ruiken dollars.
      Regel is dat een spectaculaire doorbraak leidt tot media-aandacht (Snyderman 1996).
      Niet zelden echter blijken premature onderzoeksresultaten nadien irrelevant.
      Zelfs indien men de foute berichtgeving nadien rechtzet Ė meestal gebeurt dit overigens onopvallend Ė toch heeft de kassa (via de verkoopcijfers) intussen gerinkeld en is de mediageilheid van de onderzoeker bevredigd.
      Voltaire schreef het reeds : ĎMentez ! Mentez ! Il restera toujours quelque choseí.
      En de patiŽnt, waar staat de individuele patiŽnt ?
      Laten we vooraf duidelijk stellen dat er bij de overgrote meerderheid van de chronisch vermoeiden geen twijfel over bestaat dat zij lijden.
      Maar, om uit dit lijden te raken, zit de patiŽnt tussen hamer en aambeeld.
      Enerzijds biedt een biopsychosociale ziektetheorie weliswaar een behandelingsperspectief maar geeft nog steeds het gevoel gestigmatiseerd te worden als Ďpsychiatrisch gevalí.
      Bovendien bestoken de media en sommige zelfhulpgroepen hem met de boodschap dat hij wel degelijk het slachtoffer is van een Ďechteí ziekte, waarvoor dť ultieme diagnostische test binnenkort wel gevonden wordt.
      Anderzijds bespaart een strikt somatische ziektetheorie hem weliswaar het psychiatrisch stigma, maar biedt slechts het perspectief van uitzichtloos Ďafwachten tot het over gaatí.
      Dit laatste ziektemodel kan hij trouwens niet eens hardmaken (bijv. Tegenover controlegeneesheren), omdat elke significante organische afwijking ontbreekt.
      Op die manier worden zowel onderzoekers als patiŽnten gijzelaars van de vooroordelen ten opzichte van psychologische en psychopathologische problematiek in het denken rond chronische vermoeidheid.
      Onderzoekers zitten vast in hun vooringenomenheid ter bescherming van hun onderzoeksgelden.
      PatiŽnten worden gedwongen de interferentie van psychische problemen te verwerpen om niet het risico te lopen dat hun ziek-zijn in diskrediet wordt gebracht.
      De hardnekkigheid waarmee dit bij sommige patiŽnten gebeurt, ontlokt ons wel eens de bedenking dat, wanneer men de energie die men in deze strijd verspilt, zou gebruiken om aan zijn revalidatie te werken, het herstelproces wellicht een eind gevorderd zou zijn.
      Literatuur
      -
      Chronic Fatigue Syndrome - Report of a joint working group of the Royal Colleges of Physicians, Psychiatrists and General Practitioners - Editorial (October 1996), The Lancet, 348, 971
      -
      Johnson, H. (1996) - Osler's Web. Inside the labyrinth of the chronic fatigue syndrome epidemic - Crown Publishing Inc., New York
      - Shorter, E. (1992) - From paralysis to fatigue - A history of psychosomatic illness in the modern era - Free Press, New York
      - Snyderman, N. (1996) - The Television Perspective - Paper presented at the Clinical Conference of the American Association for Chronic Fatigue Syndrome, San Francisco, October 16.
      Cfr. : http://www.tijdschriftvoorpsychiatrie.nl/zoeken/artikel.php?autid=769&pgr=1

    16. Geleide vrijheid
      Everdingen JJE, Timmermans AE, Swinkels JA, Barneveld TA, Assendelft WJJ - Medisch Contact 2003;58(10):386
      Cfr. : http://dare.uva.nl/record/142540

    17. Gender and age-specific first incidence of DSM-III-R psychiatric disorders in the general population
      R.V. Bijl, R. de Graaf, A. Ravelli, F. Smit, W.A.M. Vollebergh, 2002
      Er is een verschil in incidentie van mentale gezondheidsklachten bij mannen en vrouwen.
      Vrouwen lopen meer risico op een angststoornis dan mannen, terwijl mannen eerder stoornissen vertonen rondom middelengebruik (alcohol, drugs).
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/0x1tuwk6jkplbk9a

    18. Gezond en lekker in bedrijfsrestaurants - Onderzoek naar voedingskundige kwaliteit van de lunch
      A. van Dalen & M. Tienstra - Voeding nu : onafhankelijk tijdschrift over voedsel, voeding en gezondheid, 3(2001)1, p. 24 Ė 25 - 's-Gravenhage : Keesing Noordervliet
      Een inventariserend onderzoek naar de voedingskundige kwaliteit in bedrijfsrestaurants door de Nederlandse Hartstichting en het Voedingscentrum.
      Cfr. : http://library.wur.nl/WebQuery/artik/lang/1605365

    19. Gezondheidsbevordering op de werkplek
      Vaandrager L, Evans CM Ė In : 'Leefstijl en Werk' - Walburg JA en Vaandrager L (red) Ė Houten : Bohn Stafleu van Loghum, januari 2001
      De informatie in deze factsheet 'Gezond leven' is afkomstig uit het hoofdstuk íArbeidsgerelateerde aandoeningen en gezondheidsbevordering op de werkplek - Overzichtsstudieí van Drs. Tamara Raaijmakers opgenomen in het rapport íGezond Leven - Stand van zaken en voorstel voor programmeringí (redactie : Keijsers & Vaandrager - Den Haag; Zorgonderzoek Nederland, juli 2000) - cfr. : https://www.ggdkennisnet.nl/kennisnet/publicaties/beheerinfo.asp?display=2&atoom=3664&atoomsrt=3&actie=43 -&- http://www.hrpraktijk.nl/hoofdredactie/tamara-raaijmakers.122098.lynkx
      Waarom gezond werken belangrijk is
      Werk heeft een positieve invloed op de gezondheid van mensen: werkenden voelen zich doorgaans gezonder en meer tevreden dan niet-werkenden.
      In het algemeen betekent dit dat zoveel mogelijk mensen in het arbeidsproces betrokken zouden moeten zijn.
      Ook werknemers kunnen ziek worden.
      Dat kan door een griepje komen, waar niet veel meer aan valt te doen dan uitzieken.
      Maar werknemers kunnen ook ziek worden omdat ze bijvoorbeeld niet kunnen voldoen aan de eisen die aan hen worden gesteld, omdat hun werkomgeving een te zware druk op hen uitoefent of zelfs gevaarlijk is.
      In dit laatste geval kan ernstig ziekteverzuim ontstaan en soms zelfs tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid.
      Deze vormen van ziekteverzuim zijn veel beter te voorkomen dan het bewuste griepje.
      De gezondheid van werknemers in ons land kan sterk worden verbeterd.
      Immers, het ziekteverzuim van werkenden blijkt de laatste jaren weer te stijgen (gemiddeld is het verzuim 6%) en er is een erg groot aantal arbeidsongeschikten (bijna 1 miljoen).
      Uit onderzoek blijkt dat bijna 30% van het ziekteverzuim verband houdt met arbeidsomstandigheden.
      Klachten met betrekking tot houding en beweging (onderste deel van de rug, nek, schouder) en psychische klachten (stress, oververmoeidheid) komen het vaakst voor.
      Dat is vooral vervelend voor de werknemer, maar niet alleen voor hem of haar.
      Arbeidsgerelateerde aandoeningen vormen inmiddels een omvangrijk medisch, bedrijfseconomisch, maatschappelijk en politiek probleem.
      Geschat wordt dat jaarlijks een bedrag van 30 miljard gulden wordt uitgekeerd wegens ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
      Daar heeft niemand eigenlijk echt belang bij.
      Er bestaat traditioneel (en terecht) veel aandacht voor het genezen van zieke werknemers.
      Maar het is op zijn minst vreemd te noemen dat niet minstens dezelfde hoeveelheid aandacht bestaat om de circa 95% gezonde werknemers gezond te houden.
      Het ministerie van Volksgezondheid Welzijn & Sport zoekt de oplossing voor arbeidsgerelateerde aandoeningen dan ook in projecten, experimenten en onderzoek die gericht zijn op het stimuleren van gezondheidsbevorderende maatregelen.
      We noemen dit 'gezondheidsbevordering op de werkplek' (GBW).
      Wat is gezondheidsbevordering op de werkplek (GBW) ?
      Gezondheidsbevordering op de Werkplek (GBW) is een stapsgewijs proces waarbij de leefstijl van de werknemer wordt beÔnvloed en er in de organisatie een gezonde en veilige werkomgeving voor werknemers wordt gecreŽerd.
      Naar schatting brengen werkenden Ė bijna 7 miljoen mensen in Nederland Ė ruim 60% van hun werktijd op de werkplek door.
      Dat gezondheidsbevordering wordt gericht op juist de eigenschappen van die werkplek is dan ook logisch.
      Overheidsbeleid en verantwoordelijkheden
      In Nederland heeft de werkgever de belangrijkste verantwoordelijkheid voor de gezondheid van werknemers.
      Deze verantwoordelijkheid is omschreven in de Arbowet 1998.
      Daarin is eveneens vastgelegd dat werknemers zelf de verantwoordelijkheid hebben om zorg te dragen voor de eigen veiligheid en gezondheid en ook voor die van anderen.
      In de loop van de tijd zijn er allerlei wettelijke maatregelen gekomen die duidelijk maken hoe belangrijk de overheid een goede gezondheid van werknemers vindt.
      Voorbeelden daarvan zijn :
      - de Wet Terugdringing Ziekteverzuim (TZ) Ė cfr. : http://www.st-ab.nl/wettz.htm -&- http://wetten.overheid.nl/BWBR0006355/geldigheidsdatum_09-02-2009
      - de Wet Pemba (Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheid) Ė cfr. : http://www.st-ab.nl/wetpemba.htm
      - de Wulbz (Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht bij Ziekte) Ė cfr. : http://www.st-ab.nl/wetwulbz.htm
      - de Wet REA (ReÔntegratie van Arbeidsgehandicapten) Ė cfr. : http://www.st-ab.nl/wetrea.htm Ė en
      - de Farbo (afschrijving Arbo-investeringen) Ė cfr. : http://www.agroarbo.nl/8,downloads/17,farbo.html -.
      Waar hangt de gezondheid van werknemers mee samen ?
      Onderzoek naar gezond werken richt zich doorgaans vooral op factoren die ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid beÔnvloeden.
      Factoren die te maken hebben met het behoud van gezondheid of met het meest wenselijke gezond gedrag van werknemers, zijn minder goed onderzocht. In het onderzoek dat daarover bestaat, blijkt dat een aantal factoren van belang is voor GBW.
      * Individuele factoren - Gezondheidsproblemen van werkenden hebben in veel gevallen te maken met individuele factoren.
      Zo vallen vrouwen over het algemeen vaker uit dan mannen en worden lager opgeleiden vaker ziek dan hoger opgeleiden.
      Vrouwen en lager opgeleiden werken doorgaans onder minder gunstige arbeidsomstandigheden.
      Lagere functies zijn daarbij doorgaans minder flexibel ingericht en bieden weinig ruimte voor zelfontplooiing.
      Ook worden werknemers met lagere functies fysiek zwaarder belast.
      Andere individuele omstandigheden zijn :
      - leeftijd : oudere werknemers hebben andere gezondheidsklachten die meestal leiden tot langere perioden van uitval
      - persoonlijkheidsfactoren : de mate van carriŤregerichtheid of stressbestendigheid hangt sterk samen met gezondheid op het werk
      - privť-situatie : als deze extra belasting oplevert, bijvoorbeeld (intensieve) zorg voor huishouden en/of kinderen of ingrijpende levensgebeurtenissen, heeft dat effect op het ziekteverzuim.
      * Omgevingsfactoren - Belangrijke omgevingsfactoren zijn :
      - de aard van de werkzaamheden (fysieke en psychische belasting)
      - de organisatie van het werk (autonomie, regelmogelijkheden, taakverrijking)
      - kenmerken van de organisatie (cultuur, gezondheidsbeleid, grootte).
      Net zoals bij individuele factoren, is hierbij ook belangrijk in hoeverre de werknemer de (taak)belasting aan kan (belastbaarheid).
      Bij GBW gaat het dus altijd om een combinatie van individuele en omgevingsfactoren.
      Meer inzicht in deze samenhang is gewenst.
      Daarnaast is meer onderzoek nodig naar welke factoren (on)gezond gedrag van werknemers verklaren en in welke mate dat gebeurt.
      Wat verhoogt de slagingskans van GBW ?
      * De rol van management en organisatiebeleid - Centraal bij GBW staan de werkgevers en werknemers : bij hen ligt het initiatief voor GBW.
      Het is dus van belang dat werknemers niet alleen de ruimte krijgen, maar ook gestimuleerd worden om zaken te signaleren die de gezondheid van werknemers zowel in positieve als negatieve zin kunnen beÔnvloeden, en hierop actie te ondernemen.
      Het is daarom zeer belangrijk dat het management betrokken is bij de problematiek en dat zij ondersteuning wil bieden.
      Maar daarbij blijft het niet. Gezondheidsprogrammaí s binnen organisaties besteden ook steeds meer aandacht aan veranderingen op organisatieniveau, zoals veranderingen in cultuur en beleid.
      Structurele inbedding van GBW in het bedrijfsbeleid is daarvoor noodzakelijk.
      Een ander kansrijk initiatief is GBW consultancy : vanuit bedrijven wordt dan aangegeven dat zij behoefte hebben aan meer ondersteuning bij het invoeren van GBW.
      Een partner als Centrum voor GBW kan daarbij nuttig werk verrichten (opmerking : het Centrum Gezondheidsbevordering op de Werkplek is ondertussen overgegaan naar het Nationaal Gezondheidsinstituut (NIGZ) Ė cfr. : http://www.gezondheidsmanagement.nl/ -).
      * Gecombineerde en gedifferentieerde aanpak - Veel van de huidige gezondheidsprogrammaí s richten zich op ťťn thema, zoals roken, bewegen, voeding of stress.
      Nieuwe initiatieven op het gebied van GBW zouden meer themaí s moeten combineren, zoals bijvoorbeeld voeding en beweging.
      Maar ook de combinatie van leefstijlelementen en omgevingselementen is een belangrijke verrijking.
      Dit vereist samenwerking tussen de diverse aanbieders die nu vaak gespecialiseerd zijn op een bepaald thema.
      Ook zouden nieuwe initiatieven zich moeten richten op specifieke groepen werknemers zoals oudere werknemers, vrouwen, mensen met een lage sociaal-economische status en allochtonen.
      * Uitbreiding en verscherping wettelijke kaders - GBW speelt zich met name af in het private domein, waarbij richtinggevende en stimulerende wet- en regelgeving vanuit de overheid invloed kan hebben.
      Een illustratie daarvan is het beleid rondom roken op de werkplek: naar aanleiding van een succesvol kort geding voor het afdwingen van een rookvrije werkplek lijkt het niet onwaarschijnlijk dat een aanscherping van de wetgeving ook op andere gezondheidsbevorderende terreinen zal gaan plaatsvinden.
      Wel is meer intersectorale samenwerking gewenst: gezondheidsbevordering op de werkplek valt nu zowel onder het ministerie van VWS en SZW, waarbij onderlinge afstemming niet goed geregeld is.
      Op het gebied van publiek-private samenwerking is de recent opgerichte stuurgroep 'Dagindeling' Ė cfr. : http://www.emancipatieweb.nl/project_archief - een kansrijk initiatief voor een betere balans tussen werk en privť-situatie.
      Op dit gebied liggen zeker nog meer uitdagingen voor de toekomst.
      * Systematische invoering GBW - GBW levert vooral veel op bij organisaties waar GBW op een systematische manier ingevoerd en geŽvalueerd is.
      Bij deze organisaties werd een belangwekkende daling van ziekteverzuim en van het aantal ongelukken op de werkplek geconstateerd.
      Ook was er minder personeelsverloop en bleek er een verhoogde productiviteit te zijn ontstaan.
      Andere resultaten zijn :
      - een verhoogde werkvoldoening
      - verbetering van de werksfeer
      - een positiever ervaren managementstijl
      - een verbeterd imago van het bedrijf en
      - een verhoogde vitaliteit van het bedrijf.
      GBW lijkt daarmee een effectieve methode om de gezondheid van werknemers te bevorderen.
      Het betreft echter een langdurig proces waarbij behoud van aandacht voor dit onderwerp noodzakelijk is.
      Meer informatie
      Drs. Tamara Raaijmakers, NIGZ/Centrum GBW
      Centrum voor Review & Implementatie
      Postbus 500, 3440 AM Woerden
      Tel. : (0348) 43 76 00 Ė Fax : (0348) 43 76 66 Ė E-mail : nigz@nigz.nl
      Website : www.nigz.nl -.
      Cfr. : http://www.ggd.nl/ggdnl/uploaddb/downl_object.asp?atoom=9556&VolgNr=1

    20. Gij zult niet ziek zijn
      J. Verhoeven - De Psycholoog, jaargang 40, februari 2005, nummer 2
      Cfr. : http://direct.bl.uk/bld/PlaceOrder.do?UIN=162983283&ETOC=RN&from=searchengine
      Cfr. ook : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/faq_rethmeijer.pdf

    21. Handboek Arbeid en Belastbaarheid Ė Chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS)
      Kroneman H, Swanink CMA - Houten: Bohn Stafleu Van Loghum;2003
      Cfr. :
      - http://www.medivera.nl/cvs.pdf
      - http://www.mcs-america.org/HealthCounciloftheNetherlandsOnCFS.pdf
      - http://www.nieuwsbank.nl/inp/2005/05/31/V054.htm

    22. Handboek bedrijfsgezondheidszorg
      P. Buijs Ė Utrecht : Wetenschappelijke uitgeverij Bunge, 1990 - Provinciaal Veiligheidsinstituut : Contactpersoon : Walter Vervloet - Tel. : (32) Ė (0)3 203 42 21 Ė E-mail : pvi@felnet.info Ė Website : http://www.provant.be/pvi/ -
      Cfr. : http://bib.felnet.be/index.asp?PS=boek&nr=477280


    Lees verder : Deel XII

    25-11-2009 om 21:35 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XII

    1. Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten - Richtlijn voor bedrijfsartsen
      Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) Ė Eindhoven : NVAB 2000
      Cfr. : http://www.arboportaal.nl/gezondheidsmanagement/dossiers/psychische-klachten/psychische-klachten
      Richtlijnen dd. 2007 :
      De NVAB richtlijn "
      Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische problemen
      " schrijft een stapsgewijze en activerende vorm van begeleiding toe.
      De richtlijn gaat uit van een intake door de bedrijfsarts binnen 2 weken.
      Na het stellen van een werkdiagnose stelt de bedrijfsarts begeleidingsplan, waarvan de opbouw tijdscontingent dient te zijn.
      Dit begeleidingsplan bevat naast een plan betreffende de begeleiding van het individu, ook een advies aan de werkgever over de aangewezen interventies die de stressfactoren in de werksituatie moeten verminderen, om zo een succesvolle reÔntegratie van de verzuimende medewerker mogelijk te maken.
      De bedrijfsarts is proces bewaker van het begeleidingsplan en bij het niet halen van het tijdspad volgens het begeleidingsplan moet hij actie ondernemen.
      Dit kan door een andere begeleiding van het individu of andere interventies in de werksituatie van de verzuimende medewerker te adviseren.
      (originele versie 2000, herziene versie 2007)
      Cfr. :
      http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R2036691347899722

    2. Heden Ik
      Dorrestein Renate - Uitgeverij Contact Amsterdam/Antwerpen, 1993
      'Toen ik op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, merkte ik dat mijn bed in een enorm stuk stopverf was veranderd.
      In al mijn ledematen heerste een misselijkmakende slapte, ik kon mijn hoofd niet meer recht op mijn nek houden en bij het aankleden had ik nauwelijks de kracht om de rits van mijn spijkerbroek dicht te trekken
      '.
      In '
      Heden ik
      ' doet Renate Dorrestein op hilarische en aangrijpende wijze verslag van haar zoektocht naar een manier om te genezen van de ziekte ME.
      Een zoektocht die bemoeilijkt wordt door het onbegrip, de botheid en het gebrek aan kennis van artsen.
      Maar ze houdt hoop en geeft zich niet gewonnen voor er verbetering is.
      Cfr. :
      http://www.renatedorrestein.nl/index.php?id=68

    3. Helpt arbeidshulpverlening bij patiŽnten met depressie ?
      G. de Vries, M.J. Kikkert, A.H. Schene, J. Swinkels, 2003

      Depressie en werk, hier is nog niet veel onderzoek naar gedaan wat betreft interventies.
      Dit tweede artikel (zie ook 2006, Schene et al.) beschrijft de resultaten van een studie naar het effect van een ergotherapiemodule arbeidshulpverlening bij mensen met depressie en arbeidsgerelateerde problematiek.
      Uit het onderzoek bleek dat de ergotherapie interventie in een snellere terugkeer naar het werk en meer uren aan het werk resulteerde dan de gebruikelijke behandeling.
      De baten van de ergotherapie module zaten met name in de verkorting van het ziekteverzuim.
      Er is geen verschil gevonden in de omgang met stressvolle situaties.
      Wel komt naar voren dat met de ergotherapie interventie mensen minder vermijdend zijn ten opzichte van probleemsituaties.
      Cfr. :
      http://www.psynip.nl/upload2/projecten/instrument_devries2003.pdf

    4. Helpt arbeidshulpverlening bij patiŽnten met een depressie ?
      de Vries G, Kikkert MJ, Schene AH, Swinkels, J - Ned Tijdschrift voor Ergotherapie 2003;3:103-108
      Depressie en werk, hier is nog niet veel onderzoek naar gedaan wat betreft interventies.
      Dit tweede artikel (zie ook 2006, Schene et al.) beschrijft de resultaten van een studie naar het effect van een ergotherapiemodule arbeidshulpverlening bij mensen met depressie en arbeidsgerelateerde problematiek.
      Uit het onderzoek bleek dat de ergotherapie interventie in een snellere terugkeer naar het werk en meer uren aan het werk resulteerde dan de gebruikelijke behandeling.
      De baten van de ergotherapie module zaten met name in de verkorting van het ziekteverzuim.
      Er is geen verschil gevonden in de omgang met stressvolle situaties.
      Wel komt naar voren dat met de ergotherapie interventie mensen minder vermijdend zijn ten opzichte van probleemsituaties.
      Cfr. :
      http://www.psynip.nl/upload2/projecten/instrument_devries2003.pdf

    5. Het Chronisch Moeheids syndroom - Een moderne vorm van somatiseren ?
      Denise de Ridder Denise en Monique Heijmans - De Psycholoog, pag. 53-58, februari
      1996
      In Nederland lijden naar schatting zo'n 15.000 mensen aan het Chronisch Moeheids Syndroom - in de volksmond ook wel aangeduid als 'ME' of de 'Renate Dorrestein-ziekte
      '.
      Hoewel het onderzoek naar de oorzaken van het Chronisch Moeheids Syndroom nog in de kinderschoenen staat, is de grote aantrekkingskracht die deze mysterieuze '
      ziekte
      ' op patiŽnten uitoefent, onmiskenbaar.
      In dit artikel wordt een aantal ideeŽn op een rijtje gezet die een verklaring kunnen vormen voor de aantrekkelijkheid van het Chronisch Moeheids Syndroom voor veel patiŽnten.
      Hoewel de eerste gevallen van chronische moeheid al in de achttiende eeuw werden gedocumenteerd (Shorter 1992), is de grote opmars van dit verschijnsel van veel recenter datum.
      Die opmars manifesteert zich op verschillende manieren.
      Allereerst is er de aandacht die de media aan dit onderwerp besteden - zoals bijvoorbeeld blijkt uit reportages in HP/De Tijd, televisieprogramma's over gezondheid als Top Sant en uit de aandacht van de pers voor de verschijning van Renate Dorresteins ziekte-autobiografie : '
      Heden ik'
      (1993 - cfr. : http://www.renatedorrestein.nl/index.php?id=68 -)-.
      De belangstelling van de media voor chronische moeheid is niet exclusief voor Nederland - in de Verenigde Staten en in Groot-BrittanniŽ is die zelfs nog groter en daarbij is opvallend dat publikaties in de populaire pers vaak afkomstig zijn van journalisten die zelf aan chronische moeheid lijden.
      Een belangrijke maar lastig te beantwoorden vraag is in hoeverre de media de belangstelling van de zijde van patiŽnten voor chronische moeheid hebben aangewakkerd of simpelweg hebben gedocumenteerd.
      In ieder geval is er, parallel aan de belangstelling van de media, een grote toename van patiŽnten die zeggen aan chronische moeheidsklachten of het Chronisch Moeheids Syndroom (CMS) te lijden - en dat is een tweede signaal van de opmars van chronische moeheid.
      In Nederland presenteren veel patiŽnten hun klachten overigens niet onder de noemer '
      chronische moeheid' maar als 'Myalgische Encephalomyelitis' ofwel 'ME' - een term die ook wel wordt gebruikt vanwege de neurologische symptomen die een belangrijk kenmerk lijken van het syndroom ('myalgisch' wegens de hevige spierpijn en 'encephalomyelitis' in verband met de veronderstelde ontsteking van het zenuwstelsel).
      Bij de term '
      ME
      ' koesteren de meeste artsen grote reserves omdat het een duidelijke diagnose met een duidelijke etiologie impliceert waarvoor vanuit medisch oogpunt (nog) onvoldoende bewijs is.
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1184&printlink=true&highlight=overschat

    6. Het chronisch vermoeidheidssyndroom - Een overzicht van recente literatuur gecombineerd met een beperkt verzekeringsgeneeskundig onderzoek
      Versteeg, A.J.D. - Utrecht : Stichting voor Sociale Gezondheidszorg (SSG), 1994
      In de jaren 80 van de 20e eeuw kwam het chronisch vermoeidheidssyndroom opnieuw in de belangstelling.
      Oorzaken werden gezocht op immunologisch en psychiatrisch terrein.
      In deze scriptie, geschreven in het kader van de opleiding verzekeringsgeneeskunde van de Stichting voor Sociale Gezondheidszorg, werden veertig verzekerden die met de diagnose M.E. arbeidsongeschikt waren, onderzocht op depressieve symptomen, voorafgaand activiteitenpatroon en werkhervatting.
      Depressieve symptomatologie was bij de onderzochte populatie niet manifest.
      Wel leek er sprake van somatische fixatie.
      Voor het manifest worden van de vermoeidsklachten bleek er geen sprake te zijn van een opmerkelijk fysiek actief leefpatroon.
      Bij een stimulerende houding van de verzekeringsgeneeskundige hervatte het merendeel van de populatie binnen zes maanden de eigen werkzaamheden.
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=51679&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/adlib/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue

    7. Het chronisch vermoeidheidssyndroom bij jongeren (Chronic fatigue syndrome in young persons)
      De Jong LW, Prins JB, Fiselier TJ et al. - Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1513-6

    8. Het chronische moeheidssyndroom Ė I - Somatische hypothesen
      Swanink C.M.A., Galama J.M.D., Vercoulen J.H.M.M., Bleijenberg G.,
      Fennis J.F.M., Meer J.W.M., van der - Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde,
      135 (43), 2010-2014, 1991
      Cfr. :
      -
      http://www.cfsinfo.be/Documentatie/Algemeen/Geschiedenis/Oorzaak%20en%20geschiedenis%20van%20chronisch%20moeheidssyndroom.htm
      - http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6456&printlink=true&highlight=premorbiede

    9. Het chronische vermoeidheidssvndroom
      Boer M., 1992, Rijksuniversiteit Utrecht
      - Een verslag van een onderzoek in het Academisch Ziekenhuis te Nijmegen naar factoren die een rol kunnen spelen bij het in stand houden van de vermoeidheid en naar stoornissen op het gebied van concentratie en geheugen waarmee dit syndroom gepaard kan gaan
      - Een beschrijving van een raadselachtig syndroom, literatuurscriptie in het kader van het doctoraal onderdeel van het trace '
      Gezondheidspsychologie' bij de vakgroep 'Klinische Psychologie en Gezondheids-psychologie' aan de Rijksuniversiteit Utrecht, 1992
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=728&printlink=true&highlight=pijnbeleving

    10. Het chronische vermoeidheidssyndroom - Eindpunt van een multifactorieel proces
      B Van Houdenhove, B Fischler, E Neerinckx - Bron : Neuron, vol 3, Nr 1, 1998
      Samenvatting

      In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de huidige stand van wetenschappelijke kennis betreffende het chronische vermoeidheidssyndroom.
      Vooral wordt betoogd dat, naar alle waarschijnlijkheid, een samenspel van biologische en psychosociale factoren aan de basis ligt van het syndroom en dat deze "
      biopsychosociale
      " visie de beste kansen inhoudt voor een optimale behandeling.
      .../...
      Besluit

      Het chronisch vermoeidheidssyndroom past niet in het traditionele biomedische kader waarin een ziekte ofwel als "
      somatisch" ofwel als "psychisch" wordt beschouwd.
      Het syndroom brengt de moeilijkheden aan de oppervlakte die de moderne geneeskunde heeft met stoornissen die zowel somatische als psychische componenten omvatten (73) en die bovendien "
      ziektegevoel zonder (objectiveerbare) ziekte
      " impliceren (49,74).
      Geleidelijk aan wordt duidelijk dat CVS-onderzoekers op pathofysiologisch en psycho(patho)logisch vlak beter geen gescheiden wegen opgaan, maar hun benaderingen samenbrengen.
      Op die manier zal het immers mogelijk worden om multipele etiologische (predisponerende, uitlokkende en onderhoudende) mechanismen te conceptualizeren en te investigeren binnen een biopsychosociaal model.
      Predisponerende factoren kunnen onder meer omvatten : premorbide episodes van majeure depressie, premorbide angststoornissen en persoonlijkheidsfactoren zoals excessieve prestatiegerichtheid, perfectionisme en een overactieve levensstijl.
      Als uitlokkende factoren zijn virale infecties klinisch aannemelijk, maar ook stresserende levensgebeurtenissen en lichamelijke of psychische overbelasting kunnen een belangrijke precipiterende rol spelen.
      Onderhoudende factoren lijken onder meer te zijn : samengaande emotionele stoornissen, somatische ziekte-attributies, medisch-sociale en medicolegale conflicten, activiteitsvermijding als copinggedlag, slaapstoornissen, chronische persoonlijke, relationele en/of werk-gerelateerde moeilijkheden en foutieve informatie over CVS vanuit de media.
      Cfr. : listserv@nic.surfnet.nl

    11. Het chronische vermoeidheidssyndroom en de arbeidsgeschiktheidsbeoordeling
      Bakker, M.;Werf, M.L van der - Hoofddorp : TNO Arbeid, 2000
      Dit onderzoek bestaat uit twee delen : een literatuuronderzoek en een inventariserend onderzoek naar de visie van de verzekeringsartsen in de vorm van een enquÍte.
      Naar het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) in het algemeen is veel onderzoek verricht.
      Minder is bekend over CVS in relatie tot arbeid.
      Er zijn juridische uitspraken gedaan over het al dan niet kunnen verrichten van arbeid.
      Eťn van de problemen waar verzekeringsartsen mee te maken hebben is het feit dat moeheid moeilijk objectief te meten is.
      Dit heeft directe gevolgen voor het vaststellen van de belastbaarheid en dus van de arbeidsongeschiktheid.
      Doel van het tweede deel, de enquÍte, was inzicht krijgen hoe de verzekeringsartsen de standaarden en richtlijnen hanteren en in het bijzonder bij de beoordeling van moeilijk objectiveerbare aandoeningen als CVS.
      Veel verzekeringsartsen interpreteren de standaarden en richtlijnen echter niet op een zelfde uniforme wijze, en men gebruikt de speelruimte die is overgelaten voor de individuele beoordeling.
      Cfr. :
      http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=44947&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/adlib/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue

    12. Het chronische vermoeidheidsyndroom - Een overschat of onderschat probleem in de praktijk van de arts voor arbeid en gezondheid
      Manders MJM, Nijs PAR - Amsterdam: NIA TNO, 1998
      De doelstelling van deze scriptie is inzicht te krijgen in het voorkomen van CVS in een geselecteerde populatie werknemers in dienstverband en de arbo-arts te adviseren over de begeleiding en reintegratie van CVS patienten.
      Deze doelstelling hebben we uitgewerkt middels het zoeken naar een antwoord op drie vragen :
      - Hoe vaak komt CVS voor in de werkende bevolking ?
      - Hoe kunnen patienten die CVS hebben adequaat gereintegreerd worden ?
      - Als blijkt dat reintegratie niet lukt, wat is er dan voor nodig om de aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering te kunnen onderbouwen ?
      Naast een uitgebreide literatuurstudie hebben we een pilotstudy uitgevoerd.
      Het betreft hier een descriptief, retrospectief dossieronderzoek, waarbij een gerandomiseerde steekproef werd genomen uit een bestand van 294088 medewerkers, verzorgd door de arbodienst, waar wij beiden werken.
      De resultaten laten zien dat de prevalentie van CVS in deze geselecteerde onderzoeksgroep lager ligt dan in de huisartsenpraktijk in Nederland.
      De onderzoeksmethode die wij gehanteerd hebben was vergelijkbaar met de methode die in 1996 werd gebruikt in een prevalentie-onderzoek in 4 huisartsenpraktijken in de regio Leiden.
      Ook in een aantal andere prevalentie-onderzoeken ligt de prevalentie hoger.
      Hierbij dient opgemerkt te worden dat de methoden van onderzoek van elkaar verschillen.
      Uit het literatuuronderzoek komt naar voren dat cognitieve gedragstherapie de beste resultaten geeft bij de reintegratie van CVS patienten.
      Juist in de vroege fase kan de bedrijfsarts de basis leggen voor een goede begeleiding.
      Wanneer reintegratie niet lukt valt of staat een aanspraak op een WAO toekenning met de consistentie van de onderbouwing van de beperkingen.
      Cfr. :
      http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6388&printlink=true&highlight=reintegratie

    13. Het chronische-vermoeidheidssyndroom
      Gezondheidsraad - Den Haag: Gezondheidsraad, 2005; publicatie nr 2005/02
      PatiŽnten met het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS), ook wel bekend als 'ME
      ', lijden aan een aandoening die niet algemeen als zodanig wordt erkend.
      In een vandaag verschenen advies wil de Gezondheidsraad een einde maken aan die controverse.
      De raad noemt CVS een ernstig invaliderende aandoening.
      De precieze oorzaken ervan zijn nog niet bekend, maar vaststaat dat het gaat om een samenspel van lichamelijke en psychosociale factoren.
      De beste behandeling is niet totale rust, maar een geleidelijke opbouw van lichamelijke activiteit.
      Cognitieve gedragstherapie kan daarbij helpen.
      Nederland telt naar schatting tussen de dertig- en veertigduizend patiŽnten met het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS).
      Ruim driekwart van hen is vrouw. CVSpatiŽnten voelen zich voortdurend moe en uitgeput en hebben daarbij ook allerlei andere lichamelijke klachten.
      Hun werk valt hen vaak te zwaar, evenals hun sociale leven. CVS is een controversiŽle aandoening.
      Zowel binnen als buiten de medische wereld zijn er mensen die wel en mensen die niet in het bestaan ervan geloven.
      Dat heeft onder meer tot grote meningsverschillen geleid over het vermogen van CVSpatiŽnten om arbeid te verrichten en daarmee over het recht op een uitkering.
      Er is nog weinig bekend over het ontstaan en de oorzaken van CVS.
      Eenvoudige diagnostische tests zijn er niet.
      Voor de Gezondheidsraad staat vast dat CVS niet is af te doen als een ziekte die louter psychische oorzaken heeft.
      CVS is ťťn van de vele syndromen met lichamelijk onverklaarde klachten, waartoe bijvoorbeeld ook fibromyalgie en het prikkelbaredarmsyndroom behoren.
      Het klachtenpatroon bij deze aandoeningen duidt op een ontregeling van regelsystemen of van de communicatie tussen regelsystemen.
      De ontregeling lijkt terug te voeren op eenzelfde grondpatroon : een langdurige en ernstige verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en belasting.
      Moeheid is in het algemeen een signaal om het kalmer aan te doen, maar totale rust doet de conditie geen goed en houdt de klachten uiteindelijk in stand.
      Ď
      Rust roest
      í is daarom de rode draad in het beleid bij vermoeidheidsklachten.
      CVS-patiŽnten moeten het advies krijgen te doen wat ze nog kunnen, zo nodig na aanpassing van werk(tijden) in overleg met de bedrijfsarts.
      Verder blijkt cognitieve gedragstherapie een effectieve behandeling te zijn.
      PatiŽnten leren hun mogelijkheden optimaal te benutten en hun lichamelijke activiteit geleidelijk op te bouwen met als doel herstel van functioneren en werkhervatting.
      Voor een adequate zorgverlening is uitbreiding van de behandelcapaciteit nodig.
      Cognitieve gedragstherapie bij CVS is alleen structureel beschikbaar in Nijmegen, maar daar staan ruim driehonderd patiŽnten op de wachtlijst.
      Er zouden meer centra gevormd moeten worden die zich speciaal op CVS richten of meer in het algemeen op onderzoek en behandeling van stressgebonden aandoeningen.
      De kennis over CVS vertoont grote hiaten.
      De zoektocht naar ťťn specifieke oorzaak van CVS is niet vruchtbaar gebleken en zal vermoedelijk ook in de toekomst niet leiden tot een verklaring van het scala van symptomen en verschijnselen.
      Een daadwerkelijke vergroting van het inzicht in de oorzaken en de behandeling van CVS vergt een multidisciplinaire aanpak.
      Cfr. :
      -
      http://www.gezondheidsraad.nl/nl/adviezen/het-chronische-vermoeidheidssyndroom
      - http://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/ssamenvatting%20CVS.pdf
      - http://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/Pb_CVSelectronisch.PDF

    14. Het chronische-vermoeidheidsyndroom - Door de bomen het bos...
      Van Houdenhove B - Tijdschr Geneeskd 2002;58:1385-91
      In dit artikel worden enkele actuele twistpunten rond het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS) kritisch besproken, vanuit een "update
      " van de literatuur, en onze eigen klinische ervaring.
      Achtereenvolgens behandelen we de verschillende standpunten over de terminologie, de diagnostiek en de classificatie van het syndroom, de etiologie en de pathogenese, alsook de "
      evidence-based
      " therapie.
      Betoogd wordt dat alleen een biopsychosociale visie op CVS in de toekomst kan leiden tot een wetenschappelijke en klinische consensus.
      Cfr. :
      http://www.tvg.be/detail.php?rec=5

    15. Het chronische-vermoeidheidsyndroom - Test-case voor onze geneeskunde ? - Ten geleide
      Van Houdenhove - Tijdschr. voor Geneeskunde, 55, nr. 24,1999
      Het chronischc-vermoeidheidsyndroom (CVS) blijft voor grote controverse zorgen.
      Onder wetensehappers en clinici wordt er druk gediscussieerd of het syndroom een (vooralsnog onbekende) organisehe oorsprong heeft, dan wel een louter psychisehe kwestie is.
      Maar ook de media geraken steeds meer in de ban van de controverse en vragen zich af - in de inmiddels beruchte "
      believer-disbeliever"-stijl - wie nu gelijk heeft : zij die vinden dat CVS echt bestaat of zij die beweren dat het tussen de oren zit.
      In de kranten kan men geregeld lezen over "
      grote wetenschappelijke doorbraken
      ".
      Een paar maanden geleden nog liet een Australisch team de wereld weten dat er bij CVS-lijders iets fundamenteel fout zit met het melkzuur in de spieren.
      Ook in ons land werd een paar jaar geleden een doorbraak in het vooruitzicht gesteld.
      Op basis van een bij CVS-patienten gevonden enzymafwijking zou een diagnostische test (in commerciele termen : '
      een test-kit
      ') worden ontwikkeld, die het ziek-zijn van ongeveer 40% van de chronisch vermoeiden definitief zou kunnen wettigen.
      Bovendien zou bij deze subgroep een specifieke immuuntherapie kunnen worden toegepast.
      Is het, bij al deze disparate informatie, te verwonderen dat iedereen Ė de getroffen patienten, maar ook hun artsen - zo stilaan het noorden kwijtraken ?
      Wat te denken, bijvoorbeeld, over een recente advertentie in een lokaal weekblad, waarbij een jonge vrouw onder de titel "
      NOODKREET
      " om financiele hulp schreeuwt om de immuuntherapie die haar kan redden, te kunnen betalen... ?
      In een reeks van vier artikels willen we proberen enige orde in de chaos te scheppen.
      We vertrekken hierbij vanuit de volgende invalshoeken : medisch-historisch en sociocultureel : medisch-sociaal: biologisch; en klinisch-therapeutisch.
      De rode draad doorheen deze vier bijdragen wordt gevormd door de overtuiging dat CVS- en fibromyalgiepatienten het beste begrepen en geholpen kunnen worden via een biopsychosociale benadering, die een eng-dualistische visie overstijgt.
      Onze moderne geneeskunde heeft het, ondanks haar spectaculaire successen altijd moeilijk gehad met de grote groep patienten die zich ziek voelen zonder een ziekte te hebben.
      Het chronische-vermoeidheidsyndroom lijkt deze moeilijkheid op de spits te drijven.
      Zou het syndroom in die zin niet beschouwd kunnen worden als een test-case ?
      Cfr. :
      -
      http://www.tvg.be/detail.php?rec=0
      - http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6176&printlink=true&highlight=vermoeidheidsyndroom

    16. Het chronische-vermoeidheidsyndroom anno 1999 - Een terugblik en een perspectief
      Van Houdenhove, Neerinckx Ė 1999
      Vage, organisch niet te verklaren klachten van vermoeidheid en pijn lijken in onze westerse maatschappij toe te nemen.
      Vanuit een medisch-historisch en sociocultureel perspectief worden de mogelijke oorzaken hiervan ontleed.
      Vervolgens wordt de huidige stand van de klinische en wetenschappelijke kennis betreffende het chronische-vermoeidheidsyndroom besproken, en een biopsychosociaal kader aangereikt voor toekomstig onderzoek.
      Cfr. :
      http://www.tvg.be/detail.php?rec=1

    17. Het lukt niet zonder werk - Over psychische klachten, arbeidsparticipatie en herstel - Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar
      Prof. dr. Roland Blonk Ė cfr. : http://www.chainworks.nl/cvblonk.html - aan de Universiteit Utrecht, maart 2006
      Hoe kan terugkeer naar werk juist bijdragen aan herstel van functioneren van mensen met werkgerelateerde klachten ?
      Ook met onderzoek naar de effecten van werkgerichte interventies.
      Meneer de rector magnificus, geachte aanwezigen, Hartelijk dank voor de moeite die u heeft genomen hier aanwezig te zijn bij deze openbare les.
      Ik wil het vanmiddag met u hebben over twee zaken : reÔntegratie en activering.
      Twee woorden die ook in de titel staan van mijn leerstoel
      ĎArbeidsparticipatie en psychische klachten - In het bijzonder activering en reÔntegratie
      í - cfr. : http://www.onderzoekinformatie.nl/nl/oi/biza/a81000h/PRS1271231/ -.
      Het probleem
      ReÔntegratie handelt over het begeleiden naar werk van werknemers die ziek thuis zitten.
      Activering handelt over het begeleiden naar werk van langdurig werklozen.
      En natuurlijk wil ik het met u hebben over onderzoek, met name over effectonderzoek op deze twee vormen van begeleiding.
      En in beide gevallen richt ik mij op de begeleiding van mensen met psychische klachten.
      Niet over psychische klachten in het algemeen want dat is een te breed begrip.
      Nee, het gaat over die psychische klachten die gerelateerd zijn aan werk.
      Klachten die ontstaan als gevolg van een te hoge arbeidsbelasting, maar, ook klachten die het gevolg zijn van het ontbreken van werk, klachten die het gevolg zijn van werkloosheid.
      Het zijn psychische klachten die vooral gerelateerd zijn aan depressie, aan een depressief affect.
      Niet zozeer depressie in klinisch diagnostische zin maar meer van onwelbevinden, van psychische vermoeidheid, van burnout of overspanning.
      Maar daarnaast ook van uitzichtloosheid, van moedeloosheid, van geen perspectief zien op verbetering van de leefsituatie of dat nu met werk is of juist zonder.
      Maar meer nog wil ik het met u hebben over het herstel van deze klachten bij mensen die langdurig zonder werk zitten of langdurig verzuimen en over hoe terugkeer naar het werk juist kan bijdragen aan dat herstel.
      Vanwege de twee onderwerpen, reÔntegratie en activering, maar ook omdat de wetenschappelijke stand van zaken rond deze twee onderwerpen aanmerkelijk verschillend is, zal ik in het eerste deel van mijn rede ingaan op reÔntegratie en in het tweede deel op activering.
      Maar laten we eerst kijken naar de omvang van het probleem en daarmee naar de maatschappelijke relevantie en vervolgens per onderwerp nagaan wat er aan interventieonderzoek is gedaan, wat de betekenis daarvan is en wat er nog gedaan moet worden.
      De omvang
      Het aantal mensen dat psychische klachten rapporteert van de aard zoals ik zojuist beschreven heb is groot.
      Ik zal u wat cijfers noemen.
      Het varieert wel enigszins per onderzoek en is natuurlijk ook afhankelijk van de criteria die men hanteert maar cijfers uit recent onderzoek laten zien dat zoín 5-10 % van de werknemers in Nederland last heeft van werkgerelateerde psychische klachten.
      Ook blijkt uit cijfers van het UWV dat psychische klachten, in het bijzonder die klachten die te maken hebben met depressie, burnout of overspanning nog steeds zoīn dertig procent van de totale instroom in de WAO (sinds januari WIA geheten) veroorzaken.
      Dan hebben we het over zoín vijfentwintig tot dertigduizend mensen per jaar.
      Verder blijkt uit recent onderzoek door TNO dat de maatschappelijke kosten als gevolg van verzuim, uitkeringen en medische consumptie, ruw geschat, bij elkaar zoín vier miljard euro per jaar bedragen.
      Maar zoals gezegd het gaat niet alleen over psychische klachten bij werknemers, het gaat ook over psychische klachten bij werklozen.
      De laatste cijfers bij het CBS laten zien dat op dit moment meer dan 200.000 mensen een bijstandsuitkering ontvangen.
      Daarnaast zijn er nog zoín 300.000 mensen die in de WW zitten.
      Deze mensen lopen een groot risico op klachten van depressieve aard als de werkloosheid te lang duurt, met name als het langer duurt dan drie maanden.
      Ik kom daar later nog op terug, maar ťťn ding is duidelijk, mensen die werkloos zijn hebben gemiddeld gezien een slechtere mentale gezondheid dan zij die wel een baan hebben.
      Bij elkaar genomen gaat het dus om een omvangrijk maatschappelijk probleem, om zoín vijfhonderd tot achthonderd duizend mensen die door hun werk of juist doordat ze geen werk hebben problemen ervaren met hun mentale gezondheid en waar, naast het persoonlijke leed, ook maatschappelijk gezien enorme kosten mee zijn gemoeid.
      Daar moet dus iets aan gedaan worden en, gezien de omvang, is het noodzakelijk dat er op verschillende niveaus maatregelen worden genomen.
      Verschillende niveaus, dat wil zeggen op het niveau van de landelijk overheid, op het niveau van branches en arbeidsorganisaties en op het niveau van de individuele begeleiding.
      En dat is ook gedaan.
      Bijvoorbeeld, op het terrein van psychische klachten bij werknemers is op het niveau van de overheid de Wet Verbetering Poortwachter (Wvp) Ė cfr. :
      http://www.st-ab.nl/wetwvp.htm - ingevoerd, op het niveau van de branches zie je dat er arboconvenanten rond werkdruk zijn afgesproken en op het niveau van de individuele begeleiding zijn er medische richtlijnen en behandelprotocollen Ė cfr. o.a. : http://www.artsennet.nl/agz/2/ - ontwikkeld.
      Maatregelen die bij voorkeur evidence based zijn, dat wil zeggen, zoveel mogelijk gegrond zijn op wetenschappelijke kennis.
      En juist hier dient zich een probleem aan, namelijk dat veel maatregelen niet gebaseerd zijn op evidence, op wetenschappelijk bewijs.
      Dat geldt zowel voor maatregelen die betrekking hebben op reÔntegratie als die betrekking hebben op activering.
      Ik zal nu eerst ingaan op situatie rond de reÔntegratie van werknemers met psychische klachten.
      Onderzoek bij werknemers met psychische klachten
      Psychische klachten bij werkenden, daar is de afgelopen decennia enorm veel en in ook toenemende mate onderzoek naar gedaan.
      Om u een indicatie te geven : als je bijvoorbeeld in de wetenschappelijke literatuur naar het woord burnout zoekt dan krijg je zoín 4000 hits, 4000 wetenschappelijke publicaties in de afgelopen 25 jaar die iets zeggen over burnout.
      Als je daar een term als werkstress aan toevoegt dan worden het er meer dan tien duizend.
      Met andere woorden een enorme hoeveelheid onderzoek.
      Echter, voeg vervolgens woorden toe die te maken hebben met begeleiding of behandeling dan blijven er maar zoín vijf tot zes honderd over.
      Hieruit kun je concluderen dat het meeste onderzoek op dit terrein gaat over de aard, over de context en over de ontwikkeling van deze psychische klachten en dat slechts een beperkt deel gaat over wat dat dan betekent voor de begeleiding of behandeling van de mensen die hier mee kampen.
      Als je vervolgens woorden als effectonderzoek of uitkomst toevoegt, dan blijven er maar enkele tientallen wetenschappelijke publicaties over.
      Een grove inhoudelijke scan van deze studies laat vervolgens zien dat minder dan tien studies betrekking hebben op het effect van begeleiding bij werknemers die ziek thuis zitten vanwege de genoemde psychische klachten.
      Een paar jaar geleden hebben van der Klink, de hooggeleerden Schene en van Dijk en ikzelf een metaĖanalyse uitgevoerd op het terrein van stress management trainingen.
      Het doel dat we aanvankelijk voor ogen hadden was een overzicht geven van gecontroleerde interventiestudies tot 1998 bij werknemers die verzuimen vanwege psychische klachten.
      Echter we vonden geen enkele interventiestudie met verzuimden werknemers alleen studies met niet verzuimenden werknemers.
      Met ander woorden alleen primair preventieve studies, en geen secundair preventieve studies.
      En daarmee kom ik op mijn eerste centrale thema, namelijk er wordt te weinig interventieonderzoek wordt uitgevoerd bij, wat ik zou willen noemen, Ď
      klinischeí groepen, bij diegene waarvoor interventies uiteindelijk worden ontwikkeld.
      Het is ook wel eigen aan de wetenschappelijke wereld die meer geneigd is onderzoek te doen naar het waarom van de dingen dan naar het waarvoor, naar de toepassing van al die ontwikkelde kennis.
      Niet dat alle wetenschappelijke kennis per se een toepassing dient te krijgen.
      Het is eigen aan de mens de vraag naar het waarom van de dingen te stellen.
      En daarmee is die vraag op zich legitiem.
      Maar zo ook is de vraag naar het waarvoor.
      Het is dan onder andere aan instituten als TNO om in samenwerking met universiteiten deze vraag naar het waarvoor te stellen en de antwoorden op de waarom vraag te vertalen naar praktische handvatten en deze handvatten te evalueren in gecontroleerd interventieonderzoek.
      Maar laten we terug gaan naar die paar interventiestudies die wel zijn uitgevoerd en kijken naar de resultaten van deze studies en wat dat betekent voor toekomstig onderzoek.
      Interventieonderzoek tot nu toe

      Voor zover mij bekend, zijn er zoín zeven interventiestudies uitgevoerd met werknemers die verzuimen vanwege psychische klachten.
      Voor het merendeel deel betreft het overigens studies die zijn uitgevoerd door promovendi die ik heb begeleid, die ik zelf heb uitgevoerd of anderszins bij betrokken ben geweest.
      Voor dat ik wat meer in detail op deze studies in ga kan ik u nu al zeggen dat de uitkomsten van deze studies allemaal in dezelfde richting wijzen.
      Namelijk dat werkhervatting een belangrijk onderdeel dient te zijn van de interventie, van de behandeling, dat het herstel niet lukt of voldoende snel lukt zonder werkhervatting.
      En de vraag die dan opkomt is : '
      Hoe doe je dat dan, hoe incorporeer je dan werkhervatting in de interventie, in de behandeling ?'
      Dat is het tweede centrale thema van mijn rede : '
      Hoe doe je dat dan ?
      '.
      Een van de eerste onderzoeken op dit terrein is het onderzoek geweest van Van der Klink.
      In dit vergelijkend effectonderzoek is nagegaan wat het effect is van een door bedrijfsartsen uitgevoerde activerende begeleiding bij werknemers die ziek thuis zaten vanwege de eerder genoemde psychische klachten.
      De kern van deze activerende begeleiding, waarin vooral gebruik is gemaakt van gedragstherapeutische principes, is dat niet het niveau van de klachten leidend is in de begeleiding, maar de tijd die werknemers thuis zitten.
      Daarmee is de behandeling dus tijdscontingent en niet Ė zoals traditioneel gebruikelijk Ė klachtencontingent.
      Met andere woorden vanaf een bepaald tijdstip wordt aangestuurd op partiele en volledige werkhervatting.
      In dit onderzoek werd het effect van deze activerende begeleiding vergeleken met de reguliere begeleiding.
      De resultaten van dit onderzoek zijn opmerkelijk.
      De daling in klachten was in beide begeleidingsvormen even groot, terwijl er wel een verschil gevonden werd in de snelheid waarmee werknemers weer aan het werk gingen. Namelijk, werknemers die de activerende begeleiding kregen waren sneller volledig aan het werk dan de werknemers die de reguliere begeleiding ontvingen.
      Men zou vervolgens kunnen denken dat werknemers die sneller terug naar het werk gingen ook een grotere kans hadden zich weer sneller ziek te melden.
      Dit bleek niet het geval te zijn.
      Bovendien was iedereen weer volledig aan het werk binnen een jaar waarmee, volgens de destijds geldende wetgeving, WAO-instroom werd voorkomen.
      Wat kunnen we hieruit concluderen ?
      Tenminste kunnen we concluderen dat terugkeer naar het werk gerelateerd is aan het niveau van de klachten maar, dat dit niveau van klachten niet samenhangt met de snelheid waarmee mensen kunnen terugkeren naar het werk.
      In vrijwel alle andere studies is dit zelfde resultaat gevonden.
      Er zijn wel verschillen in de snelheid waarmee werknemers weer volledig aan het werk gaan, maar er is geen verschil in de daling van klachten.
      Eťn van deze andere studies is de studie van Nieuwenhuijsen waarin de relatie tussen kwaliteit van bedrijfsgeneeskundig handelen en werkhervatting bij werknemers met psychische klachten is onderzocht.
      De kwaliteit van het bedrijfsgeneeskundig handelen werd afgemeten aan de recent ontwikkelde medische richtlijn.
      Deze richtlijn is overigens gebaseerd op het eerder genoemde onderzoek van Van der Klink.
      In de kern geeft deze richtlijn aan dat je niet klachtencontingent maar tijdcontingent moet begeleiden, wat zoveel zegt als dat de duur van het verzuim meer richtinggevend is in de begeleiding dan het niveau van de klachten.
      De resultaten van het onderzoek van Nieuwenhuijsen komen overeen met dat van Van de Klink : dit betekent dus dat hoe meer bedrijfsartsen conform de richtlijn handelen des te sneller gaan werknemers terug naar het werk, terwijl dit geen negatieve invloed heeft op de daling van de klachten
      Beide onderzoeken laten volgens mij zien dat terugkeer naar het werk een belangrijk onderdeel van de begeleiding dient te zijn en dat de begeleiding niet direct op de klachten gericht hoeft te zijn maar in eerste instantie op het functioneren, op het herstel van functioneren.
      Dit herstel van functioneren zou mogelijk gebaat kunnen zijn bij een soort gecombineerde aanpak waarin zowel werkgerichte interventies als individugerichte interventies worden aangeboden.
      Dat is door ons in een volgende studie onderzocht.
      De uitkomsten van deze studie, overigens de eerste studie op dit terrein waarin een experimenteel design werd gehanteerd, lieten wederom een zelfde beeld zien.
      In alle behandelcondities was de daling in klachten even groot terwijl er juist een verschil werd gevonden in de snelheid waar mee mensen weer volledig aan het werk waren.
      Zodra er werkaspecten geÔntegreerd worden in de behandeling, zoals in de gecombineerde aanpak, waren mensen veel eerder hersteld wat betreft hun functioneren dan in de twee andere condities.
      Eťn van deze twee condities betrof overigens uitgebreide psychologische begeleiding.
      Het laat eens te meer zien dat een behandeling die te veel uit gaat van het oude adagium dat je eerst Ď
      beter
      í moet zijn voor je weer aan het werk kunt belemmerend kan werken op het herstel.
      De resultaten van deze onderzoeken zijn goed verklaarbaar vanuit de leertheoretische principes, de basis van de cognitieve gedragstherapie, waarin cognitieve herstructurering in combinatie met geleidelijke confrontatie met stresserende stimuli en het aanleren van alternatief gedrag voorop staat.
      Sterker nog, juist vanuit deze leertheoretische principes zou werkhervatting of aspecten die met het werk te maken hebben een belangrijk deel dienen uit te maken van de begeleiding.
      Werkgerelateerde problemen moet je met werk oplossen.
      En juist ook vanuit dit leertheoretisch kader zouden behandelingen in eerste instantie gericht moeten zijn op functioneringsherstel en niet in eerste instantie op daling van klachten omdat juist functioneringsherstel kan bijdragen aan volledig herstel van klachten, door toegenomen competentiebeleving.
      Toekomstig onderzoek

      Als dit de stand van zaken is, zijn we dan klaar ?
      Immers, we weten nu hoe de behandelingen in elkaar zouden kunnen of misschien wel moeten, steken en er zijn voor verschillende niveaus maatregelen ingevoerd, van wetgeving tot en met medische richtlijnen.
      Het antwoord op deze vraag kunt u raden en die is natuurlijk '
      neen'.
      Want anders had deze leerstoel weinig zin gehad en weinig kunnen bijdragen aan een verdere oplossing voor de beschreven ellende.
      Op dit terrein van begeleiding en behandeling van werknemers met psychische klachten zijn nog verschillende aspecten onduidelijk.


    Lees verder : Deel XIII

    25-11-2009 om 21:32 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XIII

    Ik wil er vijf noemen, los van het gegeven dat er meer interventiestudies met klinische groepen en in samenwerking met de praktijk moeten worden uitgevoerd.
    Ten eerste, als we alle studies op een rij zetten, dan komt daar ook een zorgwekkend aspect naar voren.
    Namelijk dat het klachtenniveau ook na followup van zes tot twaalf maanden significant hoger is dan in de open populatie.
    Onduidelijk is of bij een deel van de populatie dit klachtenniveau al bestond, voordat zij uitvielen, met andere woorden of bij een belangrijk aantal van deze mensen een, zeg maar van nature, wat hoger klachtenniveau aanwezig is en de op werk gerichte behandeling deze mensen op hun oude klachtenniveau heeft gebracht.
    Het tweede aspect is dat onvoldoende duidelijk is wanneer er met werkhervatting kan worden begonnen.
    Zijn er bepaalde drempelwaarden wat betreft klachtenniveau ?
    Met name handvatten voor de behandelende sector, wanneer er met werkhervatting kan worden begonnen, zijn noodzakelijk om te ontwikkelen.
    Nu wordt het tijdstip en de aard van de werkhervatting veelal in een soort van onderhandeling tussen behandelaar, bedrijfsarts en cliŽnt vastgesteld.
    Maar het is ook mogelijk dat cognities die werknemers hebben ten aanzien van hun eigen werkhervatting en cognities die zij hebben ten aanzien van hun werkomgeving een belangrijke rol spelen in hun werkhervatting en daarmee een cruciale factor zijn in het herstelproces.
    Het derde aspect betreft de organisatie van het werk zodanig dat verschillende vormen van werkhervatting kunnen worden toegepast.
    Tot op heden werd werkhervatting veelal vormgegeven door een geleidelijke toename van het aantal uren.
    Vanuit een leertheoretisch oogpunt zou, afhankelijk van de functieanalyse van het gedrag, mogelijk niet een urentoename maar juist een uitbreiding van verschillende taken van belang kunnen zijn.
    Dus hoe moet je het werk organiseren zodat werknemers beter en sneller herstellen ?
    Het vierde aspect betreft specifieke psychische aandoeningen, in het bijzonder depressie.
    Momenteel wordt veel onderzoek gedaan naar depressieve stoornissen, mede vanwege de verwachting van onder ander de Wereld Gezondheid Organisatie dat deze aandoening op termijn volksziekte nummer 1 dreigt te worden.
    Ook wat betreft de instroom in de WIA is onder de psychische aandoeningen depressie de aandoening die het meest wordt gediagnosticeerd.
    We hebben het dan over ongeveer vijftien duizend mensen per jaar, die als gevolg van een depressie in de WIA belanden.
    Een belangrijk aspect in de behandeling van depressie is het activeren van de cliŽnt.
    Het activerende aspect van de behandeling kan wellicht ook via aspecten, die met werk te maken hebben, gebeuren.
    Tot op heden zijn, uitgezonderd een studie van Schene, geen studies verricht naar een wijze van behandeling waarin werkaspecten een significant onderdeel uitmaken.
    Overigens in dit ene onderzoek werden positieve effecten gevonden op het functioneren van de cliŽnten, in vergelijking met cliŽnten die de reguliere behandeling ontvingen.
    Opnieuw een onderbouwing voor de stelling, zoals verwoord in de titel die ik meegaf aan mijn lezing Ďhet niet lukt zonder werkí of eigenlijk Ďhet lukt beter mťt werkĎ.
    Het laatste aspect dat ik hier wil noemen betreft de implementatie van de kennis.
    Zoals gezegd, nog steeds zijn psychische aandoeningen een van de belangrijkste oorzaken van instroom in de WIA.
    Voor een deel is dit te wijten aan het gebrek aan naleven van richtlijnen en behandelprotocollen.
    Uit de literatuur is bekend dat het naleven van richtlijnen en protocollen door professionals geen vanzelfsprekendheid is.
    Met andere woorden de implementatie van de kennis die is neergelegd in de richtlijnen zal met meer voortvarendheid ter hand moeten worden genomen.
    En dat geldt zeker voor de psychologen.
    Het is pas zeer recent dat de beroepsverenigingen NIP en LVE een richtlijn hebben gepresenteerd op het terrein van werk en psychische klachten.
    Het is rijkelijk laat maar gelukkig geeft dit ook aan dat er ook onder de psychologen een kentering zichtbaar is in het denken rond psychische klachten en arbeidsparticipatie.
    Een kentering in het denken die voor een belangrijk deel het gevolg van de kennisontwikkeling die op dit terrein heeft plaats gevonden in de afgelopen tien jaar.
    Kennisontwikkeling die voor een belangrijk deel de resultante is van het NWO prioriteiten programma Psychische Vermoeidheid in de Arbeidssituatie, kortweg PVA-programma (cfr. : http://www.onderzoekinformatie.nl/nl/oi/biza/d51000o/OND1270017/ -).
    Het PVA programma - Een onderzoeksprogramma dat startte in 1996 en recent is afgerond (cfr. : http://www.nieuwsbank.nl/inp/2003/01/31/R227.htm -) waar ongeveer zeven miljoen euro in is geÔnvesteerd door NWO en tal van andere partners, zoals de universiteiten, de vakbeweging en het bedrijfsleven.
    Dat startte in een tijd dat nog werd gedacht dat als je een burnout opliep dat dat iets dusdanig ergs was dat je daar nooit meer overheen komt.
    Dat ook gedacht werd dat zolang als de opbouw van de burnout heeft geduurd zolang gaat ook het herstel gaat duren.
    Als je dan bedenkt dat er veelal jaren van overbelasting aan voorafgaan...
    Dat er gedacht werd dat burnout vooral met rust over moest gaan en dat juist door die gedachte te veel mensen in de WAO belandden.
    Denkbeelden die heden ten dage uit het stenen tijdperk lijken te stammen, maar het is slechts tien jaar geleden.
    Het laat zien dat als je een coherent groot onderzoeksprogramma inzet op een maatschappelijk relevant onderwerp, een onderzoeksprogramma waarin ook de toepassing van de kennis naar geŽvalueerde handvatten voor de praktijk een belangrijk onderdeel is, dat dit van significante betekenis kan zijn voor de oplossing van dat maatschappelijk probleem.
    Een programma waarin voor een relatief klein bedrag een enorme hoeveelheid kennis is ontwikkeld, onder andere neergelegd in 26 proefschriften, maar met een maatschappelijke winst die velen malen groter is en de investering zichzelf veelvuldig heeft terugbetaald.
    Vooral doordat het PVA programma zoín grote bijdrage heeft geleverd aan de verschuiving van klachtencontingent behandelen, het oude paradigma, naar tijdcontingent behandelen, het nieuwe paradigma.
    Een dergelijk onderzoeksprogramma is ook noodzakelijk voor het tweede onderwerp van mijn oratie, namelijk het deel dat handelt over de activering van langdurig werklozen.
    Interventieonderzoek bij werklozen
    Had ik al opgemerkt dat er rond psychische klachten bij werkenden mťťr interventieonderzoek moet plaatsvinden, rond de begeleiding van langdurig werklozen is er nauwelijks gecontroleerd effectonderzoek uitgevoerd.
    Deze constatering is op zich natuurlijk zeer opmerkelijk.
    Werkloosheid is een groot probleem dat al decennia bestaat.
    Zoals ik aan het begin al aangaf zijn in de huidige situatie ongeveer een half miljoen mensen werkzoekend, waarvan zoín 200.000 tot 300.000 langdurig werkloos zijn, dat wil zeggen langer dan een jaar.
    En ook de prijs zowel maatschappelijk als individueel is hoog, maatschappelijk (gezien de kosten die samenhangen met uitkeringen en met de afname van arbeidsproductiviteit in de samenleving) en individueel (gezien de psychische klachten, het psychisch lijden dat werkloosheid met zich mee brengt, ook voor de naaste omgeving zoals partner en kinderen).
    We weten immers wat werkloosheid bij mensen teweeg kan brengen.
    Dat in de eerste maanden van de werkloosheid er nog geen grote problemen optreden maar dat er een verhoogde kans is om na zoín drie maanden depressieve klachten te ontwikkelen.
    En dat deze klachten toenemen naarmate de werkloosheid voortduurt.
    Dat deze mentale deuk, die mensen oplopen, een negatieve invloed op hun werkzoekgedrag en dat dit werkzoekgedrag afneemt naarmate de duur van de werkloosheid toeneemt.
    In die zin kunnen we een zelfde constatering doen als bij werknemers met psychische klachten : er wordt wel veel onderzoek gedaan naar de aard, de context en de ontwikkeling van de klachten, maar de vertaalslag naar interventies en naar effectonderzoek wordt te weinig gemaakt.
    Wat ook bekend is dat de mentale gezondheid snel herstelt nadat mensen opnieuw werk hebben gevonden.
    Dus ook hier lijkt het zo te zijn dat herstel van deze klachten voor een belangrijk deel wordt gefaciliteerd door te participeren in een arbeidssituatie, herstel lukt eigenlijk niet zonder werk.
    Zoals bij arbeidsgerelateerde psychische klachten op verschillende niveaus maatregelen zijn ingevoerd, genoemd zijn Wet Verbetering Poortwachter, arboconvenanten, richtlijnen en individuele begeleidingsprotocollen zo is dit deels ook in gang gezet aangaande de werklozen.
    Op overheidsniveau zijn de nieuwe Werkloosheidswet en de nieuwe Wet Werk en Bijstand van kracht geworden en binnenkort de nog in te voeren Wet Maatschappelijke Ondersteuning.
    Op lokaal niveau zijn gemeentelijke overheden meer verantwoordelijk gemaakt voor het beleid rond de begeleiding van langdurig werklozen en is er de intrede van de zogenaamde Ďwork firstí-benadering.
    Allemaal maatregelen die ondersteunend moeten zijn bij de toeleiding van werklozen naar de arbeidsmarkt.
    Daarnaast worden werklozen individueel begeleid richting werk.
    Voor deze individuele begeleiding worden door gemeenten zogenaamde reÔntegratiebedrijven ingeschakeld.
    Deze branche die zich bezighoudt met de begeleiding van werklozen is een aantal jaren geleden geprivatiseerd.
    Op dit moment gaat er zoín ťťn miljard euro om in deze private reÔntegratiemarkt, waarin zoín 600 reÔntegratiebedrijven actief zijn, echter, zonder dat we echt weten wat het effect is van de interventies die worden uitgevoerd.
    Om dat effect te weten zijn namelijk gecontroleerde experimenten noodzakelijk.
    En dergelijke experimenten zijn niet of nauwelijks uitgevoerd.
    Dit betekent overigens niet dat de interventies die worden uitgevoerd niet valide zouden zijn.
    Neen, er kan alleen geen uitspraak over worden gedaan.
    En dat is toch opmerkelijk, dat er ťťn miljard wordt geÔnvesteerd in activiteiten waarvan onduidelijk is wat het effect is.
    Sterker nog, minister de Geus heeft zojuist nog aangekondigd dat het bedrag dat wordt geÔnvesteerd wordt verhoogd.
    Kennelijk heeft de minister het grootste vertrouwen in de effectiviteit er van !
    Maar er zou toch tenminste gelijktijdig uitgezocht moeten worden wat de bijdrage is van individuele begeleiding in het licht van arbeidsmarktbeleid en economische ontwikkeling.
    Moet er onderzoek verricht worden naar voor wie, wat, wanneer het beste werkt.
    Misschien zou het investeren van deze ťťn miljard in economische ontwikkeling wel een groter effect ressorteren dan het te investeren in individuele begeleiding.
    Na zoveel decennia werkloosheid kan er dus nog steeds geen eenduidige uitspraak kan worden gedaan over het effect van de individuele begeleiding bij werkloosheid.
    Een braakliggend onderzoeksterrein dus.
    Hoe braakliggend wil ik aan de hand van een voorbeeld duidelijk maken.
    Een belangrijk geacht middel om langdurig werklozen aan werk te helpen waren de zogenaamde ID-banen ('In- en Doorstroombanen' Ė cfr. : http://www.idmonitor.nl/Uitvoeringsregeling%20in-%20en%20doorstroombanen.pdf -).
    In de afgelopen jaren hebben verschillende varianten van ID banen de revue gepasseerd, zoals Melkertbanen (cfr. : http://www.elsevier.nl/web/artikel/subsidiebanenwerkenvooreenuitkering.htm -), Werkervaringsplekken (cfr. : http://www.elsevier.nl/web/Nieuws/Politiek/Werkloze-volgend-jaar-verplicht-aan-het-werk.htm?forum=97394&post=true#article_form -) etc.
    De gedachte achter deze banen is : door mensen in een werksituatie werkervaring te laten opdoen zijn zij beter toegerust voor regulier werk, nemen hun kansen toe op de arbeidsmarkt.
    Vandaar de naam 'ID-baan', instromen en dan doorstromen naar regulier werk.
    Je zou het ook de ultieme manier kunnen noemen om middels werk herstel te bewerkstelligen, maar dat terzijde.
    Om verschillende redenen heeft de landelijke overheid recentelijk dit middel afgeschaft (het lijkt overigens nu weer terug te komen onder de naam 'participatiebanen' Ė cfr. : http://www.elsevier.nl/web/10197365/Nieuws/Politiek/Raad-van-State-verwerpt-plan-participatiebanen.htm?rss=true -).
    Is dat afschaffen nu terecht ?
    Als er geen effect van deze interventie werd gevonden komt dat dan door dat de interventie niet goed is en als maatregel terecht is afgeschaft of omdat de interventie op zich wel goed is maar niet goed is uitgevoerd ?
    Ik meen het laatste en wel op grond van twee zaken.
    Ten eerste omdat het een voor organisaties zeer lucratieve manier was om aan goedkope arbeidskrachten te komen.
    Met andere woorden, de organisaties met ID banen hadden geen baat bij doorstroming van hun personeel naar regulier werk, integendeel zelfs.
    Ten tweede, er werd in veel gevallen in het geheel niet gewerkt aan competentieontwikkeling.
    Om het wat chargerend te zeggen, de wijze waarop deze interventie werd uitgevoerd had iets van īeen jaar groen schoffelen, dan heb je werkervaring en kun je regulier aan het werkī.
    Echter, om een dergelijk interventie goed uit te voeren dient eerst men eerst na te gaan welke competenties er ontwikkeld moeten worden bij de persoon in kwestie om een grotere kans op de arbeidsmarkt te verkrijgen.
    Dat betekent dat vooraf en gedurende het functioneren in zoīn ID baan de competentieontwikkeling in kaart gebracht moet worden en dat bij voldoende ontwikkeling de overgang naar regulier werk wordt gefaciliteerd.
    Dit betekent dat er instrumentarium moet zijn waarmee competenties en competentieontwikkeling gemeten kunnen worden, dat professionals voldoende onderlegd zijn in het gebruik van dit instrumentarium, dat de ID baan aansluit bij de te ontwikkelen competenties en dat uitgezocht moet zijn voor welke subpopulaties van langdurig werklozen een dergelijk reÔntegratietraject zinvol en effectief is.
    Geen van deze noodzakelijke voorwaarden is op dit moment gerealiseerd en er kan derhalve geen uitspraak gedaan worden over of een ID baan een effectieve interventie is of niet.
    Ook voor andere typen reÔntegratietrajecten, zoals bijvoorbeeld de IROís, de individuele reÔntegratieovereenkomst (cfr. : http://www.iroadvies.nl/index.php?module=content&content_id=2 -), kan een dergelijk verhaal van noodzakelijke, maar tot op heden ontbrekende, evidence based interventies en valide meetinstrumenten worden gehouden.
    Het is dan ook daarom dat wij bij TNO in de afgelopen jaren zijn gestart met de ontwikkeling van meetinstrumenten om onder andere deze competentieontwikkeling bij langdurig werklozen te meten.
    Instrumenten die tevens gebruikt worden voor verdere professionalisering van medewerkers bij reÔntegratiebedrijven en gemeentelijke overheden.
    Ook zijn we gestart met de ontwikkeling van kortdurende interventies met een solide theoretisch fundament en die zoveel mogelijk worden geŽvalueerd in gecontroleerde experimenten.
    Deze interventies zijn gebaseerd op het zogenaamde JOBS programma.
    Een kortdurend interventieprogramma dat gebaseerd is op twee pijlers.
    Enerzijds op het versterken van self-efficacy, van competentiebeleving en anderzijds op het aanleren van specifieke vaardigheden.
    In de ontwikkeling van deze interventies werken we overigens nauw samen met internationale partners, namelijk de Universiteit van Michigan in de VS, het Fins Instituut voor occupational health en de National University in Ierland.
    Zo is er inmiddels een geŽvalueerde interventie voor langdurig werklozen die zich richt op het versterken van werkzoekgedrag,
    In nieuwe experimenten wordt deze interventie thans onderzocht bij specifieke populaties zoals bijstandsmoeders zonder sollicitatieplicht.
    Verder is er een interventie ontwikkeld gericht op het verbreden van het arbeidsperspectief.
    Deze interventie wordt in samenwerking met het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) Ė cfr. : http://www.ontslag-krijgen.nl/cwi-centrum-voor-werk-en-inkomen.html - uitgetest in een vergelijkend interventieonderzoek bij allochtone vrouwen.
    En is er een kortdurend interventie ontwikkeld voor vroegtijdig schoolverlaters.
    Deze interventie wordt momenteel in een groot onderzoek op verschillende locaties in Nederland en in samenwerking met onder andere ROCís experimenteel onderzocht.
    Toekomstig onderzoek
    Gezien de omvang van het onderzoeksterrein en de mate van academisering van dit veld zijn deze experimenten, die door mijn onderzoeksteam bij TNO worden uitgevoerd, slechts een druppel op een gloeiend plaat.
    Wat nodig is een grootschalig onderzoeksprogramma, waarin meerdere universiteiten, faculteiten, kennisinstituten en marktpartijen participeren.
    Een programma Š la het eerder gememoreerde PVA programma maar dan op het terrein van de activering.
    Het is iets waar ik mij binnen deze leerstoel zeker voor zal inzetten.
    De huidige situatie is echter dat de landelijke overheid hoopt dat de enkele jaren geleden ingezette privatisering van de reÔntegratiemarkt en de daaraan gekoppelde marktwerking haar werk zal doen en dat op die manier kwaliteit uiteindelijk zal boven drijven.
    Dat is echter maar zeer de vraag.
    Het duurt in de meeste gevallen vele jaren voordat een nieuwe markt is gestabiliseerd en dat er geld wordt vrijgemaakt voor onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten.
    ReÔntegratiebedrijven hebben geen tonnen euroís op de plank liggen voor onderzoek en ontwikkeling en zelfs indien dat wel het geval zou zijn is het de vraag of ze dat dan ook willen investeren in risicovol onderzoek.
    Want uit onderzoek kan ook blijken dat een bepaald product of interventie niet werkt.
    Tegelijkertijd verstrijkt de tijd en krijgen langdurig werklozen een mogelijk ineffectieve begeleiding, weten inkopers van de gemeentelijke overheden niet wat wel en wat niet werkt.
    De landelijke overheid is mijns inziens verantwoordelijk omdat er zoín groot publiek belang mee is gemoeid.
    Daarom zou juist deze nieuwe markt in het begin ondersteund moeten worden met een uitgebreid onderzoeksprogramma.
    Een programma dat zich richt op de relaties tussen individuele gedragsverandering, arbeidsparticipatie, economische ontwikkeling en arbeidsmarktbeleid.
    Een onderzoeksprogramma met niet alleen een wetenschappelijke kant maar ook met een toegepast karakter.
    Juist die combinatie zal verdiepend en innoverend werken en sluit ook aan bij de ontwikkelingen die plaatsvinden in de kennisinfrastructuur in Nederland.
    Deze infrastructuur is op dit moment aan grote verandering onderhevig.
    HBO instellingen moeten meer onderzoek doen, hetgeen leidt tot onderzoek met een veelal meer toegepast karakter.
    Daarnaast is er de splitsing tussen de bachelor en de master opleidingen, die de integratie van HBO en universiteit naderbij lijkt te brengen.
    Universiteiten moeten meer innovatief worden.
    De positie van de kennisinstituten, zoals TNO, is sinds de commissie Wijfels ('Brugfunctie TNO en GTIís' Ė cfr. : http://www.minocw.nl/documenten/brief2k-2004-doc-17839a.pdf -) aan verandering onderhevig, met name omdat meer duidelijk moet worden wat het toegevoegd innovatief vermogen is.
    Dit innovatief vermogen kan alleen voldoende vorm krijgen als de onderzoeksprogrammaís bij zowel universiteiten als bij de kennisinstituten dusdanig op elkaar afgestemd worden dat dit tot elkaar versterkende programmaís leidt, die zowel geborgd zijn wat betreft de vraagsturing als geborgd zijn wat betreft wetenschappelijke kwaliteit, waardoor zowel aan de toepassing als aan de wetenschap een significante bijdrage wordt geleverd.
    Binnen het onderzoek van mijn leerstoel en dat direct gekoppeld is aan de doelstellingen van mijn onderzoeksteam is dat precies wat ik beoog en wat ik wil realiseren.
    Onderzoeksprogrammaís die geborgd zijn in de wetenschap en geborgd in de vraagsturing en dat op de twee terreinen van herstel bij werknemers met psychische klachten en van herstel bij langdurig werklozen.
    Dit herstel loopt voor een belangrijk deel via werk, want uiteindelijk lukt het niet zonder werk.
    Dankwoord
    Tot slot, geachte aanwezigen, aan het eind van mijn rede gekomen, wil ik een aantal dankwoorden uitspreken .../...
    Cfr. : - http://www.uu.nl/uupublish/defaculteit/hoogleraren/oraties/uu/blonk/40725main.html
    - http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_oratieblonk.pdf
    Cfr. ook : '
    Werk is gewoon nodig om mensen te laten herstellen' op : http://www.tno.nl/images/shared/overtno/magazine/kvl_2_2006_12_14.pdf

    1. Het meten van de algemene gezondheidstoestand met de RAND-36 - Een handleiding
      Zee K.I., van der, Sanderman R. - Groningen : Noordelijk Centrum voor Gezondheidsvraagstukken, 1993
      De RAND-36 is ontstaan vanuit de toenemende behoefte aan meetinstrumenten om de algemene gezondheidstoestand vast te leggen.
      Dit recent ontwikkelde instrument bevat schalen voor fysiek functioneren, sociaal functioneren, rolbeperkingen door fysieke of emotionele problemen, mentale gezondheid, energie, pijn en algemene gezondheidsbeleving.
      Deze uitgave geeft een overzicht van de eerste psychometrische bevindingen.
      Cfr. :
      - http://www.marijbar.nl/meten-algemene-gezondheidstoestand-met-rand-36-handleiding
      - http://www.rug.nl/gradschoolshare/index

    2. Het meten van sociale steun
      Eric van Sonderen - Proefschrift ter verkrijging van het doctoraat in de Psychologische, Pedagogische en Sociologische Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen, 1991
      C
      fr. : http://dissertations.ub.rug.nl/faculties/ppsw/1991/l.p.van.sonderen/
      Cfr. ook : http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o7243n36276.html

    3. Het vermoeidheidssyndroom - Chronische moeheid, spierslapte, geheugenverlies, concentratieverlies, concentratiestoornis, duizeligheid en andere symptomen
      Smith David, dr. - Oorspronkelijke titel 'Understanding M.E.' (vertaling : J. Ruitenberg) - Kosmos BV, Utrecht 1991
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6468&printlink=true&highlight=eerstelijnsgezondheidszorg

    4. Het verschijnsel zorg
      Hattinga Verschure J.C.M. - De Tijdstroom BV, Lochem, 1977
      Cfr. : http://www.bol.com/nl/p/boeken/het-verschijnsel-zorg/1001004005099149/index.html;jsessionid=41D5A5CD51301532D9C96A116C36CE
      B4.ps1210

    5. Hoe moe is moe ? - Onderzoek naar de beleving van moeheid middels een semi-gestructureerde anamnese-methode
      Groenewoud MC en Moons AMM - Scriptie in het kader van de opleiding tot verzekeringsgeneeskundige, SSG 1991
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6365&printlink=true&highlight=onbegrepen

    6. Hoe ontstaat 'burn-out' ?
      BŁgel P - Vademecum Permanente nascholing huisartsen. 2003;21;15-6
      Tijdens het werken raak je zowel lichamelijk als geestelijk vermoeid.
      's Nachts herstel je daar van.
      Maar het kan zijn dat je niet helemaal herstelt en dat er nog een restje vermoeidheid overblijft in het lichaam.
      De volgende dag ga je opnieuw werken terwijl je nog een klein restje vermoeidheid in je lijf hebt zitten.
      De tweede dag merk je niks van die extra vermoeidheid.
      Aan het einde van de tweede dag raak je weer vermoeid van je normale, dagelijkse werk.
      's Nachts moet je dan weer uitrusten.
      Als dat weer niet lukt neem je de derde dag weer een restje vermoeidheid mee en ook de vierde en de vijfde.
      Kun je in het weekend niet herstellen van deze extra vermoeidheid, dan ga je de volgende week ook weer met een restvermoeidheid in.
      Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als je ook in het weekend moet werken of als je veel sociale verplichtingen hebt in het weekend en eigenlijk helemaal niet tot rust komt.
      Ook de gezinssituatie speelt een rol.
      De restvermoeidheid bouwt zich geleidelijk aan op tot er op een gegeven moment een onbalans ontstaat in het lichaam.
      Daardoor ontspant je lijf nog wel, maar niet meer in die mate die het gewend was.
      De meeste mensen hebben dit niet in de gaten, of je moet je lichaam wel heel goed kennen.
      Als er niets aan de voortdurende opbouw van spanning en vermoeidheid gedaan wordt, loopt het lijf vol en kan het op een gegeven moment niets meer compenseren.
      Dan valt iemand voor zijn gevoel van de ene op de andere dag helemaal uit.
      De diagnose is dan dat je overspannen of burn-out (letterlijk vertaald : 'opgebrand') bent.
      Mensen vallen dus vaak in ťťn keer uit, maar daar gaat een heel proces aan vooraf waarbij langzaam spanning in het lichaam wordt opgebouwd.
      Het omgaan met spanning door het lichaam is vergelijkbaar met een elastiek : het kan ver opgerekt worden, maar op een gegeven moment breekt het elastiek.
      Cfr. :
      http://www.overspannen.nl/content/burn-out/ontstaan.asp

    7. ICF Internationale classificatie van het menselijk functioneren
      Worl Health Organisation. Bilthoven, WHO-ICF Collaborating Centre - Houten Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum;2002
      Cfr. : http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o2544n18745.html

    8. Implementatie van richtlijnen in de geestelijke gezondheidszorg - Welke (on)mogelijkheden zien hulpverleners in de praktijk ?
      Franx G, van Karsbergen K, Eland, A, Verbrug H, Grol R Ė Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen (TSG) 2004;82(5):317-323
      Cfr. : http://runners.ritsumei.ac.jp/cgi-bin/swets/hold-query-e?mode=0&key=&idxno=18986011

    9. In de kenniseconomie lopen de Hazen anders
      Mathieu Weggeman, Hoogleraar innovatie aan de Technische Universiteit Eindhoven - NRC van 11 mei 2004 - © 2007 Managementissues.com
      Max Herold : ďIk vroeg Mathieu Weggeman me de electronische versie van dit artikel toe te sturen.
      De reden voor dit verzoek was een discussie die ik enige tijd geleden meemaakte over een doelstelling zoals die op de Europese top in Lissabon werd geformuleerd.
      Daar werd het doel gesteld Europa binnen tien jaar tot dť kenniseconomie van de wereld te maken.
      Tijdens deze interdepartementale discussie viel me op dat velen van de aanwezigen die als een typisch beleidsprobleem zagen.
      Een doel dat met het bestaande beleidsmatige en/of economische denken kan worden aangepakt.
      Weer anderen zagen het als een gewone hype die wel weer over zou gaan.
      Maar in mijn ogen was/is het meer een (macro)organisatorisch probleem.
      Als je die gedachte koppelt aan het begrip economische 'ordening', dan zou je wel eens kunnen stellen dat er enkele vooronderstellingen, zoals die decennia lang zijn gehanteerd m.b.t. die economische ordening, langzaam aan het veranderen zijn...
      Welnu Mathieu heeft op die kenniseconomie en de kennis van het kabinet daaromtrent, zo zijn eigen kijk dus laten we hem snel het woord geven
      Ē.
      De Haagse plannen om medewerkers langer aan het werk te houden omdat dat geld oplevert, bewijst eens te meer dat dit kabinet nog steeds niet goed weet wat het betekent om een kenniseconomie te besturen.
      In zo'n economie lopen de hazen anders dan in de fabrieken en kantoren van de industriŽle economie.
      Voor de werknemers van die traditionele organisaties zijn ervaring en technische vaardigheden het belangrijkst en hoe langer je werkt, hoe meer ervaring je opdoet.
      Dat geldt ook voor de vaardigheden.
      Als je ze maar blijft toepassen, ontwikkelen ze zich, want er zijn immers heel weinig mensen die al twee jaar lang elke dag een uur piano studeren en steeds slechter gaan spelen.
      Hou je de medewerkers van die kantoren en fabrieken langer aan het werk, dan kunnen ze ook langer kapitaliseren op hun steeds grotere ervaring en op hun voortdurend toenemende vaardigheid.
      De kans dat hun productiviteit stijgt naarmate hun leeftijd toeneemt, is dan inderdaad groot.
      Alleen hebben we in Nederland steeds minder van die fabrieken en kantoren waar mensen min of meer routinematig bezig zijn om hetzelfde werk steeds beter en efficiŽnter uit te voeren.
      Slechts in sectoren als de landbouw, de horeca, het transport, de bouw en de thuiszorg en achter de loketten van banken en gemeentehuizen, kan het langer doorgaan met werken mogelijk meer geld opleveren dan momenteel het geval is.
      En dan nog zal de vreugde van korte duur zijn, omdat dat werk - waarbij het vooral draait om de productiefactor fysieke arbeid - in toenemende mate geautomatiseerd wordt.
      Een dergelijke redenering gaat echter niet op voor de moderne kennisintensieve organisatie.
      Daar treffen we werknemers aan waarvoor de productiefactor kennis tenminste even belangrijk is als ervaring en vaardigheid.
      Veel van die beroepen beginnen met een 'a': artsen, architecten, adviseurs, accountants, advocaten, apothekers, amerikadeskundigen en dergelijke.
      Dat type medewerkers heeft in onze kenniseconomie ruim de overhand.
      Geschat wordt dat op dit moment in Nederland meer dan 70% van alle werkenden tot de categorie kenniswerkers behoort en er komen er in snel tempo steeds meer bij.
      Voor hen geldt dat zij voortdurend relatief veel moeten leren om goed in hun vak te blijven, relatief ten opzichte van bijvoorbeeld buschauffeurs, voetballers, ambachtslieden en productiemedewerkers.
      Dat vereist het bijhouden van vakliteratuur, het bezoeken van congressen en symposia, het deelnemen aan opleidingen en studiedagen, het willen werken in meester-gezel relaties en het kunnen plaatsen van innovaties die klanten , burgers en patiŽnten op internet gevonden hebben.
      Uit onderzoek blijkt dat de motivatie om voortdurend vakinhoudelijk vooraan te blijven lopen, bij het overgrote deel van de kenniswerkers afneemt naarmate de leeftijd vordert.
      Het is niet zo dat dan de leervaardigheden als vanzelf minder worden.
      Wťl treedt er bij het vorderen der jaren een soort mentale moeheid op : "Moet het nu wťťr anders, wanneer stopt het nu eens met die vernieuwingen !?".
      En omdat kennis steeds sneller veroudert, slaat die moeheid steeds eerder toe.
      Voor ontwerpers van internet-gerelateerde software en voor nano- en biotechnologen kan dat al rond de 35 gebeuren; voor elektrotechnisch ingenieurs en fiscaal-juristen zo'n vijf tot tien jaar later.
      Dat betekent dat veel kenniswerkers op veel jongere leeftijd dan vroeger aan het eind van hun professionele Latijn geraken.
      Het tot op hogere leeftijd laten doorwerken van kenniswerkers leidt er dus uiteindelijk toe dat een groter deel van de beroepsbevolking aan de gang is met verouderde kennis.
      Tel uit je winst.
      De chirurg die niet geleerd heeft endoscopisch te behandelen, blijft grote incisies maken.
      Dat levert meer trauma's en een langere hersteltijd op voor de patiŽnt, een groter beslag op voorzieningen en meer inzet van ondersteunend personeel.
      Allemaal zaken die kostenverhogend werken.
      Een ander voorbeeld speelde zo'n twaalf jaar geleden.
      Ik had ergens gelezen dat er uit amalgaamvullingen minivoltjes kunnen ontsnappen die onder bepaalde omstandigheden de elektrische stroompjes in de hersenen beÔnvloeden.
      Daarom vroeg ik mijn tandarts het nieuwe gaatje in mijn kies te willen vullen met keramiek of porselein.
      Die bemoeienis van een bijdehante leek met zijn vak, stelde hij geenszins op prijs : "Meneer, die techniek staat nog in de kinderschoenen. Het krimpen en uitzetten van het materiaal hebben we nog niet onder controle".
      Pas veel later begreep ik wat er eigenlijk aan de hand was.
      Mijn tandarts was toen 54 en meer bezig met zijn tweede huis in Spanje dan met het bijhouden van de vernieuwingen in zijn vak.
      Hij had al 30 jaar kiezen met amalgaam gevuld en zag niet in waarom hij dat de laatste jaren voor zijn pensioen niet zou kunnen blijven doen.
      Het langer laten doorwerken van professionals, kan er in onze kenniseconomie toe leiden dat ook op andere gebieden dit soort situaties nog vaker voor gaat komen dan nu al het geval is.
      Met de vergrijzing zullen we steeds meer kenniswerkers krijgen die 'uitdieselen' op de methoden en technieken die ze al beheersen en die de innovaties in hun vak laten voor wat ze zijn.
      Het gevolg daarvan is dat steeds meer patiŽnten, klanten en burgers producten en diensten geleverd krijgen waarvoor inmiddels alternatieven bestaan die goedkoper, sneller, preciezer, veiliger, effectiever, gezonder, makkelijker of gebruiksvriendelijker zijn.
      De maatschappelijke kosten van dat professioneel conservatisme zijn hoog.
      Het financiŽle saldo van de door Den Haag voorgestelde arbeidsduurverlenging, zou daarom wel eens eerder negatief dan in de buurt van de nul uit kunnen komen.
      In het beste geval zijn de plannen van het kabinet op dit punt dus lood om oud ijzer.
      De hooggeleerde Paul Scheffer sprak over 'vernietiging van sociaal kapitaal' als mensen boven de 55 niet meer zouden werken.
      Dat klopt voor ambachtelijk werk zoals glas blazen, schapen scheren en violen bouwen en ook voor die paar koekjesfabrieken die we nog in Nederland hebben, maar dat klopt helemaal niet voor het overgrote deel van onze organisaties waar de vloer bevolkt wordt door kenniswerkers.
      Kenniswerkers verplichten langer door te werken, is alleen verantwoord als zij ook verplicht worden om state of the art in hun vak te blijven.
      Dat impliceert blijven studeren tot op hoge leeftijd en het beschikbaar stellen van tijd voor deskundigheidsbevordering.
      Ik heb destijds het ministerie van van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mogen adviseren over een mid-life studie voor medisch specialisten waarbij ze rond hun veertigste weer voor een of twee jaar teruggaan naar de universiteit.
      Dat was zo'n slecht idee nog niet, te meer daar dankzij de wachtlijsten de gedateerde kennis van de oudere specialist in ons land niet zo'n issue is.
      Ook het door Hans Weijers in zijn tijd als minister van Economische Zaken geÔntroduceerde T-profiel voor professionals Ė cfr. : http://www.carrieretijger.nl/carriere/profiel/t-profiel -, is een goed voorstel.
      Kern daarvan is dat de kenniswerker in de tweede fase van de loopbaan zijn professioneel repertoire aanzienlijk verkleint door te kiezen voor een specialistisch deelgebied dat hij diepgaand wil blijven beheersen (de poot van de T).
      Daarnaast houdt hij ťťn tot drie aanpalende gebieden op appreciatie niveau bij, teneinde met collega's over de breedte van het vak te kunnen communiceren.
      De kans dat je een klein repertoire tot in lengte van dagen state of the art kunt bijhouden, is immers groter dan geldt voor een breed repertoire.
      Bovendien is de 'man of all seasons' en de 'Jack of all trades' in de kenniseconomie van vandaag een ongeloofwaardige figuur.
      Heel goed weten waar je het over hebt zolang je in functie bent, dat is wat nu nodig is.
      Kenniswerkers langer in dienst houden, zonder hen terug naar school te sturen, levert daar geen enkele bijdrage aan en kost maatschappelijk meer dan het oplevert.
      Het is 'penny wise, pound foolish' (= kosten besparen lijkt nuttig, maar kan op termijn duurder uitvallen).
      Cfr. : http://www.managementissues.com/kennismanagement/kennismanagement/in_de_kennisecon
      omie_lopen_de_hazen_anders_20050203106.html

    10. Individual and group cognitive-behavioral treatment for work-related stress complaints and sickness absence - A randomized controlled trial
      W. de Vente, J.H. Kamphuis, P.M.G. Emmelkamp, R.W.B. Blonk, 2008
      Wieke de Vente en collega's vergeleken een individuele en een groepsbehandeling met care as usual bij werknemers met psychische klachten.
      Beide behandelingen zijn gebaseerd op cognitieve gedragstherapie.
      Er werden effecten gevonden in het voordeel van de cognitief gedragsmatig georiŽnteerde begeleiding.
      Geen verschil werd gevonden tussen de individuele en groepsbehandeling.
      Cfr. : http://www.biomedexperts.com/Abstract.bme/18572993/Individual_and_group_cognitive-behavioral_treatment_for_work-related_stress_complaints_and_sickness_absence_a_randomize

    11. Inleiding evidence-based medicine - Klinisch handelen gebaseerd op bewijsmateriaal
      Offringa, W.J.J. Assendelft & R.J.P.M. Scholten - Bohn Stafleu van Loghum, augustus 2008 - ISBN10 : 9031353205 / ISBN13 : 9789031353200
      Bij de behandeling van patiŽnten is het nemen van de juiste beslissingen van levensbelang.
      Om te bepalen of behandelingen veilig en effectief zijn, is het gebruik van het juiste bewijsmateriaal onontbeerlijk.
      Evidence-based medicine is een methode om de keuzes die u maakt te onderbouwen met bewijsmateriaal uit betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek.
      In 'Inleiding in evidence-based medicine' wordt op een overzichtelijke manier uiteengezet wat evidence-based medicine precies inhoudt.
      Het boek bevat praktische tips over hoe u het beste kunt zoeken naar literatuur met behulp van metazoekmachines en bespreekt de moderne methoden om artikelen kritisch te beoordelen.
      Verder komen de evidence-based richtlijnen, het toepassen van bewijs op individuele patiŽnten en de Cochrane Collaboration aan bod.
      Deze derde, herziene druk van 'Inleiding in evidence-based medicine' is geactualiseerd en uitgebreid.
      De nieuwste kennisbestanden en tools die beschikbaar zijn voor de praktische toepassing van evidence-based medicine komen aan bod.
      Speciale aandacht wordt besteed aan de rol die evidence-based medicine speelt bij de zorg voor individuele patiŽnten.
      Dit helpt zorgverleners om in het consult de beste algemene kennis te combineren met patiŽntspecifieke overwegingen.
      'Inleiding in evidence-based medicine' is interessant voor studenten, docenten, onderzoekers en specialisten die werkzaam zijn in de gezondheidszorg.
      Cfr. : http://www.bol.com/nl/p/boeken/inleiding-evidence-based-medicine-druk-3/1001004006185339/index.html

    12. Interdisciplinaire arbeidsgerichte zorg in de eerste lijn
      S. Peters, M. Top, J.W.J. van der Gulden, UMC St. Radboud Nijmegen, 2005
      Verslag over twee werkconferenties over de voor- en nadelen van een interdisciplinaire aanpak.
      Aan de conferenties namen diverse professionals deel : fysiotherapeuten, psychologen, counselors.
      Als voordelen van een interdisciplinaire aanpak worden genoemd : kwaliteitsverbetering, een meer integrale aanpak en tijdwinst.
      Nadelen : intensieve samenwerking kost extra inspanning en de zakelijke aspecten vergen veel aandacht.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_interdiscarbeidsgerichtezorg_1elijn.pdf


    Lees verder : Deel XIV

    25-11-2009 om 21:26 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XIV

    1. Juridisering van richtlijnen en protocollen
      Crul BVM, Legemaate J - Medisch Contact 2005;60(19):812
      Opnieuw een uitspraak van de Hoge Raad over de juridische gevolgen van een ziekenhuisprotocol.
      Een eerder arrest van de Hoge Raad over dit onderwerp - uit maart 2001 -zorgde voor de nodige beroering onder hulpverleners.
      Gevreesd werd dat aansprakelijkheidsjuristen op de loop zouden gaan met medische richt-lijnen.
      Door sommige wetenschappelijke verenigingen werd nadien zelfs gepleit voor terughoudendheid bij het opstellen van richtlijnen, als hun eigen achterban daarmee in de rechtszaal om de oren zou worden geslagen.
      Eerst de casus.
      Tijdens een keizersnede in 1994 (!) dient de gynaecoloog - conform het geldende ziekenhuisprotocol - het antibioticum Augmentin toe, hoewel hij weet dat de patiŽnte overgevoelig is voor penicilline.
      Er ontstaat bij patiŽnte een ernstige allergische reactie, waardoor zij hersenletsel oploopt en langdurig moet worden behandeld.
      Het Gerechtshof achtte het protocol '
      ontoereikend' omdat het geen waarschuwing bevatte voor toediening van Augmentin bij overgevoeligheid voor penicilline.
      Volgens het Hof voldeed het protocol niet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs mochten worden gesteld.
      De Hoge Raad echter gaat daarmee genuanceerder om.
      Naar de mening van de Hoge Raad is de strenge opvatting van het Hof niet voldoende gemotiveerd.
      In aanvulling daarop doet de Raad in onderdeel 3.4 enkele algemene uitspraken over de juridische gevolgen van richtlijnen : een afwijking van een protocol moet kunnen worden beargumenteerd en ook het volgen van een protocol betekent niet automatisch dat een arts juist heeft gehandeld.
      Met andere woorden : het protocol is een hulpmiddel en geen dictaat.
      Centraal staat hoe een '
      redelijk bekwame arts ' met het protocol omgaat.
      Daarbij kan het ziekenhuis niet verantwoordelijk worden gesteld voor protocollen ontwikkeld door aan dat ziekenhuis verbonden medisch specialisten.
      Die deskundigheid kan aldus de Raad niet bij dat ziekenhuis aanwezig worden geacht.
      Voor de gevreesde juridisering van medische richtlijnen geeft de Hoge Raad dus niet veel ruimte.
      Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/blad/Tijdschriftartikel/MC-19-Juridisering-van-richtlijnen-en-protocollen.htm

    2. Juridisering van richtlijnontwikkeling
      Orde van Medische Specialisten - Orde Nieuws, zesde jaargang, nummer 5, juli 2002 - Artsennet.nl, 69568 OMS 2002 nr.5 - Bericht van het CBO
      Onlangs besloot de ledenvergadering van een wetenschappelijke vereniging van een erkend medisch specialisme een concept richtlijn nog niet te accorderen.
      De reden had geen medisch-inhoudelijke achtergrond, maar een juridische.
      De ledenvergadering vroeg zich af of de juridische consequenties wel goed waren bezien, omdat deze richtlijn in de (tucht)rechtspraak als Ďwetí zal worden gebruikt bij de beoordeling van het handelen van een individueel medisch specialist.
      Het bestuur kreeg daarom de opdracht nog eens goed te kijken naar de juridische consequenties.
      Voordat de richtlijnontwikkeling goed en wel was begonnen, schreven artsen al over hun vrees voor : Ďafrekeningí, Ďjuridisering van het vakí en Ďkookboekgeneeskundeí.
      Inmiddels heeft richtlijnontwikkeling in Nederland een geschiedenis (het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) sinds 1989 en het CBO zelfs al sinds 1982) en is duidelijk dat het gebruik van richtlijnen in de tuchtrechtspraak sporadisch was en sporadisch is.
      De aloude vrees is dus in de praktijk geen waarheid geworden.
      Handelen volgens de medischprofessionele standaard
      Laten wij de kern van het medisch handelen bezien en koppelen aan richtlijnen.
      Wij doen dit aan de hand van gepubliceerde overzichtsartikelen.
      De centrale verplichting van een arts jegens zijn patiŽnt is het leveren van Ďverantwoorde zorgí : medisch-professioneel deskundig en zorgvuldig handelen oftewel handelen volgens de medisch-professionele standaard.
      Zoals het staat in de Ďbasisnormí van de WGBO (art 7:453) : De hulpverlener moet Ďbij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en (...) daarbij [handelen] in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.í
      De beroepsgroep bepaalt zelf
      In deze kenschets zit een normering besloten.
      Over de concretisering van die normering moeten wij elders te rade gaan.
      Professor dr. mr. J.K.M. Gevers onderscheidt vier soorten beroepsregels :
      - wettelijke voorschriften,
      - regels voortvloeiend uit de rechten van de patiŽnt,
      - gedragsregels (meestal ontwikkeld door de beroepsgroep),
      - medisch-technische regels, ontleend aan de medische wetenschap en de medische praktijk.
      Richtlijnen spelen een belangrijke rol bij de concretisering van (een deel van) de beroepsregels en zijn in het algemeen een (liefst gewogen, expliciete en transparante) synthese van de vier genoemde beroepsregels.
      Richtlijnen maken dus concreet, meetbaar en toetsbaar wat de professionele standaard is.
      Daarbij mag niet worden vergeten dat de kwaliteitswetgeving de normering overlaat aan de zorgaanbieders.
      De beroepsgroep zŤlf bepaalt op welke maatstaven men haar kan Ďafrekenení.
      De maatstaven kunnen vastliggen in richtlijnen.
      De vraag hoe een arts wordt Ďafgerekendí op basis van richtlijnen, heeft een duidelijke relatie met het doel van richtlijnen en de Ďhardheidí in de formuleringen van de afzonderlijke (aanbevelingen in de) richtlijnen.
      Het wetenschappelijk fundament onder het medisch handelen is in het algemeen niet stevig.
      Veel onderdelen van het handelen (als anamnese, lichamelijk onderzoek en diagnostiek) zijn wetenschappelijk nauwelijks onderzocht, op bijvoorbeeld een gerandomiseerde prospectieve manier.
      Veel van deze activiteiten berusten op - inderdaad nooit verworpen Ė tradities.
      Dat heeft consequenties voor de adviezen in richtlijnen.
      Lang niet alle adviezen kunnen Ďwegens gebrek aan bewijsí dwingend zijn.
      Richtlijnen kunnen om die redenen nimmer uitsluitend een hoog-normerend gehalte hebben.
      De hoeveelheid norm of Ďdwangí berust ook in een Ďevidence based richtlijní uiteindelijk altijd op consensus onder de betreffende beroepsbeoefenaren, hoeveel of hoe weinig bewijs er ook is.
      Beroepsbeoefenaren doen er goed aan zich bij het opstellen van een richtlijn beide einden van dit spectrum te realiseren en duidelijk aan te geven wat de richtlijn beoogt.
      De professionals bepalen zelf hoe normerend een aanbeveling kan zijn en hoe zwaar het (ontbreken van) bewijs wordt gewogen.
      Publieke verantwoording
      Er is sinds de WGBO echter nog een belangrijke andere juridische consequentie aan richtlijnen : de omkering van de bewijslast.
      Wanneer vroeger een patiŽnt een klacht had over de behandeling moest hij bij de rechter aantonen dat zijn arts niet handelde Ďconform de maatstaven die in de beroepsgroep gebruikelijk zijní.
      Dat was een vrijwel onmogelijke opgave voor een patiŽnt.
      Echter, met het bestaan van richtlijnen heeft de beroepsgroep op schrift vastgelegd wat Ďverantwoord medisch handelen isí.
      Dat is voor de rechter dan ook uitgangspunt.
      Het is dus nu de verantwoordelijkheid van de arts toe te lichten waarom hij van een richtlijn is afgeweken, als dat in de gegeven situatie zo is geweest.
      De arts kan zich niet achter een richtlijn verschuilen, omdat de arts afhankelijk van de gegeven omstandigheid soms zelfs van een richtlijn moet afwijken.
      Normen van de eigen beroepsgroep
      Wie vreest voor juridisering van de geneeskunde door richtlijnen sluit de ogen voor wat van een arts mag worden verwacht.
      Medisch handelen is immers een individuele aangelegenheid tussen arts en patiŽnt.
      De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het beslissingsproces rond diagnostiek en behandeling ligt in die relatie.
      Richtlijnen helpen in dat proces : zij helpen de zorgverlener Ťn de patiŽnt.
      Dat is een goede zaak.
      Beiden weten beter waar zij aan toe zijn.
      Mocht het uiteindelijk toch tot een (tucht) rechtszaak komen, dan wordt de betreffende zorgverlener Ďafgerekendí op basis van de normen/richtlijnen, die de eigen beroepsgroep heeft opgesteld.
      Wanneer door de betreffende beroepsgroep een Ďevidence based richtlijní in concept is ontwikkeld, is deze concept richtlijn nog niet af als de inhoud van de richtlijn niet juridisch is getoetst.
      Het is dus een goede zaak dat de Ledenvergadering van een wetenschappelijke vereniging haar bestuur heeft opgedragen nog eens naar de juridische consequenties van de inhoud van een concept richtlijn te (laten) kijken.
      Immers, het is een gegeven dat een richtlijn, als de Ledenvergadering van een wetenschappelijke vereniging die heeft goedgekeurd, als een soort Ďwetí wordt gebruikt bij de beoordeling van het medisch handelen van een medisch specialist in een concreet geval.
      Cfr. : http://orde.artsennet.nl/web/file?uuid=1ff262cd-8dc7-478a-ac94-fcc7ae85e60c&owner=fb7926be-a33f-4727-9a83-84e400379d53

    3. Kenmerken van personen met ernstige vermoeidheid - Een enquÍte onder leden van een zelfhulporganisatie (Characteristics of persons with chronic fatigue Ė A survey among members of a self-help organization)
      Van der Werf SP, Prins JB, Klein-Rouweler E. et al. - Gedragstherapie 2002;35:147-55
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=2196&printlink=true&highlight=onderz
      Cfr. ook : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6475&printlink=true&highlight=gepercipieerde

    4. Klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk - Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk
      Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG - Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM;2004
      Cfr. : http://www.nivel.nl

    5. Klinisch beeld en beloop van overspanning
      Terluin B, van der Klink J Ė In :Hoogduin CAL et al, editors. - 'BehandelingsstrategieŽn bij burnout' - Houten: Bohn Stafleu Van Loghum;1996
      Cfr. : http://books.google.be/books?id=C_kxS2zwxokC&pg=PA231&lpg=PA231&dq=Klinisch+beeld+en+beloop+van+over
      spanning+-+Terluin&source=bl&ots=l64HtQgYIq&sig=3XQhayMj9mLLS-qyIx0sgaTi1o8&hl=nl&ei=jEMFS-bZDM_B-QbdrtzVDQ&sa=X&oi=book_result&ct=result&resnum=1&ved=0CAgQ6AEwAA#v=one
      page&q=&f=false

      Cfr. ook : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1927&printlink=true&highlight=analyseren

    6. Klinisch beloop van overspanning - Persisterende moeheid
      E.Dorant, G.M. van der Molen, A.J.M. Schmidt, 2006
      Het doel van het onderzoek was het klinische beloop van overspanning en verschillende klachten die de toestand van overspanning kenmerken, te beschrijven.
      Dit werd gedaan door middel van een longitudinaal, observationeel onderzoek bij patiŽnten die vanwege de ernst of complexiteit van werkgerelateerde overspanningsklachten zijn verwezen voor gespecialiseerde psychotherapeutische behandeling.
      Werkhervatting vormde een integraal onderdeel van de behandeltherapie, waarbij tijdstip en aanpak bij terugkeer naar werk zoveel mogelijk op de individuele situatie wordt toegesneden.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_Dorant_tbv14-8-346.pdf

    7. Klinische blik verzekeringsartsen onbetrouwbaar
      Aanvullend beroepschrift Mr. E van den Bogaard - November 2007
      Aan de Rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht, Postbus 75850, 1070 AW AMSTERDAM - 20 november 2007 Ė Dossier : 20060024B Ė E-mail : evdbogaard@westhoff.nl - Uw referentie : 06 / 5066 WAO Ė Inzake : A. / UWV (ook verstuurd per fax : 020 - 541 27 45)
      Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/stukken/vandenbogaard20071120.pdf

    8. Knelpunten in de arbo-curatieve samenwerking tussen bedrijfsarts en huisarts - Wat staat noodzakelijke gedragsverandering in de weg
      Heideman JCM, Engels JA, van der Gulden JWJ - Tijdschr Gezondheidswet 2002;80(3):185-191

    9. Kwaliteit van de zorg
      Crul BVM - Medisch Contact 2004;59(42):1627
      Iedereen heeft recht op kwalitatief goede en veilige zorg.
      Mensen moeten de zorg kunnen kiezen die bij hun eigen voorkeuren past.
      Als cliŽnten moeten zij invloed kunnen uitoefenen op de kwaliteit van de zorg.
      Zorgaanbieders moeten ervoor zorgen dat de zorgprofessional zijn werk kan doen : het verlenen van zorg aan degenen die zorg nodig hebben.
      Het kabinet heeft een aantal aandachtspunten benoemd voor het verbeteren van de kwaliteit van de zorg :
      - het zichtbaar en meetbaar maken van de kwaliteit van de zorg
      - het vergroten van de invloed van patiŽnten en cliŽnten
      - het veiliger maken van de zorg.

    10. Kwantificering van hersteltijden - Een gezamenlijk referentiekader voor bedrijfsarts en specialist - Eindrapport project Kwantificeren van hersteltijden
      Aanleiding Ė De samenwerking tussen bedrijfsartsen en medische specialisten is niet optimaal.
      Zo is er behoefte aan meer ťťnduidigheid in de adviezen aan patiŽnten over hersteltijden in de werksituatie bij de behandeling van specifieke aandoeningen.
      Om die eenduidigheid over hersteltijden te krijgen, heeft TNO Arbeid het pilot-project ďKwantificering van hersteltijden - Een gezamenlijk referentiekader voor bedrijfsarts en specialistĒ uitgevoerd.
      Doel - Het hoofddoel van de pilot is om door middel van consensus methode overeen-stemming te krijgen (= gezamenlijk referentiekader) tussen bedrijfsartsen en medische specialisten over de gemiddelde belastbaarheid bij enkele veel voorkomende aandoeningen na een medische behandeling.
      Een nevendoel is om op basis van de ervaringen in deze pilot een blauwdruk op te stellen waarmee in een eventueel vervolgfase het aantal aandoeningen uitgebreid kan worden.
      Het ontwikkelen van een gezamenlijk referentiekader zal bijdragen aan :
      1. de ontwikkeling van kennis bij medisch specialisten en bedrijfsartsen over de con-sequenties van specifieke aandoeningen en behandeling voor arbeid en verzuim;
      2. een efficiŽntere communicatie tussen bedrijfsartsen en specialisten.
      Opzet - In hoofdlijn was de opzet van het onderzoek als volgt : twee klankbordgroepen, elk bestaande uit 6 bedrijfsartsen en 6 medische specialisten, bepaalden twee neurologische (hernia nuclei pulposi en carpaal tunnelsyndroom) en twee orthopedische aandoeningen (epicondylitis lateralis en meniscus laesie) die in aanmerking kwamen voor het onderzoek en welke activiteiten in het werk relevant zijn voor de bepaling van de belastbaarheid van werknemers met deze bepaalde aandoening.
      Voor de bepaling van de belastbaarheid is gebruik gemaakt van de Functionele Mogelijkheden Lijst (de FML).
      De klankbordgroepleden ontvingen literatuur over medisch herstel en werkher-vatting na medische interventie van betrokken aandoeningen.
      Aan de hand van casus zijn de klankbordgroepleden vervolgens door middel van een aangepaste Delphi-methodiek en groepsdiscussies tot overeenstemming gekomen over :
      - de belastbaarheid en de benodigde hersteltijd na medische interventie van de vier aandoeningen;
      - een lijst van factoren die het medisch herstel en herstel van de belastbaarheid in het werk belemmeren.
      De werkwijze bij het bespreken van de casuÔstiek als volgt verlopen :
      - Individueel lezen van de casusbeschrijving (vůůr de bijeenkomst);
      - Individueel invullen van de eerste Delphi-vragenlijst inzake iedere casus (vůůr de bijeenkomst; eerste ronde). Benoemen van herstel belemmerende factoren;
      - Een presentatie van de uitkomsten van de vragenlijst tijdens de eerste bijeenkomst;
      - Vragen/discussie over verschillen en aspecten voor verduidelijking;
      - Gestructureerde discussie over de casus en uitkomsten : vaststellen van belast-baarheid en belemmerende factoren voor herstel belastbaarheid;
      - Individueel invullen van de tweede Delphi-vragenlijst (tweede ronde).
      De uitkomsten van de 2e Delphi-vragenlijst en de opgestelde lijst van belemmerende factoren zijn voorgelegd aan een steekproef van medische specialisten en bedrijfsartsen.
      Aan de hand van de resultaten van het achterbanonderzoek stelde de klank-bordgroep tijdens een tweede bijeenkomst hun consensus over de hersteltijden eventueel bij en werd de definitieve lijst van belemmerende factoren voor herstel en belast-baarheid vastgesteld.
      Gebruik van het referentiekader - De beschreven hersteltijden zijn bedoeld als hulpmiddel voor professionals om de reÔn-tegratie te bevorderen.
      Het zijn geen normen en ze zijn niet bedoeld ter onderbouwing van een arbeidsgeschiktheids- / claimbeoordeling.
      De hersteltijden kunnen geÔnterpre-teerd worden als gemiddelde tijd tot functioneel herstel, los van andere factoren die de verzuimduur nadelig kunnen beÔnvloeden.
      De hersteltijden zijn puntschattingen en ze hebben betrekking op een ongecompliceerd medisch beloop zonder aanwezigheid van (niet) medische en in het werk gelegen belemmerende factoren.
      Rondom deze punt-schatting is sprake van een natuurlijke spreiding van de hersteltijd.
      Het gepresenteerde referentiekader is gebaseerd op praktijkervaringen.
      Vooralsnog ontbreekt een Ďevidence basedĎonderbouwing.
      Conclusies - 1. Met de gekozen methode is het mogelijk om met bedrijfsartsen en medisch specialisten tot een gemeenschappelijk oordeel te komen over het herstel van de belastbaarheid bij enkele veel voorkomende aandoeningen na een medische interventie.
      2. De methode lijkt te voorzien in de behoefte aan een gemeenschappelijk referentiekader van concrete hersteltijden bij specifieke aandoeningen voor bedrijfsartsen en medische specialisten.
      3. Een juist gebruik van dit referentiekader in de praktijk vergt een zorgvuldige implementatie bij de gebruikers.
      Aanbevelingen - 1. Het toetsen van de bruikbaarheid van het referentiekader in de praktijk bij bedrijfsartsen en medische specialisten is wenselijk.
      2. Het huidige pilot-project zou op structurele basis voortgezet kunnen worden voor een groot aantal aandoeningen. Een blauwdruk hiervoor is weergegeven in bijlage I.
      3. Het huidige project biedt een methode die gebruikt kan worden in het project Ď
      Diagnostiek en Statistiek van Arbeidsmogelijkhedení voor het ontwikkelen van een referentiekader voor hersteltijden en het opstellen van aandoening specifieke factoren die het herstel van de belastbaarheid belemmeren.
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/Kwaliteitsbureau/Publicaties.htm

    11. Landelijke eerstelijns samenwerkings afspraak overspanning
      Romeijnders ACM, Vriezen JA, van der Klink JJL, Hulshof CTJ, Terluin B, Flikweert S, Baart PC - Huisarts en Wetenschap 2005
      -
      Het disfunctioneren van een patiŽnt met overspanning betreft doorgaans de werk- en privť-situatie en heeft daarmee gevolgen voor zowel huisartsgeneeskundige als bedrijfsgeneeskundige zorg.
      Ė Bij de aanpaak van overspanning wordt uitgegaan van een best-practisch model met gestructureerde zorgen en een active begeleiding.
      Ė De rollen van de huisarts en bedrijfsarts zijn complimentair ten opzichte van elkaar.
      Ė Per PatiŽnt en situatie kan gekozen worden voor een verschillende aanpak, zoals gezamelijke zorg op geleide van ieders vakgebied of het uitvoeren van de gehele zorg door de ene discipline en het toetsend volgen door de andere.
      Ė Bij overspanning dient bij de (gedeelde) zorg door huisarts en bedrijfsarts de continuiteit van zorg voor de patiŽnt worden gewaarborgd.
      Cfr. : http://studiekringnoord.nl/Syllabus/syllabus2005//bijdragen/heida/tbv13-1-20.pdf

    12. Langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten
      Van der Meer JWM, Rijken PM, Bleijenberg G et al. - Utrecht;1997
      Cfr. : http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/25958
      Cfr. ook : http://www.me-net.combidom.com/meweb/ned15.txt

    13. Laveren tussen aanname en bewijs
      Nolen WA - Inaugurele rede, 30 november 2004, Groningen
      Cfr. : http://www.rgoc.nl/files/publicaties/pdf/oratienolen.pdf

    14. Leiddraad voor huisarts en bedrijfsarts bij de sociaal-medische begleiding van arbeidsverzuim
      Anema H, P. Buys, R van Amstel, D van Putten - 2002, TNO
      Cfr. : http://www.ziekenmondig.nl/doc/leidraad%20sociaal-medische%20begeleiding.%20leidraad%20huisarts%20bedrijfsarts.%20TNO.2002.pdf

    15. Leven met M.E. - Handleiding ter bestrijding van het post-viraal syndroom - Een methode om zelf te leren omgaan met myalgische encephalomyelitis en de kwaliteit van uw leven te verbeteren
      Wilkinson Steve, 1988 - Oorspronkelijke titel : 'Myalgic encephalomyelitis - The chronic fatigue syndrome' (vertaling : Loes Weenink) - Servire Uitgevers B.V., Cothen, 1990 Ė ISBN10 : 9063253761 Ė ISBN13 : 9789063253769
      Steve Wikinson, M.E.-patiŽnt, is zelf met zijn ziekte aan de slag gegaan.
      Naast een beschrijving van de iekte en haar symptomen, draagt hij in dit boek manieren aan om met de ziekte om te gaan door middel van eenvoudige therapieŽn en zelfhulptechnieken.

    16. Leven met M.E. - Het chronische vermoeidheids-syndroom / myalgische encephalomyelitis
      Dr. Anne Macintyre Anne Ė Oorspronkelijke titel : 'M.E., post-viral fatigue syndrome, how to live with it' (vertaling : M,P. van der Marel & Putman Cramer) - Uitgeverij La Riviere & Voorhoeve, 1994
      In de afgelopen jaren is het aantal mensen dat aan de onbekende ziekte M.E. (Myalgische Encephalomyelitis) lijdt, sterk gestegen.
      Deze ziekte, die ook wel 'vermoeidheidssyndroom' wordt genoemd, wordt vaak afgedaan als 'psychisch', maar heeft lichamelijke oorzaken.
      Gezonde, actieve mensen worden chronisch moe en kunnen niet goed meer functioneren.
      In 'Leven met M.E.' beschrijft Anne Macintyre, een arts die zelf met M.E. te kampen heeft, hoe de ziekte vastgesteld kan worden, welke behandelingen er bestaan en hoe de patiŽnt met M.E. kan leren omgaan.
      Ook is een uitgebreide adressenlijst opgenomen.
      Het boek wordt uitgegeven met medewerking van de M.E.-stichting Nederland

    17. Lichamelijke activiteit en ongezond voedingsgedrag onder werknemers - Gezondheid en gedrag - Debatten en achtergrondstudies - RVZ rapport (2002)
      Singh AS, Van Poppel MNM, Seidell JC et al. - RVZ, Zoetermeer, 2002
      Cfr. : http://www.rvz.net/data/download/achtergrondstudies_Gezond_Gedrag.pdf

    18. Maatschappelijke kosten van ME/CVS - Een onderzoek naar de macrokosten van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (ME/CVS) in Nederland
      Burgering, C. & Masurel, E. - Amsterdam : Vrije Universiteit (VU), 2000
      Dit rapport behandelt de maatschappelijke kosten van Myalgische Encephalomyelitis (ME) en het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS).
      Dit onderwerp wordt op twee manieren benaderd.
      Ten eerste is er een bronnenonderzoek gedaan, gebaseerd op een literatuurstudie waarbij diverse bronnen zijn geraadpleegd die raakvlakken hebben met de maatschappelijke kosten van ME/CVS.
      De tweede benadering bevat de resultaten van een enquÍteonderzoek van het Economisch en Sociaal Instituut van de Vrije Universiteit (ESI-VU) onder ME-patiŽnten in opdracht van de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid en het ME Fonds.
      In het totale onderzoek is onderscheid gemaakt tussen directe maatschappelijke kosten en indirecte maatschappelijke kosten. ME/CVS is van invloed op arbeidsparticipatie (dalende arbeidsproductiviteit), sociale zekerheid (meer uitkeringen), medische kosten (meer medicijnen), fiscale aspecten (dalende belastinginkomsten) en werkuitval van partners (aanpassing van werkpatroon).
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=46459&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/adlib/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue

    19. ME en Arbeidsongeschiktheid - Introductie in de uitvoering van Ziektewet AAW en WAO
      I.M.Diependaal (red.) - Uitgave van de Myalgische Encephalomyelitis Stiobting, 1996

    20. ME/CVS en werk
      Blatter B, van den Berg R, van Putten D - Hoofddorp: TNO; 2003: 1810106/14358
      Cfr. : http://www.steungroep.nl/index.php/component/content/article/63-cgt/170-specifieke-problemen-bij-mecvs

    21. Medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid - Verslag van het symposium 'Beoordelen, behandelen, begeleiden'
      Gezondheidsraad (Gr), Den Haag, 2007
      Het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid behoeft verbetering, in het belang van zowel de patiŽnt/werknemer als de samenleving.
      Onder dat motto vond op maandagmiddag 4 juni 2007 in Den Haag een symposium plaats naar aanleiding van een reeks adviezen die de Gezondheidsraad uitbracht in het kader van de invoering van de wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
      Tijdens het symposium gaven organisaties van medische en paramedische beroepsgroepen, patiŽnten en wetenschappers, de ministeries van SZW en VWS en de voorzitters van SER, UWV en Gezondheidsraad hun visie op de uitgebrachte adviezen en wat er in de praktijk mee gedaan zou kunnen en moeten worden.
      De deelnemers aan het symposium waren het in essentie erover eens, dat er goede mogelijkheden zijn om het medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te verbeteren.
      Werknemers met gezondheidsproblemen moeten geen professionele adviezen meer krijgen die onderling tegenstrijdig zijn.
      Overkoepelende multidisciplinaire richtlijnen voor beoordelen, behandelen en begeleiden Ė "3B-richtlijnen" - kunnen daarbij behulpzaam zijn.
      Bij het opstellen ervan moet gebruikgemaakt worden van de ervaringskennis van patiŽnten en cliŽnten.
      Er was brede steun voor de vaststelling dat nieuwe initiatieven als de ontwikkeling van verzekeringsgeneeskundige protocollen, mediprudentie en 3B-richtlijnen in begeleidend onderzoek geŽvalueerd zouden moeten worden.
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/includes/arbo-frameset?doc=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/docs/55193.pdf

    22. Meetinstrumenten bij chronische vermoeidheid (Measuring instruments for chronic fatigue)
      Berna de Vree, Sieberen van der Werf, Judith Prins, Ellen Bazelmans, Jan Vercoulen, Petra Servaes, Maaike de Vries & Gijs Bleijenberg - Gedragstherapie, 2002, 35(2), 157-164
      Based on a model of maintaining factors of CFS, assessment instruments to measure these factors are described.
      Normative data with several comparison groups are presented for the Self Efficacy Scale, the Causal Attribution List, the Actometer, Daily Observed Fatigue and Daily Observed Activity and the SCL-90 subscale somatisation.
      The Testorganizer, a program for automatized testing is presented.
      Cfr. : http://home.planet.nl/~tgth/2002/2002inh.htm

    23. Meting van functionele invaliditeit in het chronischevermoeidheidssyndroom door middel van vragenlijsten (Functional disability in chronic fatigue syndrome)
      Van Hoof E, Nijs J, Cluydts R et al. - Tijdschr Geneeskd 2003;59:715-23
      In de verschillende werkdefinities voor de bepaling van het chronisch vermoeidheidsyndroom (CVS) moet een patient een beduidende vermindering in de dagelijkse activiteiten melden.
      Tot op heden is echter geen enkele vragenlijst voldoende specifiek om dat criterium te onderzoeken.
      Bovendien bestaat er voor het meten van functionele invaliditeit geen eenduidigheid over de keuze van een bestaande vragenlijst.
      Op basis van een zoekopdracht in Pubmed worden drie lijsten naar voor geschoven, namelijk de '
      Medical Outcomes Short Form 36 Health Status Survey' (SF-36), de 'Sickness Impact Profile' (SIP) en de 'Karnofsky Performance Score'(KPS).
      Indien deze lijsten in de toekomst bij onderzoek worden gehanteerd, zal dit vergelijkbaarheid tussen de verschillende studies verbeteren.
      Als de resultaten verkregen zijn met dezelfde vragenlijsten, zullen de hypothesen, gesteld in deze artikels, gehanteerd worden om de discussie rond de etiologie te versnellen.
      Op basis van deze zoekopdracht worden een aantal aanbevelingen geformuleerd voor het gebruik van deze drie lijsten in het wetenschappelijk onderzoek en ten behoeve van de praktiserende arts.
      Cfr. : http://www.cvs-online.nl/modules.php?op=modload&name=News&file=article&sid=174&mode=mode=thread&order=0&thold=0

    24. Moeheid
      De Vries H, Fechter MM, Koehoorn J et al. - Huisarts & Wetenschap 2002;45:27-31
      Cfr. : http://www.henw.org/archief/volledig/id3107-implementatie-van-diagnostisch-onderzoek-in-de-dagelijkse-praktijk.html

    25. Moeheid - Een onderschat probleem...
      ReumapatiŽntenvereniging Enschede, oktober 1996
      In de spreekkamers is vermoeidheid een veel gehoorde klacht.
      Een klacht die door artsen en hulpverleners vaker niet dan wel wordt gehoord.
      Ondertussen kan juist die moeheid iemands leven behoorlijk ontwrichten.
      Op 10 februari j.l. werd daarom het congres 'Vermoeidheid, een chronisch
      probleem ?
      ' gehouden, in het Academisch Ziekenhuis Utrecht.
      De organisatie was in handen van de Vakgroep Klinische Psychologie en Gezondheidspsychologie van de Universiteit Utrecht.
      Artsen, psychologen, maatschappelijk werkers, verpleegkundigen en andere belangstellenden kregen er een overzicht van de stand van zaken.
      Zo'n multidisciplinaire aanpak is van belang, want bij vermoeidheid spelen naast medische factoren, ook psychische en sociaie factoren een rol.
      "Laten we van dat vraagteken in de titel maar meteen een uitroepteken maken", zo begon mw. R.M. Haasberger, voorzitter van de Nationale Commissie Chronische Zieken, haar toespraak.
      "Chronische moeheid is zeer zeker een omvangrijk probleem.
      Een probleem dat veel oorzaken en achtergronden kan hebben.
      Over het algemeen worden drie categorieŽn onderscheiden.
      Moeheid kan een primaire klacht zijn, zonder dat er een medische oorzaak wordt gevonden.
      Het kan optreden door chronische overbelasting, bijvoorbeeld kinderen hebben en een drukke baan.
      Moeheid kan ook een bijverschijnsel zijn van een chronische ziekte.
      Topje van de ijsberg
      "Voor veel chronisch zieken is moeheid zelfs het meest belastende aspect van hun aandoening.
      Hulpverleners en artsen hebben daar vaak veel te weinig oor voor.
      Er lijkt een kloof te bestaan tussen de ervaringen van chronisch zieken en die uan artsen en hulpverleners.
      Maar als vermoeidheid een langdurige kwestie wordt, heeft dat grote gevolgen voor het maatschappelijke en sociale leven.
      De klacht 'moeheid' is dan nog maar het topje van de ijsberg", aldus mw. Haas-Berger.
      Het lot van veel chronisch zieken is dus dat ze ook chronisch moe zijn.
      Helaas komt een chronische aandoening bijna nooit alleen.
      Hoe meer aandoeningen je hebt, hoe groter de kans dat vermoeidheid een bijverschijnsel wordt.
      Prof.dr.J. Bensing, psycholoog : "Van de gezonde groep mensen die is onderzocht, klaagt 20% over vermoeidheid.
      Bij mensen met een chronische aandoening is dat 30%.
      Van de mensen met vier of meer chronische aandoeningen is tweederde vermoeid."
      ReumapatiŽnten
      "Mensen met een schiIdklieraandoening of kanker zijn het vaakst moe (56%), blijkt uit onderzoek.
      Direct gevolgd door mensen met vormen van reuma, maag- en hartklachten, migraine, menstruatie- en menopauze-klachten (meer dan 50%).
      Van reumapatiŽnten was uit eerder onderzoek al bekend dat 57% moeheid als het meest problematische symptoom van hun ziekte beschouwt."
      Bij patiŽnten met RA en de ziekte van Bechterew is de moeheid medisch te duiden omdat een hoge bloedbezinking een ontstekingsziekte als reuma meestal begeleidt, evenals vaak temperatuursverhoging als het gevolg van de ontstekingen; en zowel een hoge bloedbezinking als temperatuursverhoging leidt vaak tot extreme moeheid.
      Bovendien hebben veel RA-patiŽnten bloedarmoede als structureel bijverschijnsel bij de RA. En ook bloedarmoede veroorzaakt moeheid.
      Sociaal isolement
      Prof. Bensing : "Mensen met vermoeidheidsklachten hebben een beduidend lagere kwaliteit van leven.
      Zij vermijden sociale activiteiten; verjaardagen en kaartavondjes worden afgezegd uit angst dat men het niet aankan.
      Dat leidt gemakkelijk tot een sociaal isolement.
      Daarover gaat men dan weer piekeren en dat leidt weer tot energieverlies, waardoor de moeheid erger wordt.
      Chronisch zieken zijn dus vaak moe en lijden daar onder, maar huisartsen en hulpverleners lijken daar nauwelijks oog voor te hebben.
      Videobanden van het Nivel (Nederlands Instituut voor onderzoek van de Eerstelijnsgezondheidszorg) maken dat pijnlijk duidelijk.
      Er staan ongeveer zesduizend huisartsenconsulten op.
      Uit observatie blijkt dat twee van de drie klachten over extreme moeheid werden genegeerd.
      Prof. Bensing :"De kloof in de zorg zou heel wat kleiner worden als wij ons wat minder concentreren op de oorzaken van moeheid.
      Het is beter om de moeheidsklachten als een gegeven te beschouwen en ons druk te maken om de consequenties die moeheid heeft voor het bestaan.
      Patienten willen begrijpen wat er met hen aan de hand is.
      Ze willen serieus genomon worden in hun klachten en begeleiding krijgen."
      In Nederland kampen momenteel tussen de 300.000 en 900.000 mensen met vermoeidheidsverschijnselen die langer dan zes maanden duren.
      Als we ervan uitgaan dat er circa 1 miljoen mensen zijn met een of meer chronische ziekten kan de conclusie worden getrokken dat vrijwel elke chronische zieke met extreme vermoeidheid te kampen heeft.
      Moeheid medisch bekeken
      Drs. E.N. Griep (als reumatoloog verbonden aan het medisch Centrum Leeuwarden) : "De belangrijkste taak van een specialist die met de klacht moeheid wordt geconfronteerd, is om 'pluis' van 'niet-pluis' te onderscheiden.
      Niet-pluis is het als er geen sprake is van een onderliggende ziekte.
      Pluis is het als er geen medische oorzaak wordt gevonden.
      Pas als dat station gepasseerd is, kun je kijken hoe je met de klacht kunt omgaan.
      "Moeheid verdient altijd een verklaring. Zorgvuldig onderzoek biijft steeds van belang.
      Kun je geen medische oorzaak ontdekken of is deze zeer onwaarschijnlijk, dan is het een kwestie van nadenken welke factoren wel een rol kunnen spelen.
      Problemen op het werk, op het sociale vlak, teveel hooi op de vork ?
      De beste aanpak is die van erkenning en begeleiding.
      Vertel patiŽnten wat ze in elk geval niet hebben.
      Geef mensen inzicht in hoe zij hun klachten zelf kunnen verbeteren.
      Het is in elk geval altijd fout om te zeggen dat er niets aan de hand is".
      Aldus drs. Griep.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=730&printlink=true&highlight=eerstelijnsgezondheidszorg

    26. Moeheid veelvoorkomende klacht
      Rozendaal L, Otten F - CBS Webmagazine, 23-12-2002
      Moeheid, hoofdpijn, spier- en gewrichtspijn, rugpijn en slapeloosheid zijn klachten die vaak voorkomen.
      De meest voorkomende klacht is moeheid.
      Op de vraag of men in de afgelopen twee weken last had van moeheid antwoordden in 2001 meer dan twee op de vijf mensen bevestigend.
      Verder had meer dan een derde last van pijn in spieren of gewrichten.
      Ook over hoofdpijn, pijn in spieren en gewrichten en moeite met slapen werd door relatief veel mensen geklaagd.
      Cfr. :
      http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artikelen/archief/2002/2002-1097-wm.htm

    27. Moet het chronische-vermoeidheidsyndroom erkend worden ?
      Van Houdenhove B, Vanthuyne S, Neerinckx E et al. - Tijdschr Geneeskd 1999;55:1732-8
      In dit artikel wordt de vraag naar de erkenning van het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS) en fibromyalgie ter discussie gesteld.
      Naast een kritische analyse van deze vraag, wordt besproken hoe arbeidsongeschiktheid bij deze patiŽnten objectief en zonder beroep te doen op pseudo-objectiveringsstrategieŽn kan worden geŽvalueerd.
      Ten slotte wordt meer algemeen de vraag aan de orde gesteld hoe onze moderne maatschappij met CVS en fibromyalgie - als eigentijdse vormen van stressgebonden ziek-zijn - dient om te gaan.
      Cfr. : http://www.tvg.be/detail.php?rec=2

    28. Multidisciplinaire richtlijn Depressie bij volwassenen. - Richtlijn voor de diagnostiek en behandeling van volwassen cliŽnten met een depressie
      Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) Ė Utrecht : 2004
      Cfr. : http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o1282n17537.html

    29. Myalgische Encephalomyelitis - Een raadselachtig vermoeidheidssyndroom
      Brochure van de Myalgische Encephalomyelitis Stichting, Amsterdam, 1995

    30. Myalgische encephalomyelitis ?
      Huisarts en Wetenschap 1997; 40 (1): 2-5
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?highlight=moedeloos&pageid=6424&printlink=true

    31. Myalgische Encephalomyelitis Postviraal Vermoeidheissyndroom - Richtlijnen voor patientenzorg
      Shepherd Charles, dr. - Oorspronkelijke titel 'Myalgic encephalomyelitis, post-viral fatique syndrome: guidelines for the care of patients' (vertaling : S. Dijkstra) - M.E.-Stichting, Amsterdam, 1995

    32. Naar een betere zorg voor zieke werknemers - Afstemmen van behandeling en werkhervatting
      J.W.J. van der Gulden; Dr. A.P. Nauta, 2008
      Een informatiebron voor professionals die werkzaam zijn rondom werk en gezondheid en die streven naar een betere afstemming van diagnostiek, behandeling en arbeidsre-integratie.
      Met informatie, inzichten en praktijkvoorbeelden waardoor de samenwerking rond beoordeling, behandeling en begeleiding van werknemers met gezondheidsklachten kan verbeteren.
      Cfr. : http://home.bsl.nl/boek/9789031352890/Naar_een_betere_zorg_voor_zieke_werknemers;
      jsessionid=7639F57CBF15841907B97AC7C16DA578


    Lees verder : Deel XV

    25-11-2009 om 21:20 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XV

    1. Naar een gericht BRAVO-beleid door bedrijfsartsen
      K.I. Proper, I. Bakker, K. van Overbeek, B. Bergstra, M.W. Verheijden, M. Hopman-Rock, W. van Mechelen : i.vanderleden@vumc.nl - April 2005 - © 2005 Body@Work TNO-VUmc (www.bodyatwork.nl -)
      In 2002 werd in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) geconstateerd dat de gezondheid van de Nederlander afzakt naar de Europese middelmoot.
      Ook werd geconstateerd dat ongezond gedrag de belangrijkste bekende oorzaak van onze stagnerende levensverwachting is.
      Bij dat ongezonde gedrag spelen leefstijlgedragingen, ook wel bekend onder de noemer BRAVO, een belangrijke rol.
      BRAVO staat voor : (meer)
      Bewegen, (stoppen met) Roken, (matig gebruik van) Alcohol, (gezonde) Voeding en (voldoende) Ontspanning.
      De aandoeningen die met deze leefstijlgedragingen samenhangen zijn allen chronisch van aard.
      Het gaat dan bijvoorbeeld om hart- en vaatziekten, diabetes mellitus type II, longziekten als astma en COPD, bepaalde vormen van kanker, osteoporose, leverziekten, maar ook milde depressie en angst.
      Een met ziektekans samenhangende consequentie van ongezond gedrag die momenteel sterk in de belangstelling staat is overgewicht.
      Genoemde niet-overdraagbare chronische Ďwelvaartsí-ziekten en de onderliggende leefstijl brengen grote kosten met zich mee.
      Zo werd in de VTV 2002 geschat dat ongezond gedrag, overgewicht en hoge bloeddruk goed is voor 5-9% van de totale kosten van de volksgezondheid.
      Het gaat hier uitdrukkelijk om de directe kosten samenhangend met medische behandeling.
      Over de indirecte kosten, dat wil zeggen de kosten samenhangend met ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, van deze aandoeningen is weinig bekend, omdat deze kosten in onderzoek vaak niet worden meegenomen.
      Uit het spaarzame onderzoek dat wel is uitgevoerd is bekend dat de indirecte kosten vaak een veelvoud bedragen van de directe kosten.
      Zo liet bijvoorbeeld een onderzoek van de Rekenkamer van het Verenigd Koninkrijk zien dat in 1998 de indirecte kosten van obesitas ca. 85% van de totale kosten samenhangend met dit Ďprobleemí bedroegen.
      Uit wat ouder onderzoek uit ScandinaviŽ is bekend dat werknemers met overgewicht een 1,5 (vrouwen), respectievelijk 2 maal (mannen) zo grote kans hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering vergeleken met werknemers met een normaal gewicht.
      Recent Nederlands onderzoek liet zien dat werknemers die niet sportten over een periode van 4 jaar ca. 20 dagen meer verzuimden van het werk dan werknemers die wel aan sport deden.
      Bij niet ingrijpen zullen de genoemde gezondheidsproblemen de komende decennia fors groter worden.
      Zo wordt geschat dat in Nederland bij toenemend overgewicht in 2024 in het worst-case scenario ca. 192.000 extra gevallen van ouderdomsdiabetes te verwachten zijn, bovenop het aantal gevallen dat wij nu al onder de huidige omstandigheden tellen.
      In het best-case scenario bedraagt dit aantal altijd nog 89.000.
      Ook voor andere ziektes zijn sombere schattingen gemaakt.
      Deze ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor de volksgezondheid, zowel vanuit het perspectief van het individu, maar ook vanuit macro-economisch perspectief.
      Het zal duidelijk zijn dat deze chronische gezondheidsproblemen ook hun weerslag hebben op de Ďwork-abilityí van de Nederlandse werknemer.
      De roep om preventie die veelal gehoord wordt is dan ook niet vreemd.
      In een artikel in de JAMA uit 2000 wordt het integreren van voldoende lichamelijke activiteit en gezonde voeding gezien als ťťn van de tien uitdagingen voor de Volksgezondheid van deze eeuw.
      Ook het al eerder genoemde VTV-rapport geeft aan dat preventie brood nodig is om deze ongewenste ontwikkelingen te stoppen.
      In deze preventie staat gedragsgerichte preventie centraal, met name gericht op het verbeteren van BRAVO-gedrag.
      Als kansrijke interventies worden genoemd interventie uitgevoerd vanuit Ďde wijkí, school en op het werk.
      Ook het Ministerie van VWS onderkent dat de werkplek een setting is van waaruit Integraal GezondheidsManagement uit gevoerd dient te worden.
      De bedrijfsgezondheidszorg kan derhalve bij deze ontwikkeling niet achter blijven.
      Immers, de bedrijfsarts bevindt zich in een ideale positie van BRAVO-interventies Ďwerkí te maken, zowel door het formuleren van beleid ten behoeve van het bedrijf waar hij/zij werkzaam voor is, als door het informeren van de cliŽnt die regelmatig door hem/haar gezien wordt, bijvoorbeeld in het kader van het PAGO.
      In een notitie uit 2004 van de UEMS ĎEen Europese visie op Bedrijfsgezondheid : de gezonde organisatie en de rol van bedrijfsartsení wordt een aantal elementen genoemd voor het verbeteren van de gezondheid van werknemers en het realiseren van gezonde organisaties.
      Eťn van deze elementen betreft het bevorderen van een gezonde leefstijl.
      Ook de NVAB vindt leefstijlbevordering een integraal onderdeel van de taakuitoefening van de bedrijfsarts, waarvan het belang in de toekomst alleen maar zal toenemen.
      Om deze taak naar behoren te kunnen uitoefenen moet de bedrijfsarts echter op de hoogte zijn van interventies die bewezen effectief zijn en die vanuit de bedrijfsgezondheidszorg uitvoerbaar zijn.
      Vanuit dit perspectief ontbreekt echter systematische wetenschappelijke kennis.
      Om deze reden heeft de NVAB het Ministerie van VWS verzocht literatuuronderzoek te laten verrichten naar de effectiviteit van BRAVOleefstijlinterventies die relevant zijn voor de bedrijfsarts.
      Voor de uitvoering van dit literatuuronderzoek is vervolgens begin 2004 een opdracht verstrekt aan Onderzoekscentrum Body@Work TNO VUmc.
      De resultaten van dit literatuuronderzoek vindt u beschreven in dit rapport, waarbij het onderzoek zich heeft om praktische redenen heeft beperkt tot Bewegen, Roken, Alcohol en Voeding.
      De hier beschreven resultaten vormen het uitgangspunt van nader te formuleren NVAB-beleid. (
      Bas Sorgdrager, Kees van Vliet en Willem van Mechelen)
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R164945410373072

    2. Off-labelgebruik van richtlijnen - Toepassing voor niet-medische doeleinden leidt tot ongewenste bijwerkingen
      W.H. van Harten Ė Correspondentieadres : w.v.harten@nki.nl Ė c.c. : redactie@medischcontact.nl - Medisch Contact, 12t/m18-03-2009, p. 514-516
      .../...
      Richtlijnen werden tot voor kort vooral gebruikt voor het sturen van het professioneel handelen.
      Te verwachten valt dat er ook andere, meer op organisatie, personeel of faciliteiten gerichte aspecten, in worden opgenomen.
      Dit kan leiden tot gebruik ervan door externe partijen.
      De neiging tot het gebruik van een richtlijn als veldnorm door de IGZ, leidt onvermijdelijk tot de eis van andere belanghebbenden, om bij de richtlijnontwikkeling te zijn betrokken.
      Daarmee ligt juridisering van de richtlijnontwikkeling op de loer.
      .../...
      Juridisering
      Het gebruik van een richtlijn buiten het strikt professionele domein kan impact hebben op de organisatie.
      Door kwalificaties over afdelingen af te geven of maatregelen aan te kondigen, kunnen bepaalde ziekenhuisfuncties en reputaties van maatschappen en ziekenhuizen op het spel komen te staan.
      Los van adequate inbreng van organisatiekennis, kunnen zij het zich moeilijk veroorloven de richtlijnontwikkeling aan professionals over te laten.
      Vervolgens is het dan ook de vraag hoe het risico van juridisering is te voorkomen.
      Vanuit de behoefte van allerlei andere partijen dan de zorgaanbieders is het begrijpelijk dat de minister van VWS voornemens is om een regieorgaan op te richten.
      Dit orgaan moet dan op onafhankelijke wijze kwaliteitsrichtlijnen opstellen en best practices identificeren.
      Of dit Łberhaupt gaat werken en niet een te rigide systeem oplevert, wordt in grote mate bepaald door de vraag of er bij die aanpak genoeg aandacht en ruimte is voor de dynamiek die de continue zoektocht naar verbetermogelijkheden kenmerkt.
      Als richtlijnen in toenemende mate last krijgen van Ďbijwerkingení, zoals bij de ic-richtlijn is gebeurd, dreigen organisatiepolitieke afwegingen bij toekomstige richtlijnontwikkeling de professioneel inhoudelijke argumenten te verdringen.
      Tenzij ook aanbevelingen die de organisatie betreffen op een zuivere wijze Ė lees evidence-based Ė worden aangepakt.
      Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/Tijdschrift/ntvh/Tijdschriftartikel/Offlabelgebruik-van-richtlijnen.htm

    3. Onderzoek naar de prevalentie van het chronische vermoeidheidssyndroom zoals herkend door huisartsen in Nederland en de attitude van huisartsen ten opzichte van het chronisch vermoeidheidssyndroom
      Klein Rouweler ILH, Severens JL en Bleijenberg G - Academisch Ziekenhuis Nijmegen, oktober 1999
      Het Chronisch Vermoeidheidssyndroom
      De klacht moeheid staat op de derde plaats van symptomen in de huisartspraktijk (Lamberts, 1991).
      Voor huisartsen is het een vage klacht omdat er niet duidelijk een oorzaak aan te wijzen is (de Haan 1982).
      Vaak gaat vermoeidheid vanzelf weer over, maar in zo'n 10% van de gevallen blijven de klachten tenminste ten halfjaar of langer aanhouden.
      Als er voor deze klachten door de arts geen lichamelijke verklaring gevonden is, spreken we van chronische vermoeidheid.
      Bij chronische vermoeidheid gaat het om zelfgerapporteerde aanhoudende of terugkerende moeheid die zes of meer achtereenvolgende maanden duurt.
      Het chronische vermoeidheidssyndroom (verder CVS) wordt omschreven als een klinische geevalueerde, onverklaarde aanhoudende of terugkerende chronische vermoeidheid met een nieuw of duidelijk begin, die niet het resultaat is van voortdurende inspanning, niet aanzienlijk verbetert door rust en die geleid heeft tot forse afname van vroegere niveaus van beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren.
      Tevens moeten gedurende tenminste zes maanden vier of meer van de volgende symptomen aanwezig zijn : zelfgerapporteerde beperking in het korte termijn geheugen of concentratieproblemen; keelpijn; gevoelige hals- of okselklieren; spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid; hoofdpijn; slaapklachten; malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren.
      Deze klachten mochten niet al aanwezig zijn voor het ontstaan van de vermoeidheid (Fukuda et al, 1994).
      Voor het onderzoek naar het uitsluiten van een lichamelijke verklaring voor de klachten is altijd een arts nodig (zie voor het beleid van de arts in deze Van Der Meer e.a., 1997).
      Probleemschets
      Uit een representatief onderzoek in Engeland onder huisartsen (Ho-Yen & McNamara, 1991) komt eon prevalentie van CVS van 1,3 per 1000 personen ingeschreven bij een huisarts naar voren.
      De spreiding is echter aanzienlijk : 0,3 tot 2,7 per 1000 personen.
      In andere onderzoeken worden soms hogere en soms lagere prevalentiecijfers gevonden.
      Dit hangt samen met de verschillende wijzen waarop CVS tot nu toe werd gedefinieerd.
      In 1993 is door onze onderzoeksgroep een enquete gehouden onder alle huisartsen in Nederland met een tweeledig doel: zicht krijgen op de prevalentie van het chronische vermoeidheidssyndroom in huisartsenpraktijk en het informeren van huisartsen over CVS.
      Van alle huisartsen retourneerde 60% (N=4027) de vragenlijst.
      De prevalentie van CVS in Nederland werd geschat op 112 per 100.000.
      Deze cijfers komen vrijwel overeen met de eerder genoemde prevalentie in Engeland van 1,3 per 1000 personen.
      Extrapolatie van de onderzoeksresultaten gaf aan dat er tenminste 17.000 CVS-patienten in Nederland zijn (Bazelmans et al., 1996, 1997).
      Gesteld werd dat dit waarschijnlijk een minimale schatting is met de volgende argumenten: in dit onderzoek werd een klachtenduur van 1 jaar of langer gehanteerd terwijl nu volgens de huidige internationale richtlijnen een klachtenduur van een halfjaar of meer gehanteerd wordt (Fukuda et al., 1994).
      Een tweede is de kennis en de houding van huisartsen ten opzichte van (het stellen van de diagnose) CVS van invloed op het (h)erkennen van CVS en dus ook op de gerapporteerde prevalentie van CVS door huisartsen.
      In het vorige onderzoek lag de leeftijdsgrens van CVS bij jongeren tot 25 jaar.
      Het bleek dat 17% van de CVS-patienten jonger was dan 25 jaar.
      Achteraf gezien had de leeftijdsgrens beter bij l8 jaar kunnen liggen vanwege de steeds toenemende aandacht voor CVS bij jongeren.
      Omdat in Nederland geen goede prevalentiegegevens van CVS bij jongeren bestaan is in dit onderzoek de leeftijdsgrens van 18 jaar aangehouden.
      Vermoeidheid is niet alleen een belangrijke klacht bij CVS-patienten.
      Ook andere patientengroepen kampen met ernstige vermoeidheid waaronder, patienten met MS, patienten met spierziektes, patienten na een CVA of na behandeling van kanker etc.
      De klacht moeheid komt in de huisartsenpraktijk veel voor. Jaarlijks komt circa 9% van de ingeschreven patienten met deze klacht naar het spreekuur (Kenter & Okkes, 1999).
      Over het aantal patienten met ernstige vermoeidheid in samenhang met een lichamelijke ziekte in de huisartsenpraktijk is niets bekend.
      Aanvullend onderzoek naar de gerapporteerde prevalentie van CVS en andere patienten met chronische vermoeidheid door huisartsen, is om bovengenoemde redenen dringend gewenst.
      Uit een eerdere pilotstudy waarin 12 huisartsen werden geintervieuwd, kwam naar voren dat het wel of niet stellen van de diagnose CVS, te maken had met de kennis die huisartsen hadden van CVS en de houding van huisartsen ten opzichte van CVS (Klein Rouweler, 1996).
      In dit onderzoek is de houding van huisartsen ten opzichte van CVS dan ook een belangrijk aandachtspunt.
      De verwachting is dat huisartsen met meer CVS patienten in de praktijk, meer ervaring en een andere houding hebben ten opzichte van CVS in vergelijking met huisartsen met weinig CVS patienten in hun praktijk.
      De houding van huisartsen zal anders zijn wanneer zij een geringe bereidheid voelen tot het stellen van de diagnose CVS.
      Vraagstellingen
      Fase 1 Ė Prevalentieonderzoek
      - Hoeveel patienten met Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) zijn in Nederland bekend bij huisartsen ?
      - Zijn er, sinds het vorige onderzoek, veranderingen in patientkenmerken zoals leeftijd en geslacht ?
      - In welke mate zijn huisartsen bereid de diagnose CVS te stellen ?
      - Wat doet de huisarts aan diagnostiek en behandeling bij CVS-patienten ?
      - Hoeveel patienten met chronische vermoeidheid in samenhang met een lichamelijke ziekte zijn in Nederland bekend bij huisartsen ?
      Fase 2 Ė Interview
      In fase 2 worden vraagstellingen 3 en 4 uit fase 1 nader uitgediept door gebruik te maken van een interview.
      - In welke mate zijn huisartsen bereid de diagnose CVS te stellen ?
      - Wat doet de huisarts aan diagnostiek en behandeling bij CVS-patienten ?
      Deze vragen worden beantwoord door na te gaan hoe vaak huisartsen in concrete gevallen de diagnose CVS stellen.
      Vervolgens wordt nagegaan wat huisartsen doen aan diagnostiek en behandeling in deze concrete gevallen c.q. casussen.
      Tevens wordt gekeken naar verschillen tussen huisartsen die veel CVS-patienten in de praktijk hebben en huisartsen met weinig CVS-patienten in de praktijk.
      Op deze wijze wordt inzicht verkregen in de houding van huisartsen ten opzichte van CVS en de bereidheid tot het stellen van de diagnose CVS.
      De verwachting is dat huisartsen met meer CVS-patienten, meer ervaring hebben waardoor zij anders antwoorden dan huisartsen met weinig CVS-patienten in hun praktijk.
      De volgende hypotheses kunnen vooraf geformuleerd worden: huisartsen met meer CVS-patienten in de praktijk zullen vaker de diagnose CVS stellen, zullen positiever staan ten opzichte van de diagnose CVS, meer kennis hebben omtrent CVS, beter op de hoogte zijn van eventuele verwijzingen voor CVS en vaker CVS-patienten zelf begeleiden in vergelijking met huisartsen met weinig CVS-patienten in de praktijk.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6344&printlink=true&highlight=nascholing

    4. Opvattingen van huisartsen over het chronisch vermoeidheidsyndroom
      Stroband J, Petri H, Graffelman AW, Knuistingh Neven A - Afdeling Huisartsen Verpleeghuisgeneeskunde, Universiteit Leiden, 1999
      Inleiding
      - Het chronisch vermoeidheidsyndroom (CVS) is van toenemend belang in de huisartspraktijk.
      Het hoofdkenmerk is vermoeidheid die langer bestaat dan zes maanden, niet overgaat door bedrust, met een aanzienlijke vermindering van activiteitenniveau, zonder dat er een aanwijsbare oorzaak bestaat.
      Er wordt veel aandacht besteedt aan de patienten en het ziektebeeld, maar hoe huisartsen er over denken is nog maar weinig onderzocht.
      Bij eerder onderzoek erkende de overgrote meerderheid het CVS.
      Het doel van dit onderzoek was na te gaan wat de opvattingen van de huisartsen zijn over het CVS.
      De vraagstellingen waren gericht op de meningen, het stellen van de diagnose, het aantal patienten per huisarts en het beleid.
      Methode - De opvattingen van huisartsen zijn onderzocht met behulp van schriftelijke enquetes, aangevuld met persoonlijke gesprekken.
      De enquetes zijn verzonden naar tweehonderd huisartsen in Leiden en omgeving.
      De interviews zijn afgenomen bij tien huisartsen die het CVS wel en tien huisartsen die het
      CVS niet erkenden.
      Resultaten - Van de 180 praktiserende huisartsen heeft 84% de enquete geretourneerd.
      Vierenvijftig procent van de huisartsen erkende het CVS als afzonderlijke ziekte en eveneens ongeveer de helft erkende fibromyalgie.
      Er was een duidelijk verband tussen het erkennen van beide ziektebeelden.
      Er waren duidelijk meer huisartsen die whiplash en het irritable bowel syndrome erkenden.
      Vrouwelijke huisartsen erkenden het CVS vaker dan mannelijke.
      Vijftig procent van de huisartsen stelde de diagnose CVS.
      De huisarts had gemiddeld 3,5 patienten met het CVS en huisartsen met meer patienten erkenden het CVS vaker.
      Tweederde van de huisartsen gaf de patienten een vorm van behandeling; de meerderheid voerde gesprekken en een kleiner aantal gaf medicijnen of fysiotherapie.
      Het al of niet geven van een vorm van behandeling had nauwelijks verband met het erkennen van het CVS.
      Uit de gesprekken kwam naar voren dat de huisartsen een voornamelijk terughoudend beleid voerden.
      Een reden om de diagnose te overwegen was het legitimeren van de moeheid, terwijl een reden om do diagnose niet te stellen was dat de prognose zou worden verslechterd.
      Er waren geen duidelijke verschillen tussen huisartsen die het CVS wel en niet erkenden.
      Discussie - Het aantal huisartsen dat het CVS erkende was in dit onderzoek laag vergeleken met gegevens in de literatuur.
      Door de hoge respons in ons onderzoek (vierentachtig procent) zijn er wellicht meer huisartsen die sceptisch tegenover het chronisch vermoeidheidsyndroom staan.
      Het gemiddelde van 3,5 patienten per huisarts uit ons onderzoek lijkt goed overeen te komen met de prevalenties uit de literatuur.
      Verder bleek dat de prevalentie hoger werd naarmate meer huisartsen het CVS als ziektebeeld erkenden.
      Het feit dat meer vrouwelijke dan mannelijke huisartsen het CVS erkenden kwam niet tot uiting bij het stellen van diagnoses.
      Mogelijk speelde toevalsvariatie een rol, ook vanwege het kleine aantal vrouwelijke huisartsen.
      Het kan ook zijn dat vrouwelijk huisartsen vaker het idee hadden dat het stellen van de diagnose ongunstig is voor de patient.
      Opvallend was dat er geen sterk verband naar voren kwam tussen het erkennen van het CVS en het beleid.
      Een substantieel aantal huisartsen erkende het beeld niet, maar behandelde de patient wel.
      Een klein aantal huisartsen erkende het CVS wel, maar behandelde niet.
      In de interviews kwam als reden voor het "
      wel erkennen maar niet behandelen", naar voren dat het stellen van de diagnose kan inhouden dat er een soort eindstadium is bereikt, waarbij de huisarts niets meer voor de patient kan doen.
      Overigens hoeft het al dan niet overwegen van de diagnose geen invloed te hebben op het beleid van de huisarts.
      De meningen en het beleid van huisartsen liepen vaak ver uiteen.
      Desondanks gaven veel huisartsen aan weinig of geen knelpunten te hebben ondervonden bij diagnostiek van het CVS, de behandeling of de relatie met derden.
      Veel huisartsen dachten knelpunten te kunnen voorkomen door het hebben van een goede band met de patient.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6419&printlink=true&highlight=nascholing

    5. Persoonlijkheidskenmerken en het chronisch vermoeidheidssyndroom - Een literatuuroverzicht
      Hoogveld S, Prins J, de Jong L et al. - Gedragstherapie 2001;34:275-305
      Cfr. :
      - http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1926&printlink=true&highlight=retrospectief
      - http://www.cfids-cab.org/cfs-inform/Reviewcfs/prins.etal06.txt

    6. Prevalentie van chronische-vermoeidheidsyndroom in 4 huisarrspraktijken in de regio Leiden
      Versluis RGJA, de Waal MWM, Opmeer C et al. - Ned Tijdschr Geneesk 1997;31:1523-26
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1358&printlink=true&highlight=huisartsgeneeskunde

    7. Prevalentie van het chronisch vermoeidheidssyndroom en primaire chronische fibromyalgie in Nederland (Prevalence of chronic fatigue syndrome and primary fibromyalgia syndrome in The Netherlands)
      Bazelmans E, Vercoulen JHMM, Galama JM et al. - Ned Tijdschr Geneesk 1997;31:1520-23
      Cfr. :
      - http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1358&printlink=true&highlight=huisartsgeneeskunde
      - http://www.medivera.nl/cvs.pdf

    8. Preventie psychische arbeidsongeschiktheid bij zelfstandige ondernemers (PPAZ) - Resultaten van een gecontroleerd effectonderzoek.
      R.W. B. Blonk en S.E. Lagerveld, TNO 2003
      Onderzoek naar de effectiviteit van psychologisch begeleiding op basis van cognitieve gedragstherapie versus een innovatieve gecombineerde begeleiding waarbij de interventie zowel gericht is op de werksituatie als op het individu.
      Uit dit onderzoek komt de aanbeveling kort na uitval een gecombineerde interventie in te zetten en pas bij stagnatie cognitieve gedragstherapie toe te passen.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_preventieppazblonk2003.pdf

    9. Prognosis in chronic fatigue syndrome - A prospective study on the natural course
      Vercoulen J.H.M.M., Swanink C.M.A., Fennis J.F.M., Galama J.M.D., Meer J.W.M., van der, Bleijenberg G. - Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 60, pag. 489-494, 1996
      Objective -
      To determine spontaneous improvement after a follow up interval of 18 months in patients with chronic fatigue syndrome and to identify factors that predict improvement.
      Methods - A longitudinal study was used. Of 298 initially assessed self referred patients fulfilling criteria for chronic fatigue syndrome, 246 patients completed self report questionnaires at follow up (response rate 83%).
      A multidimensional assessment method was used, measuring behavioural, emotional, cognitive and social functioning.
      Comparison data from 53 healthy subjects matched for age, sex and educational level were available.
      Results - Three per cent of patients reported complete recovery and 17% reported improvement.
      At follow up, there were considerable problems at work and consumption of medication was high.
      Subjective improvement was confirmed by dimensional change : at follow up recovered patients had similar scores to healthy subjects and improved patients showed significant improvement on four out of seven outcome measures and had higher scores than healthy subjects in all dimensions.
      Sociodemographic variables or treatment by specialists and alternative practitioners did not predict improvement.
      Predictors of improvement were : subjective sense of control over symptoms, less fatigue, shorter duration of complaints and a relative absence of physical attributions.
      Conclusion - The improvement rate in patients with a relatively long duration of complaints is small.
      Psychological factors are related to improvement, especially cognitive factors.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC486359/

    10. Programma ter versterking van de kennis- en onderzoeksinfrastructuur van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde in arbodiensten Ė Eindrapportage
      Dijk F van, HŁgenholtz N, Coronel Instituut, Amsterdam, 2005
      Cfr. :
      - http://dare.uva.nl/record/206283

    11. Protocollaire behandeling van patiŽnten met het chronisch vermoeidheidssyndroom - Graduele activering en cognitieve therapie
      Deale A, Chalder T, Wessely S, Keijsers G.P.J. & Hoogduin C.A.L. - Hoofdstuk uit het boek "Protocollaire behandeling in ambulante zorg", 1999
      Sinds halverwege de jaren tachtig is de aandacht voor chronische vermoeidheidsklachten sterk toegenomen.
      Deze belangstelling is begrijpelijk : uit epidemiologische studies in de VS en Groot-Brittannie is gebleken dat 20% van de mannen en 25% van de vrouwen zich 'altijd moe' voelt (Wessely & Powell, 1989).
      Zeven tot veertien procent van de huisartsbezoekers consulteert de huisarts wegens vermoeidheidsklachten (Cathebras et al., 1992: Wessely & Sharpe, 1995).
      Soms kan door de huisarts een medische oorzaak worden vastgesteld, bijvoorbeeld bloedarmoede.
      In het merendeel van de gevallen wordt de patient echter verwezen naar een specialist of wordt geadviseerd rust te houden.
      Bij naar schatting 1 % van de huisartsbezoekers kan ook na doorverwijzing naar een specialist geen medische oorzaak worden vastgesteld : de patient lijdt aan medisch vooralsnog onverklaarbare vermoeidheid.
      Als eerste wordt ingaan op de diagnose 'Chronisch Vermoeidheidssyndroom' (cvs) en de beslaande controversen rond dit ziektebeeld.
      Hierna worden kenmerken van cvs-patienten besproken.
      In de loop der jaren zijn allerlei benamingen gehanteerd om medisch onverklaarbare, langdurige vermoeidheidsklachten aan te duiden.
      Sinds het begin van den eeuw werden onverklaarbare vermoeidheidsklachten ondergebracht bij het begrip neurasthenie.
      Tegenwoordig wordt ook gesproken over myalgische encefalomyelitis (M.E.), het post-virale vermoeidheidssyndroom of immuundeficientiesyndroom.
      Het is de vraag of deze benamingen wel zo juist gekozen zijn.
      Ze veronderstellen namelijk bepaalde medische kenmerken van het syndroom of verwijzen naar een specifieke medische of psychiatrische etiologie.
      Er zijn vooralsnog onvoldoende empirische gegevens om het gebruik van een van de bovenstaande benamingen voor medisch onverklaarbare vermoeidheidsklachten te rechtvaardigen.
      Om de problemen rond specifieke kenmerken en strijdige etiologische opvattingen te omzeilen, werd door een groot aantal deskundigen in twee publicaties de term 'chronisch
      vermoeidheidssyndroom
      ' (chronic fatigue syndrome) voorgesteld (Holmes et al., 1988; Sharpe el al., 1991).
      Analoog aan de diagnoses in de DSM-IV werden criteria voor het cvs opgesteld mei weglating van verwijzingen naar de etiologie.
      Sharpe et al. (1991) formuleerden de volgende criteria :
      a. Het ziektebeeld wordt gekenmerkt door vermoeidheid als hoofdklacht.
      b. De klachten bestaan niet levenslang: ze zijn gedurende een periode van minimaal 6 maanden meer dagen wel dan niet aanwezig.
      c. De vermoeidheid is ernstig en beinvloedt fysiek en mentaal functioneren.
      d. Andere symptomen kunnen voorkomen, in het bijzonder spierpijn, stemmings- of slaapstoornissen.
      e. Uitgesloten van de diagnose zijn patienten waarbij een medische ziekte is vastgesteld, die bovenstaande klachten kan veroorzaken, alsmede patienten met schizofrenie, bipolaire stoornis, middelenmisbruik, eetstoornissen of aangetoonde hersenziekte.
      De introductie van de term cvs heeft de controversen rond het ziektebeeld beslist niet weggenomen.
      Zo wordt chronische vermoeidheid wel als een modeverschijnsel beschouwd.
      Vermoeidheid als pathologisch verschijnsel zou typerend zijn voor onze moderne, productiegerichte Westerse samenleving.
      Een ander punt betreft de vraag of er bij het cvs sprake is van een neuromusculaire aandoening.
      De patienten klagen immers over vermoeidheid in de spieren.
      Volgens Wessely en Sharpe (1995) zijn er echter geen empirische aanwijzingen van abnormaal spierfunctioneren hij cvs-patienten die niet evenzeer het gevolg kunnen zijn van deconditionering als gevolg van het verminderd gebruik van de spieren.
      Tevens heeft het grootste deel van de cvs-patienten eveneens last van mentale vermoeidheid, wat wil zeggen, concentratie- en geheugenproblemen.
      Mentale vermoeidheid is niet met behulp van een musculaire ziekte te verklaren.
      Veel onderzoekers beweren dar hei cvs het gevolg is van een virusinfectie.
      Tussen de 60 en 90% van de patienten met cvs legt een verband tussen een virusinfectie en het ontstaan van vermoeidheidsklachten (Hickie et al., 1990; Kruesi, Dale & Straus. 1989;
      Wessely & Powell. 1989).
      Door anderen wordt deze opvatting bestreden, de popularisering van hel begrip Me en de daarmee gepaarde verwijzing naar een virusinfectie in de afgelopen jaren zou de toeschrijving van vermoeidheidsklachten aan een virusinfectie in de hand hebben gewerkt.
      Vooralsnog is er geen virus geidentificeerd dat met betrouwbaar onderzoek aangetroffen kon worden.
      Een laatste controverse betreft de overlap tussen de symptomen van het cvs en andere psychische stoornissen.
      Vermoeidheidsklachten komen vaak voor bij psychiatrische ziektebeelden.
      Omgekeerd worden bij cvs-patienten eveneens psychiatrische stoornissen aangetroffen.
      De gerapporteerde cijfers hierover lopen uiteen : bij 50 tot 75%, van de cvs-patienten kwamen psychiatrische stoornissen voor (Blakely el al., 1991; Hickie el al., 1990; Kruesi, Dale & Straus, 1989; Manu, Lane & Matthews, 1988: Wessely & Powell. 1989).
      Stemmingsstoornissen werden aangetroffen hij 33 tot 57% van de cvs-patienten, angststoornissen bij 6 tot 32% en somatisatiestoornissen bij 7 tot 15% (Blakely el al.. 1991: Deale et al., 1997; Hickie et al., 1990; Kruesi. Dale & Straus, 1989: Manu. Lane & Matthews. 1988; Sharpe et al., 1996; Wessely & Powell, 1989).
      Het lijkt erop dat vooral de overlap met stemmingsstoornissen groot is (Ray, 1991).
      Voorts lijkt er een grote overeenkomst te bestaan tussen de klachten bij het cvs en die bij burnout.
      Emotionele uitputting (het gevoel 'leeg' of 'op' te zijn en alle reserve te hebben verbruikt) wordt wel als het belangrijkste kenmerk van burnout beschouwd (Schaufeli, Maslach & Marek, 1993).
      Het belangrijkste verschil tussen beide syndromen is vooralsnog dat burnout beschouwd wordt als een uitputtingstoestand ten gevolge van langdurige blootstelling aan (werk)stress, terwijl er over de oorzaken van het cvs geen eenduidigheid bestaat.
      Gebaseerd op empirische studies van de afgelopen jaren kan een volgend overzicht geboden worden van demografische kenmerken en klachtenpresentatie van cvs-patienten.
      Op het moment van aanmelding voor onderzoek of behandeling waren vermoeidheidsklachten gemiddeld 4 tot 6 jaar aanwezig.
      De gemiddelde leeftijd van de patienten ligt tussen de 34 en 39 jaar wat betekent dat de klachten zich gemiddeld genomen tussen het 28ste en 35ste levensjaar ontwikkelden (Blakely et al.. 1991; Deale et al., 1997; Kruesi. Dale & Straus, 1989; Ray et al., 1992: Vercoulen et al., 1995; Wessely & Powell. 1989).
      Grofweg tweederde deel van de patienten beslaat uit vrouwen.
      Gerapporteerde klachten zijn aanhoudende vermoeidheid, uitputting, ongebruikelijke vermoeidheid of spierpijn na inspanning, concentratieproblemen. gastro-intestinale problemen, slaapproblemen en een gedrukte stemming.
      In de studie van Wessely & Powell (1989) rapporteerde 92% van de cvs-patienten mentale vermoeidheid.
      Vercoulen et al. (1995) vonden geheugen of concentratieproblemen bij 59% van de patienten.
      Bij de meeste cvs-patienten lijken de klachten in de loop van de dag toe te nemen.
      De patient is als het ware niet in staat zich te herstellen na verrichte inspanning.
      Tussen de 46 en 75% is gestopt met werk of studie als gevolg van de vermoeidheidsklachten of heeft het werk verminderd (Cox & Findley, 1994: Deale et al., 1997: Kruesi. Dale & Straus, 1989; Ray et al., 1992; Vercoulen et al.. 1995).
      Het merendeel van de patienten veronderstelt een verband tussen het ontstaan van de vermoeidheidsklachten en een virusinfectie.
      De meeste patienten denken een lichamelijke ziekte te hebben (Butler et al., 1991; Deale et al., 1997; Hickie et al., 1990; Vercoulen et al.. 1995; Wessely & Powell, 1989).
      Voorts heeft een groot deel van de patienten een specialist geconsulteerd.
      Van de bijna 300 patienten uit het onderzoek van Vercoulen el al. (1995) bezocht 81% een internist, 59% een neuroloog, 35% een psycholoog, 35% een psychiater en 32% een reumatoloog.
      Kortom, bij de meeste patienten hebben vermoeidheidsklachten geleid tot een ernstige verstoring van het dagelijks leven.
      Het komt voor dat patienten de hele dag in bed liggen en nauwelijks nog tot fysieke inspanning in staat zijn.
      Anderzijds zijn er patienten die in vergelijking met voorgaande jaren de dagelijkse activiteiten weliswaar hebben gereduceerd, maar die desondanks nog een overvol dagprogramma hebben en een indrukwekkende hoeveelheid activiteiten verrichten.
      Typerend in dit verband is dat het sociaal en maatschappelijk functioneren van cvs-patienten
      voor aanvang van de ziekte vaak zeer goed was; cvs-patienten waren harde werkers en in sociaal opzicht actieve, initiatiefnemende mensen (Hickie et al., 1990).
      Cfr. :
      - http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6345&printlink=true&highlight=empirisch
      - http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/64293

    12. Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg, deel II (1999)
      C.A.L. Hoogduin , A. van Minnen , G.P.J. Keijsers - Bohn Stafleu van Loghum, september 1999 - ISBN10 : 9031328405 - ISBN13 : 9789031328406
      In de ambulante geestelijke gezondheidszorg vinden protocollaire behandelingen steeds meer hun weg naar de dagelijkse praktijk, ondanks kritiek en discussie.
      De kritiek is begrijpelijk, maar de aantrekkingskracht niet minder.
      Hulpverleners zijn immers opgegroeid met een casusgewijze benadering van patiŽnten, velen van hen zijn via de weg van 'trial and error' eigen methoden gaan ontwikkelen en staan zeer aarzelend tegenover standaardbehandelingen.
      Bovendien wordt vaak verondersteld dat protocollaire behandelingen alleen geschikt zijn voor betrekkelijk 'gemakkelijk te behandelen' patiŽnten.
      Aan de andere kant : protocollaire behandelingen zijn ontwikkeld door experts, een groot deel ervan is keer op keer onderzocht, zij sluiten aan bij up-to-date psychopathologiemodellen en zijn door hun expliciete karakter relatief snel aan te leren.
      Deze tweede bundel bevat protocollaire behandelingen voor patiŽnten met alcoholproblemen, depressie, specifieke fobie, gegeneraliseerde angststoornis, migraine en spierspanningshoofdpijn, chronische-vermoeidheidssyndroom, onverklaarde lichamelijke klachten en ongewenste gewoonten en voor paren met relatieproblemen.
      De nadruk valt telkens op de praktische toepassing van het behandelprotocol : het boek is in de eerste plaats bedoeld voor praktijkmensen.
      De ontwikkeling van het boek Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg 2 en de organisatie van het eraan gekoppelde symposium zijn initiatieven van CURE & CARE development.
      CCd wil hiermee een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van standaarden en strategieŽn die leiden tot kwaliteits- en efficiencyverbetering in de (geestelijke) gezondheidszorg.
      Cfr. : http://www.bol.com/nl/p/boeken/protocollaire-behandelingen-in-ambulante-geestelijke-gezondheidszorg-2/666851854/index.html

    13. Protocollen ondersteunen beoordeling arbeidsongeschiktheid
      Gezondheidsraad, 19-03-2007
      Voor zowel de individuele werknemer als de samenleving is het van groot belang dat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid in overeenstemming is met de stand van de wetenschap.
      Daarom brengt de Gezondheidsraad ter ondersteuning van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, op verzoek van de minister van SZW, een tiental verzekeringsgeneeskundige protocollen uit.
      Ze worden opgesteld door een commissie van de raad, in aansluiting op bestaande evidence based curatieve en bedrijfsgeneeskundige richtlijnen.
      Het advies Verzekeringsgeneeskundige protocollen : Angststoornissen, Beroerte, Borstkanker bevat het vijfde tot en met zevende protocol in de reeks.
      De protocollen dienen gelezen te worden in samenhang met de eind vorig jaar door de Gezondheidsraad gepubliceerde Algemene inleiding bij de verzekeringsgeneeskundige protocollen.
      Na het in juli 2005 verschenen advies Beoordelen, behandelen, begeleiden.
      Medisch handelen bij ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en de adviezen met de Algemene inleiding en de verzekeringsgeneeskundige protocollen Aspecifieke lage rugpijn, Hartinfarct, Overspanning en Depressieve stoornis, is dit advies met de protocollen Angststoornissen, Beroerte en Borstkanker het vierde dat door de Gezondheidsraad wordt uitgebracht in het kader van de invoering van de nieuwe wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
      In de loop van dit voorjaar zal met de publicatie van de protocollen Chronische-vermoeidheidssyndroom, Lumbosacraal radiculair syndroom en Whiplash Associated Disorder de reeks van tien protocollen gecompleteerd worden.
      De WIA-advisering door de Gezondheidsraad zal worden afgerond met een advies over verzekeringsgeneeskundige Ďmediprudentieí.
      Cfr. : http://www.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_1_TICH_R190652540757429//

    14. Protocollen voor een eenduidige beoordeling arbeidsongeschiktheid - Beoordelen, behandelen en begeleiden
      J.J. d Jong - Verzuim en reÔntegratie, vol. 5, 2006, nr. 1, pag. 6-7
      Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) gaat bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid werken met verzekeringsgeneeskundige protocollen.
      Deze moeten de verzekeringsartsen helpen bij de beoordeling van bepaalde diagnoses, zoals bij de vraag naar de mogelijkheden die iemand in de toekomst heeft om te werken.
      Het gebruik van de protocollen moeten beoordelingen eenduidiger maken.
      Met de invoering van de protocollen volgt minister De Geus van Sociale Zaken en Werkgelegeheid een advies van de Gezondheidsraad van 22 juli 2005 op.
      In het artikel wordt een samenvatting van dit advies gegeven.
      De commissie stelt ondermeer vast dat er geen goede afstemming is tussen de verzekeringsgeneeskunde en de curatieve disciplines.
      Zij acht dit onwenselijk en stelt voor het medisch handelen te vergroten door overkoepelende 3b-richtlijnen te ontwikkelen : voor beoordeling, behandeling en begeleiding.
      Er zijn inmiddels twee protocollen ontwikkeld : over lage rugpijn en over hartinfarcten (cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=53091&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/adlib/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue&pdf=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/docs/GR2005-15.pdf -).
      Medio volgend jaar zal de Raad tien nieuwe protocollen opgesteld hebben.
      In een apart hoofdstuk wordt een kritisch FNV-rapport over de ervaringen van 2800 herkeurde WAO'ers besproken.
      Er is sprake van gebrek aan professionaliteit bij keuringsartsen en er zijn veel keuringen waarbij "de menselijke maat zoek is" volgens het FNV.
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=200003006&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/activering_reintegratie/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue

    15. Psychisch gezond werken - Bijeenkomst NIP-sectie Arbeid & Gezondheid 'Theorie en praktijk van Arbeid en Gezondheid'
      Mieke Velderman, Altaan, 07-12-2007
      De positie van de 50-plusser verandert en vraagt om een herijking, zowel op het werk als in het privťleven.
      Velderman gaat in op een specifieke training voor 50-plussers waarin onder meer aandacht is voor arbeidsgeschiedenis, kosten en baten van arbeid, verhouding werk en privť en leef- en werkgewoonten.
      - Download presentatie (ppt)


    Lees verder : Deel XVI

    25-11-2009 om 21:12 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XVI


    1. Psychische Vermoeidheid in de Arbeidssituatie (PVA)
      In : '
      Inleiding Jaarverslaf PVA 2001'
      Dit jaarverslag bevat de weergave van werkzaamheden die in 2001 zijn uitgevoerd door het NWO PRIORITEIT-Programma Psychische Vermoeidheid in de Arbeidssituatie (PVA).
      Het PRIORITEIT-programma PVA omvat multidisciplinair onderzoek naar psychische en somatische oorzaken van psychische vermoeidheid in relatie met arbeid; naar de gevolgen ervan voor het functioneren binnen en buiten de arbeid en gezondheid en ziekte.
      Het PVA-programma is ontstaan vanuit het NWO Gebied Maatschappij- en Gedragswetenschappen (MaGW) dat ook het penvoerderschap voert, en het NWO Gebied Medische Wetenschappen (MW).
      De coŲrdinatie van de uitvoering van het PVA-programma berust bij een Dwarsverbandcommissie (DVC), die bestaat uit :
      - Prof.dr. T.F. Meijman Rijksuniversiteit Groningen, Voorzitter, Maatschappij- en Gedragswetenschappen
      - Prof.dr. R.J. van den Bosch Rijksuniversiteit Groningen namens het Gebiedsbestuur Medische Wetenschappen
      - Prof.dr. F.J.H. van Dijk Universiteit van Amsterdam, Medische Wetenschappen
      - Prof.dr. W.B. Schaufeli Universiteit Utrecht, Maatschappij- en Gedragswetenschappen
      - Dr. G.H.M. Swaen Universiteit Maastricht, Medische Wetenschappen
      Prof.dr. Ch.J. de Wolff emeritus hoogleraar Universiteit Nijmegen, namens het Gebiedsbestuur Maatschappij- en Gedragswetenschappen
      Cfr. : http://www.nwo.nl/files.nsf/pages/NWOP_5UDFR7/$file/PVAJaarverslag2001.PDF
      Psychische vermoeidheid in de arbeidssituatie
      NWO Prioriteit - programma, 2003 - Informatie over de PVA onderzoeksprojecten - Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Postbus 93461, 2509 AL Den Haag - Secretaris PVA-programma : mw. Drs. D.C.J. Borsboom Ė Tel. : 070 34 40 906 Ė E-mail : borsboom@nwo.nl - www.nwo.nl/pva
      Cfr. : http://www.nwo.nl/files.nsf/pages/NWOP_5X7JFF/$file/PVA_Informatie_onderzoeksprojecten_2003.doc

    2. Psychofysiologie van burnout
      Van Doornen LJF Ė In :Hoogduin CAL et al, editors. 'Behandelings-strategieŽn bij burnout' - Houten: Bohn Stafleu Van Loghum;2001

    3. Psychofysioloog dr. E.M. Goudsmit : "ME is niet hetzelfde als CVS"
      Voorhoeve R - MEdium 2003;2:13-6
      Cfr. :
      - http://www.medivera.nl/cvs.pdf
      - http://www.mcs-america.org/HealthCounciloftheNetherlandsOnCFS.pdf

    4. Psychologen en bedrijfsartsen op vrijersvoeten
      Bespreking van de studiedag 'Psychische klachten en arbeid - Werk voor psychologen en bedrijfsartsen'
      Amsterdam, 28-03-2007 - Ruud Abma, Algemene Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht en redacteur van De Psycholoog. - De Psycholoog van mei 2007, 308-309
      Dr. R. Abma is verbonden aan de afdeling Psychologen zijn al een aantal jaren bezig met een opmars in het domein van de professionele begeleiding bij ziekteverzuim.
      Afhankelijk van de gehanteerde criteria spelen bij zoín 10 ŗ 20% van de verzuimers psychische klachten de hoofdrol; eenderde van de WAO/WIA-intreders wordt afgekeurd op psychische gronden.
      Het gaat dan vooral om stemmingsstoornissen en werkgerelateerde stressklachten.
      Die stressklachten komen overigens ook veel voor bij ziekmeldingen op grond van lichamelijke klachten (RSI, rugklachten, chronische vermoeidheid e.d.).
      Alle reden dus om de scheiding van psyche en lichaam ter discussie te stellen en iets te doen aan de institutioneel verankerde barriŤres tussen psychologen en (bedrijfs)artsen in de behandeling van psychische klachten.
      Dat was ook het doel van deze studiedag, die georganiseerd was door twee organisaties van psychologen Ė het Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) Ė cfr. : http://www.psynip.nl/ - en de Landelijke Vereniging van Eerstelijnspsychologen (LVE) Ė cfr. : http://www.lve.nl/ - en twee organisaties van bedrijfsartsen Ė SGBO (Sociaal Geneeskundige Beroepsopleidingen) Ė cfr. : http://www.beleidsonderzoek.nl/leden/ledenlijst/?id=19 - en de Netherlands School of Public and Occupational Health (NSPOH) Ė cfr. : http://www.nspoh.nl/ -.
      Bedrijfsartsen moeten sneller een psycholoog inschakelen wanneer zij constateren dat het verzuim een psychische achtergrond heeft en psychologen en psychotherapeuten moeten meer rekening houden met het werk van hun cliŽnten.
      Belangrijker is nog dat psychologen en bedrijfsartsen vanuit een zelfde perspectief gaan werken, dat van de activerende verzuimbegeleiding.
      Terwijl mensen behandeld worden voor psychische problemen (bijvoorbeeld een burnout), is het zaak ze ook stapsgewijs weer aan het werk te krijgen.
      Al te vaak echter zijn psychotherapeuten huiverig voor dat laatste, vooral als de problemen samenhangen met het werk.
      Kan de werknemer niet beter eerst volledig herstellen, zodat hij of zij beter opgewassen is tegen de lasten van de werkhervatting ?
      'Nee, want dan wordt de afstand te groot en de drempel te hoog', zo luidt tegenwoordig de communis opinio onder deskundigen.
      Zelfvertrouwen en verzuimduur
      Een van die deskundigen is Roland Blonk, onderzoeker bij TNO Kwaliteit van leven en bijzonder hoogleraar ĎArbeidsparticipatie en psychische klachten - In het bijzonder activering en reÔntegratieí aan de Universiteit Utrecht Ė cfr. : http://www.narcis.info/person/RecordID/PRS1271231/Language/nl/ -.
      Hij besprak een zestal Nederlandse onderzoeken uit de periode 2003-2006, die alle tot uitkomst hadden dat het voor werknemers met psychische klachten goed is het werk tijdig te hervatten Ė uiteraard gefaseerd en onder begeleiding van bedrijfsarts en/of psycholoog.
      Deze professionals worden geacht daarbij gebruik te maken van de richtlijnen ĎWerk en psychische klachtení van hun respectievelijke beroepsorganisaties (die van de psychologen stamt uit december 2005 Ė cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/richtlijn.pdf -&- http://62.4.92.166/defaultsub.asp?URL2=/NDC/subpage.asp&topmenuID=4&submenuID=13&subID=45 , die van de bedrijfsartsen wordt momenteel herzien (onderstussen in orde : De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB), 2007 Ė cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=amgate_6059_340_tich_r2036691347899722 -&- http://nvab.artsennet.nl/uli/?uli=AMGATE_6059_340_TICH_L1195916143&PHPSESSID=785f98445effa707c783
      cf89
      7fd1e7c9 -.
      Uit het onderzoek van Blonk blijkt dat het volgen van een richtlijn een kortere verzuimduur oplevert : wie eerder gedeeltelijk aan het werk gaat, is ook eerder volledig inzetbaar en blijft dat ook (minder recidive).
      Hoe dat komt ?
      De leertheorie (Bandura) levert de verklaring : 'een toename van gewenst gedrag geschiedt het beste door positieve bekrachtiging, bijvoorbeeld doordat de cliŽnt ervaart dat de eigen competentie ('self efficacy') toeneemt'.
      Wie in gepaste mate het werk weer oppakt en merkt dat dat lukt, zal ook zijn zelfvertrouwen zien groeien.
      Het is de taak van de begeleidende arts of psycholoog om ervoor te zorgen dat de betreffende werknemer niet te veel hooi op zijn vork neemt of te snel de moed opgeeft.
      Als alles volgens het boekje verloopt zal de cliŽnt meer positieve cognities ten opzichte van zichzelf en het werk ontwikkelen.
      Dat is belangrijk omdat uit onderzoek is gebleken dat de verwachting van de cliŽnt over de duur van het verzuim een belangrijke voorspeller is van de feitelijke verzuimduur.
      Weer aan het werk gaan is een krachtige positieve beÔnvloeder van de cognities van de cliŽnt over de verzuimduur.
      En zo past alles mooi in elkaar !
      Deze instrumentele benadering viel niet bij iedereen in de zaal even goed : wie de verzuimduur als belangrijkste uitkomstmaat neemt wekt de verdenking vooral de belangen van de werkgever op het oog te hebben of in ieder geval het werk voorop te stellen en niet zozeer het welbevinden van de werknemer.
      ďDat zagen wij toch verkeerdĒ, meende Jac van der Klink, hoogleraar Sociale Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en programmadirecteur Occupational Health aan de NSPOH (cfr. : http://www.rug.nl/corporate/nieuws/archief/archief2006/persberichten/130_06 -).
      ďWeliswaar zijn veel mensen die weer aan het werk gaan niet klachtenvrij, maar ze zijn toch beter af op het werk dan thuis achter de geraniums (een uitdrukking die op deze studiedag meerdere malen te horen was, kamerplanten staan in deze sector kennelijk niet in een goed blaadje). Het hebben van klachten zegt ook niet zo veel, de meerderheid van de werknemers heeft (wel eens) klachten en werkt meestal gewoon doorĒ, aldus Van der Klink.
      Bestrijding van stereotypen
      Nascholingsbijeenkomsten als deze bestaan vaak uit een plenaire ochtend met wetenswaardigheden uit onderzoek en praktijkgerichte Ďworkshopsí in de middag.
      Omdat het doel van deze dag nadrukkelijk was de samenwerking tussen artsen en psychologen te bevorderen, werd hieraan ook in het ochtendprogramma al aandacht besteed.
      Bedrijfsarts ťn psychologe Noks Nauta, Ďsymbool van deze samenwerking op twee benení (aldus dagvoorzitter Joost van der Gulden), liet de psychologen en artsen uitspreken welke stereotypen ze over elkaar hadden.
      Artsen vonden de psychologen Ďsoftí en partijdig ten gunste van de cliŽnt en omgekeerd vonden de psychologen de bedrijfsartsen partijdig ten opzichte van de werkgever en niet te vertrouwen als het ging om gevoelige, persoonsgebonden informatie.
      Hoe dit soort vooroordelen over de Ďoutgroupí te verhelpen ?
      'Wel, bijvoorbeeld door gezamenlijke nascholingsdagen als deze', zei de zaal.
      Ja, maar ook door het volgen van de richtlijnen, zeiden de volgende sprekers (de psychologe Cokkie Verschuren en de al genoemde Jac van der Klink).
      Een niet te vermijden kwestie was natuurlijk hoe Ďevidence-basedí deze richtlijnen en de daaraan gekoppelde behandelvormen zijn.
      Alle sprekers waren het er wel over eens dat de cognitieve gedragstherapie de meest effectieve benadering is (dat blijkt ook telkenmale uit onderzoek) en zoín individugerichte aanpak werd ook volkomen vanzelfsprekend gevonden.
      Van der Klink plaatste als enige een kanttekening bij het gedwee volgen van dergelijke onderzoeksresultaten.
      In zijn eigen metastudie uit 2001 was bijvoorbeeld gebleken dat organisatie-interventies minder effectief waren dan individuele interventies, maar dat was eigenlijk een oneerlijke vergelijking omdat de effecten van organisatie-interventies pas op de langere duur merkbaar zijn en anders gemeten moeten worden.
      ĎMag je de terreur van klinische randomized controlled trials wel opleggen aan organisatie-interventies ?í
      'Nee', aldus Van der Klink.
      Organisatie is preventie ?
      Bedrijfsartsen en psychologen zijn echter geneigd het individu centraal te stellen en vanuit een medisch model te denken.
      Wanneer je aan de orde stelt dat ook het organisatieniveau aandacht behoeft, wordt dit direct vertaald in gezondheidstermen : Ďnatuurlijk, preventie is ook belangrijkí.
      Het idee dat er met de organisatie zelf iets mis zou kunnen zijn en dat je dat ook kunt aanpakken, valt buiten het professionele denkkader van beide partijen (en ook de richtlijnen gaan er niet op in).
      Hoe belemmerend dat werkt, bleek bij de bespreking van een casus in een van de workshops.
      Een 57-jarige boekhouder meldt zich ziek en zoekt behandeling bij een psycholoog.
      Het blijkt dat deze ervaren en tot dan toe gewaardeerde kracht na de komst van een nieuwe leidinggevende wordt weggezet als iemand die door zijn degelijke, maar ietwat trage manier van werken de productiviteit van de afdeling in gevaar brengt.
      In het getoonde videofragment (een samenspraak tussen de psycholoog, een P&O-medewerker en de betreffende leidinggevende) komt de leidinggevende naar voren als iemand die dringend coaching behoeft : ze is ongeduldig en zenuwachtig en reageert op een licht kritische vraag van de psycholoog als door een adder gebeten.
      Toch stortte men zich in de workshop massaal op remedies voor de plotseling verouderde werknemer (Ďdie moet leren beter voor zichzelf op te komení, Ďmisschien kan hij mentor worden voor zijn jongere collegaísí) of moest er iets gedaan worden aan de communicatie op de afdeling.
      Desgevraagd verklaarden de aanwezige bedrijfsartsen dat problemen van werknemers die samenhangen met een zwakke stijl van leidinggeven van hun superieur wel degelijk worden gesignaleerd en ook in het overleg binnen sociaal-medische teams aan de orde worden gesteld.
      Het valt echter buiten hun zeggenschap of er iets mee gedaan wordt.
      Hier valt dus nog werk te doen : bedrijfsartsen kunnen fungeren als een seismograaf voor trillingen in de organisatie.
      In hoeverre ze daarbij de hulp van psychologen kunnen gebruiken is niet goed te overzien.
      Misschien moet eerst de samenwerking op het curatieve vlak maar eens goed van de grond komen.
      De aanwezigen op deze studiedag leken daar wel interesse voor te hebben.
      Nu de anderen nog.
      Cfr. : http://www.uu.nl/uupublish/content/2007Opvrijersvoeten26mei.doc

    5. Psychologische behandelingsmogelijkheden bij het Chronisch Vermoeidheid-Syndroom
      Bleijenberg G., Vercoulen J.H.H.M., Fennis J.F.M., Swanink C,M.A.,
      Galama J.M.D., & Meer J.W.M. van der Ė In : L. de Vos, A. Bak & G. Timmermans (red), 'Trends, psychologie in gezondheidszorg', pag 117-130, Lisse, Swets & Zeitlinger, 1995
      Cfr. : http://www.umcn.nl/professional/

    6. Psychosocial workload, work-familiy interference and health - Determinants of sick leave in university employees
      N. Donders, 2005
      Onderzoek naar het combineren van werk en zorg, de rol van de thuissituatie hierbij en de relatie met gezondheidsklachten en ziekteverzuim.
      De zogenaamde werk-thuis interferentie werkt twee kanten op : het werk heeft invloed op de thuissituatie en andersom.
      De interferentie speelt een rol bij ziekteverzuim en heeft een sterke samenhang met vermoeidheid en ervaren gezondheidsklachten.
      In het onderzoek zijn gegevens gebruikt van universiteitsmedewerkers met een relatieve grote diversiteit aan functies.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=123&topmenuid=4

    7. Psychosomatische revalidatie - Leren omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
      B. Van Houdenhove, S. Wyckaert, L. Gossens, Y. Ackaert & E. Neerinckx - Tijdschrift voor Geneeskunde, Volume : 55; Issue : 24, Date : 1999, Pages : 1746-1752
      In dit artikel worden de werking en organisatie beschreven van de Psychosomatische Revalidatieafdeling (PSR), een klinische en ambulante therapeutische modaliteit voor patiŽnten met chronische, organisch onverklaarde lichamelijke klachten die onder meer beantwoorden aan de diagnosen chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS) en fibromyalgie.
      Betoogd wordt dat - ondanks inherente moeilijkheden eigen aan deze patiŽntenpopulatie - een realistische en pragmatische herstelbegeleiding mogelijk is waardoor hun functioneren en levenskwaliteit aanzienlijk kunnen worden verbeterd.
      Cfr. :
      - http://poj.peeters-leuven.be/content.php?url=article&id=1000621&journal_code=TVG
      - http://www.tvg.be/detail.php?rec=4
      Cfr. ook : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408

    8. Psychotherapie bij lichamelijke klachten - Fibromyalgie en het chronisch vermoeidheidssyndroom - Nieuwe oplossingen ?
      Jaspers J.P.C. - Tijdschrift voor Psychotherapie, november 1995
      Psychotherapie bij lichamelijke klachten kent vele varianten.
      In deze bijdrage is vooral aandacht besteed aan de mogelijkheden van psychotherapie bij de onbegrepen en omstreden syndromen fibromyalgie en het chronisch vermoeidheidssyndroom.
      Hoewel over de effectiviteit van een multidisciplinaire en multimodale aanpak van beide syndromen nog veel vragen onbeantwoord zijn, kan psychotherapie, in de vorm van een cognitief-gedragsmatige benadering, een zinvolle bijdrage leveren aan de zorg voor deze
      patiŽnten.
      Het getuigt van realisme als de doelstellingen hierbij beperkt zijn.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=603&printlink=true&highlight=pijnsyndroom

    9. Re-integratie van zieke werknemers - Feiten, verklaringen en mogelijkheden
      TNO Kwaliteit van Leven en Loyalis Consult i.o.v. Raad voor Werk en Inkomen, 2008
      Dit onderzoek geeft zicht op de mogelijkheden van partijen om re-integratie vorm te geven, op de aansluiting van vraag en aanbod in de re-integratiemarkt en op de knelpunten waar werkgevers en werknemers tegen aan lopen.
      Het gaat om (potentieel) langdurig zieke of uitgevallen werknemers waarvan terugkeer in de eigen functie problematisch is.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=123&topmenuid=4

    10. Recht van Spreken - Onderzoek naar de knelpunten in de uitvoering van de Wet verbetering poortwachter
      Stichting Ombudsman en Breed Platform Verzekerden & Werk (BPV), 2004
      Veel mensen met psychische klachten ervaren dat het lang duurt voordat de werkgever het werk heeft aangepast.
      De inschatting is dat dit komt omdat de werkgever en de arbeidsdeskundige niet weten dat een werkgever verplicht is dit te doen.
      Daarnaast duurt het langer omdat het gaat om aanpassingen die niet gebruikelijk zijn, zoals een rustiger werkomgeving of solistisch werken.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_rechtvanspreken.pdf

    11. Reducing long term sickness absence by an activating intervention in adjustment disorders Ė A cluster randomised controlled design
      J.J. van der Klink, R.W.B. Blonk, A.H. Schene, F.J.H. van Dijk, 2003
      In dit artikel wordt een vergelijkende effectstudie beschreven.
      Een activerende en cognitief-gedragsmatige benadering, uitgevoerd door bedrijfsartsen, werd vergeleken met reguliere begeleiding door de bedrijfsarts.
      De activerende begeleiding bleek effectiever op snelheid tot werkhervatting.
      De klachten daalden in beide behandelcondities even snel.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/instrument_klink2003.pdf

    12. Referentiecentrum voor het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS) - Een terugblik op drie jaar ervaring en gedachten over de toekomst
      B. Van Houdenhove, P. Van Wambeke & D. Blockmans - Tijdschrift voor Geneeskunde, Bibliographic details 2005, VOL 61; NUMB 18, pages 1264-1271
      Onze ervaring met drie jaar werking van het referentiecentrum voor het chronische-vermoeidheidsyndroom(CVS) van de Universitaire Ziekenhuizen Leuven wordt besproken.
      Meer dan 700 patiŽnten met langdurige vermoeidheids- en pijnklachten werden in ons centrum multidisciplinair gescreend.
      Hiervan volgde een 300-tal gediagnosticeerde CVS-patiŽnten een cognitief-gedragstherapeutisch en revalidatiegeoriŽnteerd programma in het UZ Pellenberg.
      De lange wachtlijsten, de hoge administratieve belasting, de gebrekkige mogelijkheden tot ondersteuning van de werkhervatting en de organisatie van een langetermijnbegeleiding bleken belangrijke knelpunten te zijn.
      Een preliminaire therapeutische outcomestudie stemt ons voorzichtig optimistisch, op het vlak van zowel een verbeterd psychosociaal als lichamelijk functioneren van de betrokken patiŽnten.
      Bijkomend werden in ons centrum ook twee gerandomiseerde, placebogecontroleerde, dubbelblinde cross-overonderzoeken verricht, met respectievelijk laaggedoseerde corticosteroÔden en methylfenidaat.
      Naast verder wetenschappelijk onderzoek, hebben de CVS-referentiecentra in de toekomst een belangrijke rol te vervullen bij het optimaliseren van een realistische en pragmatische zorg voor het toenemend aantal patiŽnten dat geÔnvalideerd is door "onverklaarde" (maar vermoedelijk stressgebonden) pijn- en uitputtingssyndromen.
      Cfr. : http://www.tvg.be/detail.php?rec=6

    13. ReÔntegratiehandreiking Kappers - Hulpmiddel voor de bedrijfsarts om bij kappers verzuim of arbeidsongeschiktheid te voorkomen en arbeidsparticipatie zoveel mogelijk in stand te houden
      Branche Begeleidings Commissie voor het Arboconvenant Kappers - VHP ergonomie, Coronel Instituut voor Arbeid, Milieu en Gezondheid, AMC Amsterdam, 2004
      In het kappers convenant is afgesproken dat er protocollen of handreikingen ontwikkeld moeten worden voor een aantal beroepsspecifieke aandoeningen.
      Een handreiking voor de aanpak houding- en bewegingsklachten bij kappers is er daar ťťn van.
      Doel van zoín handreiking is dat bedrijfsartsen en andere deskundigen op de hoogte zijn van behandelingsmogelijkheden voor kappers met RSI of lage rugklachten.
      Daarmee wil de branche een eenduidige aanpak van de klachten stimuleren.
      Bovendien kunnen in zoín handreiking de recent verworven inzichten over kappersspecifieke klachten en oplossingsrichtingen worden verwerkt.
      Dit protocol is daar een voorbeeld van.
      Het eindresultaat is een combinatie van al bekende kennis en protocollen toegespitst op de specifieke situatie van kappers.
      Het protocol is in de praktijk getest door bedrijfsartsen.
      Deze gaven er de voorkeur aan vooral te willen werken met protocolvormen die aansluiten bij richtlijnen van de eigen beroepsvereniging (NVAB).
      Feitelijk is er geen nieuwe kennis ontwikkeld, maar is bestaande kennis toegankelijker en makkelijker toepasbaar gemaakt.
      Cfr. : http://www.vhp-ergonomie.nl/nl/ergonomie/voorbeelden_branche_aanpak/kappers/2/45/reintegratie_handrei
      king_kappers.html

    14. Return to work - A comparison of two cognitive behavioural interventions in cases of work-related psychological complaints among the self-employed
      R. Blonk et al., Work & Stress, April-June 2006; 20(2): 129-44
      Om te bekijken of werkgerichte interventies nodig zijn, is het belangrijk de functie, de taken en/of de handelingen in het werk van een cliŽnt te onderzoeken en te analyseren.
      Vervolgens kan worden vastgesteld wat de kenmerkende, essentiŽle belasting is in de taken of handelingen en wat daarbij de problemen of knelpunten oplevert.
      Dit artikel geeft een overzicht van inventarisatie van knelpunten aan de hand van een onderzoek onder zelfstandig werkenden.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_blonketal2006.pdf

    15. Richtlijnen - Reumatische ziekten en syndromen : Fibromyalgie
      Mei 2002 - Nederlandse Vereniging voor Reumatologie (NVR) - map 'Fibromyalgie' dd. 12-03-2003
      Samenstelling : Nederlandse Vereniging voor Reumatologie, Postbus 20071, 3502 LB Utrecht - Lomanlaan 103, 3526 XD Utrecht Ė Telefoon : (030) 28 23 818 Ė Fax : (030) 28 88 545 Ė E-mail : secrnvr@worldonline.nl
      Uitgever : DC//HG, Haarlem
      De door de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie gepubliceerde richtlijnen en standpunten zijn met name bedoeld ter ondersteuning van de dagelijkse praktijk van reumatologen.
      Richtlijnen en standpunten hebben een functie bij het transparant maken van de zorg en het komen tot uniformiteit in diagnostiek en behandeling.
      Op basis van goed hulpverlenerschap kan onder bepaalde omstandigheden van de richtlijnen en standpunten worden afgeweken.
      De Nederlandse Vereniging voor Reumatologie adviseert een ieder om per patiŽnt of situatie schriftelijk en met opgave van reden vast te leggen waarom er wordt afgeweken van een richtlijn of standpunt.
      De inhoud van de richtlijnen en de standpunten kan wijzigen in de loop van de tijd.
      De Nederlandse Vereniging voor Reumatologie wijst er op dat aan de inhoud van deze uitgave geen rechten of plichten kunnen worden ontleend.
      Richtlijnen en standpunten zijn geen wettelijke voorschriften.
      Inleiding
      In mei 1999 is een conceptversie van de richtlijn 'fibromyalgie' op de website van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie geplaatst met de mogelijkheid commentaar te leveren op de inhoud.
      Een ad hoc werkgroep bestaande uit de reumatologen dr. E.N. Griep, dr. J.W.G. Jacobs, dr. M.A.F.J. van de Laar en mevrouw H.M.S. van Santen-Hoeufft, heeft eind 1999 de reacties verwerkt en de conceptrichtlijn aangepast.
      De toen ontstane conceptrichtlijn was alleen bestemd voor gebruik binnen de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie.
      Uit dezelfde conceptrichtlijn is in februari 2000 tevens een 'Standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie ten aanzien van fibromyalgie' geformuleerd die wel voor een ieder beschikbaar was.
      De conceptrichtlijn is vervolgens door het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie aan de commissie kwaliteit en de werkgroep richtlijnen gestuurd met de volgende vragen :
      "Kan de conceptrichtlijn worden vastgesteld als definitieve richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie of dient de tekst te worden aangepast ?" en
      "Zijn de formulering en de kwaliteit van de richtlijn dusdanig dat de inhoud ook buiten de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie bekend mag worden ?"
      De reactie van de werkgroep richtlijnen is besproken binnen de commissie kwaliteit die vervolgens gerapporteerd heeft aan het bestuur.
      Op 3 mei 2002 is de richtlijn vastgesteld door het bestuur.
      De richtlijn heeft betrekking op de huidige tijd waarin reumatologen geconfronteerd worden met patiŽnten met chronische pijnsyndromen die classificeerbaar kunnen zijn als fibromyalgie.
      De richtlijn heeft niet de bedoeling een nieuwe plaatsbepaling van fibromyalgie in de reumatologie te bereiken, hoe interessant een dergelijke 'paradime shift' ook zou kunnen zijn.
      De richtlijn geeft aan hoe chronische pijn geclassificeerd kan worden als fibromyalgie c.q. hoe de diagnose fibromyalgie gesteld kan worden, wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van behandeling, hoe de taak verdeling tussen 1ste en 2de lijnsgezondheidszorg ten aanzien van fibromyalgie zou moeten zijn en hoe de positie van de reumatoloog als behandelaar is ten aanzien van problemen rond fibromyalgie en arbeid.
      Fibromyalgie-syndroom
      Fibromyalgie is een syndroom met chronische gegeneraliseerde pijn en stijfheid van het bewegingsapparaat, gepaard gaande met andere (aspecifieke) klachten zoals moeheid, slaapstoornissen en stemmingsveranderingen.
      Tot op dit moment is er geen verklarend substraat voor het fibromyalgie-syndroom gevonden.
      Wel zijn er consistente aanwijzingen dat bij patiŽnten met fibromyalgie stoornissen in de neuro-endocriene, neurovegetatieve en neuro-immunologische systemen bestaan.
      Het is echter onduidelijk of deze bevindingen de oorzaak dan wel het gevolg van de klachten zijn.
      Tevens worden de klachten van patiŽnten met fibromyalgie beÔnvloed door sociale en emotionele factoren.
      De hypothese dat vicieuze cirkels een rol spelen bij het persisteren van de klachten wordt breed ondersteund.
      Prevalentie
      De prevalentie van fibromyalgie wordt geschat op 1-2 % van de volwassen bevolking.
      Fibromyalgie komt vooral voor bij vrouwen tussen de 35 en 50 jaar.
      Niet alleen kwantitatief doch ook kwalitatief is fibromyalgie een aanzienlijk gezondheidsprobleem.
      Veel patiŽnten beschouwen hun kwaliteit van leven als slecht (vergelijkbaar met patiŽnten met reumatoÔde artritis, patiŽnten met Chronic Obstructive Pulmonary Diseases (COPD) en patiŽnten met gecompliceerde diabetes mellitus.
      Diagnostiek
      Voor classificatiedoeleinden zijn op dit moment geaccepteerd de "American College of Rheumatology 1990 criteria for the classification of Fibromyalgia" (cfr. : http://www.rheumatology.org/publications/classification/fibromyalgia/fibro.asp -) :
      The American College of Rheumatology 1990 Criteria for the Classification of Fibromyalgia - Report of the Multicenter Criteria Committee
      Wolfe F, Smythe HA, Yunus MB, Bennett RM, Bombardier C, Goldenberg DL, Tugwell P, Campbell SM, Abeles M, Clark P et al. - University of Kansas, Arthritis Center, Wichita 67214 - Arthritis Rheum. 1990 Feb;33(2):160-72 - PMID: 2306288
      To develop criteria for the classification of fibromyalgia, we studied 558 consecutive patients : 293 patients with fibromyalgia and 265 control patients.
      Interviews and examinations were performed by trained, blinded assessors.
      Control patients for the group with primary fibromyalgia were matched for age and sex and limited to patients with disorders that could be confused with primary fibromyalgia.
      Control patients for the group with secondary-concomitant fibromyalgia were matched for age, sex and concomitant rheumatic disorders.
      Widespread pain (axial plus upper and lower segment plus left- and right-sided pain) was found in 97.6% of all patients with fibromyalgia and in 69.1% of all control patients.
      The combination of widespread pain and mild or greater tenderness in greater than or equal to 11 of 18 tender point sites yielded a sensitivity of 88.4% and a specificity of 81.1%.
      Primary fibromyalgia patients and secondary-concomitant fibromyalgia patients did not differ statistically in any major study variable and the criteria performed equally well in patients with and those without concomitant rheumatic conditions.
      The newly proposed criteria for the classification of fibromyalgia are :
      1) widespread pain in combination with
      2) tenderness at 11 or more of the 18 specific tender point sites.
      No exclusions are made for the presence of concomitant radiographic or laboratory abnormalities.
      At the diagnostic or classification level, the distinction between primary fibromyalgia and secondary-concomitant fibromyalgia (as defined in the text) is abandoned.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/2306288
      - chronische, gegeneraliseerde pijn op 3 locaties van het bewegingsapparaat;
      - ten minste 11 van 18 tenderpoints.
      Behalve deze classificerende verschijnselen kunnen patiŽnten met fibromyalgie last hebben van :
      - slaapstoornissen;
      - stemmingswisselingen;
      - ochtendstijfheid (in het algemeen korter dan 1 uur);
      - artralgie en/of myalgie;
      - subjectieve zwelling van gewrichten en/of weke delen;
      - carpale tunnel syndroom;
      - hypermobiliteit van gewrichten;
      - weersgevoeligheid;
      - branderig en/of doofgevoel van de huid;
      - hoofdpijn;
      - concentratiestoornissen;
      - buikpijn en/of krampen;
      - zwaar gevoel in armen en/of benen.
      Bij de diagnostiek van patiŽnten bij wie fibromyalgie overwogen wordt is het onvoldoende om zich te beperken tot de classificatiecriteria van de American College of Rheumatology.
      Met andere woorden : het onderzoek van patiŽnten met chronische pijn mag niet worden beperkt door de aanwezigheid van tenderpoints, omdat het gevaar bestaat onderliggende aandoeningen over het hoofd te zien.
      Overigens sluit, volgens de richtlijn van de American College of Rheumatology, een andere of onderliggende aandoening de diagnose fibromyalgie niet uit.
      Bij patiŽnten met vele jaren bestaande chronische gegeneraliseerde pijn en moeheid, bij wie veel tenderpoints aanwezig zijn en eventuele bovengenoemde bijkomende klachten is, als het lichamelijk onderzoek geen andere afwijkingen laat zien, aanvullend onderzoek zelden bijdragend aan het stellen van de diagnose.
      Bij patiŽnten met relatief recent ontstane pijn en moeheid (maanden) dienen andere aandoeningen, zoals hypothyroÔdie (cfr. : http://www.e-gezondheid.be/nl/ziekten_en_aandoeningen/Hypothyroidie-3742-888-art.htm -), reumatoÔde artritis (cfr. : http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=866 -), SjŲgrensyndroom (cfr. : http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=770 -) et cetera, die zich kunnen presenteren met gegeneraliseerde pijn en moeheid zonder dat de ziekte zelf al op de voorgrond staat, zorgvuldig overwogen te worden.
      De meerwaarde van de reumatoloog is bij deze patiŽnten, naast het stellen van de diagnose fibromyalgie, het uitsluiten/aantonen van andere dan wel onderliggende aandoeningen.
      PatiŽnten met eerder vastgestelde fibromyalgie die nieuwe klachten ontwikkelen dienen op een vergelijkbare zorgvuldige wijze te worden gezien en onderzocht als patiŽnten zonder fibromyalgie.
      Behandeling
      PatiŽnten waarbij de diagnose fibromyalgie is gesteld dienen uitleg te krijgen over de aandoening.
      Geruststelling alleen voldoet niet.
      Uitleg door de reumatoloog, eventueel aangevuld met de folder Fibromyalgie zoals uitgegeven door het Reumafonds (cfr. : https://www.reumafonds.nl/index.php?option=com_mosforms&Itemid=594 -), moet de patiŽnten een eerste inzicht geven in verschillende facetten van het fibromyalgie-syndroom.
      De patiŽnt moet nagaan welke factoren bij hem/haar een rol spelen bij het ontstaan van een dysbalans tussen belasting en belastbaarheid, zowel vanuit lichamelijk als geestelijk oogpunt.
      Het uiteindelijke doel is beter te leren omgaan met de klachten, ook wel 'zelfmanagement' genoemd.
      Er zijn patiŽnten die na voorlichting hun klachten onder controle kunnen houden met extra aandacht voor relaxatie en conditieverbetering al dan niet ondersteund door een patiŽntenvereniging.
      Het zijn onder andere thuiszorgorganisaties die zelfmanagement-cursussen aanbieden.
      De verder medische begeleiding kan door de huisarts geschieden.
      Alleen farmacotherapie met analgetica is doorgaans niet effectief.
      Een combinatie van gedragsbeÔnvloeding zoals hiervoor beschreven en het voorschrijven van een analgeticum en/of amitryptiline kan zinvol zijn.
      Indien de ernst van de klachten en de beperkingen van de activiteiten van het dagelijkse leven daar aanleiding toe geven is een aanvullend behandelplan geÔndiceerd.
      Een dergelijk plan wordt in overleg met de patiŽnt opgesteld.
      Vastgesteld wordt welke disciplines ingeschakeld kunnen worden (bijvoorbeeld fysiotherapie (cfr. : http://www.defysiotherapeut.com/ -), ergotherapie (cfr. : http://www.ergotherapie.be/ -), maatschappelijk werk, psychologie, bedrijfgeneeskunde en/of reumaconsulent et cetera).
      Hoewel de effectiviteit nog niet goed beoordeeld kan worden, kan besloten worden tot een multidisciplinaire groepsbehandeling (bijvoorbeeld de cursus 'de pijn de baas' Ė cfr. : http://www.praktijkvita.nl/Vita_cursussen_pdb.htm -).
      In essentie moet de behandeling bestaan uit zelfmanagement : het onderhouden van de mobiliteit, het leren vermijden van overbelasting, het stapsgewijs verbeteren van de conditie en het activiteitenniveau en het aanleren van vaardigheden om problemen op te lossen.
      Wanneer de begeleiding bij ernstig beperkte patiŽnten door meerdere disciplines geschiedt wordt het aanwijzen van een 'zorgcoŲrdinator' aanbevolen.
      In het algemeen kan dit de huisarts zijn.
      Onderzoek wijst uit dat het klachtenpatroon meestal door de jaren constant tot geleidelijk progressie is.
      Behandeling in de tweede lijn lijkt geen meerwaarde te hebben.
      Fibromyalgie en arbeid
      De beoordeling van de arbeidsinzetbaarheid is niet de taak van de reumatoloog maar van de bedrijfs- c.q. verzekeringsgeneeskundige.
      Toch zijn er situaties waarin, in het belang van de patiŽnt, een uitspraak gevraagd wordt over de arbeids(on)geschiktheid.
      Objectieve methoden om arbeids(on)geschiktheid vast te stellen ontbreken.
      De plaats van 'iso-kinetisch spieronderzoek' en van de 'ergos-werksimulator' is vooralsnog onduidelijk.
      Op basis van de klachten en van de ervaren beperkingen in combinatie met de reeds genomen acties kan de ernst van de fibromyalgie voor een individuele patiŽnt worden weergegeven.
      Dit kan van belang zijn voor de patiŽnt ter zake van een juridisch conflict over arbeidsgeschiktheid.
      De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat het oordeel van een deskundige over de ernst van de klachten en beperkingen doorslaggevend is, ook in afwezigheid van objectieve afwijkingen.
      Het spreekt voor zich dat fibromyalgie, evenmin als reumatoÔde artritis of spondylitis ankylopoietica (cfr. : http://www.consumed.nl/cme/nieuw/database/indicaties/indicatie.php3?id=146 -), een automatische rechtvaardiging is voor afwezigheid van belastbaarheid.
      In het algemeen is de patiŽnt met het fibromyalgie-syndroom verminderd belastbaar voor fysiek zware en langdurig repetitieve werkzaamheden en kan hij/zij het best voor het arbeidsproces behouden blijven door licht, afwisselend werk.
      Samenvatting
      - De diagnose fibromyalgie is te beschouwen als een klinisch syndroom c.q. als een werkafspraak, die zinvol is ten behoeve van de communicatie en classificatie.
      - De reumatoloog heeft meerwaarde bij het stellen van de diagnose en bij het uitsluiten/aantonen van onderliggende pathologie.
      - Voor de begeleiding van de patiŽnt met het fibromyalgie-syndroom en de eventuele coŲrdinatie van zorg in geval van multidisciplinaire behandeling is de huisarts de eerst aangewezene.
      Cfr. : http://www.nvr.nl/uploads/51/325/NVR_Reumatische_ziekten_richtlijn_Fibromyalgie.pdf

    16. Richtlijnen onder vuur - Toename van protocollen leidt tot kookboekgeneeskunde
      Jansen TLThA, Went K, Tanja PW - Medisch Contact 2003;58(7):253-5
      Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/home.htm

    17. Richtlijnontwikkeling in de bedrijfsgezondheidszorg - Schets voor een infrastructuur
      Hulshof CTJ, Weel ANH - Amsterdam, SKB/NVAB, 1996
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/ahbnefhd195gg1ax/


    Lees verder : Deel XVII

    25-11-2009 om 21:04 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (2 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XVII

    1. Roep om kenniscentra vermoeidheidskwaal ME
      HťlŤne van Beek - de Gelderlander, 17-03-2001
      Nijmegen - Er moeten speciale kenniscentra komen voor de behandeling van patienten die lijden aan myalgische encephalomyelitis (ME) ofwel het chronisch vermoeidheidssyndroom (cvs).
      Dat stellen dr. G. Bleijenberg en drs. J. Prins, beiden medisch psycholoog in het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud in Nijmegen.
      De onderzoeksgroep waarin zij werken geldt als een van de experts op het gebied van ME.
      Met de hulp van gespecialiseerde kenniscentra kunnen patienten op weg worden geholpen.
      De centra zouden voorlichting moeten gaan geven aan huisartsen, patienten en allerlei andere instanties.
      En er moeten voldoende psychologen werken die zijn opgeleid tot cognitief gedragstherapeut.
      Cognitieve gedragstherapie is de beste benaderingswijze gebleken voor mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom.
      Althans voor de ME-patienten die niet permanent platliggen, maar leven in 'pieken en dalen', wat betekent dat ze het ene moment volop actief zijn en het andere moment compleet zijn gevloerd.
      Dat heeft een grote studie uitgewezen die werd uitgevoerd door academische centra in Nijmegen, Maastricht en Leiden.
      Medisch psychologe Prins van het UMC St. Radboud schreef er een wetenschappelijk artikel over.
      Het wordt in het gezaghebbende tijdschrijft The Lancet gepubliceerd.
      Cognitieve gedragstherapie is een vorm van psychotherapie die gaat over het denken en handelen.
      Bij ME-patienten is de therapie gericht op die factoren die de lichamelijke klachten in stand houden.
      Niet alleen de patient, maar ook de omgeving, de partner of vrienden, kunnen bij de therapie worden betrokken.
      Aan het onderzoek deden in totaal 270 ME-patienten mee.
      Een willekeurig deel van hen werd in de drie centra behandeld door dertien speciaal opgeleide, maar met de nieuwe behandeling onervaren therapeuten.
      De behandeling duurde acht maanden.
      Ongeveer de helft ging met behulp van cognitieve gedragstherapie vooruit, zelfs als die werd gegeven door weinig ervaren therapeuten.
      Een opmerkelijke uitkomst van het onderzoek was dat lotgenotencontact patienten met ME geen verbetering brengt.
      Prins : 'We hadden er wel degelijk effect van verwacht. Bij andere chronische ziektes zie je toch dat mensen er iets mee opschieten. Dat is bij chronische vermoeidheid niet het geval.'
      Een andere belangrijke conclusie is ook dat patienten die in een beroepsprocedure zijn verwikkeld rond de wet arbeidsongeschiktheid (wao) geen baat hebben bij cognitieve gedragstherapie.
      Psychologe Prins : 'Eenderde van de patienten uit het onderzoek zat in een beroepsprocedure. Wij hebben aangetoond dat die niet profiteren van de cognitieve gedragstherapie. Zij hebben klachten nodig om die procedure te winnen.'
      In 1993 telde ons land 'nog slechts' 17.000 ME-patienten.
      Thans zijn in Nederland ongeveer 27.000 mensen met ME bekend.
      'Er is een enorme toename', stelt dr. Blijenberg. 'En ik ben ervan overtuigd dat het werkelijke aantal tussen de 30.000 en de 40.000 ligt.'
      Het is dus van groot belang dat de patienten goed worden begeleid.
      Want een werkzame behandeling was er tot nu niet voor cvs-patienten.
      Dat ligt vooral aan het feit dat er nog geen duidelijke oorzaak voor chronische vermoeidheid is gevonden.
      Feit is dat mensen ME krijgen na bijvoorbeeld een virusinfectie, een bevalling, een operatie of na een psychotrauma.
      Zeker is ook dat er nooit ťťn enkele oorzaak is voor ME, maar altijd een aantal factoren bijdraagt aan de vorming van de ziekte.
      Patienten met ME worden nu vooral doorverwezen naar een psycholoog, veelal bij het Riagg.
      Blijenberg : 'Maar we vinden dat mensen met cvs daar op de verkeerde plek zijn. De procedures van het Riagg zijn niet op patienten met chronische vermoeidheid gericht. Daarom pleiten pleiten wij voor de ontwikkeling van die speciale kenniscentra voor cvs.'
      Of de centra er daadwerkelijk komen, is volgens Prins en Blijenberg een 'politieke kwestie'.
      Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/populair/geld20010317.txt

    2. Rugklachten door het werk - Instrument voor het bepalen van de arbeidsgerelateerdheid van aspecifieke lage rugklachten
      Kuiper J, Burdorf L, Frings-Dresen M, Kuijer P, LŲtters F, Spreeuwers D, Miedema H - Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Klachten Bewegingsapparaat, november 2004
      Cfr. : http://www.fysioforum.nl/comment.php?comment.news.71

    3. Ruimte voor verandering ? Knelpunten en mogelijkheden voor verbeteringen in de patiŽntenzorg
      Peters MAJ, Harmsen M, Laurant MGH, Wensing M Ė Uitgave : Afdeling Kwaliteit van zorg (WOK), UMC St Radboud, Nijmegen, 2003
      De implementatie van zorgvernieuwingen verloopt soms moeizaam, zelfs als men op de hoogte is van nieuwe inzichten.
      Een belangrijk startpunt voor verbetering is een goede kennis van factoren die een rol spelen in een veranderingsproces.
      Een verbeteringsstrategie dient rekening te houden met de behoeften van de doelgroep.
      Daarom werd een vragenlijst ontwikkeld voor het identificeren van knelpunten voor het invoeren van vernieuwingen in de patiŽntenzorg.
      Belemmerende en bevorderende factoren voor verandering werden gebaseerd op literatuurstudie en een consensusprocedure bij experts.
      De gevonden factoren werden ingedeeld in vier rubrieken: kenmerken van de innovatie, kenmerken van de zorgverlener, kenmerken van de patiŽnt en kenmerken van de organisatorische, sociale, politieke en maatschappelijke context.
      De meetbare en veranderbare factoren werden opgenomen in een conceptvragenlijst.
      Aanvankelijk was het de bedoeling een generieke vragenlijst te ontwikkelen die zowel voor zorgverleners als patiŽnten gebruikt zou kunnen worden.
      Gaandeweg werd duidelijk dat dit niet haalbaar was en werden twee vragenlijsten ontwikkeld.
      De vragenlijsten werden uitgezet in enkele projecten om psychometrische eigenschappen te bepalen.
      Er werd met name gekeken naar de itemrepons en het discriminerend vermogen.
      In de definitieve vragenlijst bleven 24 factoren over.
      De zorgverlenersvragenlijst werd vervolgens uitgezet in twaalf projecten.
      Bij alle projecten bleek de verwachte tijdsinvestering, die de innovatie met zich meebracht, een groot knelpunt te zijn.
      Een ander belangrijke factor was de mate waarin de innovatie paste binnen de werkstijl of leefstijl van de zorgverlener.
      De implementatie van preventie werd moeilijker gevonden bij patiŽnten met een andere etniciteit, patiŽnten met een lage sociaal economische status, patiŽnten die de praktijk weinig bezochten en bij patiŽnten die overwegend gezond zijn.
      Als kenmerk van de context werden het ontbreken van een financiŽle vergoeding en het ontbreken van personeel vaak als knelpunten opgevoerd.
      De patiŽntenvragenlijst werd uitgezet in twee studies.
      Al met al waren slechts een gering aantal factoren relevant en te beoordelen voor patiŽnten.
      De patiŽntenlijst wijkt hierdoor sterk af van de zorgverlenersvragenlijst.
      Meer onderzoek is nodig om knelpunten bij patiŽnten te achterhalen.
      De vragenlijst voor zorgverleners is goed bruikbaar gebleken.
      De toepassing ervan heeft laten zien dat knelpunten uiteenlopen tussen verschillende onderwerpen, wat het belang van een knelpuntenanalyse bevestigt.
      Het gebruik van een standaardlijst maakt vergelijking tussen projecten mogelijk, wat beter inzicht geeft in het belang van verschillende factoren en daardoor bijdraagt aan kennis over veranderingsprocessen.
      Cfr. : http://www.ghip.nl/ghip/_files/knelpunten%20en%20mogelijkheden%20patientenzorg/Ruimte_voor_verandering.pdf

    4. Rust geen remedie voor chronische vermoeidheid
      Gezondheidsraad - Den Haag: Gezondheidsraad, 2005; publicatie nr 2005/02
      PatiŽnten met het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS), ook wel bekend als 'ME', lijden aan een aandoening die niet algemeen als zodanig wordt erkend.
      In een vandaag verschenen advies wil de Gezondheidsraad een einde maken aan die controverse.
      De raad noemt CVS een ernstig invaliderende aandoening.
      De precieze oorzaken ervan zijn nog niet bekend, maar vaststaat dat het gaat om een samenspel van lichamelijke en psychosociale factoren.
      De beste behandeling is niet totale rust, maar een geleidelijke opbouw van lichamelijke activiteit.
      Cognitieve gedragstherapie kan daarbij helpen.
      Nederland telt naar schatting tussen de dertig- en veertigduizend patiŽnten met het chronische-vermoeidheidssyndroom (CVS).
      Ruim driekwart van hen is vrouw. CVSpatiŽnten voelen zich voortdurend moe en uitgeput en hebben daarbij ook allerlei andere lichamelijke klachten.
      Hun werk valt hen vaak te zwaar, evenals hun sociale leven. CVS is een controversiŽle aandoening.
      Zowel binnen als buiten de medische wereld zijn er mensen die wel en mensen die niet in het bestaan ervan geloven.
      Dat heeft onder meer tot grote meningsverschillen geleid over het vermogen van CVSpatiŽnten om arbeid te verrichten en daarmee over het recht op een uitkering.
      Er is nog weinig bekend over het ontstaan en de oorzaken van CVS.
      Eenvoudige diagnostische tests zijn er niet.
      Voor de Gezondheidsraad staat vast dat CVS niet is af te doen als een ziekte die louter psychische oorzaken heeft.
      CVS is ťťn van de vele syndromen met lichamelijk onverklaarde klachten, waartoe bijvoorbeeld ook fibromyalgie en het prikkelbaredarmsyndroom behoren.
      Het klachtenpatroon bij deze aandoeningen duidt op een ontregeling van regelsystemen of van de communicatie tussen regelsystemen.
      De ontregeling lijkt terug te voeren op eenzelfde grondpatroon : een langdurige en ernstige verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en belasting.
      Moeheid is in het algemeen een signaal om het kalmer aan te doen, maar totale rust doet de conditie geen goed en houdt de klachten uiteindelijk in stand.
      Ď
      Rust roestí is daarom de rode draad in het beleid bij vermoeidheidsklachten.
      CVS-patiŽnten moeten het advies krijgen te doen wat ze nog kunnen, zo nodig na aanpassing van werk(tijden) in overleg met de bedrijfsarts.
      Verder blijkt cognitieve gedragstherapie een effectieve behandeling te zijn.
      PatiŽnten leren hun mogelijkheden optimaal te benutten en hun lichamelijke activiteit geleidelijk op te bouwen met als doel herstel van functioneren en werkhervatting.
      Voor een adequate zorgverlening is uitbreiding van de behandelcapaciteit nodig.
      Cognitieve gedragstherapie bij CVS is alleen structureel beschikbaar in Nijmegen, maar daar staan ruim driehonderd patiŽnten op de wachtlijst.
      Er zouden meer centra gevormd moeten worden die zich speciaal op CVS richten of meer in het algemeen op onderzoek en behandeling van stressgebonden aandoeningen.
      De kennis over CVS vertoont grote hiaten.
      De zoektocht naar ťťn specifieke oorzaak van CVS is niet vruchtbaar gebleken en zal vermoedelijk ook in de toekomst niet leiden tot een verklaring van het scala van symptomen en verschijnselen.
      Een daadwerkelijke vergroting van het inzicht in de oorzaken en de behandeling van CVS vergt een multidisciplinaire aanpak.
      Cfr. : http://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/Pb_CVSelectronisch.PDF

    5. Samenwerken als proces bekeken
      A.P. Nauta, gepubliceerd in Tijdschrift voor Gezondheidswetenschap 2003; 81(3): 159-162, 2003
      In het veld van arbeid en gezondheid wordt nog niet voldoende samengewerkt.
      Dat geldt voor arbo-curatieve samenwerking, maar ook voor samenwerking tussen professionals binnen de arbozorg.
      In dit artikel wordt het proces van samenwerken tussen professionals nader geanalyseerd.
      Inzichten uit de sociale psychologie worden gebruikt om de knelpunten in de samenwerking uit te leggen.
      Beter samenwerken is aan te leren.
      Hiervoor worden praktische tips gegeven.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_nauta2003.pdf

    6. Samenwerking arbeidsgeneesheer, verzekeringsarts en behandelende arts in BelgiŽ en Nederland - Deel 1 - Vergelijkbare problemen
      Anna Katharina Mortelmans (corresponding author), Guido Moens, Peter Donceel & Diederik Lahaye - Tijdschr Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 2002, vol :10 issue :12 pages : 375-378
      Cfr. : https://lirias.kuleuven.be/handle/123456789/142981

    7. Samenwerking tussen arbeidsgeneesheer, adviserend geneesheer en behandelende arts - Resultaten van een cross-sectioneel onderzoek bij Belgische arbeidsgeneesheren
      Anna Katharina Mortelmans - Occupational, Environmental and Insurance Medicine, 2003, pages :1-43
      Cfr. : https://lirias.kuleuven.be/handle/123456789/143162

    8. Samenwerking tussen de bedrijfsartis en de behandelende arts - Recente gegevens
      Anna Katharina Mortelmans (corresponding author), RaphaŽl Masschelein, Diederik Lahaye & Peter Donceel - Mťdicine du travail - Arbeidsgezondheidszorg en Ergonomie, 2003, vol :4 pages :157-166
      Cfr. : https://lirias.kuleuven.be/handle/123456789/142964

    9. Snel weer aan het werk
      Bollen SH, van der Klink JJL, Terluin B et al. - MC 2002;57:420-2
      Cfr. :
      - http://www.medivera.nl/cvs.pdf
      - http://www.mcs-america.org/HealthCounciloftheNetherlandsOnCFS.pdf

    10. Snelle interventie bedrijfsarts - Meer werknemers uit WAO
      Mw. E. van der Putten - Nieuwsbank, 04-04-2000 Ė Bron : NVAB-bericht dd. 04-04-2000
      Een snelle interventie van de bedrijfsarts helpt om werknemers met psychische klachten uit de WAO te houden.
      Daarom heeft de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) Ė cfr. : http://www.arbo.nl/arbolinks/nederlandse-vereniging-voor-arbeids-en - een richtlijn uitgebracht voor het handelen van de bedrijfsarts bij psychische klachten.
      De NVAB is de wetenschappelijke beroepsvereniging voor bedrijfsartsen.
      De vereniging beschouwt de richtlijn als een waardevol instrument voor de begeleiding van werknemers/patiŽnten met psychische klachten, die effectieve diagnostiek en begeleiding mogelijk maakt.
      De bedrijfsarts kan daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan het voorkůmen dat functionerings-beperkingen en klachten leiden tot langdurige of frequente arbeidsongeschiktheid.
      De toename van het aantal WAO-ers in Nederland en het grote aantal arbeidsongeschikten op psychische gronden onderstrepen het belang van deze richtlijn.
      Richtlijnen zijn schriftelijk vastgestelde regels die sturing geven aan het professioneel handelen van artsen.
      Bedrijfsartsen moeten krachtens hun professioneel statuut 'dat hun onafhankelijke positie regelt' de richtlijnen van de beroepsgroep volgen.
      De richtlijn 'Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten' Ė originele versie (2000) : http://www.arboportaal.nl/gezondheidsmanagement/dossiers/psychische-klachten/psychische-klachten -&- herziene versie (2007) : http://www.psychischenwerk.nl/pw/article.php?id=4368 - (originele, herziene) is gebaseerd op onderzoek uit zowel de huisarts- als de bedrijfsartsenpraktijk, waaruit blijkt dat een gestructureerde begeleiding langdurig verzuim en, uiteindelijk, instroom in de WAO sterk kan beperken.
      Zonder zo'n intensieve begeleiding blijkt bij patiŽnten met overspanning het risico van instroom in de WAO al na vier weken verzuim op ruim 20 procent te liggen.
      Na drie maanden neemt het risico zelfs toe tot 50%.
      De richtlijn is opgebouwd uit vijf stappen: probleemoriŽntatie, diagnose, interventies, evaluatie en terugvalpreventie en afsluitende begeleiding.
      In de probleemoriŽntatie worden probleemsituaties binnen en buiten het werk in kaart gebracht, evenals het probleemoplossend vermogen van de patiŽnt en van diens (werk)omgeving.
      Bij de diagnostiek ligt het accent op stressgerelateerde stoornissen (spanningsklachten, overspanning en burnout), depressie en angststoornissen.
      De richtlijn adviseert een snelle interventie van de bedrijfsarts bij arbeidsgerelateerde psychische problemen, met name als het probleemoplossend vermogen van de patiŽnt of de werkomgeving te kort schiet.
      Binnen twee weken dient bij voorkeur een eerste intakegesprek plaats te vinden, waarna een strak schema van contacten volgt.
      In die contacten wordt met de patiŽnt de voortgang geŽvalueerd aan de hand van concrete criteria.
      Zonodig volgen interventies of een verwijsadvies.
      Een goede samenwerking met de curatieve sector (met name de huisarts) is hierbij essentieel.
      Ten slotte wordt met de patiŽnt en met de werkomgeving doorgenomen op welke signalen men alert moet zijn en welke preventieve maatregelen genomen kunnen worden om herhaling te voorkomen.
      De invoering van de richtlijn krijgt, onder meer via (na)scholing, in de komende periode grote aandacht.
      Inlichtingen
      NVAB-secretariaatsbureau, Postbus 1594, 5602 BN Eindhoven Ė Tel. : 040 2481322 Ė Fax : 040 2480711 Ė E-mail: nvab@wxs.nl -.
      Cfr. : http://www.nieuwsbank.nl/inp/2000/04/0404M057.htm

    11. Stoornissen, beperkingen en handicaps in de uitvoering
      Bont A de, Meus C, Hazelaar 0 - CTSV juni 1998; 1-67
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=1561&printlink=true&highlight=verzekeringsgeneeskundig

    12. Stressgebonden pijn- en uitputtingssyndromen
      Van Houdenhove B - Gedrag & Gezondheid 2003;31:271-9
      Cfr. :
      - http://www.medivera.nl/cvs.pdf
      -
      http://www.mcs-america.org/HealthCounciloftheNetherlandsOnCFS.pdf

    13. Studiedag Psychische klachten en arbeid
      De richtlijn 'Werk en psychische klachten' vormde de aanleiding voor de studiedag 'Psychische klachten en arbeid' die op 18 mei 2006 in Nijmegen plaatsvond.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=58&topmenuid=4

    14. The benefits of interventions for work-related stress
      J.J. van der Klink, R.W.B. Blonk, A.H. Schene, F.J.H. van Dijk, 2001
      Review van preventieve stressmanagement-interventies.
      De belangrijkste uitkomst is dat cognitief-gedragsmatig georiŽnteerde trainingen het grootste effect laten zien.
      Voorbeeld van een dergelijke training in Nederland is de training 'Gezond aan het werk'.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/instrument_klink2001.pdf

    15. Tijdig aanpak verzuim psychische redenen
      Persbericht Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid (Commissie Donner I), 07-11-2001
      Aanpak verzuim om psychische redenen behoeft vooral tijdig aandacht en actie van werkgever en werknemer zelf.
      Dit is de belangrijkste boodschap die in de leidraad, waarmee verzuim om psychische redenen voor werkgever en werknemer hanteerbaar wordt, staat verwoord.
      De leidraad is opgesteld door de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid en is het eerste resultaat van het streven van de Commissie de analyse te vertalen in een praktisch hanteerbare vorm.
      Het inzicht dat arbeidsongeschiktheid in welke vorm dan ook en psychische arbeidsongeschiktheid in het bijzonder voorkomen kan worden, heeft de laatste jaren veld gewonnen.
      Ook de analyse van de Commissie naar het huidig functioneren van het stelsel van ondernemingen, gezondheidszorg, arbodienstverlening en sociale zekerheid bij de aanpak van psychische problematiek leidde tot deze conclusie.
      Thans is een praktische richtsnoer, een leidraad, opgesteld voor de aanpak van verzuim dat mogelijk van psychische aard is.
      Deze leidraad is bedoeld voor de direct betrokkenen, werkgever en werknemer.
      Zij zijn verantwoordelijk voor het eindresultaat.
      Uitgangspunt is gedeelde verantwoordelijkheden en wederzijdse aanspraken van werkgever en werknemer.
      De centrale elementen van een doeltreffende aanpak zijn eenvoudig : contact houden, een adequate begeleiding of behandeling van klachten verzekeren en activering thuis, buitenshuis en op het werk.
      De leidraad richt zich op de aanpak van verzuim als het eenmaal is ontstaan.
      Hij schetst een aantal basisregels en een tijdpad en de functies en taken waar bij de aanpak van het verzuim aan gedacht moet worden.
      Het succes van de leidraad berust op de bereidheid van werkgever en werknemer om zich naar de leidraad te gaan gedragen.
      De leidraad sluit niet uit dat werkgevers en werknemers een andere, betere aanpak ontwikkelen.
      Bij de leidraad hoort een implementatieplan waarin de stappen en maatregelen staan die nodig zijn om het gebruik van de leidraad te bevorderen.
      Een eerste stap in dat verband is dat dit implementatieplan wordt aanvaard door de verschillende organisaties van werkgevers en werknemers, professionele hulpverleners en de overheid.
      Met het oog daarop wordt een bijeenkomst van vertegenwoordigers van deze groeperingen voorzien in januari 2002.
      Met de vaststelling van de leidraad en het implementatieplan (januari 2002) wordt na de fase van analyse die in juni 2000 eindigde, een tweede fase in de werkzaamheden van de Commissie afgesloten.
      In een derde fase zal de Commissie zich richten op mogelijk concrete maatregelen om verzuim om redenen van psychische aard in bedrijven terug te dringen of te voorkomen.
      Cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/kranten/cpa20011107.txt

    16. Toekomstige positionering en financiering van de bedrijfsartsen en hun kwaliteitsbeleid - Verslag van een onderzoek uitgevoerd in opdracht van de NVAB
      Marjolein Bastiaanssen & Michiel Wesseling, KNMG, Beleid & Advisering, Utrecht - Maart 2006
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R1955631368322239

    17. Transparante zorg in de GGZ - Van de bomen en het bos - Onderscheid en samenhang tussen richtlijnen, protocollen en zorgprogrammaís
      Franx G, Eland A, Verburg H - MGV 2000;57:1036-1050
      Transparent service delivery in the mental health sector - About the forest and the trees - Distinctions and connections between guidelines, protocols and care programmes
      This article clarifies the meaning of several concepts currently encountered by many professionals and clients in the mental health care sector.
      The most important of these are guideline, protocol and care programme.
      All serve as instruments of quality care, as valuable resources in achieving the best possible situation or treatment.
      Each of these concepts and the relationships between them, are discussed here in detail and compared to related concepts such as evidence-based medicine, stepped care and disease management.
      More research is needed on the strengths, weaknesses and effects of such quality instruments as applied in daily practice.
      Cfr. : http://www.trimbos.nl/default21038.html

    18. Uitdagingen van het Chronische-vermoeidheidssyndroom (Challenges of the chronic fatigue syndrome)
      Van Houdenhove B - Tijdschr Psychiatr 2000;42:791-2
      Cfr. : http://www.hiw.kuleuven.ac.be/ned/lessen/cursumateriaal/0203/vanhoudenhove.pdf

    19. Uitgeteld - Cijfers omtrent de gezondheidsbeleving, sociale situaties en hulpbehoefte van donateurs van de Myalgische Encephalomyelitis Stichting in de
      regio Amsterdam - Een inventarisatie van de wenselijkheid van een hulpnetwerk voor ME-patienten

      Dr. Gerda de Bruijn - de Bruijn Amsterdam, 1994
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6320&printlink=true&highlight=gezondheidsbeleving

    20. Uitkomsten marktonderzoek omgang met psychische problemen op het werk
      Hoffius & Hento, 2004
      Onderzoek onder 585 werknemers met psychische problemen en 691 leidinggevenden geeft aan dat werknemers problemen vaker aan het werk wijten en dat eenderde van de werknemers problemen niet op het werk kan bespreken.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_onderzoekhoffiushento.pdf

    21. Van consensus naar CBO-richtlijn
      Everdingen JJE - Ned Tijdschr Geneesk 1999;143(42):2086-9
      Cfr. : http://www.cbo.nl/product/richtlijnen/folder20021023121843/art_mc_07.pdf

    22. Van richtlijn naar routine - Het strategisch implementeren van NVAB-richtlijnen
      Hoenen J, de Buisonjť C - Bureau Richtlijnen NVAB, Amsterdam 2003
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/Artikel/Van-richtlijn-naar-routine-implementatie-NVABrichtlijnen.htm

    23. Verduidelijking van de relatie tussen chronische vermoeidheid en stoornissen in de eerste lijn
      Wiersma J - Ned Tijdschr Geneeskd 1998; 482
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?highlight=wetenschapswinkel&pageid=6388&printlink=true

    24. Verkorte vermoeidheidsvragenlijst' - Een praktisch hulpmiddel bij het scoren van vermoeidheid ('Abbreviated fatigue questionnaire': a practical tool in the classification of fatigue)
      Alberts M, Smets EM, Vercoulen JH et al. - Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1526-30
      Cfr. :
      - http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=10581144
      - http://dare.uva.nl/document/23923
      - http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/25198

    25. Vermoeider dan ooit
      Bensing JM, van Lindert H - MC 2003; 58
      Het artikel 'Vermoeider dan ooit' (MC 14/2003: 551) van Bensing en Van Lindert toont een discrepantie tussen de beschrijving in de tekst en de conclusies.
      In de tekst wordt de aandacht vooral gevestigd op het verschil tussen mannen en vrouwen en worden mogelijke psychologische en sociologische verklaringen naar voren gebracht.
      Daardoor dreigt de opsomming van maatschappelijke gegevens en interpretaties, die de auteurs ůůk naar voren brengen, minder aandacht te krijgen.
      Zij schrijven : '
      Veel meer mensen dan vijftien jaar geleden hebben last van moeheid; dat geldt voor mannen en vrouwen van alle leeftijden en opleidingsniveaus. (...) Het ligt voor de hand dat er een relatie is met arbeidsverzuim en arbeidsongeschiktheid (...). Onze samenleving is al enige decennia in een steeds hogere versnelling geraakt; alles moet voortdurend harder, sneller, beter; de samenleving stelt steeds hogere eisen; (...) het ideaalbeeld dat de samenleving heeft gecreŽerd. Moeheid is wel degelijk een symptoom van een zwaar leven en kan niet alleen worden toegeschreven aan interpersoonlijke, 'psychische' problematiek'.
      De conclusie van de auteurs is dat de toename van moeheid een probleem is dat prioriteit verdient in de zorgverlening en in het wetenschappelijk onderzoek.
      Dit zijn op individuen gerichte, curatieve activiteiten.
      Aarzelend vragen de auteurs ten slotte of '
      wellicht ook het maatschappelijk debat over de kwaliteit van onze samenleving' prioriteit verdient.
      Dat is nu juist waar het in de eerste plaats om zou moeten gaan : nŪet om behandeling van vermoeide individuen (dat moet ůůk, hoewel het lijkt op dweilen met de kraan open), maar om een maatschappelijk debat over de mogelijkheden tot preventie van dit probleem.
      Een public-healthprobleem vraagt om een maatschappelijk debat.
      De auteurs hebben zonder het zo te noemen een public-healthprobleem beschreven.
      Alleen in een maatschappelijk debat kan een oplossing worden gezocht voor de preventie van moeheid, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=2469&printlink=true&highlight=vermoeider

    26. Vermoeidheid - Een chronisch probleem
      Bensing J., Hulsman R., Schreurs K - Medisch Contact, nr 4, jaargang 51, 26 januari 1996, pag 123-124

    27. Voorlichting over gezonde voeding op de bedrijfsvloer werkt - Durf te kiezen, eet gezond
      Kroodsma A, Hekman M, Kuppens R - Voeding nu; 2000; 5: 29-31
      Een gezondheidsgericht beleid met behulp van bedrijfsvoedingsactiviteiten.
      Dit programma "durf te kiezen, eet gezond" omvat 4 modules.
      Het is afkomstig van het Voedingscentrum en de Nederlandse Hartstichting.
      Beide organisaties ondersteunen bedrijven bij het uitvoeren van activiteiten rondom goede voeding.
      Cfr. :
      - http://library.wur.nl/WebQuery/artik/lang/1213175

    28. Voorwaarden voor succesvolle reÔntegratie van hoger opgeleide vrouwen - Verslag van een expertmeeting.
      J.W.J. van der Gulden, P. Verdonk, UMC St. Radboud Nijmegen, 2005
      Hoogopgeleide vrouwen lopen het risico vast te lopen in hun werk doordat ze zichzelf hoge eisen opleggen, deels uit ambitie, deels uit onzekerheid.
      De werkomgeving is niet geneigd hen daarin af te remmen.
      Ook zijn de arbeidsomstandigheden van hoog opgeleide vrouwen op verschillende punten net iets ongunstiger dan van hoogopgeleide mannen.
      Verder hebben hoog opgeleide vrouwen in het algemeen meer zorgtaken dan hoogopgeleide mannen.
      Dit kan bijdragen aan overbelasting.
      Het verslag geeft aanbevelingen hoe hier mee om te gaan.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_vrouweninwao.pdf

    29. Wat kan de bedrijfsarts doen bij psychische klachten ? - Psychische klachten en arbeid - Werk voor psychologen en bedrijfsartsen
      Dr. Jac J.L. van der Klink - Netherlands School of Public & Occupational Health (NSPOH) - http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageID=1&mode=&version=&MenuID=0 -, 18-05-2006
      Cfr. :
      - http://www.psynip.nl/upload2/projecten/vanderklink.pdf
      - http://www.xs4all.nl/~nipnet/WVP/060228/folder.pdf

    30. Werk
      Wouter van Ginkel & Cees Wevers
      Werk is voor veruit de meeste mensen belangrijk.
      Daar staat tegenover dat betaald werk niet voor iedereen is weggelegd.
      De hele WAO-discussie en de daarop volgende maatregelen hebben een nieuwe impuls gegeven aan de negatieve beeldvorming die al bestond over mensen met een uitkering.
      De WAO-maatregelen hebben tot gevolg dat steeds meer mensen met een functiebeperking zich een plek op de arbeidsmarkt moeten veroveren.
      Bij het gevecht om de beschikbare banen vallen de minst kansrijken echter het eerste af, terwijl ondernemers tegelijkertijd steeds hogere eisen stellen aan hun werknemers.
      Ook is er op de arbeidsmarkt de laatste decennia veel veranderd.
      Er is sprake van meer deeltijdwerk, korter werken, maar ook een hoger werktempo en toename van stress.
      Onder invloed van deze veranderingen wordt het voor mensen met functiebeperkingen steeds moeilijker aan de voorwaarden van werkgevers te voldoen.
      Uit onderzoek valt af te leiden dat ongeveer 36 procent van de beroepsbevolking een chronisch somatische en/of psychische aandoening heeft.
      Er is sprake van een omvangrijke risicogroep die in toenemende mate naar de zijlijn dreigt af te glijden.
      Redenen genoeg om in dit hoofdstuk nader in te gaan op de geschetste ontwikkelingen en op de mogelijkheden om de arbeidsmarktpositie van mensen met functiebeperkingen te verbeteren.
      Cfr. : http://www.kantel.nl/Trots%20en%20treurnis/Blad02/B0205.htm#B2

    31. Werk en psychische klachten - Richtlijn voor psychologen.
      Werk en psychische klachten - Toelichting op de richtlijn voor psychologen.
      Werk en psychische klachten - Praktijkvoorbeelden als illustratie van werken volgens de richtlijn
      NIP/LVE, 2005
      Cfr. :
      - http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=123&topmenuid=4
      - http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=123&topmenuid=4

    32. Werk in uitvoering - Nieuwe verzekeringsgeneeskundige protocollen ter discussie
      Ekkelboom, J. - Medisch contact, Vol. 61, 2006, nr. 17, pag. 699-701
      In verband met de nieuwe Wet WIA stelt de Gezondheidsraad protocollen op voor verzekeringsartsen voor het vaststellen van arbeids(on)geschiktheid bij diverse aandoeningen.
      Eind 2006 komen er ook 3B-richtlijnen ("beoordelen, behandelen, begeleiden") voor alle artsen.
      Bij deze 3B-richtlijnen gaat het niet om het benoemen van de ziekteduur per aandoening, maar om het beschrijven van de factoren die van invloed zijn op duur en herstel van de ziekte en (mogelijke) arbeidsreÔntegratie.
      Eind 2005 werden door de Gezondheidsraad de eerste twee verzekeringsgeneeskundige protocollen (over aspecifieke lage rugpijn en hartinfarct) gepubliceerd, die nu worden geÔmplementeerd.
      De ontwikkeling van protocollen wordt toegejuicht, maar over de tijdsdruk waaronder dit gebeurt, bestaan twijfels.
      Cfr. : http://cba.uwv.nl/cba/opencms/add-ons/adlib-document.jsp?priref=200002959&adlibDB=http://tno-arbeid.adlibsoft.com/activering_reintegratie/bin/wwwopac.exe?database=ChoiceFullCatalogue

    33. Werk is gewoon nodig om mensen te laten herstellen
      Dik Binnendijk spreekt met Prof. dr. Roland Blonk - TNO magazine juni 2006 - TNO Kwaliteit van Leven
      Prof. dr. Roland Blonk : 'In ons land zijn twee- tot driehonderdduizend mensen langer dan een jaar werkloos. Zoín zeshonderd commerciŽle re-integratiebedrijven proberen ze weer aan het werk te krijgen : een markt van ťťn miljard euro. Gemeentelijke overheden hebben nu geen idee van wat ze aan re-integratie inkopen, want het effect van de uitgevoerde interventies is gewoon onbekend.í
      Kort samengevat is dit een citaat uit de oratie ĎHet lukt niet zonder werkí (cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_oratieblonk.pdf -) van prof. dr. Roland Blonk, die hij eind maart heeft gehouden bij de aanvaarding van zijn hoogleraarschap aan de Universiteit Utrecht.
      Hij pleit ervoor om meer onderzoek te gaan doen naar het effect van die interventies, dus voor wie, wat, wanneer het beste werkt.
      Eťn dag in de week is hij bijzonder hoogleraar ĎArbeidsparticipatie en psychische klachten, in het bijzonder activering en re-integratieí; de andere vier dagen is Blonk teamleider ĎActiveringí bij TNO Kwaliteit van Leven in Hoofddorp.
      Na zijn oratie nam hij twee dagen vrij.
      Er stond nog een lezing Ďonder professorení op het programma en daardoor was de tijd een beetje te kort om de zee op te gaan met zijn zeilschip ĎTi Amoraí.
      Een foto van het tien meter lange, wit-blauwe schip hangt achter zijn bureau aan de muur.
      Ti Amora ?
      ĎHet is een soort verbastering van Italiaans, Spaans en Portugees en betekent : ďJij bent mijn liefĒ of zo iets. Ik heb dit schip nu ruim vier jaar, maar ik vaar al sinds 1991. Afgelopen jaar ben ik solo non stop in drie en halve dag naar Noorwegen gevaren. Heerlijk !í
      Wat trekt je in zeilen ?
      ĎHoewel ik graag mensen om me heen heb, vind ik ook solo zeilen machtig. Het is zo mystiek, de stilte, de zee... als je ergens kunt mijmeren dan is het wel aan boord op het water. Je kunt echt doordenken, je gedachten afmaken.í
      Ben je van plan om een reis om de wereld te gaan maken ?
      ĎJa, de Atlantische Oceaan over en misschien wel verder. Het gaat stapsgewijs. Je kunt wel dromen over Kaap Hoorn maar als je niet verder ben geweest dan Terschelling dan is het toch wel een beetje lastig.í
      Je droomt graag ?
      ĎIk zeg altijd tegen mijn kinderen : ďDroom je dromen, want als je niet droomt dan maak je ze zeker niet waar.Ē Ik ben tevreden met wat ik heb, maar ik droom verder en dat zorgt voor de ambitie om door te gaan.í
      Wilde je altijd al psycholoog worden ?
      ĎEh, nee... ik ben pas in 1984 psychologie gaan studeren... Ik aarzel... ik heb nogal een bewogen leven achter de rug..., maar dat leven is wel direct en indirect van belang geweest voor wat ik nu doe... Ik heb na het atheneum twee jaar natuurkunde en nog een jaar filosofie gedaan, maar in 1980 ging het niet meer. In zeiltermen zou je kunnen zeggen dat ik letterlijk aan de grond was gelopen. Het heeft een aantal jaren geduurd om weer meer richting en structuur in mijn leven te krijgen. Tegelijkertijd is die periode enorm belangrijk geweest. Ook ben ik toen lange tijd lid geweest van een evangelische kerk. Hoewel ik nu niet meer kerkelijk ben, heeft dat evangelische veel betekend voor mijn persoonlijke vorming. Dat vind je nog steeds terug in hoe ik nu denk, leef en omga met mensen en hoe ik leiding wil geven: de persoon staat centraal. Bovendien weet ik uit eigen ervaring wat het is om aan de grond te zitten, werkloos te zijn met af en toe een baantje.í
      En wat deed je na die periode ?
      ĎIk kwam terecht in de Noordoostpolder. Er was ook daar nauwelijks werk. In 1982 ben ik getrouwd met mijn (sinds kort ex-) vrouw Elvira Bandt; we zijn gelukkig nog wel goed met elkaar. Ik moest mijn vervangende dienstplicht nog doen bij de afdeling Personeelszaken in Lelystad. Eindelijk werk ! Maar vlak voordat ik zou beginnen, werd ik ziek : ik bleek de ziekte van Besnier-Boeck te hebben, de auto-immuunziekte die ook oud-PvdA-voorzitter Felix Rottenberg heeft. Ik vertelde mijn verhaal aan mijn bedrijfsarts en die raadde me aan om te gaan studeren, ďanders wordt het niets met u, meneer Blonk.Ē Dat zetje had ik nodig. Ik ben op de Universiteit van Amsterdam ís avonds psychologie gaan studeren. Het is me gelukt om met veel prednison in mijn lijf mijn propedeuse in ťťn jaar te doen; er stond twee jaar voor. Zo kon ik na mijn vervangende dienstplicht studiefinanciering krijgen en dagstudent worden. In 1990 studeerde ik af.í
      Je kreeg toen een aio-plaats op de Universiteit van Amsterdam.
      ĎIk was blij, want als psycholoog kwam je moeilijk aan het werk. Mijn promotieonderzoek was een evaluatie van sociale vaardigwerkheidstrainingen bij kinderen, die bij RIAGGís werd uitgevoerd. Klinische kinderpsychologie dus. Het versterken van de self efficacy of competentiebeleving is daarin belangrijk : de verwachting dat je een bepaald gedrag succesvol kunt uitvoeren.í
      Je bent alleen theoretisch bezig geweest ?
      ĎNee, om geld voor mijn gezin te verdienen, heb ik voor een psychiater in Waddinxveen ruim twee jaar een dag in de week therapie gegeven. In die ene dag verdiende ik net zoveel als mijn aio-salaris in de ander vier dagen. Per dag zag ik elf cliŽnten en daarna deed ik nog een groepstherapie. Ik was er ook redelijk goed in, maar al snel merkte ik dat ik nooit een volledige baan als therapeut zou willen hebben.í
      Wat ging je na jouw promotie doen ?
      ĎMijn vrouw en drie kinderen hadden nu zoín tien jaar op een houtje moeten bijten, terwijl ik, Roland, bezig was mijn kennis te vermeerderden. Dus ik wilde geld verdienen. Dat is gelukt. In september 1996 kreeg ik een postdoc baan voor vier jaar bij het Coronel Instituut voor bedrijfsgeneeskunde, een onderdeel van het AMC in Amsterdam. Het onderzoek was gericht op diagnostiek, behandeling en begeleiding van mensen met langdurige psychische vermoeidheid, dus zeg maar overspannenheid of burnout. Het was een deelgebied van het NWO-prioriteitenprogramma ďPsychische Vermoeidheid in de ArbeidssituatieĒ. Ik heb allerlei onderzoeksvoorstellen geschreven, die Ė tot mijn stomme verbazing Ė allemaal gehonoreerd zijn en waar ik ook cofinanciering voor vond. Ik denk dat ik in twee jaar tijd in totaal zoín miljoen gulden heb binnengehaald. Hoewel altijd in teamverband dingen worden gerealiseerd, heb ik in feite een eigen onderzoekslijn opgebouwd. Ik deed een aantal onderzoeken zelf en ik werd copromotor bij ďmijnĒ aioís. Via-via kwam ik in contact met TNO en dat leidde ertoe dat ik in augustus 1999 ben overgestapt naar TNO. Ik had er wel bij bedongen, dat ik de aioís nog mocht begeleiden. En zo ontstond een mooie brug tussen de toepassingsgerichtheid van TNO en de academische wereld.í


    Lees verder : Deel XVIII

    25-11-2009 om 20:59 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XVIII

    Die band is alleen maar versterkt nu jij hoogleraar bent geworden.
    ĎJa, zeker, maar die band kan nůg steviger. Het werk in Hoofddorp en in Utrecht loopt erg in elkaar over. Al mijn projecten zijn gericht op de professionalisering van diegenen die in de re-integratiemarkt werkzaam zijn, zodat de effectiviteit en de efficiency van de interventies vergroot worden. Vaak wordt gezegd dat je de motivatie van iemand moet versterken. Ik geloof daar niet in, want motivatie is altijd achteraf geredeneerd en context-afhankelijk. Je kunt beter aangrijpen op het ďzoeken naar werkĒ-gedrag van mensen en onderzoeken welke factoren dat zoekgedrag beÔnvloeden en versterken. In de begintijd bij TNO kwam ik in contact met de Vrije Universiteit in Amsterdam : een aio deed onderzoek onder uitzendkrachten en mensen die kortdurend werkloos waren. We hebben toen het onderzoek kunnen uitbreiden met langdurig werklozen. Op die manier had ik mijn eerste onderzoek voor TNO gekoppeld aan de academische wereld. Uit de literatuur bleek dat er nog maar heel weinig bekend was over het effect van interventies. Alleen het Amerikaanse JOBS-programma was voor ons interessant. Hierin was onderzoek gedaan naar speciaal ontwikkelde interventies voor kortdurend werklozen om eventueel een depressie tegen te gaan, als ze niet snel aan de slag zouden komen. In Finland hadden ze dit programma aangepast voor mensen die een jaar werkloos waren en met succes. Ik dacht : als het nu werkt voor kort- en langdurig werklozen, waarom zou het dan ook niet bij andere groepen werken ? En zo is bij TNO een interventieonderzoekslijn ontstaan rond de problematiek van werkloosheid, vroegtijdige schoolverlaters, bijstandsvrouwen en allochtone vrouwen. Daarnaast hebben we nog de onderzoekslijn ďpsychische klachten en werkĒ. Wat voor effect hebben op werk gerichte interventies bij werknemers met psychische klachten ? Om daar zicht op te krijgen, hebben we via verzekeraar Interpolis een gecontroleerd onderzoek kunnen doen bij zelfstandigen. Zij bleken veel sneller te herstellen als je al vroeg in de behandeling werkelementen integreerde. Herstel lukt niet zonder werk. In feite is de aanpak van psychologen achterhaald die eerst aan iemand willen sleutelen voordat hij of zij weer terug mag naar het werk.í
    Wat wil je nog bereiken ?
    ĎIk wil nog steviger het TNO-onderzoek aan de academische wereld koppelen, zodat we het effect van interventies kunnen vergroten, dus voor wie, wat, wanneer het beste werkt. Op deze manier wordt toegepast onderzoek nog meer geborgd met kwaliteit.í
    Waar ben je bang voor ?
    ĎDat de marktwerking in onze maatschappij te ver doorslaat, ook in de re-integratiemarkt. Het wordt gebruikt als mechanisme voor een betere dienstverlening en kwaliteit. Op zich ben ik niet tegen dat concept, maar je kunt niet alles op dezelfde manier behandelen. Bij de zorg, energievoorziening, openbaar vervoer en huisvesting liggen de problemen op de loer. Je krijgt te maken met een individualisering, waar uiteindelijk de zwakkeren in onze maatschappij de dupe van zullen worden.í
    Als je dit beroep niet had gehad wat zou je dan zijn geworden ?
    ĎEen moeilijke vraag Ė ik vind mijn vak namelijk zo leuk... Maar anders... ach, dat kun je wel raden : zeezeiler ! En als ik niet genoeg sponsors zou kunnen vinden, dan zou ik Ė om aan geld te komen Ė iets gaan doen in de psychiatrie.í
    Cfr. : http://www.tno.nl/images/shared/overtno/magazine/kvl_2_2006_12_14.pdf

    1. Werk maken van participatie (een oratie)
      Spreker : prof.dr. J.J.L. van der Klink, hoogleraar Sociale geneeskunde, in het bijzonder arbeid en gezondheid, Faculteit Medische wetenschappen, RUG, 09-10-2007
      Plaats : Aula Academiegebouw, Broerstraat 5, Groningen
      Korte inhoud : 'We schakelen in Nederland, wat betreft de sociale zekerheid, over van een compensatiemodel naar een participatiemodel.
      Dat is uit gezondheidkundig oogpunt goed omdat het beter is mensen in de maatschappij en bij werk betrokken te houden dan ze, hoewel gecompenseerd, aan de zijlijn te zetten.
      We beschikken echter nog onvoldoende over het instrumentarium om werknemers met gezondheidsproblemen en hun werksituatie in het participatiemodel te begeleiden.
      Daardoor dreigt dat dit model maar gedeeltelijk wordt gerealiseerd: mensen verliezen wel de compensatie maar krijgen geen reŽle kans op participatie.
      Dit kan het solidariteitsprincipe in ons stelsel ondermijnen.
      Het ontbreken van instrumentarium - zowel met betrekking tot diagnostiek als tot interventies - is ook zorgwekkend omdat de arbeidsmarkt in toenemende mate geconfronteerd zal worden met mensen met een gezondheidskundig probleem.
      Aan de ene kant zijn dit mensen met een werkgerelateerd gezondheidsprobleem, die in het oude stelsel aan de criteria voor de WAO hadden voldaan, maar nu niet voor een (volledige) uitkering in aanmerking komen in het kader van de WGA/IVA.
      Aan de andere kant betreft het ouderen die vanwege maatregelen in de pensioenen en het afschaffen van regelingen voor vervroegd uittreden, langer door moeten werken.
      Hoewel de levensverwachting spectaculair is gestegen in de afgelopen decennia, is de gezonde levensverwachting dat veel minder.
      Er is zowel behoefte aan instrumenten om functioneren en participatie in kaart te brengen, als aan instrumenten om groepen en individuen te identificeren die Ďat riskí zijn in een participatiemodel.
      Ook moeten interventies ontwikkeld worden waarmee mensen kunnen worden ondersteund om hun functioneren te optimaliseren.'
      Meer info : de tekst van de rede is onder embargo verkrijgbaar bij de afdeling Communicatie Ė Tel. : 050 363 4444 Ė E-mail : communicatie@rug.nl -.
      Cfr. : - http://www.rug.nl/Corporate/nieuws/archief/archief2007/nieuwsbrief/nieuwsbrief32_07/32_a02
      http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_vanderklink2007.pdf

    2. Werk, uitval en reÔntegratie bij patiŽnten met ME/CVS
      B.M. Blatter, R. van den Berg, D.J. van Putten, TNO Kwaliteit van Leven in Hoofddorp - Correspondentieadres : Dr. Birgitte M. Blatter, TNO Kwaliteit van Leven, Postbus 718, 2130 AS Hoofddorp : b.blatter@arbeid.tno.nl
      Cfr. www.jules.be dd. 08-10-2005

    3. Werkaanpassingen van belang voor spoedige re-integratie
      Irene Houtman et al., 2005
      Uit onderzoek blijkt dat de mate waarin depressieve klachten aanhouden, naast werkaanpassingen, een belangrijke voorspeller is van terugkeer naar werk.
      Het onderzoek is gehouden onder ongeveer vijfhonderd Nederlandse werknemers.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/publicaties_houtman.pdf

    4. Werken aan balans - Remedies tegen burn-out
      Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling - Den Haag: RMO;2002:22
      Cfr. : http://www.minvws.nl/kamerstukken/zzoude_directies/dsb/aanbieden_advies_werken_aan_
      balans.asp

    5. Werken met astma
      Kremer AM. Wevcrs CWJ Ė Amsterdam : NIA TNO, 1998
      Cfr. : http://www.ohcbv.nl/hulppagina/documenten/rl_astma.pdf

    6. Werken met een neuromusculaire aandoening
      Andries F, Wevers CWJ - TNO-pg/ NIA. Nederlands Instituut voor arbeidsomstandigheden, Amsterdam, 1996
      Cfr. : http://www.kantel.nl/Trots%20en%20treurnis/Blad02/B0205.htm#B2

    7. Werken met multiple sclerose
      Kremcr AM. Wevers CWJ, Andries F - Amsterdam: NIA TNO, 1997

    8. Werkhervatting na arbeidsongeschiktheid - Onderzoek naar de kans op werkhervatting na een half jaar na het einde van het ziektewetjaar en naar de kans van hervatters om aan het werk te komen bij de oude of een nieuwe werkgever
      Nijboer ID, Grundemann RWM, Andries F - Den Haag : WGA, 1993
      Cfr. : http://www.sociosite.net/labor/WL_Lit.html

    9. Wetenschap in bedrijf - Effectief faciliteren van werkprivť integratie binnen organisaties - Bijeenkomst NIP-sectie Arbeid & Gezondheid - Theorie en praktijk van Arbeid en Gezondheid
      Cobi Wattez, Instituut Werk en Stress, 7 december 2007
      Hoe kunnen tweeverdieners met kinderen de balans tussen werk en privť goed houden ?
      En zodanig dat er ook een evenredige verdeling is in zorgtaken ?
      Met behulp van subsidie van het ESF coŲrdineerde het Instituut Werk en Stress twee projecten over dit onderwerp : 'Samen betaald werken' en 'Smart managen van 7 tot 7'.
      U vindt de resultaten en aanbevelingen van deze projecten in de presentatie.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/lossepaginaframe.asp?id=123&topmenuid=4

    10. Wie helpt mij nu ik te moe ben ?
      De sociale situatie, gezondheidsbeleving en zorgbehoefte van donateurs van de ME-Stichting in de provincies Overijssel, Flevoland en Zeeland

      Onderzoek in opdracht van de ME-Stichting
      F.H.M. Geurts (begeleiding : Drs. M.J,W.M. Heijmans) - Utrecht, november 1996 - Begeleidende vakgroep : Klinische Psychologie & Gezondheidspsychologie - Rapportnummer : I.S.B.N. 90-72530-82-9 - Contactpersoon klantorganisatie : Mw. dr. G. de BruiJn - Bemiddelaar wetenschapswinkel : Mw. drs. M.M. Splinter

      Inhoudsopgave
      Voorwoord
      Inleiding
      1. - Achtergrond en doel van het onderzoek
      1.1 Leven met Myalgische Encephalomyelitis
      1.1.1 Criteria voor het vermoeidheid-syndroom
      1.2 Achtergrond en doel onderzoek
      1.2.1 Achtergrond
      1.2.2 Doel van het onderzoek
      2. - Opzet van het onderzoek
      2.1 Inleiding
      2.2 De steekproefselectie
      2.2.1 De werving van deelnemers
      2.3 Het meetinstrument
      2.3.1 Het maken van de vragenlijst
      2.4 Analyse en verantwoording
      3. - De onderzoeksgroep
      3.1 Inleiding
      3.2 De reacties
      3.2.1 Respons en non-respons
      3.2.2 Karakteristieken deelnemers
      3.2.3 Zij die weigerden
      3.2.4 Reacties vanjongeren
      3.3. Afbakening onderzoeksgroep
      3.3.1 De zelfdiagnose
      3.3.2 CVS-criteria
      3.3.3 Samenvatting
      3.4 Demografische kenmerken deelnemers
      3.5 Medische achtergronden deelnemers
      3.5.1 Klachten
      3.5.2 Verloop van de ziekte
      3.5.3 De diagnosestelling
      4. - De betekenis van ME voor het dagelijks leven
      4.1 Inleiding
      4.2 Gevolgen voor het dagelijks leven
      4.2.1 Deelname aan het arbeidsproces
      4.2.2 Vriendenkring
      4.2.3 Levenspartner
      4.2.4 ME en kindenuens
      4.2.5 Inkomenspositie
      4.2.6 Fysieke en sociale beperkingen
      4.3 Betekenis van ziek zijn voor de patiŽnt zelf
      4.3.1 Gezondheidrbeleving
      4.3.2 Algemene gezondheidrevaluatie
      4.3.3 Ervaren controle over het ziekteverloop
      5. - Zorgbehoefte
      5.1 Inleiding
      5.2 Behoefte aan hulp en steun van een 'buddy'?
      5.2.1 De 'buddy'-wens voor aanvullende zorg
      5.2.2 Gewenst type zorg van een buddy
      5.2.3 Zorgbehoefte van de totale groep
      5.2.4 Zorgbehoefte in relatie tot een buddy-wenr
      5.3 Hulp en steun door mantelzorgers
      5.4 Instanties als hulpbron
      5.4.1 Thuiszorg of gezinsverzorging
      5.4.2 Vrijwilligersorganisaties
      5.4.3 Steun vanuit levensbeschouwelijke groeperingen
      5.4.4 ME-praatgroepen
      5.5 Een buddy-netwerk voor de provincie?
      5.5.1 Hoe vaak wenst men een 'buddy' ?
      5.5.2 Wat kan een buddy doen?
      5.5.3 Deelname aan een buddy-netwerk
      6. - Samenvatting, eindconclusie en aanbevelingen
      6.1 Inleiding
      6.2 Hoofdpunten samengevat
      6.3 Eindconclusie en aanbevelingen
      Bijlagen
      1 Uitnodiging onderzoek aan donateurs
      2 Uitnodiging M.E.-Stichting aan donateurs
      3 Uitnodiging Wetenschapswinkel aan donateurs
      4 De enquete-lijst
      5 'Gele' formulier voor reacties van jongeren
      6 Criteria CVS-groep en niet-CVS-groep
      7 Tabellen
      Verklarende woordenlijst
      Geraadpleegde literatuur
      Voorwoord
      'Wie helpt mij nu ik te moe ben ?' kwam tot stand op initiatief van de landelijke vereniging van patienten die lijden aan Myalgische Encephalomyelitis : de ME-Stichting.
      Deze stichting werd in 1987 opgericht en is een organisatie van en voor ME-patienten en geinteresseerden.
      Zij heeft als hoofddoel de bestrijding van de ziekte Myalgische Encephalomyelitis door onder andere meer bekendheid te geven aan het bestaan van ME en door het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van ME.
      Dit rapport is in de eerste plaats bedoeld als een inventanisatie van de behoefte aan hulp bij ME-patienten in een niet-verstedelijkt gebied.
      Daarnaast geeft het rapport inzicht in de persoonlijke beleving van donateurs met de ziekte Myalgische Encephalomyelitis en in de reacties die de ziekte bij de directe sociale omgeving van de patient oproept.
      Centraal staat de vraag op welke wijze en in wellce mate de patienten hulp en steun uit hun omgeving krijgen en of zij behoefte hebben aan aanvullende zorg door een buddy.
      De aanvraag voor dit onderzoek werd ingediend door de ME-Stichting, vertegenwoordigd door dr. Gerda de Bruijn.
      De Bruijn verrichtte in november 1993 reeds een onderzoek onder ME-patienten in Amsterdam en omstreken. Kort na het uitkomen van haar bevindingen in het rapport 'Uitgeteld' Ė cfr. : http://www.steungroep.nl/archief/onderzoek/werkenuitval.pdf - heeft de ME-Stichting tot een vervolgonderzoek besloten.
      Dit Ė huidige - vervolgonderzoek werd onder verantwoordelijkheid van de Wetenschapswinkel Sociale Wetenschappen te Utrecht uitgevoerd en werd financieel ondersteund door de ME-Stichting.
      Dit onderzoeksverslag vormt de afsluiting van het afstudeerproject van de onderzoeker aan de faculteit Algemene Sociale Wetenschappen binnen het trace Gezondheidsstudies.
      Drs. Monique Heijmans, verbonden aan de vakgroep 'Klinische Psychologie & Gezondheidspsychologie' en zelf bezig met een promotieonderzoek naar de gezondheidsbeleving bij chronische zieken, zorgde voor de begeleiding tijdens de duur van het onderzoek.
      Een speciaal woord van dank gaat eerst en vooral uit naar alle respondenten die zo enthousiast hieraan hebben meegewerkt.
      Verder wil ik dank zeggen aan Monique Heijmans, Gerda de Bruijn, en mijn echtgenoot Wim Bouman, die allen mij met raad en daad hebben biljgestaan. Gelderse Papiergroep te Apeldoorn zorgde voor het papier en de druk van 300 enquetes.
      De Wetenschapswinkel coordineerde de druk en de verspreiding van het rapport.
      Nanny Geurts, onderzoeker & Monique Heijmans, begeleider Ė november 1996.
      Inleiding
      Dit onderzoek werd gestart in oktober 1995.
      Doel was na te gaan of er onder donateurs van de ME-Stichting in de provincie behoefte bestond aan zorg door een eventueel op te richten vrijwilligersnetwerk.
      ME of Myalgische Encephalomyelitis wordt ook wel 'Chronische Vermoeidheid-Syndroom' (CVS) genoemd.
      Momenteel lijden naar schatting 17.500 mensen in Nederland aan deze ziekte, dat is meer dan 1 op de 1000 inwoners (Steungroep, 1995) (dit gegeven is gebaseerd op onderzoek van het Academisch Ziekenhuis Nijmegen en bekend gemaakt door professor J.W.M. van der Meer in januari 1995).
      In principe kan iedereen deze ziekte krijgen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren.
      De doelstelling van dit onderzoek was om na te gaan of ME-patienten zichzelf voldoende zorg en steun kunnen geven en in welke mate men steun krijgt van de sociale omgeving.
      Daarnaast wilden we weten of er bij ME-patienten behoefte bestond aan (aanvullende) praktische zorg en emotionele steun.
      Als dit zo was zou gedacht kunnen worden aan de oprichting van een vrijwilligersnetwerk voor ME-patienten.
      Het voorgaande werd reeds eerder onderzocht in Amsterdam en omstreken onder leiding van dr. G. de Bruijn.
      De bevindingen van dit onderzoek zijn opgetekend in het rapport 'Uitgeteld'.
      De belangrijkste conclusie was dat er onder donateurs in het verstedelijkt gebied duidelljk behoefte bestaat aan een vrijwilligersnetwerk.
      Het was daarom wenselijk om een dergelijk onderzoek te herhalen buiten de Randstad, in provinciesteden en dorpen.
      Als mocht blijken dat er ook m de provincie bij donateurs behoefte was aan aanvullende zorg, dan zou dit door middel van een op te richten 'buddy-netwerk' georganiseerd kunnen worden.
      Omdat er naar aanleiding van de bevindingen van het Amsterdamse onderzoek besloten was tot dit vervolgonderzoek, worden in dit rapport, waar relevant, de resultaten vergeleken met die van Amsterdam.
      Leeswijzer
      Het rapport is als volgt opgebouwd.
      Allereerst wordt in hoofdstuk 1 een algemene beschrijving gegeven van de ziekte ME.
      Daarna volgt informatie over de achtergrond en de doelstellingen van het onderzoek.
      Vervolgens worden in hoofdstuk 2 de methodologische verantwoording, opzet en procedure van het onderzoek besproken.
      De hoofdstukken 3, 4 en 5 bieden een overzicht van de resultaten.
      In hoofdstuk 6 zijn de hoofdpunten van het onderzoek nog eens samengevat en worden de resultaten vergeleken met het Amsterdamse onderzoek.
      Tevens worden hierin enkele aanbevelingen gedaan.
      Er zijn diverse bijlagen in het rapport opgenomen waarnaar in de tekst wordt verwezen.
      .../...
      6. - Samenvatting, eindconclusie en aanbevelingen
      6.1 Inleiding
      In het najaar van 1993 en het voorjaar van 1994 werd in Amsterdam een onderzoek uitgevoerd naar de gezondheidsbeleving, sociale situatie en hulpbehoefte van mensen die lijden aan Myalgische Encephalomyelitis.
      Uit de resultaten van dit onderzoek kwam naar voren dat er bij ME patienten woonachtig in Amsterdam en omgeving, een duidelijke behoefte bestond aan praktische hulp en (in mindere mate) emotionele steun.
      Besloten werd tot de oprichting van een vrijwilligersnetwerk dat in deze behaefte zou kunnen voorzien.
      Het huidige onderzoek is een logisch vervolg op het onderzoek in Amsterdam.
      Door de ME Stichting werd de wens geuit nogmaals een vergelijkbaar onderzoek uit te voeren maar dan in enkele minder verstedelijkte gebieden buiten de Randstad, zodat ingeschat zou kunnen worden of een landelijke uitbouw van een hulpnetwerk wenselijk is.
      Daarbij zou, meer nog dan in het Amsterdamse onderzoek, aandacht besteed moeten worden aan de mogelijke sociale gevolgen van de ziekte ME voor de patient : in het bijzonder gevolgen met betrekking tot het sociaal geisoleerd raken, gevolgen voor de partnerrelatie en de kinderwens, de werksituatie en de financiele gevolgen, evenals de gevolgen voor de gezondheidsbeleving.
      Om aan bovenstaande wensen te voldoen werd door ons in het najaar van 1995 een onderzoek uitgevoerd onder een a-selecte steekproef van ME-donateurs in de provincies Zeeland, Ovenlssel en Flevoland.
      Onder 300 donateurs werd in november een enquete verspreid die door 76% van de mensen geretourneerd werd.
      De hiernavolgende gegevens hebben betrekking op de 190 personen (63%) die een volledig ingevulde vragenlijst aan ons terug stuurden.
      Deze respondenten zijn in 2 groepen ingedeeld, in een CVS-groep en in een niet-CVS groep (chronische vermoeidheid-syndroom).
      Voor deze indeling werden de hoofdcriteria van Holmes (1988) toegepast om - voor zover met de onderzoeksgegevens mogelijk was - vast te stellen of er sprake was van CVS.
      Bijna tweederde van de respondenten voldoet aan de CVS-criteria, ruim eenderde niet.
      6.2 Hoofdpunten samengevat
      Kenmerken van de onderzoeksgroep
      De onderzoeksgroep bestaat uit 190 respondenten waarvan 27 mannen en 161 vrouwen, dus een man-vrouw verhouding van 1:6.
      Uit Overijssel komen de meeste respondenten, daarna Zeeland en als derde Flevoland, een verhouding van respectievelijk 4:2:1.
      Bijna tweederde van de respondenten uit Flevoland en de helft uit Overijssel woont in een grote plaats.
      In Zeeland woont men overwegend in dorpen en kleine plaatsen.
      Een groot aantal van de respondenten leeft met een partner.
      Twee van de vijf respondenten hebben thuiswonende kinderen.
      Ruim tien procent van de vrouwen kreeg in de afgelopen jaren tijdens de ziekteperiode nog een of meerdere kinderen.
      Het merendeel van de respondenten is tussen de dertig en vijftig jaar.
      Ook binnen deze leeftijdscategorie leeft driekwart met een partner (met of zonder kinderen).
      Het opleidingsnivo van deze steekproef is hoger dan de doorsnee Nederlandse bevolking.
      Sociale gevolgen van de ziekte ME
      Het aantal respondenten bij wie ten gevolge van de ziekte veranderingen in de werksituatie zijn opgetreden is aanzienlijk.
      Vůůr de ziekte had 73% (n=138) betaald werk, maar ten tijde van het onderzoek hadden van deze respondenten 62% (n=85) geen betaalde baan meer.
      Mannen hadden voor de ziekte iets vaker betaald werk dan vrouwen (81% vs. 71%).
      Nu zijn er echter meer mannen zonder betaald werk dan vrouwen die vroeger werkten.
      De helft van diegenen die vroeger een baan hadden is ten gevolge van de ziekte geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard.
      Het is opvallend (en met een significant verschil) dat meer mannen dan vrouwen arbeidsongeschikt werden verklaard, hoewel mannen zeggen minder gehandicapt te zijn.
      De meesten van de ovenge patienten zijn minder gaan werken sinds de ziekte begon en 42% is geheel of gedeeltelijk werkeloos geworden.
      Sinds 1993 is ruim eenderde van de respondenten herkeurd, waarvan ruim de helft volledig of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is gebleven.
      Twee op de vyf donateurs werden weer arbeidsgeschikt verklaard en hiertegen is meer dan de helft in procedure gegaan.
      Meer mannen danvrouwen zijn bij de nieuwe normen voor herkeuring weer arbeidsgeschikt verklaard.
      Behalve werk is er meer veranderd in het sociale leven van de respondenten ten gevolge van de ziekte ME.
      Voor ongeveer de helft is het contact met de vriendenkring verbroken of zijn de contacten minder geworden.
      Velen ervaren onbegrip bij vrienden.
      Slechts enkele donateurs zijn ten gevolge van de ziekte gescheiden van hun partner.
      De ziekte speelt blijkbaar nauwelijks een rol van betekenis bij het verbreken van partnerrelaties.
      Dit is een opmerkelijk verschil met Amsterdam.
      Bijna een op de vijf vrouwen - in de leeftijd van 20 tot 50 jaar - had nog een of meer kind(eren) gewild, maar besloot vanwege de gezondheidstoestand hier voorlopig of definitief van af te zien.
      Ruim een op de tien heeft nog een of meer kinderen tijdens de ziekte gekregen.
      Bij een kleine helft van de respondenten lukt het om de kosten die voortkomen uit het ziek zijn te financieren.
      Meer dan de helft van de ME-patienten echter zag het inkomen aanzienlijk dalen.
      Voor hen zijn de uitgaven welke men nodig acht voor de behandeling van de ziekte, met moeite of niet meer op te brengen.
      Meer mannen dan vrouwen oordelen dat hun inkomen iets of veel is achteruit gegaan.
      Bij alleenstaande of samenwonende vrouwen is er nauwelijks verschil in visie over het dalen van de inkomenspositie.
      De behandeling van de ziekte ME vraagt van veel patienten aanzienlijke financiele aderlatingen en drukt behoorlijk op het budget.
      Lichamelijke gevolgen van de ziekte ME
      De CVS-groep heeft gemiddeld 8 jaar gezondheidsklachten.
      Het moment dat men hinder begon te ondervinden in het dagelijks functioneren ligt op gemiddeld 6 jaar na aanvang van de ziekte.
      Tweederde van de respondenten ondervindt reeds tussen 3 en 10 jaar hinder van de klachten in het dagelijkse leven.
      Eenderde van de CVS-groep -en de helft van de niet-CVS groep- heeft een abrupte start gehad van de ziekte.
      Bij driekwart van de patienten begon de ziekte ME tussen het 20e en het 45e levensjaar.
      Maar we treffen in deze steekproef ook 11% patienten aan waar de ziekte reeds voor het 20e levensjaar begon.
      Een kwart van de CVS-patienten zegt dat de klachten in grote lijnen verergerd zijn terwijl een kwart van de niet-CVS groep zegt dat er in grote lijnen verbetering is opgetreden, zonder dat de klachten verdwenen zijn.
      ME heeft bij de respondenten een grillig en onvoorspelbaar verloop.
      Bij driekwart van de respondenten is de diagnose ME gesteld, voor ongeveer een kwart door de huisarts en ruim eenderde door een specialist (of samen met een andere arts).
      Opmerkelijk is dat bij vrouwen de diagnose beduidend vaker door een alternatieve genezer werd vastgesteld en bij mannen veel meer door reguliere artsen (onder 'alternatieve genezers' wordt hier bijvoorbeeld ook een 'therapeut', 'arts voor natuurgeneeswijze' of een 'orthomoleculair geneeskundige' verstaan).
      Een kwart van de vrouwen heeft (nog) geen diagnose ME, bij mannen stelde men vaker de diagnose vast.
      Het aantal diagnosestellingen voor deze ziekte mag in het algemeen hoog genoemd worden, maar gemiddeld duurde het 7.9 jaar voordat de diagnose werd gesteld.
      Meer dan eenderde kreeg binnen drie jaar de bevestiging en nog eens ruim eenderde wachtte tussen 4 en 11 jaar op de diagnose.
      Er is een verband tussen de tijd dat het geduurd heeft om de diagnose vast te stellen en de gezondheidsbeleving in het algemeen.
      Respondenten die langer op een diagnose hebben moeten wachten rapporteren nu een beperkter fysiek en mentaal functioneren, minder vitaliteit, meer pijn en een slechtere algemene gezondheidsbeleving dan de respondenten bij wie de diagnose snel werd gesteld.
      ME leidt tot een aanzienlijke daling van het activiteitennivo.
      De CVS-groep vertoont op negen levensgebieden overal een lager restvermogen dan de totale groep.
      Het meeste restvermogen is er voor 'gezelschap zijn, bijvoorbeeld gezellig met iemand praten', voor 'het verrichten van licht huishoudeijjk werk' en voor 'het onderhouden van contacten met vrienden of familie'.
      Maar slechts een kwart heeft op dit moment meer dan 50% van de capaciteiten die men voor het begin van de ziekte had.
      De respondenten ondervinden de meeste beperkingen bij 'betaald werk', 'grote klussen doen' zoals schilderen en tuinieren en bij 'zwaar huishoudelijk werk'.
      De restcapaciteit is hiervoor 10% of nog lager van het nivo van capaciteit waar men vroeger toe in staat was.
      Meer dan driekwart van de mensen die kinderen hebben ondervindt bij de 'verzorging van kinderen' veel beperkingen en functioneert op dit levensgebied op halve kracht of daaronder.
      Ongeveer tweederde van de M.E.-patienten heeft de indruk een positieve invloed uit te kunnen oefenen op het verloop van het ziekteproces.
      Met een grote verscheidenheid van aanpak en behandelingsvormen, waaronder diverse soorten dieten, voedingsvoorschriften en medicijnen de meeste keren worden genoemd, heeft men in meer of mindere mate het idee de intensiteit van de symptomen te kunnen beinvloeden.
      Gezondheidsbeleving
      Door middel van acht gezondheidsschalen onderzochten wij welke betekenis de fysieke beperkingen voor de respondenten hebben.
      De respondenten ervaren duidelijk meer beperkingen dan gezonde mensen in het fysieke, sociale en mentale leven.
      De grootste problemen worden veroorzaakt door lichamelijke klachten en niet door beperkingen op emotioneel gebied.
      Bij 'rolbeperkingen door emotionele problemen' en 'mentale gezondheid' scoren zowel de CVS-groep als de totale groep relatief hoog, wat indicatief is voor weinig problemen op dit gebied.
      Voor 'fysiek en sociaal functioneren', voor 'rolbeperkingen door fysieke en door emotionele problemen', voor 'vitaliteit', 'pijnbeleving' en 'algemene gezondheidsbeleving' zijn er significante verschillen aangetoond.
      CVS-patienten ervaren hierbij meer problemen dan de niet-CVS patienten.
      De gezondheidsbeoordeling is bij de mannen op zeven gezondheidsgebieden gemiddeld hoger dan bij de vrouwen, mannen zijn op deze gebieden minder beperkt.
      ME-patienten beoordelen hun gezondheidstoestand in het algemeen als slecht.
      Er is een verband tussen de duur van de klachten en de mate waarin men hinder ondervindt bij het dagelijks functioneren.
      Hoe langer de klachten duren hoe groter de rolbeperkingen in sociale activiteiten zijn.
      De respondenten voelen zich toenemend minder vitaal, functioneren psychisch minder en des te meer ervaart men rolbeperkingen ten gevolge van emotionele problemen.
      Het grootste deel van de respondenten spreekt niet gemakkelijk over zijn/haar ziekte.
      Twee van de vijf vinden het nogal moeilijk tot heel erg moeilijk om erover te praten.
      Veel respondenten ervaren onbegrip bij anderen.
      Meer dan de helft kan het moeilijk uitleggen, vaak omdat respondenten het verloop van hun ziekte zelf niet goed begrijpen.
      ME-patienten geven zelfs de moed op om het alsmaar te moeten uitleggen.
      Het merendeel van de respondenten voelt zich 'wel eens' of 'vaak' niet op zijn/haar gemak in een gezelschap.
      Twee van de vijf willen liever niet in een gezelschap zijn.
      De helft van de ME-patienten heeft wel eens het gevoel dat er op hem of haar neergekeken wordt.
      Velen ervaren enigszins gevoelens van stigmatisering, wat kan leiden tot gevoelens van discriminatie bij respondenten.
      Behoefte aan hulp en steun
      Beschouwen we de zorgbehoeften van de totale groep (nog los gezien van de vraag of men wel of niet een buddy wil) dan hebben de meeste donateurs behoefte aan hulp bij het 'huis grondig schoonmaken', bij 'boodschappen doen' en bij 'groter werk in en om huis'.
      En voor 'de dagelijkse afwas' en 'aandacht voor kinderen opbrengen' hebben de respondenten het hoogst gemiddeld aantal dagen per maand behoefte aan hulp.
      De grootste behoefte betreft hulp bij die activiteiten wellie fysiek een grote inspanning vragen.
      Van de mantelzorgers -waar ME-patienten indien gewenst op terug kunnen vallen ervaren respondenten de meeste ondersteuning van gezinsleden / huisgenoten (zowel praktisch als emotioneel), familieleden (praktische hulp) en vrienden (emotionele steun) zijn de belangrijkste tweede hulpbron voor respondenten.
      De minste ondersteuning komt van buurtbewoners : slechts een kwart van de respondenten ondervindt hulp en steun van de buren.
      Doch driekwart van de respondenten geeft aan geen hulp of steun te willen van buren of geencontact met hen te hebben.
      Opvallend is dat de grotere provincieplaatsen (> 50.000 inwoners) zich in dit opzicht niet onderscheiden van Amsterdam.
      Alleen in de dorpen (tot 5.000 inwoners) is het burencontact duidelijk beter.
      Huisgenoten zijn weliswaar de belangrijkste hulpbron voor de ME-patienten, maar de huisgenoten zijn in de ogen van de patient ook vaker overbelast.
      Ruim een kwart is overbelast bij de praktische hulpverlening, bij de emotionele ondersteuning is dat iets minder vaak.
      De andere mantelzorgers worden volgens de respondenten aanzienlijk minder overbelast.
      Patienten zonder partner krijgen duidelijk minder hulp en steun dan respondenten met een partner en huisgenoten.
      Alleenstaanden ondervinden vooral steun van vrienden en vriendinnen.
      Zowel op het platteland als in provinciesteden zijn gezinsleden en huisgenoten de grootste hulp en steun.
      De dorpsbewoners zijn het meest tevreden over hun mantelzorgers en in de kleine plaatsen is er eveneens een goed functionerend mantelzorgnetwerk.
      Maar er zijn ook respondenten met een partner (of andere huisgenoten) die zeggen dat zij toch onvoldoende steun van deze partner (of andere huisgenoten) ondervinden en bang zijn deze mantelzorgers te overbelasten.
      Bijna een kwart van de respondenten heeft zich tot de professionele thuiszorg minderheid betreft (41%) en lager ligt dan in Amsterdam (63%), is dit toch een aanzienlijke groep.
      De behoefte aan hulp en steun uit deze groep wordt zowel gevraagd door alleenstaanden alsook door samenwonenden.
      Hierin verschillen beide onderzoeken eveneens (in Amsterdam is de meerderheid van de hulpvragenden alleenstaand).
      Waarin beide onderzoeken wel overeenkomen is het feit dat de hulpwens bij vrouwen en bij alleenstaanden het hoogst is en dat bij deze respondenten (die mantelzorg krijgen) de mantelzorgondersteuning het laagst is.
      Eťn van de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek is dat minder donateurs vaker per maand gebruik wensen te maken van een buddy vergeleken met Amsterdam.
      Een reden daarvoor kan zijn dat er in de provincie meer respondenten zijn met slechts zeer weinig restcapaciteit.
      Des te lager namelijk de restcapaciteit, des te hoger is de frequentie van de buddy-wens.
      Door deze grotere vraag naar frequente buddy-hulp ontstaat het onverwachte effect dat het aantal gewenste contactdagen relatief reeds hoger uitkomt dan in het Amsterdamse onderzoek.
      Samenvattend : Dankzij de zorg van een redelijk goed functionerend mantelzorgnetwerk al of niet aangevuld met hulp en steun van andere instanties, is er een kleinere doch nog aanzienlijke groep ME-patienten in deze steekproef overgebleven met een buddy-wens.
      Deze groep heeft zeer weinig restcapaciteit en heeft mede daarom een intensievere behoefte aan zorg van een buddy.
      Een buddy-netwerk zal voor deze groep een essentiele aanvulling van zorg kunnen betekenen.
      Er is uit de gegevens gebleken dat de behoefte in de vorm van praktische hulp duidelijk meer de voorkeur heeft als de donateur met een partner en kind(eren) samenleeft of als men in een dorp of grote plaats woont of als de donateur in de provincie Overijssel of Flevoland woont.
      De behoefte op het gebied van emotionele steun is beduidend meer als men alleenstaande ouder is of als de donateur uit een kleine plaats komt of als hij/zij woonachtig is in de provincie Zeeland.
      Een hulpwens voor beide typen (zowel gericht op praktische hulp alswel op emotionele steun) komt vaker voor bij alleenwonende respondenten, op het platteland en ook in grote plaatsen en in de provincie Flevoland.
      Grote provinciesteden zijn enigszins vergelijkbaar met de Amsterdamse situatie.
      Indien een provincie een buddy-netwerk voor ME-donateurs wenst op te richten doen wij hieronder enkele aanbevelingen :
      - Bij de onhvikkeling en planning van een buddy-netwerk dient men rekening te houden met het feit dat de zorgbehoefte vooral geconcentreerd is in de grotere plaatsen en bij enkele mensen die zeer afgelegen wonen.
      - Provincies die een 'buddy'-vrijwilligersnetwerk gaan opnchten kunnen wellicht veel voorkennis en ervaring opdoen van het Amsterdamse buddy-project.
      - Er kan vanuit dit onderzoek reeds een eerste inschatting gemaakt worden hoeveel potentiele vniwilligers schuilgaan onder de ME-donateurs zelf en hun kennissenkring.
      - Binnen een buddy-netwerk lijkt het ons raadzaam rekening te houden met de eventuele voorkeur van de buddy zelf voor het willen doen van het type zorgverlening. Het is denkbaar dat er vrijwilligers zijn die meer voelen voor het verlenen van praktische hulp en evenzeer die meer zullen voelen voor het verlenen van emotionele steun. Een combinatie van beide hulpverleningsvormen in een persoon blijft natuurlijk eveneens denkbaar. Indien een vrijwilliger met een dergelijke voorkeur in die keuze kan worden ingezet, kan het de arbeidssatisfactie van de buddy en de kwaliteit van de zorgverlening ten goede komen,
      Algemene aanbevelingen die wij naar aanleiding van de resultaten verder willen doen zijn :
      - Van het aantal patienten dat aan ME-praatgroepbijeenkomsten deelneemt, ondervindt het merendeel steun daarvan. Echter heeft meer dan eentiende (n=25) die aan een ME-praatgroep wenst deel te nemen vervoersproblemen. Het zou wenselijk zijn centraal of regionaal en samen met de donateur te zoeken naar oplossingen voor dit vervoersprobleem.
      - Er zijn aanwijzingen dat het steeds vaker voorkomt dat kinderen ME krijgen, en denkbaar is dat deze jongeren met een heel eigen problematiek geconfronteerd worden (contact met hun leeftijdsgenootjes gaan missen, sterk op hun ouders aangewezen raken in een periode waarin een gezond kind zich daar juist van losmaakt etc). In deze steekproef gaat het om een kleine populatie (Ů 1 op de 20 donateurs). Maar het verdient aanbeveling om meer in detail na te gaan wat de gevolgen zijn voor patienten die op jongere leeftijd (voor hun twintigste) door ME getroffen worden.
      - Het huidige onderzoek is uitgevoerd toen de gevolgen van de privatisering van de Ziektewet (ZW) zich nog nauwelijks deden gelden en voor de (geplande) privatisering van de Wettelijke Arbeidsongeschiktheidswet (WAO). In dit onderzoek slaagt nog Ů eenderde van de respondenten erin betaald werk te verrichten, zij het meestal parttime en/of in aangepast werk. Denkbaar is dat deze situatie nu snel verslechteren zal. In een toekomstig onderzoek zou meer aandacht gegeven moeten worden aan de vraag hoeveel ME-patienten (en andere chronische zieken) in de komende jaren meer werkeloos zullen raken of geen ander werk meer kunnen vinden, terwijl zij nog wel in staat zijn (gedeeltelijk) te werken.
      - Ongeveer 30% van de vrouwen jonger dan 50 jaar heeft nog een kinderwens ten tijde van de ziekte, meer dan de helft van hen beslist echter (voorlopig) geen kind te krijgen. Wij stellen ons de vraag of het mogelijk is op grond van onderzoek meer informatie te verzamelen die ME-patienten bij het nemen van een beslissing wel of geen kind te nemen enig houvast zou kunnen geven ?
      - Het merendeel van de patienten heeft het gevoel met een eigen tactiek invloed te kunnen uitoefenen op het ziekteproces. Vooral dieten worden hierbij genoemd. Het verdient aanbeveling te onderzoeken in hoeverre in deze dieten gemeenschappelijke factoren aanwezig zijn zodat wellicht een groter aantal patienten hiervan baat zou kunnen hebben.
      - Veel ME-patienten hebben jarenlang moeten wachten op een diagnosestelling. Het is gebleken dat hoe langer men op een diagnose heeft moeten wachten, men er vaak slechter aan toe is qua gezondheidsbeleving. Eveneens is een snelle diagnose van belang om formeel aanspraak te kunnen maken op vollksgezondheidsvoorzieningen. Belangrijk is te onderzoeken wat de redenen zijn van deze lange duur om mogelijkheden in het versnellen van diagnosestellingen te verbeteren.
      .../...
      Cfr. : http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=728&printlink=true&highlight=gezondheidsbeleving

    11. Wijziging Regeling procesgang eerste ziektejaar
      Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, AJ de Geus - Staatscourant 4 november 2004;213:19
      Cfr. : http://www.vng.nl/Documenten/Extranet/Marz/CVA/Sociale%20zekerheid/Regeling_Procesgang_eerste_ziektejaar_en_Beleidsregels_UWV_beoordelings
      kader_poortwachter.pdf


    Lees verder : Deel XIX

    25-11-2009 om 20:53 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (4)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XIX

    1. Working for a healthier tomorrow
      Dame Carol Black, 2008
      De minister van gezondheid (en tevens arts, reumatoloog) heeft onderzoek laten doen naar de relatie tussen gezondheid en werk.
      Daaruit volgt dat goed werk de fysieke en mentale gezondheid bevordert en de productiviteit verhoogt.
      Op basis van dit onderzoek pleit Black er voor dat we niet langer moeten vasthouden aan twee gangbare ideeŽn :
      - dat mensen 100% fit moeten zijn om te kunnen werken
      - dat werken doorgaans het herstel belemmerd.
      De uitdaging ligt in het vormgeven van goed (gezond) werk.
      Cfr. : http://www.workingforhealth.gov.uk/documents/working-for-a-healthier-tomorrow-tagged.pdf

    2. ZoekstrategieŽn voor de internationale literatuur over moeilijk objectiveerbare aandoeningen - Handleiding voor bedrijfsartsen en andere ARBO-porfessionals
      Opdrachtgever : Prof.dr. F.J.H.van Dijk, Coronel Instituut - Opdrachtnemer : Kwaliteitsbureau NVAB - Uitvoering : Drs. I. Varekamp, Coronel Instituut - Inhoudelijke begeleiding : Dr. C.T.J.Hulshof, NVAB - Projectleiding : Dr. C. van Vliet, directeur NVAB - Eindrapport, april 2005
      Inhoud
      1/ Samenvatting
      2/ Inleiding
      2.1. Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde en evidence based medicine
      2.2. Moeilijk objectiveerbare aandoeningen : fibromyalgie en chronische-vermoeidheidssyndroom
      2.3. Doel en opzet van het rapport
      3/ Methode
      3.1. Het formuleren van praktijkvragen
      3.2. Het samenstellen van referentiebestanden
      3.3. Het ontwikkelen, testen en verbeteren van zoekstrategieŽn
      3.4. Zoekadviezen voor de samenvattende literatuur en algemene literatuur
      4/ Resultaten
      4.1. De formulering van de praktijkvragen
      4.2. Het samenstellen van de referentiebestanden voor fibromyalgie (FM) en chronisch vermoeidheidssyndroom (CFS)
      4.3. De ontwikkeling en evaluatie van zoekstrategieŽn
      4.3.1. Een zoekstrategie voor therapieŽn en moeilijk objectiveerbare aandoeningen
      4.3.2. Een zoekstrategie voor arbeid en moeilijk objectiveerbare aandoeningen
      4.4. Een zoekadvies voor de samenvattende literatuur over therapieŽn en arbeid
      4.5. Een zoekadvies voor achtergrondvragen en algemene literatuur
      5/Discussie en conclusies
      6/Aanbevelingen
      7/Literatuur
      Bijlagen :
      1/Meshterms (Pubmed) : definities en plaats in de boomstructuur
      2/Een overzicht van de belangrijkste literatuur

      Samenvatting
      De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde is gebaat bij een betere wetenschappelijke onder-bouwing.
      Naast Nederlands wetenschappelijk onderzoek en richtlijnen is de internationale wetenschappelijke literatuur hiervoor onontbeerlijk.
      Dit rapport biedt voor de groep moeilijk objectiveerbare aandoeningen, zoals fibromyalgie en chronische-vermoeidheidssyndroom, geŽvalueerde zoekstrategieŽn en zoekadviezen.
      Hiermee kan literatuur die antwoord geeft op een aantal praktische vragen van bedrijfsartsen worden gezocht in de database Medline (Pubmed) en op enkele medisch-wetenschappelijke websites.
      Tevens zijn relevante recente literatuurverwijzingen in een bijlage opgenomen.
      Praktijkvragen werden onderscheiden naar vier gebieden :
      - TherapieŽn
      - Arbeid en belastbaarheid
      - Diagnose
      - Wetenschappelijk discours rond objectiveerbaarheid.
      Voor de eerste twee vragen werden zoekstrategieŽn ontwikkeld, voor de overige twee zoekadviezen.
      De zoekstrategieŽn werden getest op twee referentiebestanden met literatuur over fibromyalgie en chronische-vermoeidheidssyndroom die voor dit doel waren samen-gesteld.
      De zoekstrategieŽn werden beoordeeld op de criteria sensitiviteit (proportie van referentiebestand dat gevonden wordt) en precisie (proportie van de opbrengst van een zoekstrategie dat tot het referentiebestand of de relevante literatuur behoort).
      De beste zoekstrategie om literatuur over therapieŽn te achterhalen bleek tevens de meest simpele te zijn : de subheading Ďtherapyí.
      Zoekt men literatuur over therapieŽn gericht op lichaams-beweging, de psyche, fysiotherapie of alternatieve geneeskunde dan komen (combinaties van) de volgende Meshterms in aanmerking : Psychotherapy, Exercise, Physical therapy techniques, Rehabilitation, Patient education, Mind-body and relaxation techniques en Dietary supplements.
      Soms is een ruimere, d.w.z. een hoger in de boomstructuur gelegen Meshterm aan te raden dan de hier gebruikte (zie bijlage 1).
      Ook is aan te raden de subheading Ďrehabilitationí mee te nemen omdat soms artikelen onder deze subheading geÔndexeerd worden terwijl ze niet onder de Meshterm Rehabilitation geÔndexeerd worden.
      Een brede zoekstrategie voor het chronische-vermoeidheidssyndroom (CFS) is : (CFS [Mesh] /rehabilitation OR (CFS [Mesh] AND (Psychotherapy OR Exercise movement techniques OR Physical therapy techniques OR Rehabilitation OR Patient education OR Complementary therapies OR Dietary supplements)).
      Literatuur over arbeid en belastbaarheid is lastiger te vinden omdat deze minder systematisch is geÔndexeerd en er sowieso niet veel literatuur is die op arbeid en moeilijk objectiveerbare aandoeningen betrekking heeft.
      Een brede zoekstrategie geÔllustreerd aan de hand van fibromyalgie (FM) ziet er als volgt uit : (FM/economics OR (FM AND (Sick leave OR Occupational health OR Workplace OR Employment OR Disability evaluation OR Exercise test OR Quality of life OR Cognition OR Exercise OR Severity of illness index OR "work ability" OR "employment status" OR "work disability" OR "work capacity" OR "functional impairment" OR disability OR "physical impairment" OR "functional capacity")).
      Voor de samenvattende literatuur over therapieŽn wordt verwezen naar de Cochrane database van systematische reviews van effectstudies en de uitgebreidere Cochrane database van abstracts van reviews van effectstudies.
      Samenvattende literatuur over arbeid en moeilijk objectiveerbare aandoeningen is niet of nauwelijks voorhanden.
      Voor de algemenere achtergrondvragen zoals de vragen 3 en 4 wordt verwezen naar limitering-mogelijkheden binnen Medline en naar websites met pre-appraised bronnen.
      Inleiding
      2.1 - Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde en evidence based medicine
      Sinds enkele jaren wordt gepleit voor een betere wetenschappelijke onderbouwing van het arbeids- en bedrijfsgeneeskundig handelen, waaronder begrepen een betere implementatie van de bestaande kennis (NVAB, 2002).
      In de huisartsgeneeskunde en de medisch specialistische praktijk vindt evidence-based medicine (EBM) meer en meer ingang (Offringa et al, 2003).
      Hieronder wordt verstaan : medisch handelen gebaseerd op de integratie van systematisch verzamelde kennis uit internationaal wetenschappelijk onderzoek (evidence) met klinische expertise en voorkeuren van patiŽnten.
      De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde en de verzekeringsgeneeskunde blijven enigszins bij deze ontwikkeling achter (van Dijk et al, 2003).
      Er zijn verschillende redenen waarom evidence-based medicine in de bedrijfsgenees-kunde langzamer van de grond komt. In de eerste plaats is er minder Ďbewijsmateriaalí dat aan de hoge eisen van EBM voldoet.
      Interventies op gebied van de bedrijfsgezondheidszorg worden minder vaak wetenschappelijk geŽvalueerd dan elders in de gezondheidszorg en voor zover dat wel gebeurt zijn de resultaten lastiger te interpreteren, dat wil zeggen dat de evidentie minder hard is.
      Zo kent bedrijfsgeneeskundig onderzoek zelden gerandomiseerd onderzoek met een controlegroep (randomized clinical trials of rctís) en speelt de organisato-risch context van bedrijfsgeneeskundig handelen een rol bij de te verwachten effecten (Verbeek et al, 2004).
      Daarnaast is de literatuur die relevant is voor het veld van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde minder toegankelijk in internationale databases als Medline.
      Geneeskundige literatuur wordt in Medline geÔndexeerd middels een systematiek van vele trefwoorden of Mesh-terms (Medical subject headings).
      Deze Mesh-terms zijn in Ďboom-structurení geordend : onder algemene Mesh-terms bevinden zich specifieke Mesh-terms.
      Zoekt men op de algemene Meshterms, dan worden de daaronder gelegen termen meegenomen, tenzij men aangeeft dat dit niet moet.
      Ook worden aan de Mesh-terms voor specifieke aandoeningen weer subtitels of Ďsubheadingsí toegevoegd die aangeven of het artikel de diagnostiek, therapie, prognose of een dertigtal andere aspecten van die aandoening betreft.
      Echter, de wijze van indexeren van bedrijfsgeneeskundig relevante artikelen gebeurt minder systematisch op toegankelijke trefwoorden.
      Dit bemoeilijkt het zoeken van deze artikelen.
      Soms moeten speciale zoekstrategieŽn of niet direct voor de hand liggende trefwoorden gebruikt worden om relevante artikelen te vinden.
      Mede om bovengenoemde redenen loopt de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde achter wat betreft het samenvatten van de resultaten van oorspronkelijk onderzoek in systematische reviews en het ontwikkelen van richtlijnen.
      Hier komt echter verandering is.
      Zoals voor verschillende medische specialismen en de huisartsengeneeskunde in Nederland richtlijnen ontwikkeld worden door respectievelijk het Kwaliteitsinstituut voor de gezondheids-zorg CBO en het Nederlands Huisartsen Genootschap, zo worden de laatste jaren richtlijnen voor de bedrijfsgeneeskunde ontwikkeld door de NVAB (Hulshof 2004) en werkwijzers door Stecr.
      Recentelijk is een begin gemaakt met het samenvatten van de internationale literatuur op het gebied van bedrijfsgeneeskundige behandeling en begeleiding middels systematische reviews (Verbeek et al, 2004).
      Medio 2004 is het Cochrane occupational health field geÔnstalleerd, dat tot doel heeft onderzoek op gebied van de bedrijfsgezondheidszorg te verzamelen en samen te vatten.
      2.2 - Moeilijk objectiveerbare aandoeningen : fibromyalgie en chronische-vermoeidheidssyndroom
      Mensen met moeilijk objectiveerbare aandoeningen, zoals fibromyalgie of chronische-vermoeidheidssyndroom vormen een klein maar niet te verwaarlozen deel van de bedrijfs-geneeskundige populatie.
      Onder moeilijk objectiveerbare aandoeningen verstaan we aandoeningen waarvoor geen algemeen geaccepteerde somatische verklaring is vast te stellen, die aan de hand van klachten of symptomen gediagnosticeerd worden en waarover wetenschappelijk geen consensus bestaat in hoeverre het om somatiseren gaat en wat de geŽigende behandeling is.
      Sommigen stellen de moeilijk objectiveerbare aandoeningen daarom min of meer gelijk aan somatisatiestoornissen of functionele syndromen.
      Moeilijk objectiveerbare aandoeningen plaatsen artsen in het algemeen en bedrijfs- en verzekeringsartsen in het bijzonder voor problemen.
      PatiŽnten blijven soms lang zoeken naar een somatische oorzaak en gaan dan Ďshoppení of ze voelen zich onbegrepen door de arts die op zijn beurt geÔrriteerd kan raken.
      Tussen de bedrijfsarts en de patiŽnt kan verschil van mening ontstaan over functiebeperking, belastbaarheid en de mogelijkheid van geheel of gedeeltelijke werkhervatting.
      Waarschijnlijk zullen bedrijfsartsen en andere arboprofessionals variŽren in diagnostiek, verzuimbegeleiding en geadviseerde behandeling bij deze aandoe-ningen.
      Bedrijfsartsen zullen dikwijls in onzekerheid verkeren hoe ze met dergelijke aandoeningen om moeten gaan.
      Er bestaat enige Nederlandse voor bedrijfsartsen relevante literatuur in de vorm van richtlijnen of artikelen in vakbladen of wetenschappelijke tijdschriften.
      Het Handboek Arbeid en Belastbaarheid bevat een katern over chronische-vermoeidheidssyndroom (Kroneman en Swanink, 1999) en een zeer recent katern over reumatische aandoeningen, waaronder fibromyalgie (Miedema en Rasker, 2004).
      Stecr (2004) heeft een werkwijzer ontwikkeld over het verwante terrein van de somatisatiestoornissen.
      Recent was een nummer van het Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg geheel gewijd aan onverklaarbare chronische klachten (TSG, 82, nr.6, 2004).
      Daarin staan veel voor de bedrijfsgeneeskunde relevante artikelen, bijvoorbeeld van Verhaak (2004) over definitie en omvang, van Vingerhoets (2004) over deze klachten in biopsychosociaal perspectief en van Wijers (2004) over wet- en regelgeving rond deze klachten.
      Tenslotte verscheen voorjaar 2005 een rapport van de Gezondheidsraad (2005) over chronische-vermoeidheidssyndroom.
      In deze algemene literatuur worden verschillende therapieŽn besproken.
      Los van de vraag wat precies de oorzaak van ontstaan of voortbestaan van deze aandoeningen is, zijn er medicamenteuze en andere therapieŽn ontwikkeld waarvan een deel op effectiviteit is onderzocht.
      Bedrijfsartsen zullen echter naast deze algemene Nederlandse literatuur soms behoefte hebben aan toegankelijke internationale wetenschappelijke literatuur die antwoord geeft op de vragen waar zij bij de begeleiding van deze groep cliŽnten tegenaan lopen.
      Doel van dit rapport is te helpen deze literatuur te vinden.
      2.3. - Doel en opzet van het rapport
      De belangrijkste doelstelling van het project ďZoekstrategieŽn voor de internationale literatuur over moeilijk objectiveerbare aandoeningenĒ is zoekstrategieŽn te ontwikkelen en te evalueren voor de literatuur die antwoord geeft op specifieke vragen van de bedrijfsarts of verzekeringsarts.
      We richten ons daarbij op Medline, de belangrijkste en vrij toegankelijke medisch wetenschappelijke database, en de bijbehorende zoekmachine Pubmed.
      Naast Medline zijn enkele niet vrij toegankelijke databases relevant : Embase (ook medisch en meer Europees georiŽnteerd), Cinahl (gericht op verpleegkundig onderzoek), Psycinfo (gericht op psychologisch onderzoek) en Oshrom (beperkt, maar met specifieke bedrijfsgeneeskundige literatuur).
      Deze databases vertonen een grote overlap.
      Medline bevat referenties van meer dan 4600 biomedische tijdschriften sinds 1966 en telt ruim 12 miljoen artikelen.
      Van artikelen met een samenvatting of abstract is dit abstract vermeld en de zoekmachine die Medline toegankelijk maakt, Pubmed, bevat links naar de volledige tekst van een aantal tijdschriften die elektronisch vrij toegankelijk zijn via internet.
      Bij zoekstrategieŽn gaat het om juiste sets van trefwoorden waarmee men in data-bases zoveel mogelijk relevante literatuur kan vinden.
      Naast het ontwikkelen en evalueren van dergelijke zoekstrategieŽn geven we ook advies voor het zoeken van de belangrijkste samenvattende literatuur, waaronder systematische reviews en advies voor het zoeken van algemenere literatuur of literatuur die op zgn. achtergrondvragen (zie onder 3.1.) antwoord geeft.
      Hierbij verwijzen we ondermeer naar websites die toegang geven tot reviews of richtlijnen.
      Sommige van deze websites zijn vrij toegankelijk, andere weer niet.
      We beperken ons tot twee moeilijk objectiveerbare aandoeningen, namelijk fibromyalgie (FM) en het chronische vermoeidheidssyndroom (CFS).
      Ons uitgangspunt is dat dezelfde zoekstrategie in grote lijnen moet voldoen voor beide aandoeningen.
      De opzet van dit rapport is als volgt. In hoofdstuk 3 wordt de methode toegelicht.
      Eerst wordt aandacht besteed aan het formuleren van praktijkvragen van bedrijfsartsen.
      Daarbij wordt ingegaan op het binnen de evidence-based medicine benadering gangbare onderscheid tussen voorgrond- en achtergrondvragen.
      In 3.2. wordt beschreven hoe referentiebestanden van artikelen zijn samengesteld waarop de zoekstrategieŽn getest zijn.
      In 3.3. wordt de methode van ontwikkelen en testen van de zoekstrategieŽn besproken.
      Hoofdstuk 4 geeft de resultaten : de praktijkvragen (4.1.), de referentiebestanden (4.2.), de zoekstrategieŽn (4.3) en een zoekadvies voor samenvattende literatuur (4.4) en voor algemenere literatuur (4.5).
      In hoofdstuk 5 worden de bevindingen samengevat.
      Bij de notatie van zoektermen worden in het rapport Meshterms met een hoofdletter aangeduid en vrije tekstwoorden zonder hoofdletter.
      Het is niet mogelijk om in dit rapport bedrijfsartsen inhoudelijk advies te bieden over hoe met moeilijk objectiveerbare aandoeningen om te gaan.
      Wel zal in een bijlage een overzicht van de relevante literatuur gegeven worden.
      Ook zal niet ingegaan worden op de werking van de zoekmachine Pubmed voor de database Medline.
      Hiervoor verwijzen we naar de handleiding (tutorial) van Pubmed en de helpfunctie links op de homepage onder Entrez Pubmed (
      www.pubmed.gov -).
      Een informatieve recente Nederlandse handleiding is die van Marjan Loep en Faridi van Etten-Jamaludin (2004).
      Voorts geeft bijlage 5 van het boek Inleiding in evidence-based medicine (Offringa et al, 2003) een uitvoerige handleiding.
      Er is veel discussie of verschillende moeilijk objectiveerbare aandoeningen gezien moeten worden als onderscheiden aandoeningen of als verschillende uitingsvormen van de groep functionele somatische syndromen of somatoforme verschijnselen (Goldenberg, 1999; Barsky en Borus, 1999).
      Zie hiervoor ook de heftige discussies over fibromyalgie die in de editorials van het Journal of Rheumatology najaar 2003 (2003, 30:1666-1672) en voorjaar 2004 (2004, 31: 627-639) gevoerd werden.
      Hoewel aanhangers van de verschillende stand-punten dikwijls niet zoveel van mening verschillen wat betreft de geadviseerde behandelin-gen zijn er wel accentverschillen.
      In dit rapport laten wij de literatuur over functionele somatische syndromen zonder verwijzing naar ťťn van de twee door ons uitgekozen moeilijk objectiveerbare aandoeningen buiten beschouwing.
      Wil men echter met onze zoekstrate-gieŽn literatuur zoeken over de bredere groep aandoeningen, dan kan men de termen voor de specifieke aandoeningen (Fibromyalgia en Fatigue syndrome, chronic) vervangen door termen als Somatoform disorders (Mesh), ďfunctional somatic syndromesĒ (vrije tekstwoord) of ďmedically unexplainedĒ (vrije tekstwoord).
      Tenslotte, waar wordt gesproken over praktische vragen van bedrijfsartsen en de relevantie van artikelen voor bedrijfsartsen, mag men ook verzekeringsartsen en overige arboprofessionals lezen.
      De resultaten van dit project vinden ook hun weerslag in twee artikelen voor een vakblad, bijvoorbeeld voor het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekerings-geneeskunde (TBV) in de serie ĎVoor de praktijkí.
      Cfr. :
      http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R1604021187328321




    Engelstalig

    1. A 37 kDa 2-5A binding protein as a potential biochemical marker for chronic fatigue syndrome
      De Meirleir K, Bisbal C, Campine I et al. - Am J Med 2000;108:99-105
      Purpose -
      Recent studies have revealed abnormalities in the ribonuclease L pathway in peripheral blood mononuclear cells of patients with the chronic fatigue syndrome.
      We conducted a blinded study to detect possible differences in the distribution of 2-5A binding proteins in the cells of patients with chronic fatigue syndrome and controls.
      Patients and methods - We studied 57 patients with chronic fatigue syndrome and 53 control subjects (28 healthy subjects and 25 patients with depression or fibromyalgia).
      A radioactive probe was used to label 2-5A binding proteins in unfractionated peripheral blood mononuclear cell extracts and to compare their distribution in the three groups.
      Results - A 37 kDa 2-5A binding polypeptide was found in 50 (88%) of the 57 patients with chronic fatigue syndrome compared with 15 (28%) of the 53 controls (P <0.01).
      When present, the amount of 37 kDa protein was very low in the control groups.
      When expressed as the ratio of the 37 kDa protein to the 80 kDa protein, 41 (72%) of the 57 patients with chronic fatigue syndrome had a ratio >0.05, compared with 3 (11%) of the 28 healthy subjects and none of the patients with fibromyalgia or depression.
      Conclusion - The presence of a 37 kDa 2-5A binding protein in extracts of peripheral blood mononuclear cells may distinguish patients with chronic fatigue syndrome from healthy subjects and those suffering from other diseases.
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0002934399003009

    2. A cognitive behavioural approach to chronic fatigue syndrome
      Deale A, Wessely S - Therapist 1994; 2: 11-4

    3. A community-based study of chronic fatigue syndrome
      Jason LA, Richman JA, Rademaker AW, Jordan KM, Plioplys AV, Taylor RR, McCready W, Huang CF, Plioplys S, Department of Psychology, DePaul University, Chicago, IL 60614, USA : ljason@wppost.depaul.edu - Arch Intern Med. 1999 Oct 11;159(18):2129-37 - PMID: 10527290
      Background - Most previous estimates of the prevalence of chronic fatigue syndrome (CFS) have derived largely from treated populations, and have been biased by differential access to health care treatment linked with sex, ethnic identification and socioeconomic status.
      Objective - To assess the point prevalence of CFS in an ethnically diverse random community sample.
      Design and participants - A sample of 28,673 adults in Chicago, Ill, was screened by telephone and those with CFS-like symptoms were medically evaluated.
      Main outcome measures and analyses - Self-report questionnaires, psychiatric evaluations and complete medical examinations with laboratory testing were used to diagnose patients with CFS.
      Univariate and multivariate statistical techniques were used to delineate the overall rate of CFS in this population and its relative prevalence was subcategorized by sex, ethnic identification, age and socioeconomic status.
      Results - There was a 65.1% completion rate for the telephone interviews during the first phase of the study. Findings indicated that CFS occurs in about 0.42% (95% confidence interval, 0.29%-0.56%) of this random community-based sample.
      The highest levels of CFS were consistently found among women, minority groups and persons with lower levels of education and occupational status.
      Conclusions - Chronic fatigue syndrome is a common chronic health condition, especially for women, occurring across ethnic groups.
      Earlier findings suggesting that CFS is a syndrome primarily affecting white, middle-class patients were not supported by our findings.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10527290

    4. A comparison of clinical practice guideline appraisal instruments
      Graham ID, Calder LA, Hebert PC, Carter AO; International Society of Technology Assessment in Health Care. Meeting - Annu Meet Int Soc Technol Assess Health Care Int Soc Technol Assess Health Care Meet. 1999; 15: 54 - Loeb Health Research Institute, University of Ottawa, Ottawa, Canada
      Objective
      - To identify and compare clinical practice guideline (CPG) appraisal instruments.
      Methods Ė Literature search - Appraisal instruments, defined as instruments intended to be used for CPG evaluation were identified by searching the Medline database (1966-1998) using the Medical Subject Heading (MeSH), practice guidelines; reviewing bibliographies of the retrieved articles and contacting authors of CPG appraisal instruments.
      Analysis - A content analysis of identified CPG appraisal instruments involved a two-stage process.
      First, two reviewers independently examined the questions/statements from all the instruments and thematically grouped them into common items.
      These groupings were verified by two other reviewers.
      Then, using the items, two reviewers independently undertook a content analysis of the instruments.
      Results - Fourteen instruments were identified, two of which were excluded as they were designed for the development and implementation rather than for evaluation of CPGs.
      Forty-four items emerged during the first stage of the content analysis which were combined into seven major dimensions.
      Of the 44 items, the number of items covered by the instrument ranged from 6 to 27.
      Of all the instruments, only the one by Cluzeau and colleagues included at least one item from all the dimensions and addressed 27 of the 44 items.
      This instrument is concise with only 37 questions.
      It is also the only instrument to have been subjected to a validation study.
      Conclusions - A comprehensive and concise instrument such as the one by Cluzeau et al. could help users systematically judge the quality of a CPG. Before becoming widely adopted, more research is required on the validity and reliability of the Cluzeau and other CPG appraisal instruments.
      Cfr. : http://gateway.nlm.nih.gov/MeetingAbstracts/ma?f=102193803.html

    5. A comparison of cognitive behavioral treatment for chronic fatigue syndrome and primary depression
      Friedberg F, Krupp LB - Clin Infect Dis 1994;18:S105-10

    6. A comparison of neuropsychiatric characteristics in chronic fatigue syndrome, multiple sclerosis and major depression
      Pepper CM, Krupp L, Friedberg F - J Neuropsychiatry and Clinical Neuroscience 1993; 5: 200-5

    7. A comparison of the characteristics of chronic fatigue syndrome in primary and tertiary core
      Euba R., Chalder T., Deale A., Wessely S. - British Journal of Psychatry, 168, 121-126, 1996

    8. A definition-based analysis of symptoms in a large cohort of patients with chronic fatigue syndrome
      De Becker P, McGregor N, De Meirleir K, VUB, Vakgroep Interne Geneeskunde, KRO gebouw niv.-1, Laarbeeklaan 101, 1090 Brussels, Belgium : pdbeck@minf.vub.ac.be - J Intern Med. 2001 Sep;250(3):234-40 - PMID: 11555128
      Objective - The Holmes and Fukuda criteria are widely used criteria all over the world, yet a specific European study regarding chronic fatigue syndrome (CFS) patient symptomatology has not been conducted so far.
      This study was performed to answer the need to assess the homogeneity of a large CFS population in relationship to the Fukuda or Holmes definitions and to assess the importance of a symptom severity scale.
      Design - Multivariate analyses were performed to assess the symptom presentation within a fatigued population and the differences between the Fukuda and Holmes definitions compared with an excluded chronic fatigued group in a large cohort of fatigued patients.
      Setting - An outpatient tertiary care setting fatigue clinic in Brussels.
      Main outcome measures - Prevalence and severity of symptoms and signs in a CFS population and in a chronic fatigued population.
      Subjects and methods - A total of 2073 consecutive patients with major complaints of prolonged fatigue participated in this study.
      Multivariate analyses were performed to assess the symptom presentation and severity and the differences between the Fukuda and Holmes definitions.
      Results - Of the 2073 patients complaining of chronic fatigue (CF), 1578 CFS patients fulfilled the Fukuda criteria (100% of CFS group) and 951 (60.3% of the CFS group) fulfilled the Holmes criteria.
      Discriminant function analysis revealed that the Fukuda and Holmes definitions can be differentiated by symptom severity and prevalence.
      The Holmes definition was more strongly associated than the Fukuda definition with the symptoms that differentiated the CFS patients from the patients that did not comply with the CFS definitions.
      The inclusion of 10 additional symptoms was found to improve the sensitivity/specificity and accuracy for selection of CFS patients.
      Conclusions - The CFS patients fulfilling the Holmes criteria have an increased symptom prevalence and severity of many symptoms.
      Patients fulfilling the Fukuda criteria were less severely affected patients which leads to an increase in clinical heterogeneity.
      Addition of certain symptoms and removal of others would strengthen the ability to select CFS patients.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11555128

    9. A factor analysis of chronic fatigue symptoms in a communitybased sample
      Jason LA, Taylor RR, Kennedy CL et al. - Social Psychiatry Psychiatric Epidemiol 2002;37:183-189
      Background - This study examined characteristics of fatigue in individuals with chronic fatigue from a community-based study.
      Most studies of chronic fatigue have been based on patients recruited from primary or tertiary care settings.
      Samples such as these might not be representative of patients within the general population.
      The purpose of this study was to determine the factor structure of participants' symptoms in a random community sample of individuals with chronic fatigue.
      Method - A random sample of 18,675 respondents in Chicago received a brief telephone questionnaire designed to identify individuals with chronic fatigue.
      A group of 780 (4.2 %) with chronic fatigue received further interview via telephone questionnaire involving characteristics of their fatigue.
      The analyses for this study were based on those people identified with having chronic fatigue.
      A factor analysis was conducted on responses to questionnaire items and a four-factor solution emerged.
      Mean factor scores were derived and analyzed in relation to sociodemographic characteristics and sample subgroups.
      Results - The four factors were labeled: Lack of Energy, Physical Exertion, Cognitive Functioning and Fatigue and Rest.
      Conclusions - Results indicated that individuals with chronic fatigue have symptoms that can be differentiated into theoretically distinct factors.
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/fhktan7v6ly8lp2y/

    10. A family history study of chronic fatigue syndrome
      Walsh CM, Zainal NZ, Middleton SJ et al. - Psychiatr Genet 2001;11:123-8
      Chronic fatigue syndrome (CFS) is characterized by unexplained, disabling fatigue and is associated with high rates of comorbid depression.
      While the aetiology is unknown, findings from recent twin surveys suggest that genetic factors may be relevant to prolonged fatigue states (> 1 month).
      To date, however, there has been no exploration of the role of familial/genetic factors in operationally defined CFS.
      The aims of the present study were :
      (i) to examine whether CFS is familial by comparing the rates of CFS in the first-degree relatives of CFS cases and medical control subjects and
      (ii) to determine whether the high rate of comorbid depression in CFS is reflected in a greater familial loading for affective disorder.
      Twenty-five CFS cases and 36 medical control subjects were assessed for fatigue symptoms based on the Centre for Disease Control (CDC) criteria for CFS and for lifetime psychiatric symptoms using the Schedule for Schizophrenia and Affective Disorders-Lifetime Version.
      Informant family history was obtained regarding first-degree relatives using the CDC criteria and the Family History Research Diagnostic Criteria.
      In addition, informant history was supplemented by sending a questionnaire to first-degree relatives.
      There were significantly higher rates of CFS in the relatives of CFS cases compared with the relatives of control subjects.
      The rate of depression in the CFS cases was similar to previous studies but did not appear to reflect a greater familial loading for depression when compared with control subjects.
      However, these analyses were complicated by higher than expected rates of depression in the control group.
      These findings suggest that familial factors are important in the aetiology of chronic fatigue syndrome.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11702053

    11. A meta-analysis of fibromyalgia treatment interventions
      Rossy LA, Buckelew SP, Dorr N, Hagglund KJ, Thayer JF, McIntosh MJ, Hewett JE, Johnson JC, Department of Psychology, University of Missouri, Columbia 65211, USA - Ann Behav Med. 1999 Spring;21(2):180-91 - PMID: 10499139
      Objective
      - To evaluate and compare the efficacy of pharmacological and nonpharmacological treatments of fibromyalgia syndrome (FMS).
      Methods - This meta-analysis of 49 fibromyalgia treatment outcome studies assessed the efficacy of pharmacological and nonpharmacological treatment across four types of outcome measures-physical status, self-report of FMS symptoms, psychological status and daily functioning.
      Results - After controlling for study design, antidepressants resulted in improvements on physical status and self-report of FMS symptoms.
      All nonpharmacological treatments were associated with significant improvements in all four categories of outcome measures with the exception that physically-based treatment (primarily exercise) did not significantly improve daily functioning.
      When compared, nonpharmacological treatment appears to be more efficacious in improving self-report of FMS symptoms than pharmacological treatment alone.
      A similar trend was suggested for functional measures.
      Conclusion - The optimal intervention for FMS would include nonpharmacological treatments, specifically exercise and cognitive-behavioral therapy, in addition to appropriate medication management as needed for sleep and pain symptoms.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10499139

    12. A meta-analytic review of the common-sense model of illness representations
      Hagger MS, Orbell S - Psychology Health 2003;18:141-84
      A meta-analysis of empirical studies ( N = 45) adopting Leventhal, Meyer and Nerenz's (1980) Common Sense Model (CSM) of illness representations is presented.
      The average corrected intercorrelation matrix for the sample of studies showed that the CSM illness cognition dimensions of consequences, control/cure, identity and timeline followed a logical pattern supporting their construct and discriminant validity across illness types.
      A content analysis classified coping strategies into seven distinctive categories and health outcomes into six categories.
      Examining the average corrected correlation coefficients across the studies revealed that perceptions of a strong illness identity were significantly and positively related to the use of coping strategies of avoidance and emotion expression.
      In addition, perceived controllability of the illness was significantly associated with cognitive reappraisal, expressing emotions and problem-focused coping strategies.
      Perceptions of the illness as highly symptomatic, having a chronic timeline and serious consequences was significantly correlated with avoidance and expressing emotions coping strategies.
      Further, perceptions that the illness was curable/controllable was significantly and positively related to the adaptive outcomes of psychological well-being, social functioning and vitality and negatively related to psychological distress and disease state.
      Conversely, illness consequences, timeline and identity exhibited significant, negative relationships with psychological well being, role and social functioning and vitality.
      The analyses provide evidence for theoretically predictable relations between illness cognitions, coping and outcomes across studies.
      Cfr. : http://www.citeulike.org/user/SamNorton/article/3995658

    13. A poorly understood condition - Disability living allowance and people with CFS/ME
      Hammond C Ė Social Policy Administration 2002;36:254-74
      This paper questions the adequacy of administrative responses to poorly understood disabling conditions in the UK.
      An illustrative case study, the administration of the Disability Living Allowance (DLA) to people with chronic fatigue syndrome or myalgic encephalomyelitis (CFS/ME), is examined.
      Controversies surrounding CFS/ME and institutional responses to the condition are summarized.
      The history and purposes of DLA are outlined, and research evaluating its administration and impact is reviewed.
      Quantitative data from the DSS are combined with qualitative data obtained from interviews with claimants and non-claimants of DLA with CFS/ME and with benefits advisers.
      Additional data from a national survey of people with CFS/ME are incorporated into the analysis.
      The findings show how the adjudication of DLA is particularly problematic in relation to people with CFS/ME.
      Decisions are likely to be based on inadequate evidence.
      These and other relevant findings are discussed in the context of the stigma attached to CFS/ME and other poorly understood disabling conditions and socioĖlegal research and theory.
      Cfr. : http://www3.interscience.wiley.com/journal/118914371/abstract?CRETRY=1&SRETRY=0

    14. A population-based incidence study of chronic fatigue
      Lawrie SM, Manders DN, Geddes JR et al. - Psychol Med 1997;27:343-53

    15. A population-based study of the clinical course of chronic fatigue syndrome
      Nisenbaum R, Jones JF, Unger ER et al. - Health Qual Life Outcomes 2003;1:49
      Background - Chronic fatigue syndrome (CFS) presents a challenge for patients, health care providers and health insurance groups because of its incapacitating nature, unknown cause and poorly understood prognosis.
      We conducted a longitudinal population-based study to characterize the clinical course of CFS.
      Methods - Sixty-five CFS subjects were identified from a random-digit-dialing survey of Wichita, Kansas residents and followed for up to 3 years.
      We evaluated changes in CFS classification (partial or total remission, alternative medical or psychiatric diagnoses), CFS case-defining criteria, wellness scores, hours of activities and sleep and treatments used to reduce fatigue.
      Associations between risk factors and outcomes were determined by use of logistic regression and generalized estimating equations models.
      Results - Only 20%-33% of the subjects were classified as having CFS at follow-up, 56.9% ever experienced partial or total remission, 10% sustained total remission and 23.1% received alternative diagnoses, of which 20% were sleep disorders.
      Higher fatigue severity scores and total number of symptoms were negatively associated with ever remitting.
      Duration of illness ≤ 2 years was positively associated with sustained remission.
      Unrefreshing sleep persisted in at least 79% of the subjects across all periods but, as with most of the CFS symptoms, tended to be less frequent over time.
      The number of activities affected by fatigue decreased over time, while wellness scores increased.
      At any follow-up, more than 35% of subjects reporting reduced fatigue used complementary and alternative medicine therapies and of those subjects, at least 50% thought these therapies were responsible for reducing their fatigue.
      Conclusions - The clinical course of CFS was characterized by an intermittent pattern of relapse and remission.
      Remission rates documented by our population-based study were similar to those reported in clinical studies.
      Shorter illness duration was a significant predictor of sustained remission and thus early detection of CFS is of utmost importance.
      The persistence of sleep complaints and identification of sleep disorders suggest that CFS subjects be evaluated for sleep disturbances, which could be treated.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC269990/

    16. A primary care perspective on prevailing assumptions about persistent medically unexplained physical symptoms
      Stanley I, Peters S, Salmon P - Int J Psychiatry Med 2002;32:125-40
      Objective - To re-examine the widespread assumption that medically unexplained physical symptoms represent discrete syndromes resulting from somatization of mental illness.
      Method - Primary care patients (N = 223) with medically unexplained symptoms of at least one year's duration were recruited to a study of exercise therapy.
      Data gathered from patients, from their general practitioners and from medical records were used to examine relationships between self-defined disability, symptoms, mental state and use of health care.
      Results - Levels of disability and health care use were both raised, but were only weakly correlated.
      While most patients were depressed and/or anxious, a minority (14 percent) were neither.
      Although mental state correlated with disability, health care use was unrelated to either.
      Among a wide range of recorded symptoms, few correlations were found to support the existence of discrete syndromes.
      Analysis of agreement between patients and their doctors in assigning symptoms to broadly defined "syndromes" appears to reflect collaboration that is largely expedient
      Conclusions - In this sample of primary care patients with persistent unexplained physical symptoms, we found little evidence of discrete somatic syndromes.
      The level of health care use is no indication of mental state or level of disability and the findings are equally consistent with depression or anxiety being secondary to disability and its consequences as with them being primary.
      The observed collaboration between patients and their doctors carries the risk of shaping, reinforcing and legitimizing dubious syndromes.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12269594


    Lees verder : Deel XX

    25-11-2009 om 20:45 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XX

    1. A report--chronic fatigue syndrome - Guidelines for research
      Sharpe MC, Archard LC, Banatvala JE et al. - J R Soc Med 1991;84:118-21

    2. A review of the evidence for overlap among unexplained clinical conditions
      Aaron LA, Buchwald D Ė Ann Intern Med 2001;134: 868-81
      Purpose - Unexplained clinical conditions share features, including symptoms (fatigue, pain), disability out of proportion to physical examination findings, inconsistent demonstration of laboratory abnormalities and an association with "stress" and psychosocial factors.
      This literature review examines the nature and extent of the overlap among these unexplained clinical conditions and the limitations of previous research.
      Data sources - English-language articles were identified by a search of the MEDLINE database from 1966 to January 2001 by using individual syndromes and their hallmark symptoms as search terms.
      Study selection - Studies that assessed patients with at least one unexplained clinical condition and that included information on symptoms, overlap with other unexplained clinical conditions or physiologic markers.
      Conditions examined were the chronic fatigue syndrome, fibromyalgia, the irritable bowel syndrome, multiple chemical sensitivity, temporomandibular disorder, tension headache, interstitial cystitis and the postconcussion syndrome.
      Data extraction - Information on authorship, patient and control groups, eligibility criteria, case definitions, study methods and major findings.
      Data synthesis - Many similarities were apparent in case definition and symptoms and the proportion of patients with one unexplained clinical condition meeting criteria for a second unexplained condition was striking.
      Tender points on physical examination and decreased pain threshold and tolerance were the most frequent and consistent objective findings.
      A major shortcoming of all proposed explanatory models is their inability to account for the occurrence of unexplained clinical conditions in many affected patients.
      Conclusions - Overlap between unexplained clinical conditions is substantial.
      Most studies are limited by methodologic problems, such as case definition and the selection and recruitment of case-patients and controls.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11346323

    3. A search strategy for occupational health intervention studies
      Verbeek J, Salmi J, Pasternack I, Jauhiainen M, Laamanen I, Schaafsma F, Hulshof C, van Dijk F, Cochrane Occupational Health Field, Finnish Institute of Occupational Health, Department of Research and Development of Occupational Health Services, PO Box 93, 70701 Kuopio, Finland : jos.verbeek@ttl.fi - Occup Environ Med. 2005 Oct;62(10):682-7 - PMID: 16169913
      Background
      - As a result of low numbers and diversity in study type, occupational health intervention studies are not easy to locate in electronic literature databases.
      Aim - To develop a search strategy that facilitates finding occupational health intervention studies in Medline, both for researchers and practitioners.
      Methods - A gold standard of articles was created by going through two whole volumes of 19 biomedical journals, both occupational health specialty and non-occupational health journals.
      Criteria for occupational health intervention studies were : evaluating an intervention with an occupational health outcome and a study design with a control group.
      Each journal was searched independently by two of the authors.
      Search terms were developed by asking specialists and counting word frequencies in gold standard articles.
      Results - Out of 11 022 articles published we found 149 occupational health intervention studies.
      The most sensitive single terms were work*[tw] (sensitivity 71%, specificity 88%) and effect*[tw] (sensitivity 75%, specificity 63%).
      The most sensitive string was (effect*[tw] OR control*[tw] OR evaluation*[tw] OR program*[tw]) AND (work*[tw] OR occupation*[tw] OR prevention*[tw] OR protect*[tw]) (sensitivity 89%, specificity 78%).
      The most specific single terms were "occupational health"[tw] (sensitivity 22%, specificity 98%) and effectiveness[tw] (sensitivity 22%, specificity 98%).
      The most specific string was (program[tw] OR "prevention and control"[sh]) AND (occupational[tw] OR worker*[tw]) (sensitivity 47%, specificity 98%).
      Conclusions - No single search terms are available that can locate occupational health intervention studies sufficiently.
      The authors' search strings have acceptable sensitivity and specificity to be used by researchers and practitioners respectively.
      Redefinition and elaboration of keywords in Medline could greatly facilitate the location of occupational health intervention studies.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16169913

    4. A status report on chronic fatigue syndrome
      Natelson BH, Lange G - Environ Health Perspect 2002;110:673-7
      Medical history has shown that clinical disease entities or syndromes are composed of many subgroups--each with its own cause and pathogenesis.
      Although we cannot be sure, we expect the same outcome for chronic fatigue syndrome (CFS), a medically unexplained condition characterized by disabling fatigue accompanied by infectious, rheumatological and neuropsychiatric symptoms.
      Although the ailment clearly can occur after severe infection, no convincing data exist to support an infectious (or immunologic) process in disease maintenance.
      Instead, data point to several possible pathophysiological processes : a covert encephalopathy, impaired physiological capability to respond to physical and mental stressors and psychological factors related to concerns about effort exacerbating symptoms.
      Each of these is under intense investigation.
      In addition, some data do exist to indicate that environmental agents also can elicit a state of chronic fatigue.
      We expect data to accumulate to support the belief that CFS has multiple causes.
      Cfr. : http://www.jstor.org/pss/3455270

    5. A subgroup analysis of cognitive-behavioral treatment studies
      Friedberg F - J Chronic Fatigue Syndr 1999;5:149-59

    6. A systematic review and critical evaluation of the immunology of chronic fatigue syndrome
      Lyall M, Peakman M, Wessely S - J Psychosom Res 2003;55:79-90
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12932505

    7. A systematic review of appraisal tools for clinical practice guidelines - Multiple similarities and one common deficit
      Vlayen J, Aertgeerts B, Hannes K, Sermeus W, Ramaekers D, Belgian Federal Health Care Knowledge Centre, Brussels, Belgium : joan.vlayen@med.kuleuven.ac.be - Int J Qual Health Care. 2005 Jun;17(3):235-42. Epub 2005 Mar 2 - PMID: 15743883
      Objective - To identify a critical appraisal tool for clinical practice guidelines that could serve as a basis for the development of an appraisal tool for clinical pathways.
      Design - Systematic review of the literature and personal contacts.
      Databases searched were : Medline, Embase and Cinahl.
      Search terms were : practice guidelines, appraisal and evaluation.
      The items of the identified appraisal tools were examined and thematically grouped into 10 guideline dimensions.
      Content analysis and scoring of these domains by the appraisal tools was evaluated.
      Results - Twenty-four different appraisal tools of practice guidelines were identified.
      None scored the evidence base of the clinical content of guidelines.
      Four tools scored all the guideline dimensions.
      The Cluzeau instrument is the only one of these four that has been validated.
      Of the three instruments based on the Cluzeau instrument, the AGREE instrument is the only validated instrument that uses a numerical scale.
      Conclusions - Being a simplified version of the Cluzeau instrument, the AGREE instrument has the most potential to serve as a basis for the development of an appraisal tool for clinical pathways.
      However, important limitations will have to be dealt with when developing such a tool.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15743883

    8. A systematic review of the content of critical appraisal tools
      Katrak P, Bialocerkowski AE, Massy-Westropp N, Kumar S, Grimmer KA - BMC Med Res Methodol. 2004 Sep 16;4:22 - PMID: 15369598
      Background
      - Consumers of research (researchers, administrators, educators and clinicians) frequently use standard critical appraisal tools to evaluate the quality of published research reports.
      However, there is no consensus regarding the most appropriate critical appraisal tool for allied health research.
      We summarized the content, intent, construction and psychometric properties of published, currently available critical appraisal tools to identify common elements and their relevance to allied health research.
      Methods - A systematic review was undertaken of 121 published critical appraisal tools sourced from 108 papers located on electronic databases and the Internet.
      The tools were classified according to the study design for which they were intended.
      Their items were then classified into one of 12 criteria based on their intent.
      Commonly occurring items were identified.
      The empirical basis for construction of the tool, the method by which overall quality of the study was established, the psychometric properties of the critical appraisal tools and whether guidelines were provided for their use were also recorded.
      Results - Eighty-seven percent of critical appraisal tools were specific to a research design, with most tools having been developed for experimental studies.
      There was considerable variability in items contained in the critical appraisal tools.
      Twelve percent of available tools were developed using specified empirical research.
      Forty-nine percent of the critical appraisal tools summarized the quality appraisal into a numeric summary score.
      Few critical appraisal tools had documented evidence of validity of their items or reliability of use.
      Guidelines regarding administration of the tools were provided in 43% of cases.
      Conclusions - There was considerable variability in intent, components, construction and psychometric properties of published critical appraisal tools for research reports.
      There is no "gold standard' critical appraisal tool for any study design, nor is there any widely accepted generic tool that can be applied equally well across study types.
      No tool was specific to allied health research requirements.
      Thus interpretation of critical appraisal of research reports currently needs to be considered in light of the properties and intent of the critical appraisal tool chosen for the task.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15369598

    9. A taxonomy of medically unexplained symptoms
      Deary IJ - J Psychosom Res 1999;47:51-9

    10. A twin study of chronic fatigue
      Buchwald D, Herrell R, Ashton S et al. - Psychosom Med 2001;63:936-43

    11. ABC of psychological medicine - Functional somatic symptoms and syndromes
      Mayou R, Farmer A Ė BMJ 2002;325:265-8
      Concern about symptoms is a major reason for patients to seek medical help.
      Many of the somatic symptoms that they present with - such as pain, weakness and fatigue - remain unexplained by identifiable disease even after extensive medical assessment.
      Several general terms have been used to describe this problem - somatisation, somatoform, abnormal illness behaviour, medically unexplained symptoms and functional symptoms.
      We will use the term functional symptoms, which does not assume psychogenesis but only a disturbance in bodily functioning.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1123778/

    12. ABC of psychological medicine - The consultation
      Gask L, Usherwood T - BMJ 2002;324:1567-9

    13. ABC of psychological medicine Ė Fatigue
      Sharpe M, Wilks D - BMJ 2002;325:480-3
      Fatigue can refer to a subjective symptom of malaise and aversion to activity or to objectively impaired performance.
      It has both physical and mental aspects.
      The symptom of fatigue is a poorly defined feeling and careful inquiry is needed to clarify complaints of "fatigue", "tiredness" or "exhaustion" and to distinguish lack of energy from loss of motivation or sleepiness, which may be pointers to specific diagnoses .../...
      Cfr. : http://www.bmj.com/cgi/content/extract/325/7362/480

    14. Abnormal left ventricular myocardial dynamics in eleven patients with chronic fatigue syndrome
      Dworkin HJ, Lawrie C, Bohdiewicz P et al. - Clin Nucl Med 1994; 19: 675-7

    15. Absenteeism among employees treated for depression
      Claxton AJ, Chawla AJ, Kennedy S, Lilly Corporate Center, Eli Lilly and Company, Indianapolis, IN 46285, USA Ė J Occup Environ Med. 1999 Jul;41(7):605-11 - PMID : 10412102
      Depression-related costs include a relatively large share of indirect costs.
      We describe the impact of antidepressant treatment on absenteeism among workers diagnosed and treated for depression.
      Monthly absenteeism counts from employers were summed in the 6 months before and after the initiation of antidepressant therapy in 630 workers treated for depression with a tricyclic antidepressant or a selective serotonin reuptake inhibitor (fluoxetine, sertraline, paroxetine).
      Monthly mean absenteeism was compared using pairwise t tests.
      Absenteeism increased before antidepressant initiation and decreased after the treatment began for all antidepressant cohorts.
      Absenteeism in the selective serotonin reuptake inhibitor cohorts decreased at similar rates for 4 months but was higher in the paroxetine cohort in months five and six after the treatment initiation.
      Our data suggest that alternative treatments for depression may have differential impact on indirect costs, but further research is warranted.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10412102

    16. Abuse, personality disorder and chronic fatigue syndrome - Case report and therapeutic implications
      Cuykx V, Van Houdenhove B, Neerinckx E - Gen Hosp Psychiatr 1997

    17. Achieving guidelines for the treatment of depression in primary care - Is physician education enough ?
      Lin EH, Katon WJ, Simon GE, Von Korff M, Bush TM, Rutter CM, Saunders KW, Walker EA, Center for Health Studies, Group Health Cooperative of Puget Sound, Seattle, WA 98101-1448, USA - Med Care. 1997 Aug;35(8):831-42 - PMID: 9268255
      Objectives
      - The authors examine whether physician education has enduring effects on treatment of depression.
      Methods - Depressed primary care patients initiating antidepressant treatment from primary care clinics of a staff-model health maintenance organization were studied.
      Quasi-experimental and before-and-after comparisons of physician practices, supplemented with patient surveys, were used to compare the process of care and depression outcomes.
      Intervention consisted of extensive physician education that spanned a 12-month period.
      This included case-by-case consultations, didactics, academic detailing (eg, clearly stating the educational and behavioral objectives to individual physicians) and role-play of optimal treatment.
      Main outcome measures were divided into two groups.
      Quasi-experimental samples included : (1) antidepressant medication selection and (2) adequacy (dosage and duration) of pharmacotherapy.
      Survey samples included : (3) intensity of follow-up; (4) physician delivered educational messages regarding depression treatment; (5) patient satisfaction and (6) depression outcomes.
      Results - No lasting educational effect was observed consistently in any of the outcomes measured.
      Conclusions - There was no enduring improvement in the treatment of depression for primary care patients.
      Depression treatment guidelines were achieved contemporaneously, however, for intervention patients enrolled in a multifaceted program of collaborative care during the training period.
      These results suggest that continuing programs of reorganized service delivery to support the role of a primary care physician (eg, on-site mental health personnel, close monitoring of patient progress and adherence), in addition to physician training, are essential for the success of guideline implementation.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9268255

    18. Acute sickness behaviour - An immune system-to-brain communication ?
      Vollmer CU - Psychol Med 2001;31:761-7
      Over the past 20 years, psychoneuroimmunological research has produced a large body of evidence that challenges the historically dominant view that the immune system operates in an autonomous manner independent of other physiological systems.
      Today, there is little doubt that the brain and the immune system are intimately linked and capable of reciprocal communication (Ader et al. 1991).
      Despite the acknowledged bi-directional nature of the brainĖimmune system connection, the predominant focus of study has been on the effects of psychological and behavioural events (e.g. stress) on immune responses and disease processes and the mechanisms underlying such effects (see Kusnekov & Rabin, 1994; Maier et al. 1994; Rozlog et al. 1999).
      However, considerable interest in the possibilities of immune-system-to-brain communication was initiated by a seminal paper considering the biological basis of behaviour in sick animals (Hart, 1988).
      Subsequently, the immunological determinants of the behavioural, cognitive and emotional changes associated with acute illness, as well as with more chronic psychopathological states (e.g. depression) have become the subject of rapidly expanding areas of research (e.g. Kent et al. 1992; Lloyd et al. 1992; Hickie & Lloyd, 1995; Maes et al. 1995a; Rothwell & Hopkins, 1995; Dantzer et al. 1996; Maier & Watkins, 1998; Vollmer-Conna et al. 1998; Maes, 1999).
      The main objective of this editorial is to provide a succinct overview of current knowledge of the normal behavioural correlates of acute infective illness, their adaptive function and underlying mechanisms.
      Elucidation of the processes involved in the appearance, maintenance and inhibition of Ďnormalí sickness behaviour is important if extrapolations from this phenomenon to more chronic psychopathological conditions are to provide more than a new label for poorly understood non-specific symptom clusters.
      Cfr. : http://journals.cambridge.org/action/displayAbstract;jsessionid=369227417DD8CF82C49F06
      0E74531C0B.tomcat1?fromPage=online&aid=80608

    19. Adjuvant occupational therapy for work-related major depression works - Randomized trial including economic evaluation
      A.H. Schene , M.W.J. Koeter, M.J. Kikkert, J.A. Swinkels, P. McCrone, 2006
      Onderzoek naar depressie en werk is tot op heden zeldzaam.
      Eťn studie is er verricht naar een behandeling waarin werk en cognitieve gedragstherapie werden gecombineerd.
      In deze studie werd deze gecombineerde behandeling vergeleken met reguliere cognitieve gedragstherapie.
      De gecombineerde behandeling was effectiever waar het gaat om herstel van functioneren dan de reguliere behandeling.
      Cfr. : http://www.psynip.nl/upload2/projecten/instrument_schene2006.pdf

    20. Adolescent chronic fatigue syndrome
      Smith MS - Arch Pediatr Adolesc Med 2004;158:207-8
      Cfr. : http://archpedi.ama-assn.org/cgi/content/extract/158/3/207

    21. AGREE Instrument Training Manual
      AGREE Collaboration, 2003
      Cfr. :
      - http://www.openclinical.org/prj_agree.html
      - http://www.openclinical.org/appInstrument_agree.html

    22. An alternative trial design to overcome validity and recruitment problems in primary care research
      Marcus JH Huibersa,b,c,, Gijs Bleijenbergb, Anna JHM Beurskensa,d, IJmert Kanta, J Andrť Knottnerusc, DaniŽlle AWM van der Windte, Ellen Bazelmansb and Constant P van Schayckc -- a Department of Epidemiology and c Department of General Practice, Maastricht University, b Department of Medical Psychology, UMC Nijmegen, d Department of Physiotherapy, Hogeschool Zuyd and e Department of General Practice, Institute for Research in Extramural Medicine, VUmc The Netherlands --Correspondence to : MJH Huibers, Department of Medical, Clinical and Experimental Psychology, Maastricht University, PO Box 616, 6200 MD Maastricht, The Netherlands : m.huibers@dmkep.unimaas.nl - Family Practice Vol. 21, No. 2, 213-218 Ė Received ; 24 February 2003 Ė Revised : 2 September 2003 Ė Accepted : 3 November 2003 - © Oxford University Press 2004
      Background
      - Although the randomized controlled trial is widely accepted as the best design to investigate new interventions, conducting a trial in primary care may present researchers with many methodological problems.
      Objective - Our aim was to present an alternative trial design to overcome internal validity and recruitment problems.
      Methods - In a randomized controlled trial, fatigued employees absent from work were selected among the population of an occupational health service in the South of The Netherlands.
      Patients randomly assigned to the experimental condition received cognitive behavioural therapy by a research GP near their home address, whereas patients in the control group received no intervention.
      We describe our considerations for building an alternative design. Research GPs and patients were recruited separately for the study.
      The pre-randomization design was applied.
      Results - Nine research GPs performed all the interventions.
      Seventy-six experimental patients and 75 control patients were selected for study participation.
      Of these, only six patients in the experimental group and seven patients in the control group withdrew from the study at some point during follow-up.
      Conclusion - Results suggest that recruitment and randomization procedures in the alternative design served their purpose well.
      The alternative design proposed here might have several advantages compared with conventional trial procedures.
      However, our design is not widely applicable and there are ethical aspects involved that should be considered.
      Researchers should address their creativity when trying to minimize the problems they may encounter in designing a study.
      Cfr. : http://fampra.oxfordjournals.org/cgi/content/full/21/2/213

    23. An approach to chronic fatigue syndrome in adults
      Sabin TD - Neurologist 2003;9:28-34
      Background - The neurologist is often asked to evaluate patients with a chief complaint of fatigue.
      Many neurologists do not believe in the pathologically based disease known as chronic fatigue syndrome, yet as a group, neurologists are well suited to guide the diagnostic work up of such patients to pinpoint treatable disorders in the realm of neurology, general medicine, and psychiatry.
      Review summary - Every patient should be carefully evaluated for certain medical, psychiatric and neurologic disease that can cause fatigue as the most prominent symptom.
      This is most pressing because new work in virology, immunology and imaging holds promise but still does not provide any diagnostic test or a mechanism for the production of these symptoms.
      Only a few treatments meet with even modest success in CFS.
      The goal of this paper is to provide the clinical neurologist with a framework for the investigation and management of this challenging group of patients.
      Conclusions - Neurologists are typically also trained in psychiatry and general medicine, and this is a strong position to evaluate the patient with fatigue.
      Because no presently available test can make the diagnosis of CFS, the assessment is vital to seek out more treatable illnesses.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12801429

    24. An audit of the investigation of patients with suspected chronic fatigue syndrome
      Bethune CA, Wright LJ, Stoker SRG et al. - CPD Bull Immunol Allergy 2003;3:51-3

    25. An empirical delineation of the heterogeneity of chronic unexplained fatigue in women
      Vollmer-Conna U, Aslakson E, White PD, University of New South Wales, School of Psychiatry, 30 Botany Street, Sydney UNSW 2052, Australia : ute@unsw.edu.au - Pharmacogenomics. 2006 Apr;7(3):355-64 - PMID: 16610946
      Objectives - To test the hypothesis that medically unexplained chronic fatigue and chronic fatigue syndrome (CFS) are heterogeneous conditions and to define the different conditions using both symptom and laboratory data.
      Methods - We studied 159 women from KS, USA.
      A total of 51 of these suffered from fatigue consistent with established criteria for CFS, 55 had chronic fatigue of insufficient symptoms/severity for a CFS diagnosis and 53 were healthy controls matched by age and body mass index (BMI) against those with CFS.
      We used principal components analyses to define factors that best described the variable space and to reduce the number of variables.
      The 38 most explanatory variables were then used in latent class analyses to define discrete subject groups.
      Results - Principal components analyses defined six discrete factors that explained 40% of the variance.
      Latent class analyses provided several interpretable solutions with four, five and six classes.
      The four-class solution was statistically most convincing, but the six-class solution was more interpretable.
      Class 1 defined 41 (26%) subjects with obesity and relative sleep hypnoea.
      Class 2 were 38 (24%) healthy subjects.
      Class 3 captured 24 (15%) obese relatively hypnoeic subjects, but with low heart rate variability and cortisol.
      Class 4 were 23 (14%) sleep-disturbed and myalgic subjects without obesity or significant depression.
      The two remaining classes with 22 (14%) and 11 (7%) subjects consisted of the most symptomatic and depressed, but without obesity or hypnoea.
      Class 5 had normal sleep indices.
      Class 6 was characterized by disturbed sleep, with low sleep heart rate variability, cortisol and sex hormones.
      Conclusion - Chronic medically unexplained fatigue is heterogeneous.
      The putative syndromes were differentiated by obesity, sleep hypnoea, depression, physiological stress response, sleep disturbance, interoception and menopausal status.
      If these syndromes are externally validated and replicated, they may prove useful in determining the causes, pathophysiology and treatments of CFS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16610946

    26. An examination of the working case definition of chronic fatigue syndroom
      Komaroff AL, Fagioli LR, Geiger AM et al. - Am J Med. 1996 Jan; 100(1): 56-64

    27. An independent assessment of chiropractic practice guidelines
      Cates JR, Young DN, Guerriero DJ, Jahn WT, Armine JP, Korbett AB, Bowerman DS, Porter RC, Sandman T, King RA, Private practice of chiropractic orthopedics, Oregon, IL 61061, USA - J Manipulative Physiol Ther. 2003 Jun;26(5):282-6 - PMID: 12819623
      Objective - To evaluate the quality of Recommended Clinical Protocols and Guidelines for the Practice of Chiropractic (ICA guidelines) published by the International Chiropractors Association (ICA), August, 2000.
      Methods - The Appraisal Instrument for Clinical Guidelines (Cluzeau instrument) was applied to the ICA guidelines by 10 independent experienced evaluators.
      An independent, global assessment was also made by each evaluator.
      Results - Mean scores (with 95% confidence limit) for each of the instrument's 3 dimensions were Rigor of Development, 27% (5.1); Context and Content, 18.3% (9.4); and Application, 2% (3.9).
      The unanimous global assessment was "not recommended as suitable for utilization in practice."
      Comparison of the ICA guideline scores with the Council on Chiropractic Practice's Clinical Practice Guideline No. 1, Vertebral Subluxation in Chiropractic Practice (CCP guidelines) scores and Guidelines for Chiropractic Quality Assurance and Practice Parameters (Mercy guidelines) Cluzeau instrument-based scores revealed that the ICA guidelines received slightly higher scores than the CCP guidelines but substantially lower scores than the Mercy guidelines for all dimensions.
      Conclusion - The ICA guidelines were assessed as not suitable for utilization in chiropractic practice.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12819623

    28. Analysis of aspects of personality and life style in chronic fatigue syndrome
      Neerinckx E, Van Houdenhove B, Bobbaers H et al. - J Chronic Fatigue Syndrome 1996; 3: 99

    29. Analysis of neuropsychological functioning in patients with chronic fatigue syndrome
      Grafman J, Schwartz V, Dale J et al. - J Neurol Neurosurg Psychiatry 1993, 56, 684-9

    30. Antidepressant therapy for unexplained symptoms and symptom syndromes
      O'Malley PG, Jackson JL, Santoro J, Tomkins G, Balden E, Kroenke K, Department of Medicine, Walter Reed Army Medical Center, Washington, DC, USA - J Fam Pract. 1999 Dec;48(12):980-90 - PMID: 10628579
      Objective
      - To determine the efficacy of antidepressant therapy for unexplained symptoms or symptom syndromes.
      Search strategies - We identified original studies through searching MEDLINE, EMBASE, PsycLIT, the Federal Research in Progress database and The Cochrane Library.
      We also searched the bibliographies of primary and review articles for additional studies.
      Selection criteria - We excluded trials of patients with neuropathic, oncologic or degenerative joint pain.
      Independent duplicate review of 392 articles identified 94 relevant reports of randomized trials involving 6595 patients across 6 symptom syndromes.
      Independent duplicate assessment was made for inclusion and data abstraction.
      Meta-analysis was performed on extractable placebo-controlled data.
      Main results - Of 94 included trials, most studied either tricyclic antidepressants, antiserotonin antidepressants, selective serotonin reuptake inhibitors (SSRIs) or multiple agents for the treatment of the following syndromes : headache (50), fibromyalgia (18), functional gastrointestinal syndromes (13), idiopathic pain (11), tinnitus (2) and chronic fatigue (2).
      The quality of the studies was fair (mean score = 4.8 on a scale of 0 to 8).
      A majority of the studies (69%) demonstrated benefit for at least one outcome measure.
      Symptom improvement typically did not correlate with depression response in the few studies where it was assessed.
      Meta-analysis of all extractable data showed a substantial benefit from antidepressants : for the dichotomous outcome of improvement, the odds ratio was 3.4 (95% confidence interval [CI], 2.6 - 4.5) and for continuous outcomes, the standardized mean difference was 0.87 (95% CI, 0.59-1.14).
      The absolute percentage difference in improvement between the antidepressant and placebo arms was 32%, yielding a number needed to treat of 3 to improve one person's symptoms.
      Meta-regression indicated no differential effect across the classes of antidepressants; however, onbivariate tally tricyclic studies were associated with a greater likelihood of efficacy than SSRI studies (P = .02).
      Conclusions - Antidepressants can be effective for various physical symptoms and symptom syndromes.
      The relation of outcome to depression and the efficacy of SSRIs needs further study.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10628579

    31. Antidepressants for depression in medical illness (review)
      Gill D, Hatcher S - Cochrane Database Syst Rev. 2000(4):CD001312
      Cfr. :
      - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/sites/entrez?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=11034712&dopt=Citation
      - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/17636666?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVCita
      tion

      - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10796770?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVCita
      tion

    32. Antiviral pathway activation in patients with chronic fatigue syndrome and acute infection
      Gow JW, Simpson K, Behan PO et al. - Clin Infect Dis 2001;33:2080-1
      Gene expression of key enzymes in 2 antiviral pathways (ribonuclease latent [RNase L] and RNA-regulated protein kinase [PKR]) was compared in 22 patients with chronic fatigue syndrome (CFS), 10 patients with acute gastroenteritis and 21 healthy volunteers.
      Pathway activation in the group of patients with infections differed significantly from that of the other 2 groups, in whom there was no evidence of upregulation.
      Therefore, assay of activation is unlikely to provide the basis for a diagnostic test for CFS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11698994

    33. Are all evidence-based practices alike ? - Problems in the ranking of evidence
      Upshur RE, Primary Care Research Unit, University of Toronto, Toronto, Ont. : rupshur@idirect.com - CMAJ. 2003 Sep 30;169(7):672-3 - PMID: 14517125
      Cfr. : http://www.cmaj.ca/cgi/reprint/169/7/672.pdf

    34. Are nonspecific practice guidelines potentially harmful ? - A randomized comparison of the effect of nonspecific versus specific guidelines on physician decision making
      Shekelle PG, Kravitz RL, Beart J, Marger M, Wang M, Lee M, Veterans Affairs Health Services Research & Development Service, West Los Angeles Veterans Affairs Medical Center, CA 90073, USA - Health Serv Res. 2000 Mar;34(7):1429-48 - PMID: 10737446
      Objective - To test the ability of two different clinical practice guideline formats to influence physician ordering of electrodiagnostic tests in low back pain.
      Data sources / Study design - Randomized controlled trial of the effect of practice guidelines on self-reported physician test ordering behavior in response to a series of 12 clinical vignettes.
      Data came from a national random sample of 900 U.S. neurologists, physical medicine physicians and general internists.
      Intervention - Two different versions of a practice guideline for the use of electrodiagnostic tests (EDT) were developed by the U.S. Agency for Health Care Policy and Research Low Back Problems Panel.
      The two guidelines were similar in content but varied in the specificity of their recommendations. DATA
      Collection - The proportion of clinical vignettes for which EDTs were ordered for appropriate and inappropriate clinical indications in each of three physician groups were randomly assigned to receive vignettes alone, vignettes plus the nonspecific version of the guideline or vignettes plus the specific version of the guideline.
      Principal findings - The response rate to the survey was 71 percent.
      The proportion of appropriate vignettes for which EDTs were ordered averaged 77 percent for the no guideline group, 71 percent for the nonspecific guideline group and 79 percent for the specific guideline group (p = .002).
      The corresponding values for the number of EDTs ordered for inappropriate vignettes were 32 percent, 32 percent and 26 percent, respectively (p = .08).
      Pairwise comparisons showed that physicians receiving the nonspecific guidelines ordered fewer EDTs for appropriate clinical vignettes than did physicians receiving no guidelines (p = .02).
      Furthermore, compared to physicians receiving nonspecific guidelines, physicians receiving specific guidelines ordered significantly more EDTs for appropriate vignettes (p = .0007) and significantly fewer EDTs for inappropriate vignettes (p = .04).
      Conclusions - The clarity and clinical applicability of a guideline may be important attributes that contribute to the effects of practice guidelines.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10737446

    35. Assessing attitudes toward new names for chronic fatigue syndrome
      Jason LA, Eisele H, Taylor RR Ė Eval Health Prof 2001;24:424-35
      Cfr. : http://ehp.sagepub.com/cgi/content/abstract/24/4/424?ck=nck

    36. Assessing the quality of research
      Glasziou P, Vandenbroucke J, Chalmers I - BMJ 2004;328:39-41
      Cfr. : http://www.bmj.com/cgi/content/extract/328/7430/39

    37. Attributes of clinical recommendations that influence change in practice following audit and feedback
      Foy R, MacLennan G, Grimshaw J, Penney G, Campbell M, Grol R, The University of Edinburgh, Department of Obstetrics & Gynaecology, 37 Chalmers Street, UK : R.Foy@ed.ac.uk - J Clin Epidemiol. 2002 Jul;55(7):717-22 - PMID: 12160920
      The object of this study was to determine which attributes of clinical practice recommendations influence changes in clinical practice following audit and feedback.
      This was an observational study using multilevel modeling to examine the relationship between attributes of clinical practice recommendations and compliance with the recommendations before and after audit and feedback.
      Sixteen hospital gynecology units in Scotland participated in a national audit project.
      Clinical practice recommendations covering selected gynecological topics were developed and data collected to assess baseline (preintervention) compliance.
      Summaries of performance were fed back to consultant gynecologists in each hospital and follow-up (postintervention) data were collected.
      Trained audit assistants used standardized forms to abstract data from case notes.
      Compliance data were available at baseline and follow-up for a total of 42 clinical practice recommendations.
      Altogether, 4,664 case notes contributed to baseline data and 4,382 to follow-up data.
      Thirteen attributes describing clinical practice recommendations were developed, based upon previous work and pretested.
      A panel of seven consultant gynecologists rated the extent to which each of the 42 recommendations possessed each of the 13 attributes.
      The main outcome measures were the association of each attribute with compliance and with changes in clinical practice.
      Recommendations compatible with clinician values and not requiring changes to fixed routines were independently associated with greater compliance at baseline and follow-up.
      However, recommendations incompatible with clinician values were independently associated with greater change in practice following audit and feedback.
      Attributes of recommendations may influence the effectiveness of audit and feedback in secondary care.
      Recommendations seen as incompatible with clinician values are associated with lower compliance but greater behavioral change following audit and feedback.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12160920

    38. Attributions and self-esteem in depression and chronic fatigue syndromes
      Powell R, Dolan R, Wessely S - J Psychosom Res 1990; 34: 665-73


    Lees verder : Deel XXI

    25-11-2009 om 20:40 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (1 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XXI

    1. Autonomic function in panic disorder - Cardiorespiratory and plasma catecholamine responsivity to multiple challenges of the autonomic nervous system
      Presented in part at the 1992 Annual Meeting of the American College of Neuropsychopharmacology, San Juan, Puerto Rico, December 16, 1992 and at the 48th Annual Meeting of the Society for Biological Psychiatry, San Francisco, CA, May 20, 1993
      Murray B. Steinab, Gordon J.C. Asmundsonab Ė a From the Anxiety Disorders Research Program, Department of Psychiatry, University of Manitoba, Winnipeg, Manitoba, Canada Ė b Department of Pharmacology, University of Manitoba, Winnipeg, Manitoba, Canada - Address reprint requests to : Murray B. Stein, MD, FRCPC, Anxiety & Traumatic Stress Disorders Research Program, Department of Psychiatry, University of California, San Diego Veterans Administration Medical Center, 3350 La Jolla Village Drive, San Diego, California 92161, USA - Biol Psychiatry 1994;Volume 36, Issue 8, Pages 548-558 (15 October 1994)
      We are grateful to Mariette J. Chartier, RN, BSc, for help in conducting the autonomic function studies, to Thomas W. Millar BSc(Eng) for his development of the data acquisition and reduction software, to Ken Dhalla and Dr. Naranjan S. Dhalla for providing the catecholamine assays, to Doug Tataryn, PhD for his assistance with data analysis and to Anjala Bharadwaj for her help in setting up and piloting the autonomic testing procedures. We are also indebted to Meir H. Kryger, MD for the use of his clinical laboratory facilities.
      This investigation was supported in part by grant MA-11344 (to MBS) and a Scholarship Award (to MBS) both from the Medical Research Council of Canada and a Postdoctoral Fellowship Award (to GJGA) from the Manitoba Health Research Council.

      Panic disorder has been widely hypothesized to be associated with dysfunction of the autonomic nervous system.
      In this study, 24 patients with panic disorder and 26 healthy control subjects took part in a broad battery of autonomic function tests, each designed to stress the autonomic nervous system in a particular fashion.
      Testing consisted of postural challenge, isometric exercise, cold pressor and Valsalva maneuver.
      Dependent measures included heart rate, vagal tone, blood pressure, respiratory frequency, end-tidal CO2 levels and plasma norepinephrine and epinephrine levels.
      The testing procedures reliably produced changes in autonomic output in the expected directions, but patients with panic disorder were not found to differ from healthy controls in their cardiorespiratory or plasma catecholaminergic responses.
      This pattern of normal autonomic responsivity in the patients with panic disorder was evident across multiple test conditions with varying autonomic demand characteristics, thereby supporting the integrity of autonomic regulatory systems in this illness.
      These data run counter to a simple notion of autonomic dysfunction in panic disorder.
      Cfr. : http://www.journals.elsevierhealth.com/periodicals/bps/article/PII000632239490619X/ab
      stract

    2. Barriers to initiating depression treatment in primary care practice
      Nutting PA, Rost K, Dickinson M, Werner JJ, Dickinson P, Smith JL, Gallovic B, Center for Research Strategies, Suite 1150, 225 E 16th Avenue, Denver, CO 80203, USA : Paul.Nutting@CRSLLC.org - J Gen Intern Med. 2002 Feb;17(2):103-11 - PMID: 11841525
      Objective and design - This study used qualitative and quantitative methods to examine the reasons primary care physicians and nurses offered for their inability to initiate guideline-concordant acute-phase care for patients with current major depression.
      Participants and setting - Two hundred thirty-nine patients with 5 or more symptoms of depression seeing 12 physicians in 6 primary care practices were randomized to the intervention arm of a trial of the effectiveness of depression treatment.
      Sixty-six (27.6%) patients identified as failing to meet criteria for guideline-concordant treatment 8 weeks following the index visit were the focus of this analysis.
      Methods - The research team interviewed the 12 physicians and 6 nurse care managers to explore the major reasons depressed patients fail to receive guideline-concordant acute-phase care.
      This information was used to develop a checklist of barriers to depression care.
      The 12 physicians then completed the checklist for each of the 64 patients for whom he or she was the primary care provider.
      Physicians chose which barriers they felt applied to each patient and weighted the importance of the barrier by assigning a total of 100 points for each patient.
      Cluster analysis of barrier scores identified naturally occurring groups of patients with common barrier profiles.
      Results - The cluster analysis produced a 5-cluster solution with profiles characterized by patient resistance (19 patients, 30.6%), patient noncompliance with visits (15 patients, 24.2%), physician judgment overruled the guideline (12 patients, 19.3%), patient psychosocial burden (8 patients, 12.9%) and health care system problems (8 patients, 12.9%).
      The physicians assigned 4,707 (75.9%) of the 6,200 weighting points to patient-centered barriers.
      Physician-centered barriers accounted for 927 (15.0%) and system barriers accounted for 566 (9.1%) of weighting points.
      Twenty-eight percent of the patients not initiating guideline-concordant acute-stage care went on to receive additional care and met criteria for remission at 6 months, with no statistical difference across the 5 patient clusters.
      Conclusions - Current interventions fail to address barriers to initiating guideline-concordant acute-stage care faced by more than a quarter of depressed primary care patients.
      Physicians feel that barriers arise most frequently from factors centered with the patients, their psychosocial circumstances and their attitudes and beliefs about depression and its care.
      Physicians less frequently make judgments that overrule the guidelines, but do so when patients have complex illness patterns.
      Further descriptive and experimental studies are needed to confirm and further examine barriers to depression care.
      Because few untreated patients improve without acute-stage care, additional work is also needed to develop new intervention components that address these barriers.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11841525

    3. Behavioral health disability management
      Conti, DJ; Burton, WN Ė In : 'The Employee Assistance Handbook' Ė cfr. : http://www.amazon.com/Employee-Assistance-Handbook-James-Oher/dp/0471242527 - Oher JM, editor - John Wiley & Sons, Inc.; New York : 1999
      Cfr. : http://books.google.be/books?id=ThB74jM8fU8C&pg=PA319&lpg=PA319&dq=Conti+-+Behavioral+health+disability+management&source=bl&ots=vnc-RbwMY5&sig=BhveLep1jz96U7oAD7uUU9-BJiQ&hl=nl&ei=W30QSraOJN26jAfXuKXGBg&sa=X&oi=book_result&ct=result&resnum
      =1

    4. Behavioral medicine approaches to somatoform disorders
      Looper KJ, Kirmayer LJ - J Consult Clin Psychol 2002;70:810-27
      This article reviews the research evidence for the efficacy of cognitive-behavioral therapy (CBT) for somatoform disorders.
      Randomized controlled studies support the efficacy of individual CBT for the treatment of hypochondriasis, body dysmorphic disorder (BDD) and undifferentiated somatoform disorders including medically unexplained symptoms, chronic fatigue syndrome and noncardiac chest pain and group CBT for the treatment of BDD and somatization disorder.
      On the basis of this review of the existing research and a theoretical model of the processes involved in somatoform disorders, the authors offer suggestions for future research and effective treatment.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12090385

    5. Beyond somatisation - A review of the understanding and treatment of medically unexplained physical symptoms (MUPS)
      Burton C - Br J Gen Pract 2003;53:231-9
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1314551/

    6. Bi-directional immune-brain communication - Implications for understanding stress, pain and cognition
      Maier SF - Brain Behav Immun 2003;17:69-85
      The immune system and the central nervous system form a bi-directional communication network.
      The critical roles of pro-inflammatory cytokines in both the periphery and the nervous system are discussed.
      In the periphery, these cytokines initiate the processes that signal the brain that immune activation has occurred and communicate this information over both neural and blood-borne routes.
      The arrival of these signals in the central nervous system induces a neural cascade that includes the de novo induction of pro-inflammatory cytokines.
      The functions of these cytokines in the nervous system are discussed and it is argued that they play a key role in regulating the neural control of immune processes in the periphery.
      In addition, it is argued that these cytokines play a variety of other roles and some implications of the cytokine network for understanding stress, behavior, sensory processing, mood and cognition are described.
      The overall argument is that because brain-mediated host defense involves behavioral, sensory, mood and cognitive alterations, immune activation and immune products such as the cytokines can have a pervasive effect on these functions.
      Finally, these phenomena are placed in an evolutionary perspective.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12676570

    7. Bias and prevalence effects on kappa viewed in terms of sensitivity and specificity
      Hoehler FK, Data Management Center, 210 South Batavia Street, Orange, CA 92868, USA - J Clin Epidemiol. 2000 May;53(5):499-503 - PMID: 10812322
      Paradoxical effects of bias and prevalence on the kappa coefficient are examined using the concepts of sensitivity and specificity.
      Results that appear paradoxical when viewed as a 2 x 2 table of frequencies do not appear paradoxical when viewed as a pair of sensitivity and specificity measures where each observer is treated as a predictor of the other observer.
      An adjusted kappa value can be obtained from these sensitivity/specificity measures but simulation studies indicate that it would result in substantial overestimation of reliability when bias or prevalence effects are observed.
      It is suggested that investigators concentrate on obtaining populations with trait prevalence near 50% rather than searching for statistical indices to rescue or excuse inefficient experiments.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10812322

    8. Bias, prevalence and kappa
      Byrt T, Bishop J, Carlin JB, Clinical Epidemiology and Biostatistics Unit, Royal Children's Hospital Research Foundation, Parkville, Victoria, Australia - J Clin Epidemiol. 1993 May;46(5):423-9 - PMID: 8501467
      Since the introduction of Cohen's kappa as a chance-adjusted measure of agreement between two observers, several "paradoxes" in its interpretation have been pointed out.
      The difficulties occur because kappa not only measures agreement but is also affected in complex ways by the presence of bias between observers and by the distributions of data across the categories that are used ("prevalence").
      In this paper, new indices that provide independent measures of bias and prevalence, as well as of observed agreement, are defined and a simple formula is derived that expresses kappa in terms of these three indices.
      When comparisons are made between agreement studies it can be misleading to report kappa values alone and it is recommended that researchers also include quantitative indicators of bias and prevalence.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8501467

    9. Biochemical a evidence for a novel low molecular weight 2-5-A-dependent RNase L in chronic fatigue syndrome
      Suhadolnik RJ, Peterson DL, O'Brien et al. - J Interferon and Cytokine Res 1997; 17 July: 377-85

    10. Biological stress markers and misconceptions about them
      Theorell T - Stress Health 2003;:59-60
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/jws/smi/2003/00000019/00000002/art00960

    11. Brain chemistry reflects dual states of pain and anxiety in chronic low back pain
      Grachev ID, Fredrickson BE, Apkarian AV, Department of Anesthesiology, SUNY Upstate Medical University, Syracuse, NY, USA : grachevi@hotmail.com - J Neural Transm. 2002 Oct;109(10):1309-34 - PMID: 12373563
      The neurobiology of the interaction between pain and anxiety is unknown.
      The present study examined interrelationships between : regional brain chemistry (as identified by in vivo proton magnetic resonance spectroscopy [(1)H-MRS] in dorsolateral prefrontal cortex [DLPFC], orbitofrontal cortex [OFC], cingulate and thalamus), pain (as measured by short form of the McGill Pain Questionnaire [SF-MPQ]) and anxiety (measured by the State-Trait Anxiety Inventory) in chronic low back pain (CLBP) patients and contrasted to the relationship between brain chemistry and anxiety in sex and age-matched normal subjects.
      The results show that brain chemistry depends on a 3-way interaction of brain regions examined, subject groups (normal vs. CLBP) and anxiety levels (high vs. low).
      The concentration of N-Acetyl aspartate (the largest peak in (1)H-MRS) in OFC could distinguish between anxiety levels and between subject groups.
      Chemical-perceptual relationships were analyzed by calculating correlations between regional chemicals and perceptual measures of pain and anxiety.
      To isolate pain from anxiety, these maps were subdivided based on anxiety and, in the CLBP patients along anxiety-more-related vs. anxiety-less-related pain descriptors and along sensory vs. affective pain descriptors.
      There was a precise relationship between perception and brain chemistry.
      The chemical-perceptual network best related to pain in CLBP patients was comprised of the DLPFC and OFC; the chemical-anxiety network was best related to the OFC chemistry in normals and to all four regions studied in CLBP patients; and the cingulate was best related to the affective component of pain.
      We conclude that the chemical-perceptual mapping differentiates between closely related perceptual states of pain and anxiety in chronic pain and provides a brain regional-chemical-perceptual description of the long-term reorganization that occurs with chronic pain.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12373563

    12. Building an evidence base for occupational health interventions
      Verbeek J, Husman K, van Dijk F, Jauhiainen M, Pasternack I, Vainio H, Kuopio Regional Institute of Occupational Health, Department of Research and Development in Occupational Health, Finland : Jos.Verbeek@ttl.fi - Scand J Work Environ Health. 2004 Apr;30(2):164-70 - PMID: 15127785
      This article summarizes arguments for building an evidence base for occupational health.
      Evidence is needed on the most effective ways of eliminating health hazards in the workplace and at work, enhancing healthy behavior or the empowerment of workers and preventing and treating occupational diseases and occupational disability.
      An evidence base for occupational health must include systematic reviews.
      The Cochrane Collaboration has brought together some of the evidence; however, a search for systematic reviews on the top priorities in occupational health research showed that systematic reviews are lacking in many areas.
      Current reviewing methods can be adapted to the special features of occupational health.
      It is concluded that more effort should be invested in the preparation, maintenance and dissemination of systematic reviews in order to create a necessary evidence base for occupational health interventions.
      Occupational health could benefit considerably from greater awareness of the evidence for and against various types of intervention.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15127785

    13. Buildingí a history rather than ĎTakingí one - A perspective on information sharing during the medical interview
      Haidet P, Paterniti DA - Arch Intern Med 2003;163:1134-40
      Patients and physicians enter the medical encounter with unique perspectives on the illness experience.
      These perspectives influence the way that information is shared during the initial phase of the interview.
      Previous research has demonstrated that patients who are able to fully share their perspective often achieve better outcomes.
      However, studies of patient-physician communication have shown that the patient's perspective is often lost.
      Researchers and educators have responded with calls for practitioners to adopt a "narrative-based medicine" approach to the medical interview.
      In this article, we review the literature on narrative-based medicine with an emphasis on information sharing during the medical interview.
      We suggest a framework of skills and attitudes that can act as a foundation for future work in educating practitioners and researching the medical interview.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12767949

    14. Can depression treatment in primary care reduce disability ? - A stepped care approach
      Lin EH, VonKorff M, Russo J, Katon W, Simon GE, UnŁtzer J, Bush T, Walker E, Ludman E, Center for Health Studies, Group Health Cooperative of Puget Sound, Center for Health Studies, Met Park II, 1730 Minor Ave, Suite 1600, Seattle, WA 98101-1448, USA : lin.e@ghc.org - Arch Fam Med. 2000 Nov-Dec;9(10):1052-8 - PMID: 11115207
      Objective - To assess effects of stepped collaborative care depression intervention on disability. DESIGN: Randomized controlled trial.
      Setting - Four primary care clinics of a large health maintenance organization.
      Patients - Two hundred twenty-eight patients with either 4 or more persistent major depressive symptoms or a score of 1.5 or greater on the Hopkins Symptom Checklist. Depression items were randomized to stepped care intervention or usual care 6 to 8 weeks after initiating antidepressant medication.
      Intervention - Augmented treatment of persistently depressed patients by an on-site psychiatrist collaborating with primary care physicians.
      Treatment included patient education, adjustment of pharmacotherap and proactive monitoring of outcomes.
      Main outcome measures - Baseline, 1-, 3-, and 6-month assessments of the Sheehan Disability Scale and the social function and role limitation subscales of the Medical Outcomes Study 36-Item Short-Form Health Survey (SF-36).
      Results - Patients who received the depression intervention experienced less interference in their family, work and social activities than patients receiving usual primary care (Sheehan Disability Scale, z = 2.23; P =.025).
      Patients receiving intervention also reported a trend toward more improvement in SF-36-defined social functioning than patients receiving usual care (z = 1.63, P =.10), but there was no significant difference in role performance (z = 0.07, P =.94).
      Conclusions - Significant disability accompanied depression in this persistently depressed group.
      The stepped care intervention resulted in small to moderate functional improvements for these primary care patients.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11115207

    15. Caring for a relative with chronic fatigue syndrome - Difficulties, cognition and acceptance over time
      Ax S, Gregg VH, Jones D - J R Soc Health 2002;122:35-42
      Cfr. : http://rsh.sagepub.com/cgi/content/abstract/122/1/35

    16. Case control study of chronic fatigue in pediatric patients
      Carter BD, Edwards JF, Kronenberger WG et al. - Pediatrics 1995;95:179-86

    17. Causal attributions for somatic sensations in patients with chronic fatigue syndrome and their partners
      Butler JA, Chalder T, Wessely S, Department of Psychological Medicine, Maudsley Hospital, London - Psychol Med. 2001 Jan;31(1):97-105 - PMID: 11200964
      Background - Patients with chronic fatigue syndrome (CFS) often make somatic attributions for their illness which has been associated with poor outcome.
      A tendency to make somatic attributions in general may be a vulnerability factor for the development of CFS.
      Methods - This cross-sectional study based on self-report questionnaire data aimed to investigate the type of attributions for symptoms made by patients with CFS and to compare this to attributions made by their partners.
      It was hypothesized that patients with CFS would make more somatic attributions for their own symptoms than control subjects and that partners of patients with CFS would make more somatic attributions for their ill relative's symptoms but would be similar to controls regarding their own symptoms.
      Fifty patients with CFS were compared to 50 controls from a fracture clinic in the same hospital and 46 relatives living with the patients with CFS.
      A modified Symptom Interpretation Questionnaire was used to assess causal attributions.
      Results - CFS patients were more likely to make somatic attributions for their symptoms.
      The relatives of patients with CFS made significantly more somatic attributions for symptoms in their ill relative.
      However, they were like the fracture clinic controls in terms of making predominantly normalizing attributions for their own symptoms.
      Conclusions - The data support modification of existing cognitive behavioural treatments for CFS to investigate whether addressing partners' attributions for patients' symptoms improves recovery in the patient.
      Furthermore, a tendency to make somatic attributions for symptoms may be a vulnerability factor for the development of CFS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11200964

    18. CCH Unscheduled Absence Survey 2006
      CCH, Inc. : http://onlinestore.cch.com
      Cfr. : http://www.cch.com/absenteeism2006/default.asp

    19. Challenges to conventional thinking about mind and body
      Paul Grossman, Freiburg Institute for Mindfulness Research, Konradstrasse 32, 79100, Freiburg, Germany - E-mail address : BreathingSpace@t-online.de - Journal of Psychosomatic Research 55 (2003) 491Ė492 - D 2003 Elsevier Inc.
      The notion that physical symptoms of sane individuals may sometimes bear little or no relationship to measurable physiological functioning is counterintuitive to most us, whether we are lay people, psychologists, physicians or even psychosomatic experts.
      Such an idea profoundly violates nearly everyoneís ordinary view of reality and challenges our sense of safety in the world : if we cannot trust those filtered cortical transmissions telling us that something is happening to our body, what can we believe ?
      If our bodily perceptions are so error-prone, how do we know when we ought to be truly alarmed by somatic symptoms ?
      If we possess a nervous or fearful disposition, does this mean we are doomed to Ďinventí or Ďamplifyí physical symptoms and are even more unable than less anxious types to distinguish between genuine physiological alterations and misperceptions ?
      Precisely, these kinds of issues are raised by the research in this issue by Houtveen et al.
      The authors report that the extent of self-rated somatic symptoms during mental stress and CO2 rebreathing was generally unrelated to a variety of cardiovascular, autonomic and ventilatory measures, but it was, on the other hand, strongly and positively associated with trait anxiety and a history of physical complaints.
      These findings correspond to a number of studies that have found no exaggerated physiological reactivity to relevant laboratory stressors among individuals marked by a heightened proclivity to physical complaints and/or chronic anxiety.
      However, it remains unclear why still other investigations of anxiety accompanied by extreme physical symptoms, as in panic disorder, sometimes do find concurrent evidence of atypical physiological levels or reactivity.
      Do these other findings represent real distinctions between normal individuals and patients with distinct types of anxiety disorder, as suggested by differences in laboratory studies of cardiovascular autonomic control between panic patients and normal controls (e.g., Ref. [1]) or by Kleinís suffocation alarm theory of panic disorder [2] in which impaired central regulation of respiration is proposed as a primary cause of the disorder ?
      Or could it merely be that most studies have taken place not in the real world, but in a laboratory environment, often without sufficient time for subjects to adapt themselves to the unfamiliar setting and physiological measurement devices.
      One might reasonably assume that particularly under nonadapted conditions, chronically anxious patients may display greater laboratory physiological responses than nonanxious controls, but that these variations may not necessarily reflect real-life, neurophysiological differences between the groups, as so often suggested in the literature.
      Regarding panic disorder, such laboratory specificity of response is supported by several studies : for example, Stein and Asmundson [3,4] found no autonomic or cardiovascular differences during rest or challenge between panic patients and controls after they employed an extended acclimatization phase.
      An ambulatory study of panic disorder patients and healthy controls also found no differences in cardiac activity between groups under reallife conditions [5].
      Still other research reviewed by Houtveen et al. indicates that even under typical laboratory conditions, highly relevant stressors, such as public speaking, often produce no exaggerated physiological reactions among social phobics, although somatic symptom reporting and anxiety are greatly elevated.
      Furthermore, even when we consider those publications where differences between patient and control groups are reported, there are always large proportions of the patient groups who produce no atypical physiological baseline levels or reactions to stressors, although subjective reports of physical symptoms and anxiety are consistently elevated among these patients.
      When such diverse evidence is considered, incongruence between physiology and experience of anxiety and somatic complaints seems very credible.
      But how can we understand this lack of concordance between physiology and symptomatology ?
      In general, the literature has primarily focused upon the cognitiveĖbehavioral explanation that chronically anxious individuals manifest a tendency toward increased attention to and amplification of bodily symptoms related to consequences of negative, often catastrophic appraisal of somatic sensations.
      However, equally plausible is the possibility that states of anxiety actually alter the central nervous system circuitry so that visceral perceptions are, indeed, more unpleasant or painful.
      Subsequent negative appraisal and aversive responses to bodily sensation may be epiphenomenal to this altered central processing of somatic sensation.
      Increasing support for this second hypothesis has been gathered by imaging and pharmacological studies in recent years, especially by investigations examining relations between pain and anxiety.
      Interactions between serotonergic and endorphinic systems and chemicalĖperceptual mapping of cortical regions, provide evidence of central links between anxiety and interoceptive experience [6,7].
      Also, emotion-related limbic functioning has been tied to central sensory up-regulation [8] and specific hippocampal networks that exacerbate pain under anxiety-provoking conditions have been identified [9].
      These are just a few examples of the growing body of evidence that indicate that the experience of unpleasant or painful bodily sensations does, in fact, reflect accurate perception during anxious times, despite the lack of heightened peripheral physiological activity.
      Should such an intimate connectedness of emotion and somatic experience continue to be supported by future investigation, we may need to rethink current ideas about mindĖbody relations.
      At least in terms of interpreting subjective experience of psyche and soma, it may be useful to reexamine pre-Cartesian, even ancient Buddhist views of an inseparable mind/body, in which emotional state (among other things) centrally conditions our every perception.
      For example, the simple wisdom : ĎĎWhen an ordinary person is contacted by a painful feeling, he feels two feelings ó a bodily one and a mental oneíí [10].
      In this light, one may gain courage to attempt to answer the questions posed at the beginning of this commentary : unpleasant somatic symptoms may always tell us something is awry, but only sometimes is peripheral physiological functioning the problem.
      Paying close and impartial attention to our bodies during emotional states may also teach us that we store much of our emotional dysphoria in our bodily sensations, even if these sensations are mainly located at the top of our heads : we ought not to forget that physical symptoms constitute major diagnostic criteria for almost all clinical psychiatric disorders and these symptoms are rarely accompanied by convincing evidence of actual physiological dysfunction.
      Studies like that of Houtveen et al. force us to step out of our perhaps dated scientific paradigms and consider other ways of understanding the embodied mind.
      Cfr. : http://www.mbsr-freiburg.de/files/2003_Grossman_JPR_mind-body.pdf

    20. Changing clinical behaviour by making guidelines specific
      Susan Michie, reader in clinical health psychology1, Marie Johnston, professor of psychology2 - 1 Centre for Outcomes Research and Effectiveness, Department of Psychology, University College London, London WC1E 7HB -- 2 School of Psychology, King's College, University of Aberdeen, Aberdeen, AB24 2UB - Correspondence to : S Michie : s.michie@ucl.ac.uk Ė BMJ 2004;328:343-345 (7 February)
      Efforts to get doctors to follow guidelines have overlooked the importance of clear and concise recommendations
      The problems of getting people to act on evidence based guidelines are widely recognised.
      An overview of 41 systematic reviews found that the most promising approach was to use a variety of interventions including audit and feedback, reminders and educational outreach.
      The effective interventions often involved complicated procedures and were always an addition to the provision of guidelines.
      None of the studies used the simplest interventionóthat is, changing the wording of the guidelines.
      We examine the importance of precise behavioural recommendations and suggest how some current guidelines could be improved.
      Importance of wording
      The wording of a behavioural instruction affects the likelihood that it will be followed, by influencing comprehension, recall, planning and behaviour.
      For example, work by Philip Ley shows that using specific concrete statements increases the extent to which information is both understood and remembered.
      Individuals who intend to change behaviour are more successful if they have a specific behavioural plan.
      A recognised technique of behaviour modification is to define the target behaviour in specific and concrete terms.
      In a study of attributes of 10 national clinical guidelines, general practitioners followed the guidelines on 67% of occasions if they were concrete and precise but on only 36% of occasions when they were vague and non-specific.
      Implementation of guidelines might therefore be improved by defining the crucial elements precisely.
      Clear specification also makes it possible to assess whether the guideline has been followed.
      Specifying behaviour
      Recommendations in guidelines are rarely specified in precise behavioural terms such as what, who, when, where and how.
      An example is the first clinical guideline to be developed and published by the National Institute for Clinical Excellence, which has been widely circulated throughout the NHS.
      Despite the high quality review of evidence underpinning the guideline, the recommendations are not behaviourally specific.
      The guideline is long, with the recommendations in the short form exceeding 20 pages.
      This may result in recommendations getting lost.
      Furthermore, the style of presentation of the guidelines does not optimise implementation.
      Table 1 gives the main (grade A, based on randomised controlled trials) recommendations with suggestions on how they could be behaviourally specified.
      We have limited the suggestions to what and who, but where, when and how could be similarly added.
      We have used active verbs rather than general exhortations (should) or descriptions (may).
      Translating the recommendations in this way revealed two areas of uncertainty.
      In the first example, it is unclear whether day hospital treatment should be encouraged or merely offered; in the fifth, it is unclear whether depot preparations should be prescribed for everyone with schizophrenia.
      -- Table 1 - Suggested amendments to published guidelines on schizophrenia to improve specification of behaviour --
      Constructing the who component of the recommendation showed that the specification of the health professional is slightly different in each of the five recommendations.
      In practice, the same person may carry out each of the defined functions, but it could be two or more people.
      The person specification clarifies the initial steps of implementing the guideline for trust boards.
      This analysis suggests that these guidelines may have been developed to offer general guidance rather than prescriptive action.
      However, similar patterns are present in the subsequent three evidence based guidelines published by the National Institute for Clinical Excellence.
      Table 2 gives one grade A recommendation from each guideline and illustrative questions that remain unanswered by the guidelines' wording.
      -- Table 2 - Illustrative grade A recommendations from three National Institute for Clinical Excellence guidelines and questions about behavioural specifications --
      Analysing and changing behaviour
      Specifying behaviour precisely serves two functions in implementing guidelines.
      Firstly, as described above, it makes implementation more likely; there is greater clarity about what is required and greater certainty about whether it has been accomplished.
      Secondly, it allows a systematic investigation of the way that the behaviour is linked to what occurs before (antecedents) and what occurs after (consequences).
      Antecedents and consequences can operate as either facilitators of or barriers to, behaviour.
      Changing these is a powerful way of changing behaviour.
      The scientific analysis of the relations between antecedents, behaviour, and consequences (ABC) is known as behavioural analysis or functional analysis and was developed within clinical psychology.
      Examples of manipulating antecedents and consequences and observing the effect on a defined behaviour come from two experimental studies of referral rates of general practitioners.
      The first introduced an antecedent cue to increase referral rates for mammography.
      The cue was a sticker in a schematic breast shape with a bright orange dot placed on the charts of women aged over 50 years.
      Referral rates were higher in this condition than in the control condition.
      The second study evaluated an intervention to reduce the frequency that general practitioners ordered radiography of the lumbar spine and knee.
      Each time the general practitioner ordered an x ray examination, the results were accompanied by an educational sticker that reiterated the guidelines.
      This reduced the frequency of ordering by 20%, in line with the recommendations of the Royal College of Radiologists.
      Conclusion
      Ample evidence exists to support the argument that the simplest, most cost effective intervention to increase the implementation of guidelines is rewriting guidelines in behaviourally specific terms.
      Future research could compare the effectiveness of rewritten guidelines with that of the original before assessing more complex interventions.
      Interventions should be developed on the basis of an analysis of the antecedents and consequences controlling implementation behaviours.
      This analysis should be informed by relevant psychological theory.
      Cfr. : http://www.bmj.com/cgi/content/full/328/7435/343

    21. Changing provider behavior - An overview of systematic reviews of interventions
      Grimshaw JM, Shirran L, Thomas R, Mowatt G, Fraser C, Bero L, Grilli R, Harvey E, Oxman A, O'Brien MA, Health Services Research Unit, University of Aberdeen, Foresterhill, United Kingdom. j.m.grimshaw@abdn.ac.uk - Med Care. 2001 Aug;39(8 Suppl 2):II2-45 - PMID: 11583120
      Background - Increasing recognition of the failure to translate research findings into practice has led to greater awareness of the importance of using active dissemination and implementation strategies.
      Although there is a growing body of research evidence about the effectiveness of different strategies, this is not easily accessible to policy makers and professionals.
      Objectives - To identify, appraise, and synthesize systematic reviews of professional educational or quality assurance interventions to improve quality of care.
      Research design - An overview was made of systematic reviews of professional behavior change interventions published between 1966 and 1998.
      Results - Forty-one reviews were identified covering a wide range of interventions and behaviors.
      In general, passive approaches are generally ineffective and unlikely to result in behavior change.
      Most other interventions are effective under some circumstances; none are effective under all circumstances.
      Promising approaches include educational outreach (for prescribing) and reminders.
      Multifaceted interventions targeting different barriers to change are more likely to be effective than single interventions.
      Conclusions - Although the current evidence base is incomplete, it provides valuable insights into the likely effectiveness of different interventions.
      Future quality improvement or educational activities should be informed by the findings of systematic reviews of professional behavior change interventions.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11583120

    22. Changing the behavior of healthcare professionals - The use of theory in promoting the uptake of research findings
      Eccles M, Grimshaw J, Walker A, Johnston M, Pitts N, Centre for Health Services Research, University of Newcastle upon Tyne, 21 Claremont Place, Newcastle upon Tyne, NE2 4AA, UK : martin.eccles@ncl.ac.uk - J Clin Epidemiol. 2005 Feb;58(2):107-12 - PMID: 15680740
      Objective - The uptake of research findings into routine health care is a haphazard and unpredictable process.
      The usefulness of the results of implementation studies is limited, due in part to the lack of an underlying framework of the important dimensions of research studies in this area and the healthcare settings within which they are conducted and may subsequently be used.
      Study design and settings - We explore the role for a theory-based framework and suggest some of the methods that would be needed to operationalize the framework in the context of designing and conducting interventions aimed at improving the use of research findings by individual healthcare professionals or teams.
      Conclusions - This research offers a framework for those who would seek to use the results of such studies in routine healthcare settings.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15680740
      Also see the comment on this article 'The OFF theory of research utilization' - Oxman AD, Fretheim A, Flottorp S, Norwegian Health Services Research Centre, Informed Choice Research Department, PO Box 7004, St. Olavs Plass, Oslo, Norway : oxman@online.no - J Clin Epidemiol. 2005 Feb;58(2):113-6; discussion 117-20 - PMID: 15680741 at : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15680741?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Disco
      veryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    23. Characteristics of effective clinical guidelines for general practice
      Jako S Burgers, Richard P T M Grol, Joost O M Zaat, Teun H Spies, Akke K van der Bij, and Henk G A Mokkink, Centre for Quality of Care Research (WOK), University Medical Centre, Nijmegen, PO Box 9101, 6500 HB Nijmegen, Netherlands. burgersj@knmg.nl - Br J Gen Pract. 2003 January; 53(486): 15Ė19 - PMCID: PMC1314503
      Background - The use of clinical guidelines in general practice is often limited.
      Research on barriers to guideline adherence usually focuses on attitudinal factors.
      Factors linked to the guideline itself are much less studied.
      Aim - To identify characteristics of effective clinical guidelines for general practice and to explore whether these differ between therapeutic and diagnostic recommendations.
      Design of study - Analysis of performance data from an audit study of 200 general practitioners (GPs) in The Netherlands conducted in 1997.
      Setting - Panel of 12 GPs in The Netherlands who were familiar with guideline methodology.
      Method - A set of 12 attributes, including six potential facilitators and six potential barriers to guideline use, was formulated.
      The panel assessed the presence of these attributes in 96 guideline recommendations formulated by the Dutch College of General Practitioners.
      The attributes of recommendations with high compliance rates (70% to 100%) were compared with those with low compliance rates (0% to 60%).
      Results - Recommendations with high compliance rates were to a lesser extent those requiring new skills (7% compared with 22% in recommendations with low compliance rates), were less often part of a complex decision tree (12% versus 25%), were more compatible with existing norms and values in practice (87% versus 76%) and more often supported with evidence (47% versus 31%).
      For diagnostic recommendations, the ease of applying them and the potential (negative) reactions of patients were more relevant than for therapeutic recommendations.
      Conclusion - To bridge the gap between research and practice, the evidence as well as the applicability should be considered when formulating recommendations.
      If the recommendations are not compatible with existing norms and values, not easy to follow or require new knowledge and skills, appropriate implementation strategies should be designed to ensure change in daily practice.
      Cfr. : http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=1314503


    Lees verder : Deel XXII

    25-11-2009 om 20:32 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XXII

    1. Childhood abuse and later medical disorders in women Ė An epidemiological study
      Romans S, Belaise C, Martin J et al. - Psychother Psychosom 2002;71:141-50

    2. Childhood experiences of illness and parenting in adults with chronic fatigue syndrome
      Fisher L, Chalder T - J Psychosom Res 2003;54:439-43
      Objective - There are many similarities between chronic fatigue syndrome (CFS), the somatoform disorders and problems otherwise known as ďmedically unexplained symptomsĒ.
      There is some evidence to suggest that a combination of inadequate parenting and early illness experience may predispose the individual to develop medically unexplained symptoms in adult life.
      The aim of this investigation was to compare the contributions of childhood experiences of illness and parenting in adults with CFS with a fracture clinic control group.
      Method - A retrospective case control design was used.
      Thirty patients with a diagnosis of CFS and 30 patients attending a fracture clinic in an inner London teaching hospital completed questionnaires measuring parental care and protection and were interviewed about childhood experiences of illness.
      Results - There were no differences in childhood experience of illness in the two groups.
      However, logistic regression revealed that maternal overprotection and depression were associated with the diagnosis of CFS.
      Conclusion - The findings may represent risk factors for the development of CFS in adult life.
      It is possible that maternal overprotection in particular is related to the formation of belief systems about avoiding activity that operate to adversely influence behaviour in patients with CFS.
      Cfr. : http://www.journals.elsevierhealth.com/periodicals/psr/article/PIIS0022399902004580/ab
      stract

    3. Childhood predictors of self reported chronic fatigue syndrome/myalgic encephalomyelitis in adults - National birth cohort study
      Viner R, Hotopf M - BMJ 2004;329:941-0
      Objective
      - To study childhood risk factors for chronic fatigue syndrome in adult life.
      Design - Examination of data from the 1970 British birth cohort.
      Participants - 16 567 babies born 5-11 April 1970, followed up at 5, 10, 16, and 29-30 years.
      Main outcome measures - Chronic fatigue syndrome/myalgic encephalomyelitis (CFS/ME) identified by self report at age 30 years.
      Data from childhood from questionnaires given to parents and teachers.
      Maternal mental health assessed with the malaise inventory.
      Results - 93 (0.8%, 95% confidence interval 0.7 to 1.0) of 11 261 participants reported ever having CFS/ME and 48 (0.4%, 0.3 to 0.6) had the condition currently.
      Higher risk of CFS/ME was associated with having a limiting longstanding condition in childhood (odds ratio 2.3, 1.4 to 3.9), female sex (2.3, 1.4 to 2.6) and high social class in childhood (2.2, 1.4 to 3.5).
      Higher levels of exercise in childhood were associated with lower risk (0.5, 0.2 to 0.9).
      Maternal psychological disorder, psychological problems in childhood, birth weight, birth order, atopy, obesity, school absence, academic ability and parental illness were not associated with risk of CFS/ME.
      Conclusions - We identified no association between maternal or child psychological distress, academic ability, parental illness, atopy or birth order and increasing risk of lifetime CFS/ME.
      Sedentary behaviour increased the risk.
      Cfr. : http://www.bmj.com/cgi/content/full/bmj%3B329/7472/941

    4. Chronic Fatigue - Risk factors symptom persistence in a 2.5-year follow-up study
      Clark M, Katon W Russo J et al. - Am J Med 1995; 98: 187-195

    5. Chronic fatigue - Symptom and syndrome
      Wessely S - Ann Intern Med 2001;134:838-43

    6. Chronic fatigue and anxiety/depression - A twin study
      Roy-Byrne P, Afari N, Ashton S et al. - Br J Psychiatry 2002;180:29-34
      Cfr. : http://www.websciences.org/cftemplate/NAPS/archives/indiv.cfm?ID=20005463

    7. Chronic fatigue and chronic fatigue syndrome - A co-twin control study of functional status
      Herrell R, Goldberg J, Hartman S et al. - Qual Life Res 2002;11:463-71
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/559jtmjmn4vjyqed/

    8. Chronic fatigue and chronic fatigue syndrome - Shifting boundaries and attributions
      Lloyd AR - Am J Med 1998;105:7S-10S

    9. Chronic fatigue and depression
      Iversen A, Wessely S - Curr Opin Psychiatry 2003;16:17-21
      Purpose of review - Although chronic fatigue is reported by up to one third of patients contacting primary health care physicians, it remains a controversial symptom/syndrome which does not fall comfortably into either psychiatry or other branches of medicine.
      Relevant findings - Prospective studies suggest that the severity of fatigue reported at first consultation predicts severity at follow-up, including an increased risk of future major depressive disorder.
      There is a dual interaction between fatigue and depression, one increasing the risk of the other.
      However, there is not complete symmetry of the disorders; pre-morbid psychiatric history is a better predictor of depression than chronic fatigue syndrome and conversely positive tests for infectious mononucleosis are a better predictor of chronic fatigue syndrome than depression.
      Chronic fatigue appears to show some genetic aetiology but links to immune dysfunction remain tentative and require further research.
      In terms of treatment, cognitive behavioural therapy and graded exercise therapy have proved effective and deliverable both in chronic fatigue syndrome and its related syndromes.
      The benefits are only for some; however, many remain disabled.
      Summary - Fatigue extends its influences and interactions widely.
      It is seen both in its own bespoke syndrome of chronic fatigue syndrome and also within the family of somatoform disorders.
      Depression, fatigue and physical illness appear to be intimately linked, each worsening the experience of the other having profound implications for patients' quality of life.
      Cfr. : http://journals.lww.com/co-psychiatry/Abstract/2003/01000/Chronic_fatigue_and_depression.5.aspx

    10. Chronic fatigue and its syndromes
      Wessely S, Hotopf M, Sharpe M - Oxford/New York/Tokyo:Oxford University Press;1998

    11. Chronic fatigue and the chronic fatigue syndrome - Prevalence in a Pacific Northwest Health Care System
      Buchwald D, Umali P, Umali J - Annals of Intern Med 1995; 123: 81-8

    12. Chronic fatigue following infection by Coxiella burnetii (Q fever) - Ten-year follow-up of the 1989 UK outbreak cohort
      Wildman MJ, Smith EG, Groves J et al. - QJM 2002;95:527-38

    13. Chronic fatigue in general practice attenders
      McDonald E, David A. Pelosi A et al. - Psych Med 1993; 23: 987-98

    14. Chronic fatigue in the community - 'A guestion of attribution'
      Chalder T, Power MJ, Wesselly 5 - Psycol Med 1996: Jul; 26 (4): 791-800

    15. Chronic fatigue syndrome
      Reid S, Chalder T, Cleare A, Hotopf M, Wessely S, St Mary's Hospital, London, UK - Clin Evid. 2005 Dec;(14):1366-78 - PMID: 16620458
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16620458?itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAbstract

    16. Chronic fatigue syndrome - A case definition
      Holmes GP, Kaplan JE., Gantz NM et al. - Ann Intern Med 1998; 108: 387-9

    17. Chronic fatigue syndrome - A cognitive approach
      Surawy C, Hackmann A, Hawton K et al. - Behav Res Ther 1995;33:535-44

    18. Chronic fatigue syndrome - A practical guide to assessment and management
      Sharpe M, Chalder T, Palmer I et al. - Gen Hosp Psychiatry 1997;19:185-99

    19. Chronic Fatigue Syndrome - A Review
      Niloofar Afari, Ph.D. and Dedra Buchwald, M.D. - Am J Psychiatry 160:221-236, February 2003 - © 2003 American Psychiatric Association
      Objective - Chronic fatigue syndrome is an illness characterized by disabling fatigue of at least 6 months, accompanied by several other symptoms.
      This review summarizes the current state of knowledge about chronic fatigue syndrome.
      Method - The case definition, prevalence, clinical presentation, evaluation and prognosis of chronic fatigue syndrome are discussed.
      Research on the pathophysiology and treatment of chronic fatigue syndrome is reviewed.
      Results - Chronic fatigue syndrome is diagnosed on the basis of symptoms.
      Patients with chronic fatigue syndrome experience significant functional impairment.
      Pathophysiological abnormalities exist across many domains, suggesting that chronic fatigue syndrome is a heterogeneous condition of complex and multifactorial etiology.
      Evidence also is beginning to emerge that chronic fatigue syndrome may be familial.
      Although chronic fatigue syndrome has significant symptom overlap and comorbidity with psychiatric disorders, several lines of research suggest that the illness may be distinct from psychiatric disorders.
      Patientsí perceptions, attributions and coping skills, however, may help perpetuate the illness.
      Treatment for chronic fatigue syndrome is symptom-based and includes pharmacological and behavioral strategies.
      Cognitive behavior therapy and graded exercise can be effective in treating the fatigue and associated symptoms and disability.
      Conclusions - Chronic fatigue syndrome is unlikely to be caused or maintained by a single agent.
      Findings to date suggest that physiological and psychological factors work together to predispose an individual to the illness and to precipitate and perpetuate the illness.
      The assessment and treatment of chronic fatigue syndrome should be multidimensional and tailored to the needs of the individual patient.
      Cfr. :
      - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12562565
      - http://ajp.psychiatryonline.org/cgi/content/full/160/2/221

    20. Chronic fatigue syndrome - A working case definition
      Holmes GP, Kaplan JE, Gantz NM et al. - Ann Intern Med 1988;108:387-9

    21. Chronic Fatigue Syndrome - An Integrative Approach to Evaluation and Treatment
      Demitrack MA, Abbey S - New York/London: Guilford; 1996

    22. Chronic fatigue syndrome - Clinical practice guidelines Ė 2002
      Royal Australasian College of Physicians Working group - Med J Aust 2002;176:S17-55
      Cfr. :
      - http://www.prohealth.com/me-cfs/library/showarticle.cfm?id=3575&t=CFIDS_FM
      - http://www.mja.com.au/public/guides/cfs/cfs2.html
      - http://www.abc.net.au/rn/talks/8.30/helthrpt/stories/s549673.htm
      - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12088483

    23. Chronic fatigue syndrome - From prevalence and perpetuating factors tot cognitive behaviour therapy
      Proefschrift van Ellen Bazelmans - Nijmegen: UMC St Radboud; 2004
      Cfr. : http://webdoc.ubn.ru.nl/mono/b/bazelmans_h/chrofasy.pdf

    24. Chronic fatigue syndrome - Intracellular immune deregulations as a possible etiology for abnormal exercise response
      Nijs J, De Meirleir K, Meeus M et al. - Med Hypotheses 2004;62:759-65
      The exacerbation of symptoms after exercise differentiates Chronic fatigue syndrome (CFS) from several other fatigue-associated disorders.
      Research data point to an abnormal response to exercise in patients with CFS compared to healthy sedentary controls and to an increasing amount of evidence pointing to severe intracellular immune deregulations in CFS patients.
      This manuscript explores the hypothetical interactions between these two separately reported observations.
      First, it is explained that the deregulation of the 2-5A synthetase/RNase L pathway may be related to a channelopathy, capable of initiating both intracellular hypomagnesaemia in skeletal muscles and transient hypoglycemia.
      This might explain muscle weakness and the reduction of maximal oxygen uptake, as typically seen in CFS patients.
      Second, the activation of the protein kinase R enzyme, a characteristic feature in atleast subsets of CFS patients, might account for the observed excessive nitric oxide (NO) production in patients with CFS.
      Elevated NO is known to induce vasidilation, which may limit CFS patients to increase blood flow during exercise and may even cause and enhanced postexercise hypotension.
      Finally, it is explored how several types of infections, frequently identified in CFS patients, fit into these hypothetical pathophysiological interactions.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15082102

    25. Chronic fatigue syndrome - Probable pathogenesis and possible treatments
      Evengard B, Klimas N Ė Drugs 2002;62:2433-46
      Chronic fatigue syndrome (CFS) belongs in the medically unexplained illnesses.
      It affects approximately 0.2-0.7% of the population in Western countries.
      It is characterised by unexplained fatigue, lasting 6 months or more, impairment of neurocognitive functions and quality of sleep and of somatic symptoms, such as recurrent sore throat, muscle aches, arthralgias, headache and postexertional malaise.
      No link between infections and CFS has been clearly established but the immune system is activated, there are aberrations in several hypothalamic-pituitary axes and involvement of other parts of the central nervous system.
      No specific treatment has been found.
      Cognitive behavioural therapy is established to be of value to improve quality of life.
      More effective treatment should result, as advances in biomedical as well as psychological research continue.
      Cfr. : http://www.websciences.org/cftemplate/NAPS/archives/indiv.cfm?ID=20031380

    26. Chronic fatigue syndrome - Successful outcome of an intensive inpatient programme
      Lim A, Lubitz L Ė J Paediatr Child Health 2002;38:295-9
      Objective - To study the outcome of adolescents with chronic fatigue syndrome (CFS) following an intensive multidisciplinary inpatient programme.
      Methods - A follow-up questionnaire was distributed to all 57 adolescents who had completed the CFS inpatient programme at the Austin and Repatriation Medical Centre.
      Results - Forty-two adolescents (74%) returned follow-up questionnaires.
      Immediately following the programme and up to five years after the programme, the majority of participants had returned to school and were functioning better in terms of physical activity and social interactions as compared with before the programme.
      Before the programme, 94% of adolescents were attending school half-time or less.
      Up to 5 years after the programme, 78% of adolescents were attending school full-time or with occasional absences only.
      Conclusions - A multidisciplinary inpatient programme for CFS was successful in helping to rehabilitate this group of adolescents who were significantly incapacitated prior to entering the inpatient programme.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=13750348

    27. Chronic fatigue syndrome - Summary of report
      Wessely S - J the Royal College of Physicians of London 1996; 30: 497-504

    28. Chronic fatigue syndrome - The patient centred clinical method - A guide for the perplexed
      Murdoch JC - Aust Fam Physician 2003;32:883-7
      Background - Chronic fatigue states are common in general practice and over the past 20 years there has been considerable worldwide consensus developed on the criteria for chronic fatigue syndrome (CFS) also commonly known as myalgic encephalomyelitis (ME).
      Chronic fatigue syndrome is an illness characterised by the new onset of disabling fatigue, accompanied by cognitive, musculoskeletal and sleep symptoms.
      There are no specific diagnostic tests or biological markers and the diagnosis is made by ruling out other causes of fatigue.
      The pathophysiology of CFS is still unclear.
      Objective - This article discusses the application of the patient centred clinical method to the diagnosis and treatment of CFS.
      Discussion - There is no new breakthrough in the diagnosis or management of CFS in spite of much research and controversy.
      There is considerable evidence that the best place to manage CFS is in primary care under the care of the patient's own general practitioner, but it has been suggested that doctors feel unable to deal with the problem.
      The patient centred clinical method offers a constructive guide to management.
      The author considers that the best hope for sufferers is self management guided by a supportive and helpful health professional, preferably the patient's own GP.
      Cfr. : http://www.websciences.org/cftemplate/NAPS/archives/indiv.cfm?ID=20034591

    29. Chronic fatigue syndrome Ė A clinically empirical approach to its definition and study
      Reeves WC, Wagner D, Nisenbaum R, Jones JF, Gurbaxani B, Solomon L, Papanicolaou DA, Unger ER, Vernon SD, Heim C - BMC Medicine 2005, 3:8
      Cfr. : http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=1334212

    30. Chronic fatigue syndrome and fibromyalgia - Clinical assessment and treatment - Special Issue : 'Psychological treatment of the patient with chronic disease'
      Friedberg F, Jason LA, Engle D - J Clin Psychol 2001;57:433-55
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11255201

    31. Chronic fatigue syndrome and fibromyalgia resources on the world wide web Ė A descriptive journey
      Gantz NM, Coldsmith EE - Clin Infect Dis 2001;32:938-48
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=984299

    32. Chronic fatigue syndrome and other fatiguing illnesses in adolescents - A population-based study
      Jones JF, Nisenbaum R, Solomon L et al. - J Adolesc Health 2004;35:34-40
      Purpose - To estimate the prevalence of chronic fatigue syndrome (CFS) and describe characteristics of other fatiguing illnesses in adolescents (aged 12 through 17 years).
      Methods - We conducted a random digit dialing survey of the residents of Wichita, Kansas.
      Adults identified fatigued adolescents in the household and answered questions relating to the child's health.
      Selected adolescents were invited to attend a clinic with a parent/guardian.
      After clinical evaluation they were classified as CFS or another fatigue state as defined in the 1994 CFS definition.
      Annual telephone interviews and clinical evaluations monitored subjects' fatigue status.
      Data were analyzed using the Kruskal-Wallis test, the Mantel-Haenszel test and the exact McNemar test.
      Results - The survey contacted 34,018 households with 90,316 residents.
      Of 8586 adolescents, 138 had fatigue for > or =1 month and most (107 or 78%) had chronic fatigue (> or =6 months) at some point during the 3-year follow-up.
      Twenty-eight had exclusionary diagnoses.
      Thirty-one were considered to have a CFS-like illness and were invited for clinical evaluation.
      Eleven agreed to participate and none met the CFS case definition.
      The baseline weighted prevalence of CFS-like illness was 338 per 100,000.
      Significant differences existed between parental and adolescents' descriptions of illness.
      Conclusions - The prevalence of CFS among adolescents was considerably lower than among adults.
      Evaluation of CFS in adolescents must consider both parent and patient perception of fatigue and other illnesses that might explain the symptom complex.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15193572

    33. Chronic fatigue syndrome in adolescence
      Smith MS, Carter BD Ė In :Jason LA et al, editors. 'Handbook of chronic fatigue syndrome' - Hoboken New Jersey: John Wiley & Sons;2003:693-712

    34. Chronic fatigue syndrome in adolescents - A follow-up study
      Gill AC, Dosen A, Ziegler JB - Arch Pediatr Adolesc Med 2004;158:225-9
      Objectives - To compare the frequency of persistent symptoms up to 8 years after illness onset in adolescents diagnosed as having chronic fatigue syndrome, idiopathic chronic fatigue and unexplained fatigue for less than 6 months and to determine if hospital admission is associated with outcome.
      Designs - A cohort study using questionnaire follow-up.
      Setting - A tertiary referral hospital.
      Patients - Consecutive adolescents referred for assessment of persistent fatigue were identified and retrospectively divided into 3 groups according to the diagnostic criteria for chronic fatigue syndrome and idiopathic chronic fatigue.
      Intervention - A questionnaire was designed and administered by telephone at a mean of 4.57 years after the initial examination.
      Main Outcome Measure - The persistence of self-reported symptoms was compared with respect to patient group and admission.
      Results - Outcome data were obtained for 34 (69%) of the 49 eligible subjects.
      Twenty-five percent of the chronic fatigue syndrome group showed near to complete improvement, 31% showed partial improvement and 44% showed no improvement.
      The idiopathic chronic fatigue group had near to complete recovery in 50%, partial in 10% and no improvement in 40%.
      Those with unexplained fatigue for less than 6 months had all recovered.
      There was no difference between the outcome of the subjects admitted to the hospital and those managed as outpatients.
      Conclusions - Adolescents with less than 6 months of fatigue have a good outcome.
      Unexplained fatigue lasting more than 6 months has a similar outcome regardless of the presence of minor criteria for chronic fatigue syndrome.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=15611019

    35. Chronic fatigue syndrome in children - A cross sectional survey
      Patel M, X, Smith DG, Chalder T et al. - Arch Dis Child 2003;88:894-8
      Cfr. : http://adc.bmj.com/cgi/content/abstract/88/10/894?maxtoshow=&HITS=10&hits=10&RESULTFORMAT=1&author1=Patel,+Maxine&au
      thor2=Smith,+Davic&title=Chronic+Fatigue+in+Children&andorexacttitle=and&andore
      xacttitleabs=and&andorexactfulltext=and&searchid
      =

    36. Chronic fatigue syndrome in the community - Prevalence and associations
      Lawrie SM, Pelosi AJ - Br J Psychiatry 1995;166:793-7

    37. Chronic fatigue syndrome is associated with diminished intracellular perforin
      Maher KJ, Klimas NG, Fletcher MA, Department of Medicine, University of Miami Miller School of Medicine, Miami, FL 33176, USA - Clin Exp Immunol. 2005 Dec;142(3):505-11 - PMID: 16297163
      Chronic fatigue syndrome (CFS) is an illness characterized by unexplained and prolonged fatigue that is often accompanied by abnormalities of immune, endocrine and cognitive functions.
      Diminished natural killer cell cytotoxicity (NKCC) is a frequently reported finding.
      However, the molecular basis of this defect of in vitro cytotoxicy has not been described.
      Perforin is a protein found within intracellular granules of NK and cytotoxic T cells and is a key factor in the lytic processes mediated by these cells.
      Quantitative fluorescence flow cytometry was used to the intracellular perforin content in CFS subjects and healthy controls.
      A significant reduction in the NK cell associated perforin levels in samples from CFS patients, compared to healthy controls, was observed.
      There was also an indication of a reduced perforin level within the cytotoxic T cells of CFS subjects, providing the first evidence, to our knowledge, to suggest a T cell associated cytotoxic deficit in CFS.
      Because perforin is important in immune surveillance and homeostasis of the immune system, its deficiency may prove to be an important factor in the pathogenesis of CFS and its analysis may prove useful as a biomarker in the study of CFS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/16297163

    38. Chronic fatigue syndroom Ė A stress disorder ?
      Cleare AJ, Wessely SC - Br J Hosp Med. 1996 May 1-14; 55(9): 571-574

    39. Chronic Fatigue Syndroom Ė Clinical, microbiological and immunological aspects
      Swanink C.M.A. - Proefschrift 1996

    40. Chronic fatigue, abuse-related traumatization and psychiatric disorders in a community-based sample
      Taylor RR, Jason LA - Soc Sci Med 2002;55:247-56
      The relationship between sexual and physical abuse history and negative health effects has been well-documented in medical facility samples.
      Few studies have examined the role of abuse history and its relationship with chronic fatigue and psychiatric disorders in a diverse, randomly selected community-based sample.
      The present study compared rates of different types of abuse events in individuals with chronic fatigue and non-symptomatic controls.
      Relationships between specific types of abuse and psychiatric disorders commonly associated with chronic fatigue were also explored.
      A stratified random sample of 18,675 adults residing in ethnically and socioeconomically diverse neighborhoods in Chicago first completed a telephone screening questionnaire.
      A control group and a group of individuals with chronic fatigue symptomatology were identified and administered a semi-structured psychiatric interview assessing DSM-IV Axis I psychiatric disorders and a sexual and physical abuse history questionnaire.
      Controlling for sociodemographic differences, fatigue outcome was significantly predicted by childhood sexual abuse and the total number of different childhood abuse events.
      Within the chronic fatigue group, diagnosis of posttraumatic stress disorder (PTSD) was significantly predicted by childhood sexual abuse, childhood death threat, the total number of childhood abuse events and lifetime abuse events.
      Sexual abuse during adolescence or adulthood significantly predicted other anxiety disorders among individuals with chronic fatigue.
      These findings suggest that a history of abuse, particularly during childhood, may play a role in the development and perpetuation of a wide range of disorders involving chronic fatigue.
      Among individuals with chronic fatigue, PTSD and other anxiety disorders appear to demonstrate the strongest association with abuse history.
      The implications of these findings are discussed.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12144139

    41. Chronic pain and fatigue syndromes - Overlapping clinical and neuroendocrine features and potential pathogenic mechanisms
      Clauw DJ, Chrousos GP - Neuroimmunomodulation 1997;4:134-53

    42. Chronic widespread pain as a medico-legal issue
      Duncan A. Gordon FRCPC, FACP, MACR, Professor of Medicine, University of Toronto, Division of Rheumatology, Toronto Western University Health Network, 399 Bathurst Street, Toronto, Ontario, Canada - Received 1999, Accepted 1999, Available online 6 April 2002 - © 1999 Harcourt Publishers Ltd.
      A systematic approach to the determination of disability in persons with chronic widespread pain is based on a careful history, examination for tender points and special investigations to establish a firm diagnosis.
      Further assessment requires determination of subjective and objective measures of impairment.
      The causes of fibromyalgia are multifactorial and understanding them requires an appreciation of the role of physical or psychological trauma and associated medical and psychosocial factors.
      Despite the presence of disability risk factors, most patients with fibromyalgia maintain a good range of normal daily activities and continue working.
      Cfr. : http://www.sciencedirect.com/science?_ob=ArticleURL&_udi=B6WBJ-45HR98Y-14&_user=10&_rdoc=1&_fmt=&_orig=search&_sort=d&view=c&_version=1&_urlVersion
      =0&_userid=10&md5=79f5e9b9d35ee63aff8f7838eced6c42

    43. Clarifying the relationship between unexplained chronic fatigue and psychiatric morbidity - Results from a community survey in Great Britain
      Skapinakis P, Lewis G, Meltzer H - Int Rev Psychiatry 2003;15:57-64
      Cfr. : http://ajp.psychiatryonline.org/cgi/content/abstract/157/9/1492

    44. Clinical differences exist between patients fulfilling the 1988 and 1994 case definitions of chronic fatigue syndrome
      Brimacombe M, Helmer D, Natelson BH - J Clin Psychol Med Settings 2002;9:309-14
      Despite the existence of 2 different case definitions for chronic fatigue syndrome, little data exist to evaluate how each performs.
      We evaluated the symptom patterns of patients fulfilling either the more demanding 1988 or the less demanding 1994 case definitions of Chronic Fatigue Syndrome over an 11-year period from 1991 to 2001.
      Factor analysis identified 3 factors : muscularĖskeletal, viral, and sleep:memory symptom factors accounting for significant variation in the data.
      Further discriminant analysis showed that the first 2 factors and a self-reported measure of decrease in activity alone gave 91% accuracy in the placement of patients into their respective case definitions.
      This analysis did indicate that both case definitions were capturing the same broad group of patients.
      However, the patients in the 1994 group do not endorse infectious-type symptoms as often or to the same degree of severity as those in the 1988 group.
      This may mean that infection as a cause of CFS is more likely in patients fulfilling the earlier, more demanding case definition.
      Cfr. : http://www.springerlink.com/content/w348pj7742427hu3/

    45. Clinical manual of pain management in psychiatry
      Raphael J. Leo - American Psychiatric Publishing, Inc. (1 edition), August 20, 2007 Ė ISBN-10 : 1585622753 Ė ISBN-13 : 978-1585622757
      The 'Clinical Manual of Pain Management in Psychiatry' focuses on the role of mental health practitioners in evaluation and assessment, pharmacological management, psychotherapeutic interventions and comprehensive treatment planning for pain.
      It balances theoretical foundations of pain pathophysiology with applied clinical information, all the while viewing the patient from biological, psychological and social perspectives in order to tailor treatment to the whole person.
      This handy portable guide includes numerous tables and illustrations and expands on the author's previous 'Concise Guide to Pain Management for Psychiatrists' (ISBN 10 : 158562103X Ė ISBN 13 : 9781585621033 - cfr. : http://openlibrary.org/b/OL8817446M/Concise_Guide_to_Pain_Management_for_Psychia
      trists_(Concise_Guides
      ) -) to reflect significant advances in the field of pain medicine.
      It features particularly extensive revisions regarding the use of psychiatric and other adjunctive medications in pain management; includes updated coverage of common psychiatric comorbidities such as depression, anxiety and personality disorders; and addresses common pain disorders ranging from headache and back pain to pain related to cancer and HIV.
      The manual includes an extensively revised chapter on pharmacology, fully discusses psychotherapeutic approaches and covers special techniques such as acupuncture and regional neural blockade.
      It also offers updated advice on emerging forensic issues, from disability claims to controlled substance diversion.
      Cfr. : http://www.amazon.com/Clinical-Manual-Management-Psychiatry-Concise/dp/1585622753

    46. Cognitive behavior therapy for Chronic Fatigue Syndrome - A randomised controlled trial
      Deale A, Chalder T, Marks I & Wessely S, (1997) - American Journal of Psychiatry, 154, 408-414

    47. Cognitive behavior therapy for chronic fatigue syndrome in adults - Cochrane review
      Couper J, Price J.R - Cochrane Library, Issue 3, 2001
      Cognitive behaviour therapy for adults with chronic fatigue syndrome (Cochrane Review).
      Cognitive behaviour therapy appears to be an effective and acceptable treatment for adult out-patients with chronic fatigue syndrome.
      A systematic review by Price and Couper for the Cochrane Library, Issue 2, 2001, looked at all randomized controlled trials of cognitive-behaviour therapy (CBT) for adults with chronic fatigue syndrome (CFS).
      Although only 3 relevant trials of adequate quality were found, these studies managed to demonstrate that CBT significantly benefits physical functioning in adult out-patients with CFS, when compared to orthodox medical management.
      In addition, these patients found these tools highly acceptable.
      The reviewers conclude that the medical profession should be more aware of the potential of these therapies for improved functioning in their patients and health service managers should increase their availability.
      They also call for further research that conforms to accepted standards of reporting and methodology.
      Cfr. : http://belleruthnaparstek.com/chronic-fatigue-syndrome/cognitive-behaviour-therapy-for-adults-with-chronic-fatigue-syndrome-cochrane-review.html

    48. Cognitive behavior therapy for functional somatic complaints
      Sharpe M - Psychosom 1997; 38: 356-62

    49. Cognitive behaviour therapy for adolescents with chronic fatigue syndrome - A randomised controlled trial
      Stulemeijer M, de Jong LWAM, Fiselier TWJ et al. - BMJ 2005;14-8
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC539840/

    50. Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome - A controlled trial
      Sharpe M, Hawton K, Simkin S et al. - Br J Med 1996; 312: 22-6

    51. Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome - A randomized controlled trial
      Deale A, Chalder T, Marks I et al. - Am J Psychiatry 1997; 154: 408-14

    52. Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome Ė A multicentre randomised controlled trial
      Prins JB, Bleijenberg G, Bazelmans E et al. - Lancet 2001;357:841-7
      Cfr. : http://www.thelancet.com/journals/lancet/article/PIIS0140-6736(00)04198-2/abstract

    53. Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome in adults
      Price JR, Mitchell E, Tidy E, Hunot V, Department of Psychiatry, University of Oxford, Warneford Hospital, Headington, Oxford, UK, OX3 7JX : jonathan.price@psych.ox.ac.uk - Cochrane Database Syst Rev. 2008 Jul 16;(3):CD001027 - PMID: 18646067
      Background - Chronic fatigue syndrome (CFS) is a common, debilitating and serious health problem.
      Cognitive behaviour therapy (CBT) may help to alleviate the symptoms of CFS.
      Objectives - To examine the effectiveness and acceptability of CBT for CFS, alone and in combination with other interventions, compared with usual care and other interventions.
      Search strategy - CCDANCTR-studies and CCDANCTR-references were searched on 28/3/2008.
      We conducted supplementary searches of other bibliographic databases.
      We searched reference lists of retrieved articles and contacted trial authors and experts in the field for information on ongoing/completed trials.
      Selection criteria - Randomised controlled trials involving adults with a primary diagnosis of CFS, assigned to a CBT condition compared with usual care or another intervention, alone or in combination.
      Data collection and analysis - Data on patients, interventions and outcomes were extracted by two review authors independently and risk of bias was assessed for each study.
      The primary outcome was reduction in fatigue severity, based on a continuous measure of symptom reduction, using the standardised mean difference (SMD) or a dichotomous measure of clinical response, using odds ratios (OR), with 95% confidence intervals (CI).
      Main results - Fifteen studies (1043 CFS participants) were included in the review.
      When comparing CBT with usual care (six studies, 373 participants), the difference in fatigue mean scores at post-treatment was highly significant in favour of CBT (SMD -0.39, 95% CI -0.60 to -0.19), with 40% of CBT participants (four studies, 371 participants) showing clinical response in contrast with 26% in usual care (OR 0.47, 95% CI 0.29 to 0.76).
      Findings at follow-up were inconsistent.
      For CBT versus other psychological therapies, comprising relaxation, counselling and education/support (four studies, 313 participants), the difference in fatigue mean scores at post-treatment favoured CBT (SMD -0.43, 95% CI -0.65 to -0.20).
      Findings at follow-up were heterogeneous and inconsistent.
      Only two studies compared CBT against other interventions and one study compared CBT in combination with other interventions against usual care.
      Autors' conclusions - CBT is effective in reducing the symptoms of fatigue at post-treatment compared with usual care and may be more effective in reducing fatigue symptoms compared with other psychological therapies.
      The evidence base at follow-up is limited to a small group of studies with inconsistent findings.
      There is a lack of evidence on the comparative effectiveness of CBT alone or in combination with other treatments and further studies are required to inform the development of effective treatment programmes for people with CFS.
      Cfr. :
      http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18646067

    54. Cognitive behaviour therapy for psychiatric problems - A practical guide
      Hawton K, Salkovskis PM, Kirk J et al. - Oxford: Oxford University Press;1994

    55. Cognitive behaviour therapy for the chronic fatigue syndrome Ė A randomised controlled trial
      Sharpe M, Hawton K, Simkin S et al. - BMJ 1996;312:22-6

    56. Cognitive behavioural therapy for medically unexplained physical symptoms - A randomised controlled trial
      Speckens AE, van Hemert AM, Spinhoven P et al. - BMJ 1995;311:1328-32

    57. Cognitive compromise following exercise in monozygotic twins discordant for chronic fatigue syndrome - Fact or artifact ?
      Claypoole K, Mahurin R, Fischer ME et al. - Appl Neuropsychol 2001;8:31-40
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11388121

    58. Cognitive functioning in chronic fatigue syndrome and depression - A preliminary comparison
      Schmaling K, DiClementi J, Cullum M et al. - Psychosom Med 1994; 56: 383-8

    59. Cognitive functioning in chronic fatigue syndrome and the role of depression, anxiety and fatigue
      Short K, McCabe M, Tooley G - J Psychosom Res 2002;52:475-83
      Objective - This study was designed to investigate the role of depression, anxiety and fatigue in Chronic Fatigue Syndrome (CFS) sufferers' objective and subjective cognitive performance.
      Methods - Twenty-three CFS sufferers and 23 healthy control participants were compared on objective and subjective assessments of cognitive performance.
      Depression, anxiety and fatigue were also evaluated.
      Results - CFS sufferers did not demonstrate any impairment in objective cognitive functioning compared to the control group and objective performance was not related to their higher levels of depression or their level of fatigue.
      Depression scores only accounted for a small amount of the variance in CFS sufferers' lower subjective assessment of their cognitive performance compared to control participants.
      There were no differences between the groups on anxiety scores.
      Conclusion - The results are discussed in terms of the heterogeneity of the CFS population and the complex interaction of symptomatological factors that characterise CFS.
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0022399902002908

    60. Cognitive functioning in patients with chronic fatigue syndrome
      Michiels V, Cluydts R, Fischler B et al. - J Exp Neuropsychol 1996; 18: 666-77


    Lees verder : Deel XXIII

    25-11-2009 om 20:27 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XXIII

    1. Cognitive processing in monozygotic twins discordant for chronic fatigue syndrome
      Mahurin RK - Neuropsychology 2004;18:232-9
      Twenty-one pairs of monozygotic twins discordant for chronic fatigue syndrome (CFS) and 21 matched healthy control (HC) subjects were assessed with 5 untimed tests and 5 timed tests from the computer-based NeuroCognitive Assessment Battery (R. K. Mahurin, 1993).
      Random effects regression showed no difference between CFS and healthy twins on any of the cognitive tests.
      Further, the twin groups did not differ from the HC group on any content-dependent measure.
      In contrast, both sets of twins performed worse than the HC group on all speed-dependent tests except Finger Tapping.
      Self-rated fatigue and dysphoric mood were only weakly correlated with cognitive performance.
      These data point toward a shared genetic trait related to information processing that is manifest in the CFS context.
      The findings have implications for differentiating genetic and acquired vulnerability in the symptomatic expression of the disorder.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=15636843

    2. Cognitive-behavior therapy for medically unexplained symptoms Ė A critical review of the treatment literature
      Nezu AM, Nezu CM, Lombardo ER - Behav Ther 2001;32:537-83
      Research has indicated that substantial numbers of physical or medical symptoms presented by patients remain unexplained medically.
      For example, studies have indicated that less than 25% of physical complaints presented to physicians have known or demonstrable organic or biological causes.
      Cognitive-behavior therapy (CBT) provides for a potentially effective means of impacting on this significant public health problem, both medically and psychologically.
      This paper reviews the extant literature regarding CBT for medically unexplained symptoms, as well as three related disorders-chronic fatigue syndrome, fibromyalgia and noncardiac chest pain.
      Whereas this review provides support for the efficacy of CBT for such problems (e.g., effect sizes for CBT compared to control conditions centered around .40), it also identified a variety of methodological limitations regarding the studies themselves.
      Based on this analysis, recommendations for future research endeavors are provided and the implications of this area for prevention and treatment are offered.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=1066566

    3. Cognitive-behavioral group therapy for irritable bowel syndrome - Effects and long-term follow-up
      Van Dulmen AM, Fennis JF, Bleijenberg G - Psychosom Med 1996;58:508-14

    4. Cognitive-behavioral therapies
      Bleijenberg G, Prins JB, Bazelmans E Ė Jason LA et al, editors 'Handbook of chronic fatigue syndrome' - Hoboken New Jersey: John Wiley & Sons;2003:713-25
      Cfr. : http://www.narcis.info/person/RecordID/PRS1241897

    5. Cognitive-behavioral therapy for somatization and symptom syndromes - A critical review of controlled clinical trials
      Kroenke K, Swindle R - Psychother Psychosom 2000;69:205-15
      Cfr. : http://content.karger.com/ProdukteDB/produkte.asp?Doi=12395

    6. Comorbid clinical conditions in chronic fatigue - A co-twin control study
      Aaron LA, Herrell R, Ashton S et al. - J Gen Intern Med 2001;16:24-31
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11251747

    7. Comorbid illness in women with chronic fatigue syndrome - A test of the single syndrome hypothesis
      Ciccone DS, Natelson BH - Psychosom Med 2003;65:268-75
      Objective - Evidence of comorbidity among unexplained illness syndromes raises the possibility that all are variants of a single functional disorder, leading some to suggest that separate case definitions for chronic fatigue syndrome (CFS), fibromyalgia (FM) and multiple chemical sensitivity (MCS) may be unnecessary.
      Our objective was to determine whether discrete diagnostic labels provide useful information about physical functioning, symptom severity and risk of psychiatric illness.
      Methods - The sample consisted of 163 consecutive female referrals with CFS enrolled at a tertiary clinic.
      Each participant was retrospectively assigned to one of four groups : CFS only, CFS/FM, CFS/MCS and CFS/FM/MCS.
      At enrollment, participants gave their history, underwent a physical examination and a standardized psychiatric interview (Diagnostic Interview Schedule) and answered self-report questionnaires.
      Results - Additional unexplained syndromes were prevalent : 37% met criteria for FM and 33% met criteria for MCS.
      With the exception of FM-related pain and disability, there were few differences between the CFS only and CFS with comorbid illness groups.
      Patients with additional illness were more likely to have major depression and a higher risk of psychiatric morbidity compared with patients in the CFS only group (p <.01).
      Rates of lifetime depression increased from 27.4% in the CFS only group to 52.3% in the CFS/FM group, 45.2% in the CFS/MCS group and 69.2% in the CFS/FM/MCS group.
      Conclusions - The prevalence of comorbid illness in the present CFS sample and the failure to find widespread differences in symptom severity can be seen as support for the single syndrome hypothesis.
      On the other hand, the existence of discrete syndromes could not be ruled out because of reliable differences between CFS and CFS/FM.
      Increasing comorbidity was associated with a corresponding increase in risk of major depression.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12651994

    8. Comparative study of anxiety, depression, somatization, functional disability and illness attribution in adolescents with chronic fatigue or migraine
      Smith MS, Martin-Herz SP, Womack WM et al. - Pediatrics 2003;111:e376-81
      Cfr. : http://pediatrics.aappublications.org/cgi/content/abstract/111/4/e376

    9. Comparing self-reported function and work disability in 100 community cases of fibromyalgia syndrome versus controls in London, Ontario - The London Fibromyalgia Epidemiology Study
      White KP, Speechley M, Harth m & Ostbye T, University of Western Ontario, London, Canada - Arthritis and Rheumatism 1999;42(1):76-83
      Objective
      - To compare function and disability in fibromyalgia syndrome (FMS) cases in the community versus controls and to identify variables predicting poor function and disability.
      We identified 100 FMS cases, 76 pain controls and 135 general controls in a random survey of 3,395 noninstitutionalized adults.
      Results - FMS cases reported worse function (P < 0.00001), more days in bed (P < 0.001) and more healthy years of life lost (P < 0.0001).
      More FMS cases were disabled (P < 0.00001) and receiving pensions (P < 0.00001).
      Risk factors for disability included middle age and previous heavy manual labor.
      Pain, fatigue and weakness were most often claimed to affect the ability to work.
      Variables predicting work disability were the Fibromyalgia Impact Questionnaire (FIQ) score, a prior diagnosis of FMS, nonrestorative sleep and past heavy physical labor.
      Variables influencing the FIQ score were the number of major symptoms, self-reported health satisfaction, tender point count and education level.
      Conclusions - FMS commonly results in loss of function and work disability.
      Cfr. : http://www.websciences.org/cftemplate/NAPS/archives/indiv.cfm?ID=19990742

    10. Comparing the national economic burden of five chronic conditions
      Druss, BG; Marcus, SC; Olfson, M et al. - Health Aff. 2001;20:233Ė241
      Using a nationally representative sample of 23,230 U.S. residents, we examine patterns of economic burden across five chronic conditions : mood disorders, diabetes, heart disease, asthma and hypertension.
      Almost half of U.S. health care costs in 1996 were borne by persons with one or more of these five conditions; of that spending amount, only about one-quarter was spent on treating the conditions themselves and the remainder on coexistent illnesses.
      Each condition demonstrated substantial economic burden but also unique characteristics and patterns of service use driving those costs.
      The findings highlight the differing challenges involved in understanding needs and improving care across particular chronic conditions.
      Cfr. : http://content.healthaffairs.org/cgi/content/full/20/6/233

    11. Comparison of 99mTcHMPAO SPECT scan between chronic fatigue syndrome, major depression and healthy controls - An exploration study of clinical correlates regional cerebral blood flow
      Fischler B, D'Haenen ij, Cluydts R et al. - Neuropsychobiology 1996; 34; 175-83

    12. Comparison of Consensus, Consistency and Measurement Approaches to Estimating Interrater Reliability
      Stemler SE in : 'Practical Assessment, Research & Evaluation 9 (4)' - Yale University PACE Center, 2004
      Cfr. : http://pareonline.net/getvn.asp?v=9&n=4

    13. Comparison of methods for the scoring and statistical analysis of SF-36 health profile and summary measures - Summary of results from the Medical Outcomes Study
      Ware JE Jr, Kosinski M, Bayliss MS, McHorney CA, Rogers WH, Raczek A, Health Institute, New England Medical Center, Boston, MA, USA - Med Care. 1995 Apr;33(4 Suppl):AS264-79 - PMID: 7723455
      Physical component summary (PCS) and mental component summary (MCS) measures make it possible to reduce the number of statistical comparisons and thereby the role of chance in testing hypotheses about health outcomes.
      To test their usefulness relative to a profile of eight scores, results were compared across 16 tests involving patients (N = 1,440) participating in the Medical Outcomes Study.
      Comparisons were made between groups known to differ at a point in time or to change over time in terms of age, diagnosis, severity of disease, comorbid conditions, acute symptoms, self-reported changes in health and recovery from clinical depression.
      The relative validity (RV) of each measure was estimated by a comparison of statistical results with those for the best scales in the same tests.
      Differences in RV among scales from the Medical Outcomes Study 36-Item Short-Form Health Survey (SF-36) were consistent with those in previous studies.
      One or both of the summary measures were significant for 14 of 15 differences detected in multivariate analyses of profiles and detected differences missed by the profile in one test.
      Relative validity coefficients ranged from .20 to .94 (median, .79) for PCS in tests involving physical criteria and from .93 to 1.45 (median, 1.02) for MCS in tests involving mental criteria.
      The MCS was superior to the best SF-36 scale in three of four tests involving mental health.
      Results suggest that the two summary measures may be useful in most studies and that their empiric validity, relative to the best SF-36 scale, will depend on the application.
      Surveys offering the option of analyzing both a profile and psychometrically based summary measures have an advantage over those that do not.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/7723455

    14. Complementary and alternative medicine in fibromyalgia and related syndromes
      Holdcraft LC, Assefi N, Buchwald D, Department of Psychiatry and Behavioral Sciences, Harborview Medical Center, University of Washington School of Medicine, Box 359797, 325 Ninth Ave, Seattle, WA 98104-2499, USA : holdcraf@u.washington.edu - Best Pract Res Clin Rheumatol. 2003 Aug;17(4):667-83 - PMID: 12849718
      Complementary and alternative medicine (CAM) has gained increasing popularity, particularly among individuals with fibromyalgia syndrome (FMS) for which traditional medicine has generally been ineffective.
      A systematic review of randomized controlled trials (RCTs) and non-RCTs on CAM studies for FMS was conducted to evaluate the empirical evidence for their effectiveness.
      Few RCTs achieved high scores on the CONSORT, a standardized evaluation of the quality of methodology reporting.
      Acupuncture, some herbal and nutritional supplements (magnesium, SAMe) and massage therapy have the best evidence for effectiveness with FMS.
      Other CAM therapies have either been evaluated in only one RCT with positive results (Chlorella, biofeedback, relaxation), in multiple RCTs with mixed results (magnet therapies) or have positive results from studies with methodological flaws (homeopathy, botanical oils, balneotherapy, anthocyanidins, dietary modifications).
      Lastly, other CAM therapies have neither well-designed studies nor positive results and are not currently recommended for FMS treatment (chiropractic care).
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12849718

    15. Computerized, interactive, multimedia cognitive-behavioural program for anxiety and depression in general practice
      Proudfoot J, Goldberg D, Mann A, Everitt B, Marks I, Gray JA, Department of Psychology, Institute of Psychiatry, King's College London - Psychol Med. 2003 Feb;33(2):217-27 - PMID: 12622301
      Background - Cognitive-behavioural therapy (CBT) brings about significant clinical improvement in anxiety and depression, but therapists are in short supply.
      We report the first phase of a randomized controlled trial of an interactive multimedia program of cognitive-behavioural techniques, Beating the Blues (BtB), in the treatment of patients in general practice with anxiety, depression or mixed anxiety/depression.
      Method - One hundred and sixty-seven adults suffering from anxiety and/or depression and not receiving any form of psychological treatment or counselling were randomly allocated to receive, with or without medication, BtB or treatment as usual (TAU).
      Measures were taken on five occasions: prior to treatment, 2 months later and at 1, 3 and 6 months follow-up using the Beck Depression Inventory, Beck Anxiety Inventory and Work and Social Adjustment Scale.
      Results - Patients who received BtB showed significantly greater improvement in depression and anxiety compared to TAU by the end of treatment (2 months) and to 6 months follow-up.
      Symptom reduction was paralleled by improvement in work and social adjustment.
      There were no interactions of BtB with concomitant pharmacotherapy or duration of illness, but evidence, on the Beck Anxiety Inventory only, of interaction with primary care practice.
      Importantly, there was no interaction between the effects of BtB and baseline severity of depression, from which we conclude that the effects of the computer program are independent of starting level of depression.
      Conclusions - These results demonstrate that computerized interactive multimedia cognitive-behavioural techniques under minimal clinical supervision can bring about improvements in depression and anxiety, as well as in work and social adjustment, with and without pharmacotherapy and in patients with pre-treatment illness of durations greater or less than 6 months.
      Thus, our results indicate that wider dissemination of cognitive-behavioural techniques is possible for patients suffering from anxiety and/or depression.
      Also read the comment in 'Methodological aspects of randomized controlled trials of psychotherapy in primary care' at : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12622298?ordinalpos=1&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Disco
      veryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus
      -.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12622301

    16. Connecting cytokines and brain - A review of current issues
      Quan N, Herkenham M - Histol Histopathol 2002;17:273-88

    17. Contribution to the Study of the Psychopathology and Psychobiology of the Chronic Fatigue Syndrome
      Fischler B - Doctoral dissertation : Vrije Universiteit Brussel; 1996

    18. Controlled trials of CQI and academic detailing to implement a clinical practice guideline for depression
      Brown JB, Shye D, McFarland BH, Nichols GA, Mullooly JP, Johnson RE, Kaiser Permanente Center for Health Research, Portland, Oregon, USA : jonathan.brown@kp.org - Jt Comm J Qual Improv. 2000 Jan;26(1):39-54 - PMID: 10677821
      Background
      - The release of the Agency for Health Care Policy and Research (AHCPR)'s Guideline for the Detection and Treatment of Depression in Primary Care created an opportunity to evaluate under naturalistic conditions the effectiveness of two clinical practice guideline implementation methods : continuous quality improvement (CQI) and academic detailing.
      A study conducted in 1993-1994 at Kaiser Permanente Northwest Division, a large, not-for-profit prepaid group practice (group-model) HMO, tested the hypotheses that each method would increase the number of members receiving depression treatment and would relieve depressive symptoms.
      Methods - Two trials were conducted simultaneously among adult primary care physicians, physician assistants and nurse practitioners, using the same guideline document, measurement methods and one-year follow-up period.
      The academic detailing trial was randomized at the clinician level.
      CQI was assigned to one of the setting's two geographic areas.
      To account for intraclinician correlation, both trials were evaluated using generalized equations analysis.
      Results - Most of the CQI team's recommendations were not implemented.
      Academic detailing increased treatment rates, but--in a cohort of patients with probable chronic depressive disorder--it failed to improve symptoms and reduced measures of overall functional status.
      Conclusions - New organizational structures may be necessary before CQI teams and academic detailing can substantially change complex processes such as the primary care of depression.
      New research and treatment guidelines are needed to improve the management of persons with chronic or recurring major depressive disorder.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10677821

    19. Coping and adaptive outcome in chronic fatigue syndrome - Importance of illness cognitions
      Heijmans MJ - J Psychosom Res 1998;45:39-51

    20. Coping and illness cognitions - Chronic fatigue syndrome
      Ax S, Gregg VH, Jones D - Clin Psychol Rev 2001;21:161-82
      The chronic fatigue syndrome (CFS) is described and research on coping with this illness reviewed and analysed.
      CFS is a severely disabling illness of unknown etiology, which has occurred in epidemic forms all over the world.
      However, the number of sufferers has dramatically increased over previous years.
      The heterogeneous symptomatology of CFS was reviewed and diagnostic criteria were discussed.
      The difficulty in establishing causality was emphasized.
      An interaction of factors appears most likely to be associated with illness onset and maintenance.
      As the mediating factor could be sufferers' coping behavior, the existing coping literature was reviewed.
      There might be an association between coping and physical and psychological well-being.
      Finally, recommendations are made for longitudinal research on coping and coping effectiveness and for the development of therapeutic interventions.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11293364

    21. Correlates of illness worry in chronic fatigue syndrome
      Taillefer SS, Kirmayer LJ, Robbins JM et al. - J Psychosom Res 2003;54:331-7
      Background - Anxiety about illness leading to restriction of activity and physical deconditioning has been hypothesized to contribute to the chronicity of fatigue.
      Pathological symptom attributions, personality traits and depression have all been hypothesized to contribute to illness worry.
      Methods - We compared 45 chronic fatigue syndrome (CFS) and 40 multiple sclerosis (MS) outpatients using a battery of psychometric instruments comprising the 12-item Illness Worry scale, the Symptom Interpretation Questionnaire (SIQ), the NEO Five-Factor Inventory (NEO-FFI) and a modified version of the SCL-90R Depression scale.
      Results - There was no difference between the two diagnostic groups on neuroticism, depressive symptoms, as well as the three scales of the SIQ.
      On the illness worry index, the CFS group had significantly higher scores than the MS group.
      This difference was due to items tapping vulnerability to illness and the perception that others are not taking their illness seriously.
      Somatic attributional style, neuroticism, depressive symptoms and age were all significant predictors of illness worry in both CFS and MS patients.
      Conclusions - Somatic attributions, neuroticism and depression all contribute to illness worry in chronic illness.
      However, these factors do not account for the higher levels of illness worry in CFS as opposed to MS, which may be due to other specific cognitive and social interactional processes.
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S002239990200332X

    22. Corticotropin-releasing hormone (CRH) in psychiatry - From stress to psychopathology
      Claes SJ - Ann Med 2004;36:50-61
      Corticotropin-releasing hormone (CRH) plays a central role in the adaptation of the organism to stress.
      It serves as the main regulating hormone of the hypothalamic pituitary adrenal (HPA) axis, which is activated within seconds after exposure to acute stress.
      Furthermore, it acts as a neurotransmitter in numerous other brain regions.
      Globally, CRH leads to a number of metabolic, neuroendocrine and autonomic adaptations, which are vitally important for an adequate reaction to acute stress, but can lead to pathological somatic and psychological effects in chronic stress situations.
      The adequate functioning of CRH is a delicate equilibrium, which can be permanently disturbed by early experiences of physical or sexual abuse, leading to psychopathology in adulthood.
      This review discusses the physiological functions of CRH as the stress response hormone.
      Subsequently, the emerging data on the disruptive effects of early trauma on the CRH system are summarized.
      The third part is devoted to CRH and HPA axis abnormalities in major depression and other psychiatric disorders.
      This rapidly accumulating evidence will change our understanding of psychopathology and might challenge the established classification of psychiatric disorders.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15000347

    23. Cortisol response to a cognitive stress challenge in posttraumatic stress disorder (PTSD) related to childhood abuse
      Bremner JD, Vythilingam M, Vermetten E et al. - Psychoneuroendocrinology 2003;28:733-50
      Cfr. : http://userwww.service.emory.edu/~jdbremn/papers/cogchallptsd.pdf

    24. Cost of Lost Productive Work Time Among US Workers With Depression
      Walter F. Stewart, PhD, MPH; Judith A. Ricci, ScD, MS; Elsbeth Chee, ScD; Steven R. Hahn, MD; David Morganstein, MS, AdvancePCS Center for Work and Health, Hunt Valley, Md (Drs Stewart, Ricci, and Chee); Outcomes Research Institute, Geisinger Health Systems, Danville, Pa (Dr Stewart); Albert Einstein College of Medicine, Bronx, NY (Dr Hahn); WESTAT, Rockville, Md (Mr Morganstein) Ė JAMA. 2003;289:3135-3144
      Context - Evidence consistently indicates that depression has adversely affected work productivity.
      Estimates of the cost impact in lost labor time in the US workforce, however, are scarce and dated.
      Objective - To estimate the impact of depression on labor costs (ie, work absence and reduced performance while at work) in the US workforce.
      Design, setting and participants - All employed individuals who participated in the American Productivity Audit (conducted August 1, 2001-July 31, 2002) between May 20 and July 11, 2002, were eligible for the Depressive Disorders Study.
      Those who responded affirmatively to 2 depression-screening questions (n = 692), as well as a 1:4 stratified random sample of those responding in the negative (n = 435), were recruited for and completed a supplemental interview using the Primary Care Evaluation of Mental Disorders Mood Module for depression, the Somatic Symptom Inventory and a medical and treatment history for depression.
      Excess lost productive time (LPT) costs from depression were derived as the difference in LPT among individuals with depression minus the expected LPT in the absence of depression projected to the US workforce.
      Main outcome measure - Estimated LPT and associated labor costs (work absence and reduced performance while at work) due to depression.
      Results - Workers with depression reported significantly more total health-related LPT than those without depression (mean, 5.6 h/wk vs an expected 1.5 h/wk, respectively).
      Eighty-one percent of the LPT costs are explained by reduced performance while at work.
      Major depression accounts for 48% of the LPT among those with depression, again with a majority of the cost explained by reduced performance while at work.
      Self-reported use of antidepressants in the previous 12 months among those with depression was low (<33%) and the mean reported treatment effectiveness was only moderate.
      Extrapolation of these survey results and self-reported annual incomes to the population of US workers suggests that US workers with depression employed in the previous week cost employers an estimated 44 billion dollars per year in LPT, an excess of 31 billion dollars per year compared with peers without depression.
      This estimate does not include labor costs associated with short- and long-term disability.
      Conclusions - A majority of the LPT costs that employers face from employee depression is invisible and explained by reduced performance while at work. Use of treatments for depression appears to be relatively low.
      The combined LPT burden among those with depression and the low level of treatment suggests that there may be cost-effective opportunities for improving depression-related outcomes in the US workforce.
      Cfr. :
      -
      http://jama.ama-assn.org/cgi/content/abstract/289/23/3135
      - http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12813119

    25. Cost-effectiveness of computerised cognitive-behavioural therapy for anxiety and depression in primary care - Randomised controlled trial
      McCrone P, Knapp M, Proudfoot J, Ryden C, Cavanagh K, Shapiro DA, Ilson S, Gray JA, Goldberg D, Mann A, Marks I, Everitt B, Tylee A, Centre for the Economics of Mental Health, Institute of Psychiatry, King's College London, UK - Br J Psychiatry. 2004 Jul;185:55-62 - PMID: 15231556
      Background
      - Cognitive-behavioural therapy (CBT) is effective for treating anxiety and depression in primary care, but there is a shortage of therapists.
      Computer-delivered treatment may be a viable alternative.
      Aims - To assess the cost-effectiveness of computer-delivered CBT.
      Methods - A sample of people with depression or anxiety were randomised to usual care (n=128) or computer-delivered CBT (n=146).
      Costs were available for 123 and 138 participants, respectively.
      Costs and depression scores were combined using the net benefit approach.
      Results - Service costs were 40 British pounds (90% CI - 28 British pounds to 148 British pounds) higher over 8 months for computer-delivered CBT.
      Lost-employment costs were 407 British pounds (90% CI 196 British pounds to 586 British pounds) less for this group.
      Valuing a 1-unit improvement on the Beck Depression Inventory at 40 British pounds, there is an 81% chance that computer-delivered CBT is cost-effective and it revealed a highly competitive cost per quality-adjusted life year.
      Conclusions - Computer-delivered CBT has a high probability of being cost-effective, even if a modest value is placed on unit improvements in depression.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15231556

    26. Cost-effectiveness of practice-initiated quality improvement for depression - Results of a randomized controlled trial
      Schoenbaum M, Unutzer J, Sherbourne C, Duan N, Rubenstein LV, Miranda J et al. - JAMA 2001;286:1325-30
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11560537

    27. Course and outcome of chronic fatigue in children and adolescents
      Krilov LR, Fisher M, Friedman SB et al. - Pediatrics 1998;102:360-6

    28. Current and residual functional disability associated with psychopathology - Findings from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS)
      R. V. Bijl and A. Ravelli, Netherlands Institute of Mental Health and Addiction, Utrecht, The Netherlands Ė Correspondence : Dr Rob V. Bijl, Netherlands Institute of Mental Health and Addiction, PO Box 725, 3500 AS Utrecht, The Netherlands
      Background
      - Few population studies have investigated the functional disabilities that accompany specific psychiatric diagnoses.
      This study assesses the nature and strength of current and residual impairments in various functional domains of life.
      Methods - Data were derived from the Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS), a prospective study in the Dutch general population aged 18 to 64 (N = 7147).
      Psychiatric diagnoses were based on the Composite International Diagnostic Interview; functional disability was assessed on the basis of the Short-Form-36 and the number of disability days.
      Results - Psychopathology was associated with increased disability in social, emotional and physical domains of life.
      Disability levels varied by psychiatric diagnosis, with mood disorders showing the poorest levels of functioning, especially for vitality and social functioning; alcohol-related disorders were associated with few disabilities.
      Co-morbidity strongly aggravated the disability.
      The effect of contextual factors on disability was limited, although somatic ill health, unemployment and adverse youth history increased the likelihood of functional disability.
      The findings indicate that psychopathology can also have residual debilitating effects.
      Conclusions - Mental health care providers should be aware that the extent and the type of disability may vary with the different types of disorders and among different groups within the population.
      Since recovery from functional limitations may not be complete or may take more time than the remission of the psychiatric symptomatology, non-psychiatric follow-up care is needed.
      The high number of lost work days is relevant from an economic perspective.
      There is a need for illness-specific disability assessment instruments.
      Cfr. : http://journals.cambridge.org/action/displayAbstract;jsessionid=5411F4CF8120CF7CDDD15
      E129700E260.tomcat1?fromPage=online&aid=26247

    29. Cytokine production and modulation: comparison of patients with chronic fatigue syndrome and normal controls
      Tomoda A, Joudoi T, Rabab el-M, Matsumoto T, Park TH, Miike T - Psychiatry Res 2005, 134(1):101-104
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/15808295

    30. Cytokine-induced sickness behavior
      Kelley KW, Bluthe RM, Dantzer R et al. - Brain Behav Immun 2003;17:S112-8
      The behavioral repertoire of humans and animals changes dramatically following infection.
      Sick individuals have little motivation to eat, are listless, complain of fatigue and malaise, loose interest in social activities and have significant changes in sleep patterns.
      They display an inability to experience pleasure, have exaggerated responses to pain and fail to concentrate.
      Proinflammatory cytokines acting in the brain cause sickness behaviors.
      These nearly universal behavioral changes are a manifestation of a central motivational state that is designed to promote recovery.
      Exaggerated symptoms of sickness in cancer patients, such as cachexia, can be life-threatening.
      However, quality of life is often drastically impaired before the cancer becomes totally debilitating.
      Although basic studies in psychoneuroimmunology have defined proinflammatory cytokines as the central mediators of sickness behavior, a much better understanding of how cytokine and neurotransmitter receptors communicate with each other is needed.
      Advances that have been made during the past decade should now be extended to clinical studies in an attempt to alleviate sickness symptoms and improve quality of life for cancer patients.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12615196

    31. Cytokine-induced sickness behaviour - Mechanisms and implications
      Konsman JP, Parnet P, Dantzer R - Trends Neurosci 2002;25:154-9

    32. Daily hassles reported by chronic fatigue syndrome and fibromyalgia patients in tertiary care - A controlled quantitative and qualitative study
      Van Houdenhove B, Neerinckx E, Onghena P et al. - Psychother Psychosom 2002;71:207-13
      Background - This study aimed at providing insight in the frequency, emotional impact and nature of daily hassles, experienced by patients suffering from chronic fatigue syndrome (CFS) and/or fibromyalgia (FM), compared with patients with a chronic organic disease.
      Methods - One hundred and seventy-seven CFS/FM patients, 26 multiple sclerosis (MS) and 26 rheumatoid arthritis (RA) patients were investigated within 2-6 months after diagnosis.
      All patients completed a self-report questionnaire assessing daily hassles and associated distress, a visual analogue scale assessing fatigue and pain and a depression and anxiety questionnaire.
      Results - CFS/FM patients show a higher frequency of hassles, higher emotional impact and higher fatigue, pain, depression and anxiety levels compared with MS/RA patients.
      Three hassle themes dominate in the CFS/FM group : dissatisfaction with oneself, insecurity and a lack of social recognition.
      In contrast, hassles reported by MS/RA patients show a much larger diversity and are not focused on person-dependent problems.
      Conclusions - Patients recently diagnosed as suffering from CFS and/or FM are highly preoccupied and distressed by daily hassles that have a severe impact on their self-image, as well as their personal, social and professional functioning.
      An optimal therapeutic approach of CFS and FM should take account of this heavy psychosocial burden, which might refer to core themes of these patients' illness experience.
      Cfr. : http://content.karger.com/ProdukteDB/produkte.asp?doi=63646

    33. Defining and managing chronic fatigue syndrome
      Mulrow C D, Ramirez G, Cornell J E, Allsup K - Defining and Managing Chronic Fatigue Syndrome - Evidence Report/Technology Assessment No. 42 - Prepared by San Antonio Evidence-based Practice Center at The University of Texas Health Science Center at San Antonio under Contract No. 290-97-0012 - AHRQ Publication No. 02-E001. Rockville (MD) : Agency for Healthcare Research and Quality; October 2001
      Objectives - Objectives of this evidence report are to summarize research evidence regarding the case definitions, prevalence, natural history and therapy of chronic fatigue syndrome (CFS).
      Search Strategy - English and non-English citations were identified through July 2000 from four electronic bibliographic databases (MEDLINE, The Cochrane Library, PsycINFO, EMBASE), CFS Internet sites, the Journal of Chronic Fatigue Syndrome, references of pertinent articles, textbooks and experts.
      The electronic search was updated through October 2000 using PubMed; experts identified relevant citations up to January 2001
      Selection Criteria - Published and unpublished studies that were conducted after 1980 and that involved adults with CFS were reviewed.
      Data Collection and Analysis - Two reviewers (physician, psychometrician, research methodologist and/or nurse) independently abstracted data from the selected studies.
      Data were synthesized descriptively, emphasizing the quality and methodologic design of studies.
      Meta-analyses were not done because of marked heterogeneity of study designs.
      Main Results - į There are four well-recognized case definitions of CFS and the Centers for Disease Control and Prevention (CDC) is spearheading the development of a fifth.
      Definitions, developed primarily by expert knowledge and consensus, have evolved over time.
      A few comparative research studies support the concept of a condition, characterized by prolonged fatigue and impaired ability to function, which is captured by the case definitions.
      The superiority of one case definition over another is not well established.
      The validity of any definition is difficult to establish because there are no clear biologic markers for CFS and no effective treatments specific only to CFS have been identified. -- į Findings from surveys show that the prevalence of CFS in community populations is probably less than 1% and in primary care populations less than 3%.
      The reliability of these estimates is limited, because surveys used different case definitions and varied assessment and reporting methods and sometimes had poor response rates. -- į Precise estimates of recovery, improvement and/or relapse from CFS are not possible because there are few natural history studies and those that are available have involved selected referral populations or have used varying case definitions and followup methods. -- į Thirty-eight controlled trials evaluating multiple treatment interventions show the following mixed results : Immunologic Therapy - Evidence from 11 trials is scant and insufficient to conclude whether immunological therapies, such as immunoglobulin, Ampligen, Acyclovir, interferon and transfer factor, are effective or ineffective. Corticosteroids - Evidence from four trials suggests that there are no consistent benefits from mineralocorticoids (fludrocortisone), but that there are some improvements in fatigue and functional status with glucocorticoids (hydrocortisone).
      However, glucocorticoid therapy may severely suppress adrenal function. Antidepressants - Evidence from five trials show that there is no consistent pattern of benefit from antidepressant therapy, though some participants in these trials experienced improved vigor and less anxiety. Behavioral Therapies - Evidence from nine trials generally show that behavioral interventions that emphasize increased activity levels result in improvements in fatigue, overall well-being, quality of life and functional status. Other - Evidence from trials is scant and insufficient to conclude whether complementary therapies, such as homeopathy, massage therapy and osteopathy are effective or ineffective.
      Evidence from trials is scant and insufficient to conclude whether multiple other therapies, such as nicotinamide adenine dinucleotide (NADH), galanthamine, growth hormone, essential fatty acids and liver extract therapies, are effective or ineffective.
      Findings from one small trial suggest that magnesium therapy may improve energy, overall well-being, pain and distress in patients with CFS and magnesium deficiency.
      Conclusions - Existing case definitions for CFS appear to characterize a group of people with prolonged fatigue and impaired ability to function.
      The validity and superiority of any particular case definition are not well established.
      Surveys suggest that the prevalence of CFS in community populations is less than 1%.
      Precise estimates of rates of recovery, improvement and/or relapse from CFS are not available.
      Although several therapies have been studied, potential benefits as well as harms of most therapies are not well established.
      Behavioral interventions that emphasize increasing activity levels may improve quality of life and function in some people with CFS.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/bv.fcgi?rid=hstat1.chapter.56921Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/bv.fcgi?rid=hstat1.chapter.56921

    34. Depression - A neglected major illness
      Greenberg PE, Stiglin LE, Finkelstein SN, Berndt ER, Analysis Group, Inc., Cambridge, MA 02138 - J Clin Psychiatry. 1993 Nov;54(11):419-24 - PMID: 8270584
      Background - To illustrate the burden depression imposes on society, we present estimates of the annual costs of depression--$44 billion--as well as the number of individuals it affects per year--almost 11 million.
      Although these estimates point to depression as a major illness, this study examines why it is not generally considered as such by the medical and public health communities or by society at large.
      Method - We develop a framework that compares depression with major illnesses such as coronary heart disease, cancer and AIDS by highlighting salient characteristics of each illness.
      This comparative illness framework considers the costs, prevalence, distribution of sufferers, mortality, recognition and treatability of each disease.
      This comparison underscores many of the similarities and differences among the illnesses examined.
      Results - Because depression often is not properly recognized and begins to affect many people at a relatively early age, it exacts costs over a longer period of time and in a more subtle manner than other major illnesses.
      It also imposes a particularly heavy burden on employers in the form of higher workplace costs.
      Conclusions - We conclude that, because of the potential for successful treatment, increased attempts to reach untreated sufferers of depression appear to be warranted.
      Employers as a group have a particular incentive to invest in the recognition and treatment of this widespread problem, in order to reduce the substantial costs it imposes upon them each year.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8270584?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAb
      stract
      Also read the comment on this article : 'The costs of treating depression' at : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8270585?dopt=Abstract


    Lees verder : Deel XXIV

    25-11-2009 om 20:19 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    Tags:arbeidsongeschiktbeidsbeoordeling, arbeidsongeschiktheid, bedrijfsarts, begeleiden, behandelen, beoordelen, chronische vermoeidheidssyndroom, fibromyalgie, ME/CVS, psychosomatisch, re√Įntegratie, verzekeringsarts, werk, werkhervatting, ziekteverzuim
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





     

    Snel weer aan het werk

    Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten

    Deel XXIV

    1. Depression and the Ability to Work
      Lynn Elinson, Ph.D., Patricia Houck, M.S.H., Steven C. Marcus, Ph.D. and Harold Alan Pincus, M.D. - Psychiatr Serv 55:29-34, January 2004 - © 2004 American Psychiatric Association
      Objective
      - Depression can have a serious impact on a person's ability to work.
      The purpose of this study was to describe depressed persons who work and depressed persons who do not work and to identify factors related to depressed persons' working.
      Methods - The combined 1994 and 1995 National Health Interview Survey Disability Supplement was used to identify persons aged 18 to 69 with depression.
      Sociodemographic, health, functional and disability characteristics of working depressed persons and nonworking depressed persons were compared with use of a chi square test of significance.
      After adjustment for sociodemographic variables, multiple logistic regression analysis was used to identify factors associated with work among depressed persons.
      Results - Approximately half of the persons who reported major depression were in the labor force.
      Compared with nonworking depressed persons, working depressed persons tended to be younger, to be male, to be better educated, to have a higher income, to live alone or with a nonrelative and to live in an urban or suburban location.
      They less often perceived themselves as unable to work or as disabled and were healthier and less impaired by social, cognitive and physical limitations than their nonworking counterparts.
      After sociodemographic factors were controlled for, health and functional characteristics were strongly associated with depressed persons' working.
      Conclusions - Depressed persons who work and who do not work differed across sociodemographic, health, functional and disability factors.
      Understanding the factors associated with depressed persons' working and not working may help policy makers, employers and clinicians shape health care benefits packages, employee assistance programs, disability programs and treatment programs appropriately.
      In particular, it may be important to focus on individuals with depression and comorbid general health conditions.
      Cfr. : http://www.psychservices.psychiatryonline.org/cgi/content/full/55/1/29

    2. Depression and work productivity - The comparative costs of treatment versus nontreatment
      Gregory E. Simon (1 2), Catherine Barber (3), Howard G. Birnbaum (4), Richard G. Frank (3), Paul E. Greenberg (4), Robert M. Rose (5), Phillip S. Wang (3) and Ronald C. Kessler (3) -- (1) Center for Health Studies, Group Health Cooperative of Puget Sound, Cambridge, Mass, Etats-Unis -- (2) Department of Psychiatry, University of Washington, Cambridge, Mass, Etats-Unis -- (3) Department of Health Care Policy, Harvard Medical School, Cambridge, Mass, Etats-Unis -- (4) Analysis Group/Economics, Cambridge, Mass, Etats-Unis -- (5) John D. and Catherine T. MacArthur Foundation, Etats-Unis - Journal of occupational and environmental medicine, 2001, vol. 43, no 1 (72 p.) (70 ref.), pp. 2-9 - Lippincott Williams & Wilkins, Hagerstown, MD, ETATS-UNIS  (1995) (Revue) Ė ISSN : 1076-2752 - © 2008 INIST-CNRS
      This article discusses the impact of depression on work productivity and the potential for improved work performance associated with effective treatment.
      We undertook a review of the literature by means of a computer search using the following key terms : cost of illness, work loss, sickness absence, productivity, performance and disability.
      Published works were considered in four categories : (1) naturalistic cross-sectional studies that found greater self-reported work impairment among depressed workers; (2) naturalistic longitudinal studies that found a synchrony of change between depression and work impairment; (3) uncontrolled treatment studies that found reduced work impairment with successful treatment; and (4) controlled trials that usually, but not always, found greater reduction in work impairment among treated patients.
      Observational data suggest that productivity gains following effective depression treatment could far exceed direct treatment costs.
      Randomized effectiveness trials are needed before we can conclude definitively that depression treatment results in productivity improvements sufficient to offset direct treatment costs.
      Cfr. : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=914948

    3. Depression Guideline Panel: Depression in Primary Care - Volume 1 - Detection and Diagnosis
      Clinical Practice Guideline, Number 5. US Department of Health and Human Services, Public Health Service, Agency for Health Care Policy and Research; Rockville, MD: 1993. (AHCPR Publication No. 93Ė0550)
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/bv.fcgi?rid=hstat6.chapter.14485

    4. Depression Guideline Panel: Depression in Primary Care - Volume 2 - Treatment of Major Depression
      Clinical Practice Guideline, Number 5. US Department of Health and Human Services, Public Health Service, Agency for Health Care Policy and Research; Rockville, MD: 1993. (AHCPR Publication No. 93Ė0551)
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/books/bv.fcgi?rid=hstat6.chapter.15593

    5. Depression in solvent abusers
      Jacobs AM,.Ghodse AH - Soc Sci Med 1987;24:863-6 - PMID: 3616680
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/3616680

    6. Depression in the workplace - Effects on short-term disability
      Kessler, RC; Barber, C; Birnbaum, HG, et al. - Health Aff. 1999;18:163Ė171
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10495604

    7. Depression in the workplace - Epidemiology, economics and effects of treatment
      Russell, JM; Patterson, J; Baker, AM - Disease Manage Health Outcomes. 1998;4:135Ė142
      Cfr. : http://ideas.repec.org/a/wkh/dmhout/v4y1998i3p135-142.html

    8. Depression, anxiety and social disability show synchrony of change in primary care patients
      J Ormel, M Von Korff, W Van den Brink, W Katon, E Brilman, and T Oldehinkel, Department of Psychiatry, University of Groningen, The Netherlands - Am J Public Health. 1993 March; 83(3): 385Ė390 - PMCID: PMC1694652
      Objectives
      - The purposes of this study were to (1) characterize the social disability associated with the common psychiatric illnesses of primary care patients in terms of role dysfunction (self-care, family role, social role, occupational role) and (2) establish whether severity of psychiatric illness and disability level show synchrony of change.
      Methods - A two-stage sample design was employed.
      In the first stage, 1994 consecutive attenders of 25 general practitioners were screened on psychiatric illness by their physicians and with the General Health Questionnaire.
      A stratified random sample (n = 285) with differing probabilities was selected for a second-stage interview.
      Patients with psychiatric symptoms were reinterviewed 1 and 3.5 years later (n = 143).
      Results - (1) Disability level among patients was increased (moderately for depression, mildly for anxiety) and was associated with severity of psychiatric illness - (2) Most disability was found in occupational and social roles - (3) Change in severity of psychiatric illness was concordant with change in level of disability and was largely invariant across diagnosis (depression, anxiety, mixed anxiety/depression).
      At follow-up, disability among improved patients had returned to normal levels.
      Conclusions - Psychiatric illness in primary care patients is associated with mild to moderate disability and severity of psychiatric illness and disability show synchrony of change.
      Cfr. : http://www.pubmedcentral.nih.gov/articlerender.fcgi?artid=1694652

    9. Depressive symptoms and health-related quality of life - The Heart and Soul Study
      Ruo, B., Rumsfeld, J. S., Hlatky, M. A. et al (2003) - JAMA, 290, 215
      Context - Little is known regarding the extent to which patient-reported health status, including symptom burden, physical limitation and quality of life, is determined by psychosocial vs physiological factors among patients with chronic disease.
      Objective - To compare the contributions of depressive symptoms and measures of cardiac function to the health status of patients with coronary artery disease.
      Design, setting and participants - Cross-sectional study of 1024 adults with stable coronary artery disease recruited from outpatient clinics in the San Francisco Bay Area between September 2000 and December 2002.
      Main measures - Measurement of depressive symptoms using the Patient Health Questionnaire (PHQ); assessment of cardiac function by measuring left ventricular ejection fraction on echocardiography, exercise capacity on treadmill testing and ischemia on stress echocardiography; and measurement of a range of health status outcomes, including symptom burden, physical limitation and quality of life, using the Seattle Angina Questionnaire.
      Participants were also asked to rate their overall health as excellent, very good, good, fair or poor.
      Results - Of the 1024 participants, 201 (20%) had depressive symptoms (PHQ score 10).
      Participants with depressive symptoms were more likely than those without depressive symptoms to report at least mild symptom burden (60% vs 33%; P<.001), mild physical limitation (73% vs 40%; P<.001), mildly diminished quality of life (67% vs 31%; P<.001) and fair or poor overall health (66% vs 30%; P<.001).
      In multivariate analyses adjusting for measures of cardiac function and other patient characteristics, depressive symptoms were strongly associated with greater symptom burden (odds ratio [OR], 1.8; 95% confidence interval [CI], 1.3-2.7; P = .002), greater physical limitation (OR, 3.1; 95% CI, 2.1-4.6; P<.001), worse quality of life (OR, 3.1; 95% CI, 2.2-4.6; P<.001) and worse overall health (OR, 2.0; 95% CI, 1.3-2.9; P<.001).
      Although decreased exercise capacity was associated with worse health status, left ventricular ejection fraction and ischemia were not.
      Conclusions - Among patients with coronary disease, depressive symptoms are strongly associated with patient-reported health status, including symptom burden, physical limitation, quality of life and overall health.
      Conversely, 2 traditional measures of cardiac functionóejection fraction and ischemiaóare not.
      Efforts to improve health status should include assessment and treatment of depressive symptoms.
      Cfr. : http://jama.ama-assn.org/cgi/content/abstract/290/2/215

    10. Designing and implementing a primary care intervention trial to improve the quality and outcome of care for major depression
      Rost, K; Nutting, PA; Smith, J et al. - Gen Hosp Psychiatry. 2000;22:66Ė77
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10822094

    11. Developing case definitions for symptom-based conditions - The problem of specificity
      Hyams KC - Epidemiol Rev 1998;20:148-56

    12. Development and application of a generic methodology to assess the quality of clinical guidelines
      Cluzeau FA, Littlejohns P, Grimshaw J, Feder G, Moran, SE - Int J Quality Health Care 1999;11(1):21-28
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10411286

    13. Development and validation of an international appraisal instrument for assessing the quality of clinical practice guidelines - The AGREE project
      AGREE Collaboration, Writing Group : Cluzeau FA, Burgers JS, Brouwers M, Grol R, Mškelš M, Littlejohns P, Grimshaw J, Hunt C - Qual Saf Health Care 2003;12:18Ė23
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12571340

    14. Developmental neurobiology of childhood stress and trauma
      Teicher MH, Andersen SL, Polcari A et al. - Psychiatr Clin North Am 2002;25:397
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12136507

    15. Diabetes - Guidelines from 13 countries
      Diabetes Care 2002;25(11):1933-9
      Cfr. : http://care.diabetesjournals.org/cgi/content/full/25/11/1933

    16. Diagnosis of psychiatric disorder in clinical evaluation of chronic fatigue syndrome
      Deale A, Wessely S Ė J R Soc Med 2000;93:310-2
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1298034/

    17. Diagnosis, disease and illness
      Mayou R, Sharpe M - QJM 1995;88:827-31

    18. Diagnostic and statistical manual of mental disorders
      American Psychiatric Association - Am Psychiatric Press Inc: 1994

    19. Dimensional assesment of chronic fatigue syndrome
      Vercoulen J.H.M.M,, Swanink C.M.A., Fennis J.F.M., Galama J,M.D., Meer J.W.M., van der, Bleijenberg G. - Journal of Psychsomatic research, Vol. 38, no. 5, pag. 383-392, 1994
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/7965927

    20. Dimensional assessment of chronic fatigue syndrome
      Vercoulen JH, Swanink CM, Fennis JF et al. - J Psychosom Res 1994;38:383-92

    21. Disability and chronic fatigue syndrome - A focus on function (review)
      Ross SD, Estok RP, Frame D, Stone LR, Ludensky V, Levine CB - Arch Intern Med. 2004 May 24;164(10):1098-107
      Cfr. : http://archinte.ama-assn.org/cgi/content/full/164/10/1098

    22. Disability management, employee health and fringe benefits and long-term-disability claims for mental disorders - An empirical exploration
      Salkever, DS; Goldman, H; Purushothaman, M et al. - Milbank Q. 2000;78:79Ė113
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10834082

    23. Dissociation of body-temperature and melanotonin secretion cirdadian rhytms in patients with chronic fatigue syndroom
      Williams C, Pirmohamed J, Minors D et al. - Clin-Physiol 1996 Jul; 16 (4): 327-337

    24. Distinguishing between the validity and utility of psychiatric diagnoses
      Kendell, R. & Jablensky, A. (2003) - American Journal of Psychiatry, 160, 4-12
      Cfr. : http://ajp.psychiatryonline.org/cgi/content/abstract/160/1/4

    25. Distinguishing patients with chronic fatigue from those with chronic fatigue syndrome Ė A diagnostic study in UK primary care
      Darbishire L, Ridsdale L, Seed PT - Br J Gen Pract 2003;53:441-5
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1314617/

    26. Disturbed neuroendocrine-immune interactions in chronic fatigue syndrome
      Kavelaars A, Kuis W, Knook L et al. - J Clin Endocrinol Metab 2000;85:692-6

    27. Do early adverse experiences have a pathogenetic role in the development of functional syndromes ?
      Alciati A, Mellado C - J Func Syndromes 2002;2:127-34

    28. Doctor-patient relationship in primary care of chronic fatigue syndrome - Perspectives of the doctor and the patient
      Prins JB, Bleijenberg G, Klein Rouweler E et al. - J Chronic Fatigue Syndr 2000;7:3-15
      Cfr. : http://repository.ubn.ru.nl/handle/2066/14018

    29. Doctors and social epidemics - The problem of persistent unexplained physical symptoms, including chronic fatigue
      Stanley I, Salmon P, Peters S - Br J Gen Pract 2002;52:355-6
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1314288/

    30. Doctors' diagnoses and patients' perceptions lessons from chronic fatigue syndrome
      Sharpe M - Gen Hosp Psychiatry 1998;20:335-8

    31. Does high "action-proneness" make people more vulnerable to chronic fatigue syndrome ? - A controlled psychometric study
      Van Houdenhove B, Neerinckx E, Onghena P et al. - J Psychosom Res 1995, 39, 633-40

    32. Does psychosocial functioning improve independent of depressive symptoms ? - A comparison of nefazodone, psychotherapy and their combination
      Hirschfeld RM, Dunner DL, Keitner G, Klein DN, Koran LM, Kornstein SG et al. - Biol Psychiatr 2002;51:123-33
      Cfr. : http://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S0006322301012914

    33. Does the label "fibromyalgia" alter health status, function and health service utilization ? - A prospective, within-group comparison in a community cohort of adults with chronic widespread pain
      White KP, Nielson WR, Harth M, Ostbye T, Speechley M - Arthritis Rheum. 2002;47:260-5
      Cfr. : http://www.mdconsult.com/das/citation/body/171658545-2/jorg=journal&source=MI&sp=12455573&sid=0/N/12455573/1.html?issn=

    34. Doing things with illness - The micro politics of the CFS clinic
      Banks J, Prior L - Soc Sci Med 2001; 52: 11-23
      Cfr. : http://www.sciencedirect.com/science?_ob=ArticleURL&_udi=B6VBF-41N570S-2&_user=10&_rdoc=1&_fmt=&_orig=search&_sort=d&_docanchor=&view=c&_search
      StrId=1095776438&_rerunOrigin=google&_acct=C000050221&_version=1&_urlVersion
      =0&_userid=10&md5=b4d6af77d55f92d5b580270483f43297

    35. DSMĖIV somatoform disorders - Do we need a new classification ?
      Escobar, J. I. & Gara, M. A. (1999) - General Hospital Psychiatry, 21, 154 -156

    36. Early disruption of the mother-infant relationship - Effects on brain plasticity and implications for psychopathology
      Cirulli F, Berry A, Alleva E - Neurosci Biobehav Rev 2003;27:73-82

    37. Economic cost and epidemiological characteristics of patients with fibromyalgia claims
      Robinson RL, Birnbaum HG, Morley MA, Sisitsky T, Greenberg PE, Claxton AJ - J.Rheumatol. 2003;30:1318-25
      Cfr. : http://www.mdconsult.com/das/citation/body/171658545-2/jorg=journal&source=MI&sp=13536345&sid=0/N/13536345/1.html?issn=

    38. Effect of clinical guidelines on medical practice - A systematic review of rigorous evaluations
      Grimshaw JM, Russell IT, Department of General Practice, University of Aberdeen, Foresterhill Health Centre, UK - Lancet. 1993 Nov 27;342(8883):1317-22 - PMID: 7901634
      Although interest in clinical guidelines has never been greater, uncertainty persists about whether they are effective.
      The debate has been hampered by the lack of a rigorous overview.
      We have identified 59 published evaluations of clinical guidelines that met defined criteria for scientific rigour; 24 investigated guidelines for specific clinical conditions, 27 studied preventive care and 8 looked at guidelines for prescribing or for support services.
      All but 4 of these studies detected significant improvements in the process of care after the introduction of guidelines and all but 2 of the 11 studies that assessed the outcome of care reported significant improvements.
      We conclude that explicit guidelines do improve clinical practice, when introduced in the context of rigorous evaluations.
      However, the size of the improvements in performance varied considerably.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/7901634

    39. Effectieve gehoorbescherming
      Informatie over de multidisciplinaire richtlijn 'Effectieve Gehoorbescherming' - Nieuwsbrief, 1 januari 2006
      Cfr. : http://nvab.artsennet.nl/uri/?uri=AMGATE_6059_340_TICH_R16687498973036

    40. Effective treatments for mental illness are not being used, WHO says
      Brown P - BMJ 2001;323:769 (6 October)
      Cfr. : http://www.bmj.com/cgi/content/extract/323/7316/769

    41. Effectiveness and efficiency of guideline dissemination and implementation strategies - Executive summary
      JM Grimshaw,1* RE Thomas,1 G MacLennan,1 C Fraser,1 CR Ramsay,1 L Vale,1,2 P Whitty,3 MP Eccles,4 L Matowe,1Ü L Shirran,1 M Wensing,5 R Dijkstra5 and C Donaldson6á - 1 Health Services Research Unit, University of Aberdeen, UK - 2 Health Economics Research Unit, University of Aberdeen, UK - 3 Department of Epidemiology and Public Health, University of Newcastle upon Tyne, UK - 4 Centre for Health Services Research, University of Newcastle upon Tyne, UK - 5 Centre for Quality of Care Research, University of Nijmegen, The Netherlands - 6 Department of Community Health Sciences, University of Calgary, Canada - * Corresponding author. Current affiliation : Clinical Epidemiology Programme, Ottawa Health Research Institute and Center for Best Practices, Institute of Population Health, University of Ottawa, Canada - Ü Current affiliation : Department of Pharmacy Practice, Faculty of Pharmacy, Kuwait University, Kuwait - á Current affiliation : Centre for Health Services Research, University of Newcastle upon Tyne, UK - Health Technology Assessment 2004; Vol 8: number 6
      .../...
      There is an imperfect evidence base to support decisions about which guideline dissemination and implementation strategies are likely to be efficient under different circumstances.
      Decision makers need to use considerable judgement about how best to use the limited resources they have for clinical governance and related activities to maximise population benefits.
      They need to consider the potential clinical areas for clinical effectiveness activities, the likely benefits and costs required to introduce guidelines and the likely benefits and costs as a result of any changes in provider behaviour.
      Further research is required to : develop and validate a coherent theoretical framework of health professional and organisational behaviour and behaviour change to inform better the choice of interventions in research and service settings and to estimate the efficiency of dissemination and implementation strategies in the presence of different barriers and effect modifiers.
      .../...
      Cfr. : http://www.ncchta.org/execsumm/summ806.htm

    42. Effects of a clinical-practice guideline and practice-based education on detection and outcome of depression in primary care - Hampshire Depression Project randomised controlled trial
      Thompson C, Kinmonth AL, Stevens L, Peveler RC, Stevens A, Ostler KJ, Pickering RM, Baker NG, Henson A, Preece J, Cooper D, Campbell MJ, Department of Mental Health, University of Southampton, Royal South Hants Hospital, Brinton's Terrace, UK - Lancet. 2000 Jan 15;355(9199):185-91 - PMID: 10675118
      Background
      - Depression is a major individual and public-health burden throughout the world and is managed mainly in primary care.
      The most effective strategy to reduce this burden has been believed to be education of primary-care practitioners.
      We tested this assumption by assessing the effectiveness of an educational programme based on a clinical-practice guideline in improving the recognition and outcome of primary-care depression.
      Methods - We carried out a randomised controlled trial in a representative sample of 60 primary-care practices (26% of the total) in an English health district.
      Education was delivered to practice teams and quality tested by feedback from participants and expert raters.
      The primary endpoints were recognition of depression, defined by the hospital anxiety and depression (HAD) scale and clinical improvement.
      Analysis was by intention to treat.
      Findings - The education was well received by participants, 80% of whom thought it would change their management of patients with depression.
      21409 patients were screened, of whom 4192 were classified as depressed by the HAD scale.
      The sensitivity of physicians to depressive symptoms was 39% in the intervention group and 36% in the control group after education (odds ratio 1.2 [95% CI 0.88-1.61]).
      The outcome of depressed patients as a whole at 6 weeks or 6 months after the assessment did not significantly improve.
      Interpretation - Although well received, this in-practice programme, which was designed to convey the current consensus on best practice for the care of depression, did not deliver improvements in recognition of or recovery from depression.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10675118
      Also read the comment on this article :
      'Lessons from the Hampshire Depression Project' - Symons L - Lancet. 2000 May 6;355(9215):1641-2 - PMID: 10821383 at : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10821383?ordinalpos=2&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Disco
      veryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus
      - and the author reply on that 'Lessons from the Hampshire Depression Project' - Henkel V, Althaus D, Hegerl U. - Lancet. 2000 May 6;355(9215):1641; author reply 1642 - PMID: 10821382 at : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/10821382?ordinalpos=3&itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_Disco
      veryPanel.Pubmed_RVAbstractPlus

    43. Effects of Stress Management Program for Teachers in Japan - A Pilot Study
      Akihito Shimzau, Yusuke Okada, Mitsumi Sakamoto of the Department of Psychology, Hiroshima University Graduate School of Education & Masae Miura of the Department of Clinical Psychology, Hiroshima International University School of Human and Social Environment, Japan Ė Correspondence : A. Shimazu, Department of Psychology, Hiroshima University Graduate School of Education, 1-1-1 Kagamiyama, Higashi Hiroshima 739-8524, Japan - J Occup Health 2003, vl. 45, Nr. 4, pages 202-208
      The aim of this study was to examine the effects of a stress management program for teachers on their stress responses, social support and coping.
      Participants (n=24) were assigned to either an intervention or a waiting list control group.
      A five-session program, including psychoeducation, group discussion, role-playing and relaxation training, was conducted for the intervention group at two week intervals.
      Eight participants from each of the groups responded to pre- and post-intervention questionnaire surveys.
      The positive intervention effect was significant for social support from co-workers (p=0.035), whereas the negative intervention effect was significant for proactive coping (p=0.033).
      No significant effect was observed for stress responses (vigor, anger, fatigue, anxiety, depression and somatic stress responses) (p>0.05).
      The positive intervention effect was marginally significant for social support from co-workers (p=0.085) and anger (p=0.057) among those who at first had high stress response scores in the pre-intervention survey (n=5 and n=4 for the intervention and waiting list control groups, respectively).
      Furthermore, the positive intervention effect was significant for social support from co-workers (p=0.021) and marginally significant for resignation coping (p=0.070) among those who at first had high job control scores (n=4 and n=5 for the intervention and waiting list control groups, respectively).
      Results showed that the stress management program conducted in this study contributed to increasing social support from co-workers.
      This study suggests that a program that focuses on a particular subgroup (e.g., those with high stress responses or high job control) might be effective in enhancing coping skills, increasing social support and reducing stress responses.
      Cfr. : http://joh.med.uoeh-u.ac.jp/e/E/45/E45_4_02.html

    44. Effects of work-related stress reduction on depressive symptoms among Japanese blue-collar workers
      Kawakami N, Araki S, Kawashima M, Masumoto T, Hayashi T - Scand.J Work Environ.Health 1997;23:54-9

    45. Employment barriers among welfare recipients and applicants with chronically ill children
      Smith, LA; Romero, D; Wood, PR; Nutting, PA; Rost, K; Dickinson, M - Am J Public Health. 2002;92:1453Ė1457

    46. Enhanced glucocorticoid sensitivity in patients with chronic fatigue syndrome
      Gaab J, Rohleder N, Heitz V et al. - Acta Neuropsychiatr 2003;15:184-91
      Cfr. : http://www.ingentaconnect.com/content/mksg/acn/2003/00000015/00000004/art00005

    47. Epidemiology of chronic fatigue syndrome - The Centers for Disease Control study
      Gunn Walter J., David B. Connell, Bonnie Randall Ė In : 'Chronic Fatigue Syndrome' - Wiley, Chichester, Ciba Foundation Symposium 173, pag. 83-101, 1993

    48. Epidemiology of chronic fatigue syndrome and self reported myalgic encephalomyelitis in 5-15 year olds - Cross sectional study
      Chalder T, Goodman R, Wessely S et al. - BMJ 2003;327:654-5

    49. Epstein-Barr virus (EBV) and the chronic fatigue syndrome - Normal virus load in blood and normal immunologic reactivity in the EBV regression assay
      Swanink CM, van der Meer JW, Vercoulen JH et al. - Clin Infect Dis 1995;20:1390-2

    50. Estimating rates of chronic fatigue syndrome from a community-based sample - A pilot study
      Jason LA, Taylor R, Wagner L et al. - Am J Community Psychol 1995;23:557-68

    51. Estimating the prevalence of chronic fatigue syndrome and associated symptoms in the community
      Rumi K., Pnce PhD, MPE, Carol S. North, MD, Simon Wessely, MRCP, MRC Psych Victoria J. Fraser, MD - Public Health Reports, september-oktober 1992, Vol. 107, no. 5, pag. 514-522

    52. European Health Committee (CSDP) Recommendation Rec (2001)13 on developing a methodology for drawing up guidelines on best medical practices and explanatory memorandum
      Strasbourg : Council of Europe Publishing, 2001

    53. Evaluating adolescents with fatigue - Ever get tired of it ?
      Cavanaugh RM, Jr. - Pediatrics Rev 2002;23:337-48
      Cfr. : http://pedsinreview.aappublications.org/cgi/content/extract/23/10/337

    54. Evaluating attributions for an illness based upon the name Ė Chronic fatigue syndrome, myalgic encephalopathy and Florence Nightingale disease
      Jason L, Taylor RR, Plioplys S et al. - Am J Community Psychol 2002;30:133-48
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11928774

    55. Evaluating neuropsychological impairment in chronic fatigue syndrome
      Vercoulen JH, Bazelmans E, Swanink CM et al. - J Clin Exp Neuropsychol 1998;20:144-56

    56. Evidence-based medicine for occupational health
      Verbeek JH, van Dijk FJ, Malmivaara A, Hulshof CT, Ršsšnen K, Kankaanpšš EE, Mukala K - Scand J Work Environ Health 2002;28(3):197-204

    57. Exaggerated perception of normal physiological responses to stress and hypercapnia in young women with numerous functional somatic symptoms
      Houtveen JH, Rietveld S, de Geus EJ - J Psychosom Res 2003;55:481-90
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/14642976

    58. Exercise for treating fibromyalgia syndrome (Cochrane review)
      Busch A, Schachter CL, Peloso PM, Bombardier C - In : The Cochrane Library, Issue 2, 2004 - Chichester, UK : John Wiley & Sons, Ltd.

    59. Exercise responses and psychiatric disorder in chronic fatigue syndrome
      Lane RJM, Burgess AP, Flint J - Br J Med 1995; 311: 544-5

    60. Exercise responsive genes measured in peripheral blood of women with chronic fatigue syndrome and matched control subjects
      Whistler T, Jones JF, Unger ER, Vernon SD - BMC Physiol 5(1):5 - 2005 Mar 24

    61. Exercise therapy for chronic fatigue syndrome (review)
      Edmonds M, McGuire H, Price J - Cochrane Database Syst Rev. 2004(3):CD003200.

    62. Factors of importance for work disability in women with fibromyalgia
      Henriksson C, Liedberg G - J.Rheumatol. 2000;27:1271-6.

    63. Factors of importance for work disability in women with fibromyalgia - An interview study
      Liedberg GM, Henriksson CM - Arthritis Rheum. 2002;47:266-74.

    64. False suffocation alarms, spontaneous panics, and related conditions - An integrative hypothesis
      Klein DF, Department of Psychiatry, Columbia University, New York - Arch Gen Psychiatry. 1993 Apr;50(4):306-17 - PMID: 8466392
      A carbon dioxide hypersensitivity theory of panic has been posited.
      We hypothesize more broadly that a physiologic misinterpretation by a suffocation monitor misfires an evolved suffocation alarm system.
      This produces sudden respiratory distress followed swiftly by a brief hyperventilation, panic and the urge to flee.
      Carbon dioxide hypersensitivity is seen as due to the deranged suffocation alarm monitor.
      If other indicators of potential suffocation provoke panic this theoretical extension is supported.
      We broadly pursue this theory by examining Ondine's curse as the physiologic and pharmacologic converse of panic disorder, splitting panic in terms of symptomatology and challenge studies, reevaluating the role of hyperventilation and reinterpreting the contagiousness of sighing and yawning, as well as mass hysteria.
      Further, the phenomena of panic during relaxation and sleep, late luteal phase dysphoric disorder, pregnancy, childbirth, pulmonary disease, separation anxiety and treatment are used to test and illuminate the suffocation false alarm theory.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8466392
      Also read the comments on this article :
      - Klein's suffocation theory of panic
      Taylor S, Rachman S - Arch Gen Psychiatry. 1994 Jun;51(6):505-6 - PMID: 8192555
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8192555?itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAbstract
      - Panic attacks - Klein's false suffocation alarm, Taylor and Rachman's data and Ley's dyspneic-fear theory
      Ley R - Arch Gen Psychiatry. 1996 Jan;53(1):83-5 - PMID: 8540781
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/8540781?itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAbstract
      - Nonresponse of adrenocorticotropic hormone in first-ever lactate-induced panic attacks in healthy volunteers
      Kellner M, Wiedemann K - Arch Gen Psychiatry. 1998 Jan;55(1):85-6 - PMID: 9435765
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/9435765?itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAbstract
      - Response differences of spontaneous panic and fear
      Klein DF - Arch Gen Psychiatry. 2002 Jun;59(6):567-9 - PMID: 12044206
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12044206?itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAbstract
      - D-lactate and the false suffocation alarm
      Davies DR, Davies DD - Arch Gen Psychiatry. 2002 Mar;59(3):287-8 - PMID: 11879169
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/11879169?itool=EntrezSystem2.PEntrez.Pubmed.Pubmed_ResultsPanel.Pubmed_RVAbstract

    65. Family cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome Ė An uncontrolled study
      Chalder T, Tong J, Deary V - Arch Dis Child 2002;86:95-7
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC1761081/

    66. Family reinforcement of illness behavior - A comparison of adolescents with chronic fatigue syndrome, juvenile arthritis and healthy controls
      Brace MJ, Scott SM, McCauley E et al. - J Dev Behav Pediatr 2000;21(5): 332-339

    67. Family systems perspective
      Melamed BG Ė In : Jason LA et al, editors. 'Handbook of chronic fatigue syndrome' - Hoboken New Jersey: John Wiley & Sons;2003:192-201

    68. Faster response on amisulpride 50 mg versus sertraline 50-100 mg in patients with dysthymia or double depression - A randomized, double-blind, parallel group study
      Amore M,.Jori MC - Int Clin Psychopharmacol 2001;16:317-24

    69. Fatigue and psychological distress in the working population - Psychometrics, prevalence and correlates
      BŁltmann U, Kant I, Kasl SV, Beurskens AJ, van den Brandt PA, Department of Epidemiology, Maastricht University, P.O. Box 616, Maastricht, The Netherlands : u.bultmann@epid.unimaas.nl - J Psychosom Res. 2002 Jun;52(6):445-52 - PMID: 12069868
      Objective
      - The purposes of this study were :
      (1) to explore the relationship between fatigue and psychological distress in the working population,
      (2) to examine associations with demographic and health factors and
      (3) to determine the prevalence of fatigue and psychological distress.
      Methods - Data were taken from 12,095 employees.
      Fatigue was measured with the Checklist Individual Strength and the General Health Questionnaire (GHQ) was used to measure psychological distress.
      Results - Fatigue was fairly well associated with psychological distress.
      A separation between fatigue items and GHQ items was shown.
      No clear, distinct pattern of associations was found for fatigue vs. psychological distress with respect to demographic factors.
      The prevalence was 22% for fatigue and 23% for psychological distress.
      Of the employees reporting fatigue, 43% had fatigue only, whereas 57% had fatigue and psychological distress.
      Conclusions - The results indicate that fatigue and psychological distress are common in the working population.
      Although closely associated, there is some evidence suggesting that fatigue and psychological distress are different conditions, which can be measured independently.
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12069868?dopt=Abstract

    70. Fatigue at work
      Van Dijk F-JH, Swaen G-MH - Occup Environ Med 2003;June:i1-2
      Cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/12782739

    71. Fatigue in neurological disorders
      Chaudhuri A, Behan PO - Lancet 2004;363:978-88
      Chronic fatigue is a typical symptom of neurological diseases and is most disabling in multiple sclerosis, postpoliomyelitis, poststroke and in chronic fatigue syndrome.
      Disorders of neuromuscular junction transmission and metabolic diseases cause muscle fatigability, which is characteri