NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Op zoek naar een bepaalde info ? Geef dan hieronder een trefwoord in...
Zoeken in blog

Foto
Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom ! Welkom !
Foto
Gastenboek
  • good post
  • thanks
  • thanks
  • Discounted UGG Boots
  • Discounted UGG Boots

    Druk oponderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek

    Foto
    Raadpleeg steeds je arts !
    Foto
    Laatste commentaren
  • CKII (scott yancey review)
        op Graag meer informatie over Prof. Dr. Johann Bauer...
  • Villas (Bali Villas)
        op Fibromyalgie in het kort
  • Bali Luxury Villas (Tropical Bali Villas)
        op Fibromyalgie in het kort
  • illuminati (illuminati)
        op Fibromyalgie in het kort
  • sadas (asdASD)
        op Vermoeidheid overwinnen
  • sadas (asdASD)
        op (FES) organiseert - op 17-09-2008 - bijeenkomst in MMC
  • sadas (asdASD)
        op Chronische pijn en de rol van acupunctuur - Deel II
  • sadas (asdASD)
        op Als je een helpende hand zoekt...
  • sadas (asdASD)
        op Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • sadas (asdASD)
        op ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Foto
    Blog als favoriet !
    Foto
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    myvideogamecollection
    blog.seniorennet.be/myvideo
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    mijntuin
    blog.seniorennet.be/mijntui
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    claartje
    blog.seniorennet.be/claartj
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    lambretta_patrick
    blog.seniorennet.be/lambret
    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    zusje
    blog.seniorennet.be/zusje
    Foto
    Mijn favorieten
  • Kennis=macht=gezondheid - Pillie Willie
  • Vlaamse Liga voor Fibromyalgie PatiŽnten
  • Lotgenoten Fibromyalgie Nederland
  • APS-Therapie
  • Alles over fibromyalgie
  • Fibromyalgie-Online
  • Leven met CVS / Leven met Fibromyalgie
  • Gezondheidspein.nl
  • TopSiteGuide.BelgischeTop100
  • Fibromyalgie PR-site
    Foto
    Fibromyalgie
    Strijd om erkenning
    27-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Van Fobie naar Vrijheid - Snel klachtenvrij - Mind Tuning - Deel V
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


    Van Fobie naar Vrijheid


    Snel klachtenvrij
    Mind Tuning
    De radicale methode naar durf, onafhankelijkheid en succes
    Dť methode voor wie een heldere geest, durf, vrijheid, onafhankelijkheid en ultiem zelfvertrouwen wil

    Deel V



    7. - Grondlegger : Pieter Frijters


    7.1 - Wie is Pieter Frijters ?

    Pieter Frijters startte zijn loopbaan op zijn 21e, als communicatietrainer. Daarna werd hij ondernemer. Hij was ondermeer uitgever en grootaandeelhouder / directeur van Piton Equity, FITE Finance Consultants. Frijters leidde een bewogen leven en kende armoede en rijkdom, verdriet en geluk, angst en vrijheid, tegenslag en succes.
    Ruim twintig jaar geleden was de rek eruit. Frijters kampte met een burn-out en daaruit voortkomende angsten en onzekerheid. Hij was op een dood spoor beland en wilde, toen hij weer wat energie kreeg, weten wat er met hem gebeurd was. Hij raakte geÔnteresseerd in wat zich onder de oppervlakte van het bewuste afspeelt en deed onderzoek naar de onbewuste drijfveren van mensen die zakelijk, sociaal of sportief hun doel bereikt hadden.
    Na eindeloos zoeken, studeren, experimenteren en talloze interviews ontwikkelde hij Mind Tuningģ: geen therapie, maar een radicale methode om iemand te coachen om in een korte tijd angst of onzekerheid om te zetten in zelfvertrouwen. Mind Tuning spreekt het onbewuste potentieel van mensen aan en activeert het.
    Inmiddels bezochten duizenden mensen zijn privť-praktijk om hun onzekerheden, burn-out, angsten en fobieŽn te elimineren. Zij kregen er energie, zelfvertrouwen en onafhankelijkheid voor terug. Frijters heeft een privť-praktijk en geeft persoonlijke en groepscoaching onzekerheid, fobie en burn-out, interactieve seminars fobie en burn-out, masterclasses Mind Tuning en de snťltraining spreken in het openbaar. Ook treedt hij regelmatig op als gastspreker op symposia van allerlei soort.
    Pieter Frijters is een bevlogen mens. Hij ziet het als zijn levenstaak om met zijn kennis en kunde zoveel mogelijk mensen te coachen, zodat ze kunnen leven zoals ze bedoeld zijn.


    7.2 - Wat is zijn ontdekking ?

    Pieter Frijters heeft in zijn leven veel last gehad van spanningen, paniekaanvallen en sociale angsten.
    Zijn huisarts dacht aan overspannenheid, zijn neuroloog aan epilepsie. Bezoek aan een psycholoog maakte zijn toestand alsmaar erger. Frijters ging daarna zelf op zoek naar de bron van zijn angsten en deed een ontdekking die grote gevolgen zou hebben. Lees mee hoe die ontdekking tot stand is gekomen : 'De oplossing voor mijn angsten lag uiteindelijk in mezelf en ik heb ontdekt hoe ik die kon vinden. Vanaf mijn twintigste interesseerde ik me voor communicatieprocessen en hypnose, vanwege de wisselwerking tussen onze onbewuste creatieve vermogens en de manier waarop we communiceren. Toen ik vastgelopen bleek in mijn angsten en in de reguliere medische en psychologische praktijken, gaf ik mijzelf de opdracht om mijn creatieve denkvermogen los te laten op mijn probleem.
    Ik had sterk het gevoel dat de oplossing van mijn angsten niet zo complex was als de deskundigen me vertelden. Ik had veeleer het gevoel dat er ergens een knop in me zat die omgezet moest, en dat het mijn 'taak' was om die knop te vinden'.
    Op dat moment had ik het meeste last van sociale angsten.
    Het was zo erg geworden, dat ik nauwelijks nog in staat was om klanten te bezoeken. Ik kreeg mezelf letterlijk de drempel niet meer over. Ik wist dat anderen me zagen als een sterke burcht - of als een bunker - maar van binnen voelde ik me als brandhout.
    Op een avond zat ik met plezier terug te denken aan een wintersportvakantie, waar ik met een gids een lange skitocht had gemaakt. Ik zag de stralende zon, de strakblauwe hemel en de maagdelijke poedersneeuw. Beneden me zag ik de met sneeuw versierde bomen. Rechts van me zag ik dwars over de helling een skispoor, alsof iemand de sneeuw doormidden had gezaagd.
    De herinnering was zo krachtig en het beeld was zo ruimtelijk, dat ik opnieuw het ontzag voelde voor de stille en majestueuze kracht van de bergen. Ik voelde dat mijn lijf veranderde, dat ik lichter werd, gemakkelijker ademde en dat de spanning in mijn spieren afnam.
    Ineens schoot me te binnen dat ik de volgende dag een zakelijke afspraak had. Mijn "probleem" drong zich aan me op en ik voelde mijn lichaam weer op slot springen. Het gekke was dat ik me opeens realiseerde dat het beeld dat ik voor me zag grauw, grijs, eng en als vernauwd was.
    Ik dwong mezelf terug naar mijn herinnering aan de bergen. Een beeld dat, zo zag ik plotseling, helder, kleurrijk en ruimtelijk was. Mijn lijf kreeg opnieuw lucht en als vanzelf werd mijn ademhaling rustiger en dieper.
    Weer riep ik het beeld op van de afspraak waar ik zo tegenop zag, en weer voelde ik de spanning in mijn lijf terugkeren. Mijn spieren en mijn ademhaling bleken direct te reageren op de kwaliteit van het beeld dat ik voor me zag.
    Zo begon ik te experimenteren met het angstbeeld van mijn zakelijke afspraak. Ik voelde een soort extase, omdat ik zeker wist dat de angst en de spanning zouden verdwijnen als ik het beeld dat ik erbij had net zo helder en ruimtelijk kon maken als de prettige herinnering aan de bergen.
    Ik vergeleek de beelden in mijn hoofd een aantal keer met elkaar. Maar het angstbeeld veranderde niet. Na enkele uren liet ik het los. Ik wilde wat rust nemen om het daarna opnieuw te proberen.
    Als een donderslag bij heldere hemel had het angstbeeld een andere kwaliteit gekregen. Het had geen kader meer, ik zag kleur, het beeld was licht, helder en ruimtelijk geworden. Ik wist niet meer precies hoe ik het had gedaan, maar wel dat het gelukt was. Sterker nog : het beeld van mijn werk voor de volgende dag wilde niet meer grauw, grijs en eng worden. Ik had het gevoel dat de afspraak die ik zou hebben prettig en ontspannen zou verlopen.
    Een uur later kon ik me nauwelijks nog voorstellen dat ik ooit drempelvrees had gehad.
    Ik beleefde de ontdekking van mijn leven : mijn drempelvrees verdween als sneeuw voor de zon door de kwaliteit van mijn innerlijke beelden te veranderen. Ik had sterk het vermoeden dat het ook bij anderen zo zou werken.
    In de periode daarna vond ik in mijn relatiekring genoeg proefpersonen met ťťn of andere niet-reŽle angst. Bij iedereen kon ik in een mum van tijd de angst elimineren.
    Mijn methode verdiende een naam en ik moest aan een radio (tuner) denken. Als een radio immers niet goed op een zender wordt afgestemd, dan hoor je ruis en ontstaat er ergernis. Deze verdwijnt wanneer de knop exact op de juiste frequentie wordt afgestemd (tuning). Ik zag hier een metafoor in voor het afstemmen van de geest (mind) op het "kunnen". Later noemde ik mijn methode Mind Tuningģ.


    7.3 - Wat heeft hij bereikt ?

    Inmiddels hebben duizenden mannen en vrouwen uit alle lagen van de bevolking een beroep op Pieter Frijters gedaan.
    Jaarlijks helpt hij honderden mensen. Zonder medicatie, zonder ademhalingstherapie, zonder gepeuter in het verleden en zonder mensen bloot te stellen aan hun angst (exposure). Honderden dankbrieven en enquÍteformulieren bewijzen de blijvende invloed van Mind Tuning.
    Mede dankzij enkele uitzendingen van de Wereldomroep over Mind Tuning en de aandacht die dagblad De Telegraaf aan zijn seminars gaf, komen cliŽnten zelfs van ver uit het buitenland naar zijn praktijk. Frijters' kennis, ervaring en kunde zijn uniek in Nederland.
    Frijters heeft een privť-praktijk en geeft persoonlijke en groepscoaching onzekerheid, fobie en burn-out, interactieve seminars onzekerheid, fobie en burn-out, masterclasses Mind Tuning en de sneltraining spreken in het openbaar. Ook treedt hij regelmatig op als gastspreker op symposia.
    Mind Tuning is geen methode die intellectueel indruk maakt. Je moet het ervaren om het te kunnen begrijpen. Aan journalisten die aandacht aan zijn methode willen besteden, stelt Frijters dan ook de voorwaarde dat ze eerst aan een seminar of groepscoaching moeten deelnemen. Verderop in deze site vindt u fragmenten uit artikelen die in kranten, week- en maandbladen verschenen, en enkele impressies van zijn televisieoptredens.
    Pieter Frijters schreef het boek 'Van Fobie naar Vrijheid' (Archipel Amsterdam, 2000, ISBN 90-295-1633-X). Een absolute bestseller en een must voor iedereen die kampt met onzekerheid, burn-out of (faal)angsten. Tevens een boek dat door tal van psychologen en therapeuten regelmatig wordt geraadpleegd.


    7.4 - Zijn ethiek

    Ethiek en integriteit staan bij Pieter Frijters Mind Tuning op de eerste plaats.
    Zijn cliŽntenbestand is heel divers en bevat mensen uit alle sociale lagen van de bevolking. Ook bekende Nederlanders die actief zijn in politiek, amusement, sport, de rechterlijke macht of het bedrijfsleven consulteren hem.
    Over geen enkele cliŽnt worden inlichtingen verstrekt aan derden, noch worden adresbestanden verkocht of ter inzage gegeven. Bovendien worden er geen dossiers voor intern gebruik aangelegd over de problematiek van cliŽnten, zodat hun privacy op alle niveaus gewaarborgd blijft.
    Mocht u meer willen weten over Pieter Frijters Mind Tuning, dan kunt u zijn boek lezen of zoeken in de lijst van journalistieke publicaties over zijn methode. Ook kunt u een zaterdagseminar 'Onzekerheid, fobieŽn en burn-out' volgen om een indruk te krijgen van zijn aanpak.


    7.5 Ė Foto's

    Op http://www.paniek.nl/index.php?id=48 - vindt u een groot aantal foto's waar u Pieter aan het werk ziet. Met grote groepen zijn de kennismakings seminars op zaterdag. Met kleinere groepen de groepscaochings "Onzekerheid, fobie en burnout" of tijdens een snťltraining 'Spreken in het Openbaar'.


    7.6 - Meningen in de media

    Mind Tuning blijft niet onopgemerkt. Er is dan ook volop aandacht voor in de media. Hier vindt u een overzicht.

    7.6.1 Ė Televisie

    • Frijters gaf interviews aan het VARA-consumentenprogramma Kassa, Veronica Live, de Vijf Uur Show en Catherine.

    • Het programma Hoera een Kind van de NCRV besteedde aandacht aan het werk van Pieter Frijters met angstige kinderen. De uitzending liet zien hoe Frijters kinderen snel van hun angsten afhelpt en wat enkele weken later het resultaat ervan is op de kinderen en hun ouders.

    • Begin mei 2002 was Frijters als fobiedeskundige te gast in het NCRV-televisieprogramma De Blauwbilgorgel van presentator Sjors FrŲhlich. Frijters kreeg veel reacties van mensen die hun probleem herkenden en voor het eerst begrepen dat ze er zelf iets aan konden doen.

    • Op 20 oktober 2002 werd ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het C.B.R. het Nationaal Verkeersexamen uitgezonden. Pieter Frijters werd gevraagd vier deelnemende bekende Nederlanders hierbij te coachen. Tijdens een avondvullend live televisieprogramma was onder meer te zien hoe de kandidaten zich voorbereidden en wat de resultaten waren.
      Drie van hen behaalden, mede dankzij Pieters interventie, het felbegeerde papiertje.
      Henk Westbroek : "Het werkt !!" Robine van der Meer : "Ik ben zeer te spreken over Mind Tuning." Bart Chabot : "Diep in mijn hart weet ik dat ik het kan."
      De Telegraaf van 19 oktober 2002 hierover : Vier bekende Nederlanders, Bart Chabot, Henk Westbroek, Robine van der Meer en ex-Big Brother Kelly, doen morgenavond bij SBS6 voor het oog van heel Nederland rijexamen.
      Om hun zenuwen de baas te blijven krijgen ze 'Mind Tuning' van Pieter Frijters. "Ik gooi jullie een balletje toe. Probeer het te vangen, terwijl je blijft kijken. Dat voorkomt dat je je zicht beperkt. Heel belangrijk bij het autorijden."
      Robine's enthousiaste reactie op de technieken van Mind Tuning : "Met autorijden kan dat je enorm helpen. Want als je beter geaard bent, kun je je ook beter concentreren."
      Kelly : "Het was een hele goede training."

    • Op 5 oktober 2002 ontving presentatrice Christine ter Horst Pieter Frijters en Emile Ratelband in haar programma Nachtsuite. Hoewel de aanpak van de beide heren zeer verschillend is, bleken ze het op een aantal punten roerend eens te zijn. Vooral het graven in het verleden als oplossing van een niet-reŽle angst vonden beiden zinloos en zelfs verwerpelijk.

    • Op 20 oktober 2002 vierde het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) zijn 75-jarig bestaan met de uitzending van het Nationaal Verkeersexamen. Pieter Frijters coachte vier bekende Nederlanders tijdens een avondvullend televisieprogramma. Met behulp van verschillende technieken hielp hij de kandidaten om hun zenuwen in bedwang te houden en om met overzicht te blijven rijden. Drie van hen (Henk Westbroek, Robine van der Meer en Bart Chabot) slaagden, mede dankzij de inbreng van hun begeleider.

    • In 2001 liet het VPRO-programma De Nieuwe Wereld (DNW) zien hoe Frijters een jongeman met burn-out klachten coacht.

    • Het EO-programma ManVrouw maakte in 2001 een uitzending over positief denken. Frijters was als deskundige te gast en zijn werk werd in beeld gebracht.

    • In de zomer van 2001 maakte Wereldomroep-tv een documentaire over mental coaching, die na die zomer in veel landen is uitgezonden. Het werk van Pieter Frijters en het effect daarvan op een cliŽnte werd in beeld gebracht.

    • De Humanistische Omroep besteedde in 2001 in het programma 'De achtste Dag ' aandacht aan Mind Tuning. Een uitgebreide documentaire liet zien hoe een 41-jarige man jarenlang met slikangst leefde, hoe Pieter Frijters hem coachte om de fobie te elimineren en hoe hij er zes weken later aan toe was. De man bleek opgelucht en opgewekter te zijn, zo getuigden zijn naasten. De documentaire eindigde met beelden van de man die zonder enig probleem een glas cola leegdronk.

    • In het najaar van 2000 maakte de VARA voor het programma Ons genoegen een prachtige documentaire over hoe Pieter Frijters' hulp aan een vrouw die al meer dan dertig jaar smetvrees had.

    7.6.2 - V&D TV
    Een deelnemer van het programma V&D TV kreeg een wel heel enerverende opdracht. De man had hoogtevrees en de opdracht was dat hij zich tot 6 verdiepingen hoog in een glazenwasserbakje langs het V&D pand omhoog liet hijsen.
    Gelukkig mocht hij zich door Pieter Frijters laten coachen. Al snel had Pieter door dat de hoogtevrees heel pittig was. Hij leerde de kandidaat om goed om zich heen te kijken en niet naar binnen te keren.
    De man was een goede en snelle leerling en begreep de technieken van Mind Tuning vrijwel direct. Al snel was hij daarom in staat om op een trapje te gaan staan. Een hele overwinning want deze man had het echt stevig te pakken.
    In een interview vlak voor de uitvoering van de opdracht vertelde hij dat hij er alle vertrouwen in had te zullen slagen en dat Pieter hem helemaal van zijn hoogtevrees had afgeholpen.
    Het dakterras van V&D Utrecht op ongeveer 25 meter hoogte had hij de hele week angstvallig vermeden. Na een anderhalf uur coachen durfde hij het dakterras op en zelfs op een tafel te staan om zonder enig spoor van angst over Utrecht heen te kijken.
    Wat hij nog niet wist was dat zijn volgende opdracht zou zijn om in een glazenwassers bakje te gaan staan om zich langst het gebouw aan twee dunne stalen kabels naar het dak (ong. 30 meter) te laten tillen.
    Aad stapte vol vertrouwen samen met Pieter in het bakje en iedere verdieping die hij bereikte zou een prijs opleveren.
    Helaas was de wind behoorlijk gaan opsteken en toen het bakje op 6 meter hoogte werd stilgezet voor een cameraopname, ging het flink heen en weer en dreigde steeds tegen de muur op te botsen.
    Tot genoegen van Pieter besloot Aad resoluut om niet meer verder te gaan.
    Pieter Frijters hierover : "we wogen samen ruim 205 kg. En daarbij kwam nog het gewicht van wat camera apparatuur. Daarbij was het maximum toelaatbaar gewicht van 205 kg. overschreden. Als zo'n bakje op iedere verdieping moet stilhangen dan krijgt de wind vrij spel en dat voelde beslist niet veilig".
    Na afloop vertelde Aad dat hij zonder die harde wind vast van plan was geweest om door te zetten en dat hij zich nauwelijks meer voor kon stellen dat hij ooit last van hoogtevrees had gehad !

    7.6.3 Ė Radio

    • Enkele jaren geleden maakte de Wereldomroep een opname van een zaterdagseminar. Deze werd wereldwijd meerdere malen uitgezonden. Ook Talk Radio besteedde uitgebreid aandacht aan Mind Tuning.

    • Begin 2001 interviewde Sjors FrŲhlig in Capuccino Pieter Frijters over zijn boek Van fobie naar vrijheid.

    • Begin november 2001 deed het radio 1-programma Een op de Middag van de AVRO verslag van de Sneltraining Spreken in het Openbaar. Het programma liet ook enthousiaste cursisten aan het woord.

    7.6.4 - Geschreven media

    • Het tijdschift Intermediair schreef een artikel over de cusrus "spreken in het openbaar" in 30-09-2004 : Op cursus - Korte weergave Artikel Intermediair 30-09-2004
      Trainingen en trainers genoeg, maar wat leer je er eigenlijk ? Intermediair ging voor u op cursus. Deze week : de cursus 'Spreek !'
      Toegegeven : ik ben een cynisch mens. Zeker als het cursussen, trainers of therapeuten betreft, heb ik nooit last van al te hoge verwachtingen. Tegen de cursus 'Spreek !' - een sneltraining spreken in het openbaar - van Pieter Frijters zag ik dan ook huizenhoog op.
      Een week later. Als ik eindelijk arriveer, is de middagsessie al begonnen. In sfeervolle ruimte zitten zo'n vijftien mensen uit het bedrijfsleven die moeite hebben met spreken in het openbaar. Pieter Frijters (56) is een grote man - 104 kilo - met een doorleefd hoofd.
      Voor de groep staat Martin. Martin is directeur/eigenaar van het bedrijf MaDeGro wat 'Martin de Groot' betekent. Er wordt voor hem geklapt, want hij heeft zojuist met behulp van 'de tools' die Pieter de groep in de ochtend heeft aangereikt, voor het eerst zonder zenuwen gesproken in het openbaar. De cursisten hebben geleerd hoe te staan, hoe je het best je stem kunt gebruiken en ook hoe je moet kijken.
      En eerlijk is eerlijk : het werkt. Of anders gezegd : dit is een cursus waar je echt wat aan hebt. Pieter laat de cursisten een voor een optreden. Hij stelt vragen, laat ze verhalen vertellen en zegt wat ze goed of fout doen. En hij doet dit op een manier die geen seconde verveelt.
      Als ene Annemiek heeft gesproken, zegt Pieter : "Jij vond dat je heel erg overdreven stond te doen, he ?" Annemiek : "Ja."
      Pieter : "Voor ons kwam dat heel natuurlijk over. Mijn advies : blijf overdrijven."
      Annemiek : "Jaja."
      Even later staat een jonge salesmanager voor de groep. Hij heeft er moeite mee om andere salesmanagers toe te spreken op events. Volgens Pieter is zijn probleem dat hij teveel nadenkt over hetgeen hij wil zeggen. "Het is een drama. Je moet je niet voorbereiden. Zodra je nadenkt, blokkeer je. Ik geef je een opdracht. Vertel een verhaal waarin de woorden 'Deventer', 'fiets' en 'koek' voorkomen. En beginÖNu !"
      De sales manager zwijgt.
      Pieter : "Nu !"
      De salesmanager begint nu aan een verhaal met heel veel 'koek' en heel weinig 'fiets', maar breekt dit halverwege af om te zeggen : "Sorry, ik dacht na."
      Na nog een poging met woorden als 'baby', 'stropdas' en 'kapper' stopt hij weer om te vertellen wat hij allemaal fout doet.
      Pieter : "Heb jij een partner ?"
      "Ja", zegt de salesmanager, "ik heb een vriendin."
      Pieter : "Jij komt van vanavond thuis en je vriendin zegt : 'Lul, klootzak, sukkel. Ik kan je niet uit staan.' Wat doe jij dan ?"
      De salesmanager : "Dat isÖ Euh, dat is nog nooit voorgekomenÖ Ik zou zeggen : Waarom, zeg je dit ?"
      Pieter : "Ze zegt : dat vind ik gewoon. Ik vind je een lul, een klootzak en een sukkel."
      De salesmanager : "Nou op den duur pik ik dat niet. Na een week ben ik weg."
      Pieter : "O, je pikt het nietÖ Waarom doe je het bij jezelf dan wel ? Je bent verdomd kritisch naar jezelf toe. Een mens heeft meer dan zesduizend gedachten op een dag. Daarvan is bij jou minimaal de helft negatief. Ik noem dat negatieve zelfhypnose. Als je spreekt, zie ik je denken : waarom kan ik dit niet ? Je kijkt ook omlaag en zodra je omlaag kijkt, denk je na. Je moet omhoog kijken. Dan zie je het voor je."
      Daarna richt Pieter zich tot de groep : "Ieder psychisch probleem heeft te maken met angst. Dat kan heel ver gaan. Daarna zegt Pieter : "Ik ga jullie een metafoor mee geven, waarmee je je gedachten kunt sturen." Vervolgens vertelt hij het verhaal van een nieuwe buurvrouw die iedere dag komt koffie drinken. Ze brengt taart mee, maar is ontzettend saai. Op het laatst wordt ze zo irritant dat de bewoners de deur dicht houden als ze aanbelt.
      "Dat is het enige wat werkt. Zij respecteert niet dat je geen prijs stelt op haar bezoekjes en dus houd je de deur dicht. Zo doe je dat voortaan ook met negatieve gedachten. Deur dicht !"
      Als hij ons ook nog een nieuwe manier van kijken heeft geleerd - "Als ze tegen je zeggen 'let op de weg', weet jij dat je goed rijdt" - sluit hij de eerste cursusdag af. De cursisten zijn allemaal blij en tevreden met hetgeen ze geleerd hebben. Pieter zelf zegt : "Ieder mens heeft het vermogen in zich om een topspreker te zijn. Ik observeer ze en waar nodig draai ik aan de knopjes. Daarna kunnen ze het."
      Tja, en daar zit wat in. Zelden een groep mensen in korte tijd zo zien veranderen. Een paar uur later sta ik thuis in de badkamer voor de spiegel. Ik doe wat oefeningen die Pieter ons geleerd heeft om beter te kunnen waarnemen als je spreekt. Je moet je hoofd stil houden en je lichaam draaien of zoiets.
      "Wat doe je ?", vraagt mijn vriendin.
      "Euh, oefeningen en zo", roep ik terug.
      Ik zie nog niet echt een zelfverzekerde spreker in het openbaar. Ik zie een kromgebogen slungel met te lang haar en wallen onder zijn ogen. Maar dat is wel heel negatief gedacht. "Deur dicht", roep ik.

    • In het kerstnummer 2003 van Intermediair verscheen een verslag van Mans Kuipers die een Sneltraining Spreken in het Openbaar volgde : Een bloemlezing uit Mans' verslag : "Met elf andere spreekangstigen schuif ik op maandagochtend aan bij de cursus 'spreken in het openbaar'. Het vrijwel overal verplichte rondje 'wie-ben-ik-en-wat-doe-ik-hier' ontbreekt gelukkig : een naambordje voor ieders neus volstaat, het eerste uur mogen we in alle rust luisteren naar de introductie van Pieter Frijters. Kunnen we gelijk kijken hoe een professioneel spreker dat varkentje wast.
      Frijters, veertiger met en stevig postuur en sonore stem, straalt een grote rust uit. Door middel van oogcontact geeft hij iedereen het gevoel er echt bij te horen. Dat blijkt uit de loop van de dag een belangrijk onderdeel van het spreken voor een groep : oogcontact houden met je publiek. Kijken, kijken, kijken. Heel belangrijk is het om degene tot wie je je richt, recht aan te kijken - recht aankijken wil zeggen dat je van iemand beide oren ziet. Een bij voorbaat bange cursist denkt dat de ander dan zal denken dat hij staart naar een pukkel of naar een teveel aan mascara. Op simpele en doeltreffende wijze bewijst Frijters dat de spreker daar niet bang voor hoeft te zijn.
      Terwijl wij op zijn ogen moeten letten, kijkt hij achtereenvolgens naar kin, linkeroor, neus, linkeroog en rechteroor van de cursist. En inderdaad : op vier meter afstand zie je geen enkele beweging in Frijters' ogen.
      Wat ook opvalt, is dat Frijters zijn handen mee laat 'praten' : zinnen worden onderstreept met gebaren, waardoor zijn boodschap beter beklijft.
      Het af en toe heen en weer drentelen voor de groep blijkt ook al functioneel te zijn: het voorkomt dat je met samengetrokken tenen op ťťn plaats staat, en daardoor verkrampt".
      Mans Kuipers besluit met op te merken dat hij het geleerde allemaal in de praktijk zal brengen en "als ik er nu ook nog aan denk om niet te snel het betoog af te raffelen en voldoende pauzes inlas in mijn zinnen, zal ik voortaan als begenadigd spreker door het leven gaan".

    • Management Team april 2003 : Spreekangst - Spreken in het Openbaar is doorgaans een nachtmerrie. Voor het beteugelen van het angstzweet is nu een oplossing : Mind Tuning.
      Knikkende knieŽn, hartkloppingen, zweten : straks krijgt u er misschien geen woord meer uit. U bent niet de enige die hier last van heeft. Volgens trainer Pieter Frijters is dit voor 97% van de mensen een probleem. Voor Frijters is het een goudmijn. Hij zette een bedrijf op : Mind Tuning. Volgens Frijters is de mind vergelijkbaar met een radio. Als die niet goed wordt afgestemd op een zender, ontstaat er ruis.
      "De angstfactor is waanzinnig bedreigend voor mensen uit het bedrijfsleven. Als manager kun je geen carriŤre maken als je jezelf niet goed kunt presenteren. Ik leer iemand hoe hij in vijf minuten een verhaal kan voorbereiden." De angst is irreŽel volgens Frijters. "Als je bang wordt, creŽer je onbewust een zintuiglijke tunnelvisie. Ik leer de deelnemers op een totaal andere manier naar de werkelijkheid te kijken."
      Opmerkelijk is zijn visie op oogcontact: dat dien je te vermijden. "We moeten weer kijken als een driejarige" legt Frijters uit. "We hebben geleerd om mensen direct aan te kijken, maar dat leer ik iedereen zo snel mogelijk weer af. Oogcontact staat hier voor eerlijkheid, maar in andere culturen betekent het knokken." Oogcontact leidt dus af, net als het gebruik van materialen om je presentatie te ondersteunen. Overbodig, de boodschap komt toch wel goed over als je die vertelt in de 'Mind-Toon-Ritme Taal'. "Een stem mag leven. Je moet pauzeren en de goede intonatie gebruiken. Daar wordt je mind rustig van. Ik wil voorkomen dat mensen gaan nadenken over wat ze gaan zeggen. Dat is onnatuurlijk."

    • De Zaak april 2003 over burnout : Emil van der Linden, eigenaar van een chemisch reinigingsbedrijf met 16 werknemers, raakte burnout in 1993 na een reeks rechtszaken over zijn bedrijf. "Eind 2002 vond ik het genoeg en belde ik naar Frijters Mind Tuning. Frijters is ervaringsdeskundige die een methode heeft ontwikkeld om het blikveld te verbreden. Ik focuste alles op mijn probleem : de rechtszaak. Terecht stelde Pieter Frijters mij de vraag wat er daarna dan zou gebeuren. Daar kon ik me werkelijk geen voorstelling van maken. Hij reikte mij gereedschap aan om weer vooruit te kunnen. Lichamelijke ontspanningsoefeningen, leren reflecteren op je gedrag, nee durven zeggen, afstand nemen".
      Van der Linden werkt nog geen acht uur per dag, maar zorgt nu wel dat hij meer delegeert naar werknemers.
      "En als er iets misgaat betrek ik dat niet meer op mezelf, maar los het op."

    • Artikel Goudsche Courant mei 2003 over examenvrees : Examen 2003 - Pieter Frijters zegt : 'Doe de dag voor je examen niets'
      'Mindtuner' Pieter Frijters heeft een aantal tips voor de kandidaten om de zenuwen te bedwingen. Ze hebben tijdens een faalangstcursus op school allerlei ademoefeningen geleerd en hoe je negatieve gedachten in positieve moet omzetten. Echt geholpen heeft het volgens de kandidaten niet. Ook stressverminderende pillen bieden weinig vertrouwen Wel hebben ze op advies chocola gegeten en Extran gedronken. 'Mindtuner' Pieter Frijters : "Al die dingen werken niet, veel te ingewikkeld. Bovendien helpt het niet om je van te voren in te prenten dat je iets moet doen om je zenuwen te verminderen. Zo maak je het erger."
      De Waddinxvener die jaarlijks zo'n zes- ŗ zevenhonderd mensen van hun angsten afhelpt middels een eigen ontworpen techniek 'Mind Tuning' heeft een aantal tips die volgens hem wťl werken.
      "Als je bloednerveus bent, tel dan van een tot en met acht. Ga bij de acht in toon omhoog, pauzeer en zeg dan de negen in je hoofd op een lage toon. Doe dat vijf keer en je bent rustig", zegt hij. "Als iemand gespannen is, dan gaat hij een soort vraag-en-antwoordspel voeren in zijn hoofd, net een echt gesprek. Probeer eens in een lagere en een tragere gesprekstoon te gaan denken. Of probeer een accent na te doen. Wedden dat je in de lach schiet en je jezelf niet meer zo serieus neemt. En als je je tenen kromt, krijgen je longen een seintje om zich te vernauwen en prompt spannen al je organen zich waardoor je nog nerveuzer wordt."
      Ten slotte heeft Frijters nog een paar tips waar iedereen wat aan heeft. "Doe de dag voor je examen lekker niets, behalve leuke dingen. Denk bij voorbaat aan het resultaat: je examenfeest. Vul bij multiple choice vragen eerst alles in wat je weet. En als je nadenkt: altijd omhoog kijken, in plaats van omlaag. Dan weet je de antwoorden gegarandeerd sneller en ga je helder denken. "

    • Dagblad De Standaard (zeg maar de Belgische NRC) publiceerde in het najaar van 2001 een groot artikel in een weekendbijlage. Onder de kop : "Mindkunstenaar Pieter Frijters bevrijdt mensen van angsten en fobieŽn", beschrijft journaliste Margot Vanderstraeten een groepscoaching : de energie, het charisma, de mensenkennis en het verregaande inlevingsvermogen van Pieter Frijters zijn zonder meer uitzonderlijk. Hij noemt zijn deelnemers voortdurend bij naam, vergroot de betrokkenheid door van elke deelnemer details te onthouden die hij later weer te berde brengt. Hij spreekt met luide, lage stem met veel intonatie, hij neemt - precies zoals hij alle deelnemer aanleert - de ruimte van de hele zaal in beslag.
      En over de tweede trainingsdag schrijft zij : ook die maandagochtend stonden de deelnemers voor de deur. Dit keer minder onwennig. Ruim twee op de drie deelnemers vertellen dat ze hun angsten al een stuk beter onder controle hebben. Tijdens de tweede ronde gaat Frijters in op elk individueel probleem, al zul je het woord "probleem" uit zijn mond niet horen !

    • Het Belgische weekblad P magazine (Nr. 18, 2001) wijdde onder de titel : Dossier ANGST een uitvoerig artikel aan het werk van Pieter Frijters. De journalist, die zelf een niet-reŽle angst had, schrijft : "We moeten bekennen dat we geen angst meer voelen".

    • Het maandblad Health (nr. 2, 2001) interviewde Pieter Frijters over zijn vroegere angsten en burn-out en over het ontstaan van Mind Tuningģ.

    • De Gazet van Antwerpen publiceerde een complete pagina gewijd aan het werk van Pieter Frijters (10 juni 2001). Journalist Jos Vranckx woonde een seminar bij en schreef daarna onder meer : "het seminarie van Frijters heeft niets van een therapeutische sessie". En : "de aanpak van Frijters is zeer praktisch, zonder hocus-pocus, met tips om tot rust te komen bij paniekaanvallen, hyperventilatie te voorkomen en het leven meer in eigen handen te nemen, in plaats van het door obsessies en angsten te laten beheersen".

    • In het maandblad Feeling (november 2001) deden twee vrouwen, elk 38 jaar oud, verslag van hun ervaringen met Pieter Frijters. Lia, die aan rijangst leed, zegt : "tijdens die uren gebeurde er iets met me, alsof er een knopje werd omgedraaid". En Karin, die last had van sociale angsten, meldt : "het was alsof Pieter mij een prachtig cadeau had gegeven".

    • Het Belgische Maandblad Fit & Gezond schreef een grondig voorbereid groot artikel over Mind Tuning. Redactrice Carine Deceulaer doet er verslag van een zaterdagseminar, bespreekt het boek Van fobie naar vrijheid en destilleerde een aantal eenvoudige tips voor lezers.

    • Het tijdschift Intermediair Starters schreef een recensie over een bezoek aan de sneltraining 'spreken in het openbaar' : Een 8,5 van Intermediair Starters ! (onderstaande tekst verscheen in het magazine Intermediair Starters) : 'Het voorstelrondje slaan we over. Dat roept bij veel mensen zoveel spanning op dat ze niet eens naar de cursus durven komen.' Pieter Frijters zet zijn handen in de zij en kijkt de groep cursisten rond. 'Wel wil ik van jullie weten wat je wil bereiken vandaag.' Na drie cursisten grijpt de trainer in. 'Jullie vertellen wat je niet wil leren. Niet blozen, niet trillen. Alle dingen die je niet wil, ga je juist doen.' De toon is gezet. Frijters zal de deelnemers de hele dag confronteren met hun gedrag.
      De trainer begint met fysieke tips om ons anders te leren waarnemen. Ten eerste het draaien van je hoofd zodat je mensen recht aankijkt. Als je vanuit je ooghoeken kijkt, zie je ongewenste beelden waarvan je uit balans raakt. Frijters benadrukt dat iemand recht aankijken iets anders is dan iemand in de ogen kijken. 'Nooit doen, dit zorgt voor onzekerheid bij de ander. Zie anderen als een portret, kijk naar het totaal.' Tip twee gaat over de tenen. In veel spannende situaties krom je je tenen waardoor je ademhaling omhoog gaat.
      Een groot gedeelte van de dag wordt gevuld met oefeningen die een beroep doen op het improvisatievermogen van de deelnemers. 'Vertel ons over je vakantie naar Aruba,' zegt hij tegen een cursist. 'Je bent daar nooit geweest dus spreek je voorstellingsvermogen aan. Pas als je het voor je ziet, kun je het doorgeven.'
      Regelmatig moet iemand voor de groep een opdracht uitvoeren. Een aantal deelnemers klapt dicht als ze voor de groep staan. Frijters is streng. Hij dwingt ze omhoog te kijken. 'Bij angst kijk je naar beneden. Maar daar zit de informatie niet. Gebruik je voorstellingsvermogen.' Uiteindelijk lukt het iedereen zijn verhaal af te maken.
      Na de lunch gaat Frijters, behalve trainer ook auteur van het boek 'Van fobie naar vrijheid', verder met zijn specialisme : zijn zelf ontworpen Mind Tuning methode. Zenuwen voor een toespraak worden veroorzaakt door gedachtes. Denken dat iets mis gaat zorgt voor een blokkade. Volgens Frijters is denken een dialoog met jezelf, een taal met klanken en tonen. 'Daarom ga ik jullie Mind-Toon-Ritmetaal leren. Als je die taal kent, zal je zal helder en rustig zijn en resoluut spreken.' De hele groep moet zinnetje nazeggen en ritmisch met de armen bewegen.
      Nuttig ? - Ja. De training is breed opgezet. Naast simpele tips die helpen een toespraak levendig te houden, gaat Frijters in op fysieke aspecten : je tenen recht houden, je tong omhoog en iemand recht aankijken zorgen ervoor dat je stevig op de grond staat en je energie goed doorstroomt.
      De trainer geeft iedere cursist evenveel aandacht, spaart niemand maar forceert niet. Als dingen niet lukken, laat hij het rusten. Maar hij komt er wel op terug. Soms leidt dit tot pijnlijke momenten maar er wordt ook veel gelachen. Opvallend is de diversiteit in functies en leeftijden van de deelnemers. Een makelaar, schrijver, product manager en eigenaar van een slagersbedrijf. Toch is de materie voor iedereen even geschikt. Na twee weken is er een tweede dag waarbij er verder geoefend wordt en de methodes worden aangescherpt.
      Quote van de dag : 'Zeg nooit ik hoop. Jullie mogen een reŽle verwachting hebben. Hopen hoort thuis bij mensen van negentig die na een leven feesten hopen dat ze alsnog in de hemel komen.'
      Gehoord in de zaal : Ik heb instrumenten gekregen waarmee ik het gevoel van benauwdheid te lijf te kan gaan. Mijn machteloosheid ben ik na een dag al kwijt.

    7.6.5. - Citaten

    • 'Pieter Frijters opent ogen. Met een grap en een grol houdt hij de zeventig aanwezigen een spiegel voor' (De Telegraaf).

    • 'Een van de bekendste methoden tegen fobieŽn is ongetwijfeld Frijters Mind Tuning' (NRC Handelsblad).

    • 'Niet te geloven, het werkt !' (Marie-Claire).

    • 'Als geen ander weet Frijters wat zich in iemands hoofd afspeelt' (Privť, dat zelfs een seminar voor lezers organiseerde).

    • 'Hij communiceert. Hij verstaat lichaamstaal. Je merkt dat door simpel naar hem te luisteren je zintuigen zich activeren en dat alles onopgemerkt. Pieter Frijters, je bent een openbaring' (Jaarboek voor Retail).

    • 'Bij het eerste voorstelrondje blijkt al dat mensen gefocust zijn op wat ze niet willen : niet meer blozen, niet meer trillen. Behalve opnieuw te leren waarnemen leert Frijters de groep ontspanningsoefeningen te doen - oefeningen die hij op basis van zijn ervaring zelf heeft ontwikkeld' (Avanta Magazine).

    • 'Petra (20) luistert aandachtig naar Frijters. De knappe blondine vertelt dat ze al vanaf kleins af aan minstens eens per dag een hoofd als een kreeft krijgt. "Ik wil het graag leren beheersen. Ik heb hier veel aan"' (Goudsche Courant).

    • 'Hij is er : de Nederlandse "angstsite"' (Libelle over de eerste website van Pieter Frijters).

    • 'Pieter Frijters leert kinderen niet meer bang te zijn. Op het seminar Kind & Zelfvertrouwen reikt hij de jonge aanwezigen allerlei handvatten aan om korte metten te maken met hun onzekerheid' (De Telegraaf).

    7.6.6 Ė Video

    • Pieter Frijters is in de afgelopen jaren regelmatig te gast geweest in diverse televisieprogramma's. Hieronder kunt u enkele fragmenten downloaden (WMV formaat) - Fragmenten uit het optreden van Pieter Frijters in het programma "Nachtsuite" : Download video (plm 16 MB)

    • Fragmenten uit het optreden van Pieter Frijters in het programma "Hoera een kind" (Noot : wegens drukte zijn er tijdelijk geen trainingen "Kind en zelfvertrouwen" : Download video (plm 16 MB)


    7.7 - Meer dan 300 reacties van cliŽnten

    Om u een beeld te geven hoe cliŽnten het coachen Pieter Frijters ervaren, is een stevige greep gedaan uit de schriftelijke reacties van cliŽnten. Vooral ook de negatieve of minder positieve reacties die hij kon vinden worden u niet onthouden. Dit om te voorkomen dat u hem gaat zien als een wonderdokter en zijn methode als een tovermiddel. De reacties die u kunt lezen geven een algemeen beeld. Om de integriteit van clienten te beschermen zijn namen van clienten veranderd. Alle reacties zijn authentiek en in zijn bestand genummerd !
    Om de sfeer van de brieven goed te kunnen weergeven zijn ook taalfouten, uitroeptekens en komma's op de verkeerde plaats, onveranderd gebleven.

    • Reacties na persoonlijke coaching of groepscoaching - De eerste 200 reacties zijn naar aanleiding van persoonlijke coaching of groepscoaching, dit zijn veelal wat langere teksten Ė cfr. : http://www.paniek.nl/index.php?id=67 -.

    • Reacties op het seminar Fobie & Burnout - De volgende 100 reacties zijn naar aanleiding van het seminar Fobie & Burnout, korter en dus wat sneller/makkelijker te lezen Ė cfr. : http://www.paniek.nl/index.php?id=66 -.


    Cfr. :
    http://www.paniek.nl/index.php

    27-02-2006 om 00:30 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (5 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    26-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Burnout (ARBO-advies.nl)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  






            


















    Burnout


    © ARBO-advies.nl
    Laatste wijziging op : 08/19/2005



    1. - Wat is burnout ?

    Burnout is het eindstadium van een proces en geen ziekte, het ontstaat bij gezonde mensen die meestal goed gefunctioneerd hebben.
    Burnout wordt voorafgegaan door een lange periode (soms jaren) van overbelasting, b.v. door frustraties en stressfactoren. Of iemand in een bepaalde situatie overbelast raakt is niet alleen afhankelijk van de grootte van de belasting maar ook van de wijze waarop mensen met de belasting omgaan en het karakter. Mensen die hun werk heel goed willen doen, hard werken en plichtsgetrouw zijn, hebben bijvoorbeeld een grotere kans om in een situatie van chronische overbelasting terecht te komen. Het gevolg van de chronische overbelasting is dat men steeds meer moeite heeft goed te functioneren. Om dit functioneren op peil te houden moet men steeds harder werken. Hierdoor neemt de belasting geleidelijk toe en ontstaat er een neerwaartse spiraal.


    2. - Verschijnselen van burnout

    Het belangrijkste verschijnsel is vermoeidheid.
    Mensen met burnout verschijnselen leven van weekend naar weekend. Hebben moeite met inslapen, omdat ze nog bezig zijn het de zaken die zij gedaan hebben of nog moeten doen. Aan het einde van de periode van overbelasting hebben zij het gevoel uitgeput te zijn en weinig meer aan te kunnen, men brengt het niet meer op naar het werk te gaan.
    Een tweede verschijnsel is dat mensen met burnout verschijnselen een negatieve en cynische houding vertonen, terwijl zij daarvoor juist geprezen werden van wegen hun grote inzet.
    Een derde verschijnsel is het ontstaan van een negatief zelfbeeld, het gevoel van steeds slechter te gaan functioneren.
    Hiernaast kunnen de volgende klachten ontstaan :

    • spierpijn

    • duizeligheid

    • prikkelbaarheid

    • somberheid

    • hoofdpijn en

    • moeilijk kunnen ontspannen.


    3. - Oorzaken van burnout

    Burnout ontstaat op het werk door een chronische emotionele overbelasting.

    Men wordt zwaarder belast dan men aan kan. Deze overbelasting kan zowel kwalitatief (het werk wordt als te moeilijk ervaren) als kwantitatief (het werk wordt als te veel ervaren) zijn.
    Belangrijke factoren voor het ontstaan van burnout zijn :

    • het gevoel dat er onvoldoende waardering is voor de prestatie die geleverd wordt.

    • te hoge verwachtingen van het werk.

    • te weinig invloed op het werk.

    • weinig sociale steun.

    Het karakter is bij het ontstaan van een burnout ook belangrijk, vaak zij het juist de gewaardeerde collega's of medewerkers die burnout verschijnselen krijgen.
    De volgende karaktereigenschappen geven een verhoogde kans op het ontstaan van een burnout :

    • moeite met nee zeggen.

    • hard werken.

    • alles goed willen doen.

    • graag gewaardeerd willen worden.

    • idealistisch of ambitieus zijn.

    • plichtsgetrouw zijn.

    • meer willen doen dan kan.

    • alles zelf willen doen.


    4. - Preventie van burnout

    Zoals gezegd ontstaat burnout op het werk, een sociale omgeving.
    De oplossing voor het ontstaan van burnout moet dan ook gezocht worden binnen deze sociale context. Het voorkomen van stress binnen een bedrijf, afdeling of team is daarbij van groot belang. Hoewel een stressperventie-traject voor elke situatie anders is, zijn er een aantal aspecten in elke situatie van belang.
    De volgende aspecten spelen een rol :

    • doel van de organisatie.

    • leiderschap van de organisatie.

    • binding binnen de organisatie.

    • samenstelling van de organisatie.

    4.1 - Primaire preventie
    Richt zich op een bedrijf of afdeling met als doel het voorkomen van burnout klachten.
    Door middel van een Risico inventarisatie en evaluatie (RIE) (1)of een Periodiek arbeidsgeneeskundig onderzoek (PAGO) (2) zal er eerst onderzocht moeten worden wat de specifieke problematiek is binnen de organisatie voordat er maatregelen kunnen worden genomen. Uw ARBO-dienst is in staat deze onderzoeken te verrichten en u te adviseren hoe te handelen.

    4.2 - Secundaire preventie
    Richt zich op reeds aanwezige burnout klachten.
    Naast de activiteit genoemd onder primaire preventie, wordt er aandacht besteed aan werknemers die reeds klachten hebben. Deze werknemers kunnen verwezen worden naar het arbeidsomstandigheden spreekuur van de bedrijfsarts of naar de psycholoog van de Arbo-dienst.



    (1) - Risico inventarisatie en evaluatie - Vanaf 1998 is elke werkgever verplicht een risico inventarisatie en evaluatie (RIE) uit te voeren. De werkgever moet onderzoeken welke risico's werknemers lopen bij het werken in het bedrijf. De werkgever kan dit zelf doen met behulp van een checklist of uitbesteden aan een Arbo-dienst. Vervolgens moet de werkgever nagaan hoe groot de kans is dat het risico ook tot schade leidt. Naar aanleiding van de RIE moet de werkgever een plan van aanpak maken waarin beschreven wordt hoe de arbeidsomstandigheden verbeterd worden Ė cfr. : http://www.arbo-advies.nl/Woordenlijst.htm#RIE

    (2) - Periodiek arbeidsgeneeskundig onderzoek - Het periodiek arbeidsgeneeskundig onderzoek (PAGO), werd eerder gericht arbeidsgezondheids onderzoek (GAPO) genoemd. Beide termen worden echter nog door elkaar gebruikt. Uitgangspunt bij een PAGO is dat het uit de RIE moet voortkomen. Als uit een RIE naar voren komt dat een bepaalde groep werknemers aan een bepaald risico bloot staat kan hier een gericht onderzoek naar worden gedaan. Er kunnen vele soorten PAGO's uitgevoerd worden, b.v. een PAGO werkstress bij een groep werknemers waarbij de werkdruk hoog is of een gehooronderzoek bij werknemers die in een omgeving met veel lawaai werken Ė cfr. : http://www.arbo-advies.nl/Woordenlijst.htm#RIE



    Cfr. : http://www.arbo-advies.nl/Burnout.htm

    26-02-2006 om 19:24 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (6 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    25-02-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Adrenal Fatigue - The 21st Century Stress Syndrome
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


                






       
    Adrenal Fatigue

        The 21st Century Stress Syndrome 

    - The most comprehensive book ever written
    about the effects of stress on your health
    and what to do about it
    -

        Dr. James L. Wilson. Smart Publications, 2001
        © 2002 Adrenal Fatigue.org


    Find out how stress affects your health and what you can do to recover and protect yourself.
    Are you :

    • tired for no reason ?

    • having trouble getting up in the morning ?

    • depending on coffee or colas to keep you going ?

    • feeling run down and stressed ?

    • dragging yourself through each day ?

    • craving salty or sweet snacks ?

    • struggling to keep up with life's daily demands ?

    • unable to bounce back from stress or illness ?

    • not having fun any more ?

    • experiencing decreased sex drive ?

    • simply too tired to enjoy life ?

    If you answered yes to any of these problems, you need this book !


    'Adrenal Fatigue : the 21st Century Stress Syndrome' is a self-help lifesaver for everyone who suffers from any of the above symptoms along with many others described in the book. Adrenal Fatigue is also related to several other chronic health conditions including: frequent infections, chemical sensitivities, allergies, autoimmune diseases, fibromyalgia, rheumatoid arthritis, menopause, Hashimoto's thyroiditis, chronic fatigue syndrome, PMS, difficult menopause, loss of libido, chronic anxiety and mild depression Ė cfr. 'Adrenal Fatigue Related Health Conditions' : http://www.adrenalfatigue.org/conditions.php

    All of these common problems and more can result from stress. It's estimated that over 80% of North Americans suffer from some form of stress-related Adrenal Fatigue. Although many people realize that stress is a problem in their lives, few understand the actual physical ways stress acts on their bodies and minds through the adrenal glands, or more importantly, what they can do about it. Unfortunately even most doctors still do not recognize the common health conditions produced by Adrenal Fatigue. This leaves a lot of people suffering without anywhere to turn for help. That's where 'Adrenal Fatigue : The 21st Century Stress Syndrome' comes in.

    'Adrenal Fatigue : The 21st Century Stress Syndrome' explains not only how stress affects your health but what you can do to help yourself in a way that is entertaining, easy to follow and very helpful. It contains a comprehensive questionnaire and simple self-tests to determine if you have Adrenal Fatigue and how severe it is. Dozens of cartoons, illustrations, charts and fascinating case histories from Dr. Wilson's files make this book hard to put down. From beginning to end it will take you step-by-step through everything you need to know to reclaim your life from the negative effects of stress.


    Cfr. : http://www.adrenalfatigue.org/products/adrenal_fatigue.php
      
    Cfr. ook m/blog 'Nieuwe vermoeidheidsbeweging opgestaan' dd. 29.11.05

    25-02-2006 om 11:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Decubitus (doorliggen)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

       
    Decubitus
    (doorliggen)

        Decubitus Stichting Ooostelijk Zuid Limburg

        Decubitus treft in Nederland jaarlijks vele duizenden mensen. Decubitus doet zich vooral voor bij langdurig bedlegerige patiŽnten. De gevolgen van decubitus zijn bijzonder vervelend. Decubitus is daarom een serieus probleem. Iedereen die vanwege ziekte of ongeval in bed, stoel of rolstoel moet blijven, kan decubitus krijgen. Dit leidt vaak tot pijn, een trager genezingsproces en een langer verblijf in het ziekenhuis of verpleeghuis.

    1. - Wat is decubitus ?
    Doorliggen of te wel decubitus is een wond, die ontstaat door voortdurende druk op de huid. De druk beschadigt de huid en het onderliggend weefsel. De beschadiging heeft in milde vorm roodheid van de huid tot gevolg.
    In ernstige vorm kunnen diepe wonden ontstaan, tot en met de spieren en botten.

    2. - Hoe ontstaat decubitus ?
    Door zitten of liggen, worden op bepaalde plekken van de huid de kleine bloedvaten en het daaronder gelegen weefsel samengedrukt. Deze bloedvaten voorzien de huid en het onderliggende weefsel van voedingsstoffen en zuurstof. Als de huid en het weefsel te lang van voedingsstoffen en zuurstof onthouden wordt, sterven cellen af en ontstaat decubitus. Decubitus kan ontstaan door een verminderde toevoer van bloed of na kleine wonden bij wrijving van de huid.

    3. - Waar ontstaat decubitus ?
    Decubitus ontstaat op plaatsen waar langdurig druk op het weefsel tussen bot en huid uitgeoefend wordt. Met name plaatsen waar zich weinig weefsel tussen de huid en bot bevindt zijn kwetsbaar, zoals; stuit, zitbeenknobbels, heupen, hielen, knieŽn, enkels, schouderbladen, oren, achterhoofd en wervelkolom.

    4. - Wanneer heeft u meer kans op decubitus ?
    Indien U niet in staat bent prikkels te voelen, die Ďongemakí aangeven of niet in staat bent de gewenste beweging te maken, heeft u kans decubitus te krijgen.
    Dit is het geval als u :

    • bedlegerig of stoelgebonden bent

    • niet in staat bent om te bewegen.

    De kans op decubitus is groter als u bovendien :

    • lijdt aan gevoelsstoornissen

    • incontinent bent van urine en/of ontlasting danwel overmatig transpireert

    • moeite heeft met eten en drinken

    • een verlaagd geestelijk bewustzijn heeft.

    4.1 - Bedlegerig ?

    • Verander ten minste elke twee uur van houding of vaker als u dit zelf kunt of Iaat elke twee uur wisselligging toepassen.
    • Gebruik een speciale schuim-, lucht- of watermatras.
    • Zet de hoofdsteun zo weinig en zo kort mogelijk omhoog om druk op de stuit te minimaliseren.
    • Gebruik kussens of hielbeschermers om de hielen vrij van het bed te houden.
    • Zorg dat de onderlaag waarop u ligt glad is en draag geen onderkleding.

    4.2 - Stoelgebonden

    • Verander minimaal elke 15 minuten van positie (als u dit zelf kunt) of elk uur (als u hierbij geholpen moet worden).
    • Gebruik een schuim- of luchtkussen.
    • Gebruik zeker geen windring !
    • Zorg voor regelmatige beweging.

    Zijn er vragen of onduidelijkheden meldt dit direct aan uw behandelend arts en/of (wijk)verpleegkundige.

    5. - Wat kunt u doen om decubitus te voorkomen ?

    • Inspecteer de huid minimaal 1 x per dag

    • Zorg voor een goede lichamelijke hygiŽne

    • Voorkom een schrale huid

    • Maak de huid schoon als deze in contact is gekomen met urine of ontlasting

    • Gebruik zo nodig absorberende luiers, matjes en/of broekjes met een snel drogende oppervlakte

    • Bescherm de huid met een crŤme of zalf

    • Eet volwaardige voeding. Praat met de verpleegkundige of een andere deskundige over de voeding, als u niet normaal kunt eten.

    • Drink dagelijks tenminste 1,5 liter vocht.

    • Blijf deelnemen aan het gebeuren in uw omgeving, neem kennis van de maatregelen om decubitus te voorkomen bij bedlegerigheid of stoelgebonden zijn.

    U kunt zelf veel doen om decubitus of het erger worden daarvan te voorkomen. Het is raadzaam om hierover met uw dokter en met de (wijk)verpleegkundige te praten om alle mogelijkheden voor uw specifieke situatie te benutten.


    Cfr. :
    download hier de brochure in PDF 132 KB

    25-02-2006 om 11:10 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Decubitus - Belgische Richtlijnen voor Decubituspreventie 2005
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

























       
    Decubitus
        Belgische Richtlijnen voor
        Decubituspreventie 2005
        Overzicht

        Verplegingswetenschap, U.Z. Gent : tom.defloor@ugent.be - : http://www.decubitus.be/richtlijnen/nl/
    Bron : Defloor T., Herremans A., Grypdonck M. et al. - 'Herziening Belgische richtlijnen voor Decubituspreventie' - Brussel : Federaal Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, 2004.


    1. - Wetenschappelijke onderbouwing

    Over de rol van voeding en voedingstoestand in de preventie van decubitus bestaat veel verwarring.
    In verschillende onderzoeken wordt een verband gevonden tussen slechte voedingstoestand (of hieraan gerelateerde factoren zoals de lichaamsbouw, lichaamsgewicht) en voedselinname enerzijds en het ontwikkelen van decubitus anderzijds. (1-9) . Breslow en Bergstrom (8) vinden geen verband tussen biochemische of nutritionele tekorten van zink, vitamine C, vitamine A of vitamine E en het ontstaan van decubitus.
    Slechte voedingstoestand of voedselinname is dus ťťn van de mogelijke kenmerken (risico-indicatoren) van patiŽnten die risico lopen decubitus te ontwikkelen (10-16) . Dit betekent niet dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen voedingstoestand of voedselinname en het ontstaan van decubitus. Dit verband is nooit aangetoond en er is ook geen theoretische basis om dit te veronderstellen. Of bepaalde vitaminen een rol spelen in de vorming van decubitusletsels (17) is nog onvoldoende onderzocht.
    Voedingstoestand kan als item dus wel gebruikt worden in een risicoschaal om patiŽnten te detecteren die een verhoogde kans lopen decubitus te ontwikkelen. Het betekent echter ook dat het uitbalanceren van de voeding of het geven van bijkomende voedingsproducten decubitusletsels niet zal voorkomen of het aantal letsels zal verminderen. Er is immers geen oorzakelijk verband aangetoond. Dit in tegenstelling tot de nood aan extra eiwitten, vitaminen, zink, ed. bij de genezing van decubitusletsels.
    Het optimaliseren van de voedingstoestand kan belangrijk zijn in het kader van de verbetering van de algemene toestand van de patiŽnt (bijv. wondheling), maar niet rechtstreeks vanuit het oogpunt van decubituspreventie. Om de voedingstoestand te evalueren dient gebruik gemaakt te worden van valide en betrouwbare instrumenten. Deze evaluatie dient periodiek te worden herhaald. Slechts waar het uitbalanceren en aanpassen van de normale voeding niet volstaat, kunnen proteÔnerijke voedingssupplementen om de voedingstoestand te corrigeren overwogen worden in het kader van het verbeteren van de algemene toestand van een patiŽnt. Evaluaties van de voedingstoestand en interventies om de voedingstoestand te optimaliseren kunnen nooit preventieve maatregelen vervangen (10).


    2. - Aanbevelingen

    2.1 - Voedingstoestand - Om het decubitusrisico van een patiŽnt in te schatten, dient rekening gehouden te worden met de voedingstoestand.
    PatiŽnten met een slechte voedingstoestand hebben een verhoogd risico om decubitus te krijgen. Indien dit het geval is, moet met preventie gestart worden. Beoordeel dus regelmatig de voedingstoestand bij elke patiŽnt aan de hand van een hiervoor ontwikkeld en gevalideerd instrument.
    Een slechte voedingstoestand komt vaak voor bij patiŽnten die een verhoogd risico lopen op decubitus. Dit betekent niet dat de slechte voedingstoestand decubitus veroorzaakt. Deze slechte voedingstoestand hangt vaak samen met andere factoren, zoals een beperkte activiteit en weinig spontane bewegingen of een verminderde reactie op pijnprikkels. Deze andere factoren beÔnvloeden wel het ontstaan van decubitus.

    2.2 - Voedingssupplementen - Inschakelen van voedingssupplementen draagt niet bij tot een vermindering van de decubitusincidentie. (*)
    De voedingstoestand corrigeren zal er niet toe bijdragen de decubitusincidentie te verminderen. Het is noodzakelijk andere (effectieve) preventieve maatregelen te nemen bij patiŽnten met risico op decubitus.
    Het is evident dat voedingssupplementen hun plaats hebben binnen de behandeling van oppervlakkige en vooral diepe decubitusletsels, maar dat betekent niet dat ze als preventieve maatregel beschouwd kunnen worden. Ook vanuit ander oogpunt dan decubituspreventie kan een verbetering van de voedingstoestand belangrijk zijn.

    (*) : R.Halfens, expert, was het niet eens met deze aanbeveling.


    Cfr. :
    http://www.decubitus.be/richtlijnen/nl/voeding.htm#Overzicht

    25-02-2006 om 11:05 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Decubitus (doorliggen) - Literatuur
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

              













       Decubitus (doorliggen) 
       Literatuur
    1. A multi-center trial of the effects of oral nutritional supplementation in critically ill older inpatients
      Bourdel-Marchasson I, Barateau M, Rondeau V, Dequae-Merchadou L, Salles-Montaudon N, Emeriau JP et al. - GAGE Group. Groupe Aquitain Geriatrique d'Evaluation. Nutrition 2000; 16(1):1-5 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=10674226&dopt=Abstract

    2. A prospective study of outcome from protein-energy malnutrition in nursing home residents
      Thomas DR, Verdery RB, Gardner L, Kant A, Lindsay J - JPEN J Parenter Enteral Nutr 1991; 15(4):400-404 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=1910102&query_hl=2

    3. A prospective study of pressure sore risk among institutionalized elderly
      Bergstrom N, Braden B - J Am Geriatr Soc 1992; 40(8):747-758 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=1634717&query_hl=28 

    4. A randomised, double-blind assessment of the effect of nutritional supplementation on the prevention of pressure ulcers in hip-fracture patients
      Houwing RH, Rozendaal M, Wouters-Wesseling W, Beulens JWJ, Buskens E, Haalboom JR - Clinical Nutrition 2003; 22(4):401-405 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=12880608&query_hl=4

    5. Algemeen protocol verbandkeuze
      2004, Auteur: Van Waeyenberghe Pascal , Home Health Care-Wound Care bvba.

    6. Algemene maatregelen ter voorkoming van decubitus
      DecubitusUtrecht.nl - .../... Voeding en vocht : * zorgdragen voor een volwaardige voeding - * stimuleren tot voldoende vochtinname (1Ĺ - 2 liter per dag) - * eventueel aanleggen van een vochtbalans of vocht- en/of voedingslijst om inzicht te krijgen in de inname - * bij verslechtering toestand door verhoogde behoefte of verminderde eetlust; overleg met behandelend arts -- Verwijsindicatie voor een diŽtist : * de aanwezigheid van decubitus of een verhoog risico op decubitus - * recent (ongewenst) gewichtsverlies - * richtlijn is 5% in 1 maand = ongeveer 3 kg in een maand of 10% in 6 maanden = 6 kilo in 6 maanden - * indien de BMI < 20 of BMI 30 is - BMI = Body Mass Index = het gewicht delen door de lengte in het kwadraat .../... : http://www.rhijnhuysen.nl/decubitus/Algemenemaatregelen1.php#Voedingenvocht  

    7. Beestaardig goede chirurgie (maggot debridement therapie)
      Auteur : Alita Jaspar, Artikel : WCS jaargang 18, nummer 4 - MOT, larventherapie, biotherapie, biosurgery. Met deze termen wordt dezelfde behandeling bedoeld: het reinigen van wonden met behulp van levende maden. De therapie is niet nieuw en bestond al in de tijd van Napoleon. Met de opkomst van de antibiotica in de jaren '40 zijn de maden geleidelijk op de achtergrond verdwenen. De laatste jaren echter ontstaat, mede door het toenemende probleem van de antibioticaresistentie, een toegenomen interesse voor deze MDT oftewel larventherapie.

    8. Belgische Richtlijnen voor Decubituspreventie 2005 
      Verplegingswetenschap, U.Z. Gent :
      tom.defloor@ugent.be - : http://www.decubitus.be/richtlijnen/nl/  

    9. Concept praktische wondzorg-een meer praktijkgerichte aanpak
      2000, Auteur: Luc Gryson Verpleegkundige, Lic. Medisch Sociale Wetenschappen - Recente evolutie in de kennis over wondheling en wondbehandeling doet de vraag naar een hoge kennis betreffende wondheling stijgen en dit zowel bij de wonddeskundigen als bij de doorsnee verpleegkundigen die met wondzorg te maken krijgen. Dit met als enige doel de beste behandeling voor de gewonde patiŽnt.

    10. Contactdrukmeting in het kader van decubituspreventie : het drukreducerend effect van matrassen over de tijd nader bestudeerd 
      Uyttersprot, T. (2004) - Gent (niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent)

    11. Correlation of pressure sores and nutritional status
      Pinchcofsky Devin GD, Kaminski MVJ - J Am Geriatr Soc 1986; 34:435-440 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=3084610&query_hl=6

    12. De diabetische voet
      2002, Auteur: Cynthia Benoot - Van alle diabetes patiŽnten krijgt 1 op de 4 (25%) te maken met een voetprobleem. Van hen krijgt 10-25% een wond. Veel patiŽnten hebben recidiverende ulcera en in deze groep leidt dat in 40% van de gevallen tot amputatie variŽrend van een amputatie van een teen tot een bovenbeensamputatie.

    13. De prevalentie en incidentie van decubitus 
      Delesie, L. (2001) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    14. De risicofactoren en -indicatoren van decubitus 
      Verstraete, S. (2002) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    15. De rol van honing in 'wondbed voorbereiding' bij chronische wonden
      2004, Auteurs : J.A.J. Vandeputte Zaakvoerder CNCI bvba, Walter De Vleeschhouwer Hoofdverpleegkundige, gediplomeerde in de wondzorg en weefselherstel, Elisabeth Ziekenhuis Sijsele, BelgiŽ - Het relatief modern concept van wondbed voorbereiding vat alle elementen samen voor de klinische praktijk van wondverzorging. Dit concept bevat diverse methodes voor het opruimen van dood weefsel, het onder controle houden van de wondvochtigheid en het gebruik van antibacteriŽle middelen om de heling van chronische wonden te optimaliseren. In deze tekst wordt dit concept nader toegelicht en wordt de rol van honing bevattende verbanden in het bijzonder, geaccentueerd.

    16. De rol van voeding bij preventie en behandeling van decubitus
      Maart 2004, Auteur : Marleen Van Colen, Bron : KHBO Eindwerk brugjaar - Decubitus is een veel voorkomend probleem bij ouderen. Naast het gebruik van drukopheffende lig-en zitmiddelen, het toepassen van wisselligging en een goede wondverzorging, speelt ook de voeding een belangrijke rol bij decubitus. Een goede voedingstoestand is namelijk een voorwaarde bij de preventie en behandeling. Ondervoeding verhoogt de kans op het ontstaan van decubitus. Omgekeerd heeft decubitus een verhoogde kans op een slechte voedingstoestand tot gevolg http://www.decubitusozl.nl/pdf/art_pdf/voeding/02.pdf 

    17. De waarheid over zilver
      2004, Auteurs: Liza G.Ovington - Vertaling:  Jan Vandeputte MA, RN, Zaakvoerder CNCI bvba - Bron : Osteo Woundmanagement: 50 (9A suppl) 1S-10S, 2004 - Waarom is er een hernieuwde interesse in zilver ?

    18. Decubitus
      Nutricia Klinisch :  http://www.nutricia.nl/medisch/asp/show_subject.asp?id=871  

    19. Decubitus 
      Bron : Belgische Richtlijnen voor Decuituspreventie van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid (2001) (www.decubitus.be -) en Decubitusrichtlijnen van het Nederlandse Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (2002)
      - Deel 1  : 
      http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=1728
      - Deel II  :
      http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=1730 
      - Deel III :
      http://www.gezondheid.be/index.cfm?fuseaction=art&art_id=1731 

    20. Decubitus 
      Huidinfo.nl - Betrouwbare en actuele informatie over de huid en huidziekten geschreven door Nederlandse dermatologen :
      http://www.huidinfo.nl/decubitus.html 

    21. Decubitus 
      ISBN 90- 76906-51-3 - © 2002, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, Postbus 20064, 3502 LB Utrecht :
      www.cbo.nl Ė Uitgever : Van Zuiden Communications B.V. : zuiden@zuidencomm.nl : http://www.cbo.nl/product/richtlijnen/pdf/decubitus2002.pdf 

    22. Decubitus 
      NHG-Standaarden Ė © Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht (NHG) :
      http://nhg.artsennet.nl/upload/104/standaarden/M70/svk.htm

    23. Decubitus - Curatieve maatregelen
      DecubitusUtrecht.nl - .../... Beoordelen van de voedingstoestand : Een slechte voedingtoestand en een verminderde of geheel ontbrekende voedselopname blokkeert een goede wondgenezing door een tekort aan energie en eiwitten. Bij een slechte voedingstoestand en/of onvoldoende opneming van voeding kan het gebruik van sondevoeding, enterale voeding of zelfs parenterale voeing noodzakelijk zijn .../... : http://www.rhijnhuysen.nl/decubitus/Curatievemaatregelen.php#Beoordelenvoedingstoestand  

    24. Decubitus - Kort en bondig 
      Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid :
      http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o4237n16906.html - 11 oktober 2005 - Decubitus samengevat - Wat is decubitus ? - Wat is het beloop van decubitus ? - Wat is de kwaliteit van leven bij decubitus ? - Hoe vaak komt decubitus voor ? - Neemt het aantal mensen met decubitus toe of af ? - Zijn er internationale verschillen ? - Welke factoren beÔnvloeden de kans op decubitus ? - BeÔnvloeden ontwikkelingen in determinanten de trends in decubitus ? - Wat zijn de mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling ? - BeÔnvloeden ontwikkelingen in diagnostiek en behandeling de trends ? - Welke zorg gebruiken patiŽnten ? - : http://www.rivm.nl/vtv/object_class/kom_decubitus.html  

    25. Decubitus : een zaak om je "druk" over te maken 
      de Decubitus Site :
      http://www.futurecreations.nl/decubitus/

    26. Decubitus (doorliggen, drukplek) 
      Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) :
      http://www.umcg.nl/azg/nl/patienten/ziekte_onderzoek_behandeling/24430

    27. Decubitus (doorliggen, drukulcus) 
      MEDLook :
      https://www.medlook.nl/do/DetailDiseaseInit?pk=1006370805674 

    28. Decubitus (doorliggen) 
      Academisch Medisch Centrum Universiteit Amsterdam (AMC) :
      http://www.amc.uva.nl/index.cfm?pid=143&itemid=92&contentitemid=39

    29. Decubitus (doorliggen) 
      De ZorgRing - Mensen die steeds in een houding zitten of liggen kunnen last krijgen van drukplekken aan bijvoorbeeld de stuit of hielen. De decubitusverpleegkundige is gespecialiseerd in het behandelen van mensen met doorligklachten. In nauwe samenwerking met het Lange Land ziekenhuis ondersteunt ze de verpleegkundigen en ziekenverzorgenden bij de verzorging en verpleging van mensen thuis, in het woon- en zorgcentrum en Regionaal Expertise Centrum.
      Voor alle vragen kunt u contact opnemen met de medewerkers bij de Zorglijn Zoetermeer : tel. : 079 - 3719 494 (op werkdagen van 8.00 tot 17.00) Ė e-mail :
      zorglijnzoetermeer@zorgring.com - : http://www.zorgring.com/informatie/advies/decubites.asp  

    30. Decubitus (drukplekken, doorliggen) 
      UMC St Radboud, Nijmegen :
      http://www.umcn.nl/patient 

    31. Decubitus doorgelicht: richtlijn onvoldoende in praktijk toegepast
      Prof. dr. J.H. Kingma. Februari 2004, IGZ 04-12 - Een onderzoek naar de kwaliteit van decubituszorg in nederland en maatregelen om het aantal patiŽnten met decubitus te verminderen.

    32. Decubitus Preventie 
      Verplegingswetenschap Universiteit Gent : 
      http://www.decubitus.be/ 

    33. Decubitus Site Forum :
      http://www.futurecreations.nl/decubitus/forum/index.php?board=2;action=display;threadid=22 
      http://www.futurecreations.nl/decubitus/forum/index.php?board=2;action=display;threadid=22;start=2 
      http://www.futurecreations.nl/decubitus/forum//index.php?board=2 

    34. Decubitus Stichting Oostelijk Zuid Limburg : http://www.decubitusozl.nl/ 

    35. Decubitus voorkomen (maatregelen) 
      Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) :
      http://www.umcg.nl/azg/nl/patienten/ziekte_onderzoek_behandeling/24434

    36. Decubitus-schalen (nortonschaal, bradenschaal).
      Auteur : woundcare.be / wondzorg.be - Automatisch berekenen welk risico uw patiŽnt loopt.

    37. Decubitus, brochure over doorligwonden
      Werkgroep decubitus UZ Leuven. April 1998.

    38. Decubitus, CBO richtlijn, tweede herziening 2002
      2002, ISBN 90- 76906-51-3 - Deze richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het expliciteren van goed medisch, paramedisch en verpleegkundig handelen.

    39. Decubituscijfer drie procent gedaald : aanpak voorkomen decubitus in AZG werpt vruchten af 
      Academisch Ziekenhuis Groningen (AZG) :
      http://www.azg.nl/cms/store/pdf/Decubituscijfer.pdf  

    40. DecubitusUtrecht.nl 
      Stichting Rhijnhuysen, Utrecht :
      http://www.rhijnhuysen.nl/ - : http://www.rhijnhuysen.nl/decubitus/

    41. Decubituswijzer van Zaanstreek/Waterland : http://www.decubituswijzer.nl/

    42. Doorliggen - Wat kan de voedingsassistent daar aan doen ? 
      Tina de Jong-Berends, Verpleegkundig Consulent Decubitus, Isala klinieken, Zwolle (2005) :
      http://www.voedingsassistent.nl/downloads/decubitustinadejong.ppt

    43. Doorliggen bij dementerende bewoners 
      Ziekenverzorgende Johan :
      http://www.ziekenverzorgende.nl/

    44. Doorligwonden 
      Jantje's persoonlijke website (verzamelt Nederlandstalige bronnen i.v.m. aromatherapie, etherische oliŽn of essences) :
      http://home.tiscali.be/jantje/Ziektes/Doorligwonden.html

    45. Een verrassende manier van wondreiniging
      2000, Prof. Dr. J. de Haan, huisarts, Woleega, Rijksuniversiteit Groningen en Kristien Van Acker, diabetologe, endocrinologe, coŲrdinator voetkliniek, UZ Antwerpen - Patient Care, januari 2000, jaargang 23, nummer 1, pag. 19-21 - Vertaling : Josiane Van Eeckhout - In verschillende Europese landen worden maden met succes ingezet in de behandeling van geÔnfecteerde necrotische wonden. Ook de Voetkliniek van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen kon in het voorbije jaar ervaring opdoen met deze larventherapie. Toch is deze vorm van biomedical surgery niet nieuw. De lijfarts van Napoleon had al in 1806 op het slagveld gemerkt dat soldaten wier wond geÔnfecteerd werd door larven veel minder kans liepen op fatale infecties.

    46. Effect op de contactdruk van extra lagen bovenop al of niet drukreducerende matrassen 
      Delva, J. (2002) - Gent, Niet- uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    47. EPUAP, Voedingsrichtlijn voor de preventie en behandeling van decubitus
      November 2003, EPUAP, registered Charity No : 1066856 - De aanbevelingen in deze voedingsrichtlijn hebben betrekking op zowel de preventie, als de behandeling van decubitus. Opgemerkt moet worden dat de EPUAP alle adviezen als relevant beschouwt, ongeacht de mate van bewijsvoering waarop ze zijn gebaseerd.

    48. EPUAP, Voedingsrichtlijn voor de preventie en behandeling van decubitus 
      November 2003, EPUAP, registered Charity No : 1066856 - De aanbevelingen in deze voedingsrichtlijn hebben betrekking op zowel de preventie, als de behandeling van decubitus. Opgemerkt moet worden dat de EPUAP alle adviezen als relevant beschouwt, ongeacht de mate van bewijsvoering waarop ze zijn gebaseerd
      :
      http://www.decubitusozl.nl/pdf/art_pdf/voeding/01.pdf 

    49. Evidence based ? Caveat Emptor !
      2005, Auteurs : Earl P. Steinberg, Bryan R. Luce - Vertaling : Walter De Vleeschhouwer - Er bestaat veel variatie in de validiteit van de verzorgingspraktijken en -aanbevelingen die beweren op evidentie gebaseerd? (evidence based) te zijn.

    50. Gezondheidscentrum Zephyr heeft de wind in de zeilen 
      .../... Zorggroep doet voor ít eerst mee aan Prevalentie-onderzoek naar decubitus, voeding, smetten en incontinentie - Zorggroep Almere heeft dit jaar Ė in de week van 5 tot 10 april - voor het eerst meegedaan aan het landelijk prevalentieonderzoek decubitus. De Universiteit van Maastricht verricht dit onderzoek al sinds 1998 en heeft het in de loop van de tijd uitgebreid met metingen van drie andere problemen in de zorg, te weten incontinentie, voeding en smetten. De Zorggroep was een van de 257 deelnemende organisaties. In Almere zijn 517 (van de 668 uitgedeelde) vragenlijsten ingevuld retour gegaan naar de onderzoekers: 29% man, 71% vrouw .../...
      :
      http://www.zorggroep-almere.nl/algemeen/magazines/ZAM_11_2005.pdf  

    51. Hoe doe je goede wondzorg ?
      2003, Auteurs : Kathleen Martens, gegradueerd verpleegkundige consultaties interne, Els Casier, gegradueerd verpleegkundige, spoedgevallen Elisabeth ziekenhuis Sijsele - Een eerste stap in de wondzorg is de studie van de wonde zelf.

    52. Hoe praktisch zijn onze protocollen ? - Verzorging van decubituswonden 
      Elisa Jolink Ė Nursing.nl, 29 september 2004 - 2005 © copyright zibb.nl - Protocollen zijn nuttig, maar in de praktijk werken ze niet altijd. Verpleegkundige Elisa Jolink deed een inventarisatie en merkte dat verpleegkundigen daar behoorlijk gefrustreerd door kunnen raken
      :
      http://www.zibb.nl/gezondheidszorg/nursing/dossier/asp/portal/0/sctr/0/dossier/1450/hoofdstuk/4/sortering/False/bt/

    53. Honing : onomwonden wondverzorging-veel meer dan een pleister op de wonde
      2002, Auteur : J.A.J. Vandeputte Zaakvoerder CNCI bvba - Dat honing uiterst behulpzaam is bij de behandeling van wonden is al eeuwenlang bekend, zowel in de westerse als in de niet-westerse geneeskunde. Wil een geneesmiddel echter in de huidige westerse wereld op grote schaal toegepast worden dan moet dit middel aan een reeks van scherpe eisen voldoen.

    54. Honing als natuurlijke en superieure wondgenezer, bijna te mooi om waar te zijn
      2002, Auteurs : Dr.Theo Postmes - Vertaling: Piet Verstraete - Wondzorg met honing is reeds duizende jaren gekend bij de Egyptenaren. Dr. Theo Postmes heeft reeds dertig jaar research achter de rug over wondzorg. De op de hand zijnde CE-certificering van de zalf (waarmee de zalf als geregistreerd medisch hulpmiddel in ziekenhuizen gebruikt mag worden) is dan ook een welverdiende erkenning van het product honing.

    55. Honing in de wondzorg
      2000, Auteurs : Pascal Van Waeyenberghe - De wijdverspreide ontwikkeling van antibioticaresistente bacteriŽn brengt een verhoogde belangstelling met zich mee voor het gebruik van alternatieve therapieŽn in de behandeling van geÔnfecteerde wonden. Honing kan de wondheling beÔnvloeden door zijn chemische en fysische eigenschappen.

    56. Improving outcome of pressure ulcers with nutritional interventions : a review of the evidence
      Thomas DR - Nutrition 2001; 17(2):121-125 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=11240340&query_hl=8

    57. Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraak Decubitus
      2004 Nederlandse Huisartsen Genootschap, Huisarts Wet 2004;47(13):652-4 - De Landelijke Eerstelijns Samenwerkingsafspraak Decubitus is opgesteld door een werkgroep van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de Landelijke Vereniging van Wijkverpleegkundigen (LVW). De LESA geeft richtlijnen voor samenwerking van huisartsen en wijkverpleegkundigen bij preventie en behandeling van decubitus en houdt daarbij rekening met de verschillen in taken en verantwoordelijkheden.

    58. Larventherapie : terug van weggeweest ?
      2000, Annales Nummer 2000/2 - Vertaling : Piet Verstraete - Reeds honderden jaren wist men dat wonden bedekt met vliegenlarven minder geÔnfecteerd werden of dat patiŽnten minder stierven aan sepsis of gangreen.

    59. LVW, Wijkverpleegkundige standaard decubitus, oktober 2004
      De wijkverpleegkundige standaard decubitus beschrijft de risicofactoren en verschijningsvormen van decubitus, de gevolgen ervan voor de patiŽnt en geef richting aan het verpleegkundig handelen met betrekking tot het voorkomen en behandelen van decubitus in de thuissituatie.

    60. Maceratie van de huid en wond
      2003, Auteur : Jan Vandeputte, MA, RN, Zaakvoerder CNCI bvba - Maceratie van de omliggende huid, veroorzaakt door langdurige blootstelling aan vocht kan de heling van wonden compliceren. Vooral chronische wonden maken het meest kans om met maceratie in contact te komen.

    61. Madentherapie bij necrotische wonden
      Auteur : A. Jaspar, Artikel : Verpleegkunde Nieuws, nummer 23/2003, blz 18 & 19 - Wonden die door de aanwezigheid van necrotisch weefsel niet helen, worden in ruim dertig Nederlandse ziekenhuizen behandeld met madentherapie. Vaak met succes, want maden zijn de natuurlijke opruimers van dood weefsel.

    62. Neurologische aandoeningen 
      Artsenwijzer DiŽtiek :
      artsenwijzer@nvdiŽtist.nl - In samenwerking met Sabine van Genuchten, verpleeghuisdiŽtist in Geldrop : http://www.nvdietist.nl/artsenwijzer/html/nl/10_neurologische_aandoeningen/main.html

    63. Niet-wegdrukbare roodheid graad 1 decubitus : een beschrijvende studie 
      De Neve, B. (2003) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    64. Onderzoek naar de haalbaarheid van een decubitusprotocol conform de Belgische richtlijnen voor decubituspreventie 
      Herremans, A. (2003) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    65. Opnieuw prevalentiemeting decubitus in Midden-Holland 
      Transmuraal Netwerk :
      http://www.transmuraalnetwerk.nl/html/wiewezijn/lustrum.asp - : http://www.transmuraalnetwerk.nl/nm/sjablonen/actueel.asp?articleid=393&zoneid=3  

    66. Opvattingen over ziekenhuisvoedsel veranderen - De visie van Marian van Bokhorst - © VU medisch centrum : communicatie@VUmc.nl - 31-03-2003 - .../... Invullen screeningslijsten decubitus belangrijk - De relatie tussen voeding en decubitus is onomstreden, maar moet nog nader worden onderzocht. Jaarlijks wordt op initiatief van de Universiteit Maastricht een landelijke screening gedaan naar decubitus. De screening richt zich voor het eerst ook op de relatie tussen voeding en decubitus en de relatie tussen voeding en incontinentie. Doel van het onderzoek is het inzicht te vergroten en om per jaar te kijken of je je als instelling of afdeling verbetert. Afdelingen kunnen zich vergelijken met anderen en daarvan leren. Van zo'n 25.000 patiŽnten worden gegevens verzameld. De resultaten zijn input voor verder wetenschappelijk onderzoek.
      Op 6 april worden de screeningslijsten door de decubitusverpleegkundige verspreid. De bedoeling is dat er per patiŽnt een lijst wordt ingevuld. Een niet geringe klus gezien de lengte en de uitgebreide vraagstelling. Toch roept ook de afdeling diŽtetiek en voedingswetenschappen op deze lijsten nauwkeurig in te vullen. Het belang ervan is groot
      :
      http://www.vumc.nl/communicatie/nieuws/tracer/index.html?../tracer407/ziekenhuisvoedsel.html~hoofd

    67. PatiŽntveiligheid: de toepassing van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen in zorginstellingen en thuis
      Prof. dr. J.H. Kingma, Inspecteur-Generaal. Den Haag, december 2004, IGZ 04-83 - Rapport over de Staat van de Gezondheidszorg geeft een momentopname van de veiligheid van het gebruik en de toepassing van geneesmiddelen en medische hulpmiddelen in het zorgproces.

    68. Pressure ulcer risk factors among hospitalized patients with activity limitation [see comments] 
      Allman RM, Goode PS, Patrick MM, Burst N, Bartolucci AA - JAMA 1995; 273(11):865-870 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=7869557&query_hl=2 

    69. Preventie van decubitus in de thuiszorg 
      Van Den Hel, M. (2002) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    70. Protocol algemene wondzorg Ouderenzorg
      2005, Auteur: Godding & Rondas - Het protocol wondbehandeling staat ter beschikking aan de verpleegkundige en medische discipline die bij de wondbehandeling van de verpleeghuiszorg geÔndiceerde cliŽnt binnen de, Ouderenzorg betrokken is.

    71. Richtlijn SALODE, Samenwerking en logistiek rond decubitus.
      Maart 2003, ISBN 90-802270-9-9 - Om instellingen te ondersteunen in het vinden van oplossingen, nam de Nederlandse Vereniging van Verpleeghuisartsen (NVVA) het initiatief tot het ontwikkelen van de tripartiete multidisciplinaire richtlijn Samenwerking en logistiek rond decubitus (Salode).

    72. Risk factors for pressure sores. A comparison of cross-sectional and cohort-derived data 
      Berlowitz DR, Wilking SV - J Am Geriatr Soc 1989; 37(11):1043-1050 : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=2809051&query_hl=4 

    73. Samenvatting, CBO-richtlijn Decubitus 2002.
      Handige samenvatting van de CBO richtlijn Decubitus, inclusief decubitus behandelschema.

    74. Skin tears
      2003, Auteur : Jan Vandeputte, MA, RN, Zaakvoerder CNCI bvba - Binnen de verpleegkundige zorg en meer specifiek de wondzorg, is het dan ook van groot belang dat zorgverleners een goed inzicht hebben in de structurele en functionele veranderingen die zich voordoen in de normaal ouder wordende huid. Het is juist ťťn van deze structurele veranderingen, zoals zal blijken uit deze uiteenzetting, die een verantwoordelijke en bevorderende factor is in het ontstaan van een speciaal type wond : skin tear.

    75. The European Pressure Ulcer Prevalence Survey in het universitair ziekenhuis Gent 
      Van Landeghem, K. (2003) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    76. Veneuze been ulcera
      2002, Auteurs :  R. Gary Sibbald, BSc, MD, FRCPC (Med, Derm), MACP,DABD; Diane Williamson, MBChB, MRCP (UK); Vincent Falanga, MD, FACP; George W. Cherry, Dphil (Oxon) - Vertaling : Myriam Blomme - Er zijn verschillende theorieŽn om de pathogenese van veneuze ulcera uit te leggen. Een overzicht van de basisfysiologie van veneuze terugkeer is nuttig voor een schikking van de pathogenese van veneus lijden en ulceratie.

    77. Vergelijkende drukmetingen van antiĖdecubitus luchtkussens bij personen in verschillende houdingen 
      Vermeire, I. (2003) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Verplegingswetenschap Universiteit Gent.

    78. Vergelijkende kostenstudie van een alternerende drukmatras en wisselligging in combinatie met een traagfoammatras in het kader van decubituspreventie 
      Folens, B. (2001) - Gent, Niet-uitgegeven scriptie Universiteit Gent.

    79. WCS : info@WCS-nederland.nl 
      De WCS stelt zich ten doel een antwoord te geven op de sterk stijgende vraag naar verantwoorde informatie rond dat deel van de verpleegkunde en verzorging, dat zich bezig houdt met de verzorging van de meest uiteenlopende wonden. Er wordt naar gestreefd de wondbehandeling nadrukkelijker dan tot nu toe, een eigen specialisme te laten zijn binnen de algemene verpleegkunde. Daarbij is de verpleegkundige/verzorgende een belangrijke schakel tussen de patiŽnt en medicus en overige hulpverleners. De verpleegkundige/verzorgende heeft hierin een eigen deskundigheid :
      http://www.wcs-nederland.nl/section.php?section=watis&request=doelstelling

    80. Wondheling op het locale niveau of wond heling complicaties
      2001, Auteur : Jan Vandeputte, MA, RN, Zaakvoerder CNCI bvba - Veel factoren kunnen een negatief impact hebben op het wondhelingsproces wat leidt tot hardnekkig helende wonden. Biochemische en problemen op het cellulaire niveau liggen aan de basis van het ontstaan of van het moeilijk helen van de wond. Er worden gegevens van diverse soorten wonden weergegeven, maar deze gegevens tonen geen echte significante verschillen in helingstijd.
    81. Wondreiniging, wondirrigatie en wonddesinfectie
      2000, Auteur: Jan Vandeputte, MA, RN, Zaakvoerder CNCI bvba - Het reinigen van wonden is ťťn van de meest belangrijke componenten van een effectief en efficiŽnt wondmanagement protocol. Optimale wondheling kan niet optreden vooraleer alle ontstekingsveroorzakende vreemde lichamen zijn verwijderd uit de wond.
    82. Wondverbanden en principes voor het aanleggen van verbanden
      2000, Auteurs: Jan Vandeputte, MA, RN, Zaakvoerder CNCI bvba, Luc G - Een wondverband kan aanzien worden als een therapeutisch middel. Alhoewel de optimale fysiologische snelheid van de heling niet kan versneld worden, zouden de factoren die deze helingssnelheid negatief beÔnvloeden moeten vermeden worden.
    83. Wondverzorging 
      Gezondheid.nl - De gespecialiseerde verpleegkundige is goed op de hoogte van nieuwe inzichten in de wondbehandelingen. Zij kan u adviseren bij allerhande wonden, zoals operatiewonden of een open been (ulcus cruris).
      Zij leert u om op de juiste manier een verband te dragen en legt u uit wat er in uw geval erg belangrijk is. Zij leert u ook om zelf uw verband op de juiste manier aan te brengen.
      U kunt een afspraak maken met de gespecialiseerd verpleegkundige via de Zorglijn Zoetermeer, tel. : 079 - 3719 494 (onze medewerkers zijn er op werkdagen van 8.00 tot 17.00 uur) - Mailen kan ook :
      zorglijnzoetermeer@zorgring.com - : http://www.gezondheid.nl/frame_link.php?Url=http://www.zorgring.com/informatie/advies/wondverzorging.asp
    84. Wondzorg en Pijn
      2002, Auteur: Rik Maene - Het feit dat er niet veel artikelen gepubliceerd worden over pijn bij wonden en wondzorg zou kunnen betekenen dat dit niet echt een probleem is. Hofland stelt echter dat elke wond pijnlijk is en dat wondverzorging door geen enkele patiŽnt als prettig wordt ervaren.Bij verpleegkundigen heerst een zeker defaitisme: het moet toch gebeuren.
    85. Wound Bed Preparation : de wetenschap achter het verwijderen van obstakels tot heling
      2004, Auteurs : Stuart Enoch, Keith Harding - Vertaling : Erwin Vander Heggen - Bron : Wounds 15 (7): 213-229, 2003 © Health Management Publications, Inc - Wondheling veronderstelt een goed georkestreerd, ingewikkeld proces dat leidt tot het herstel van beschadigde weefsels. Chronische wonden echter volgen dit patroon van normaal herstel niet. Dit is te wijten aan onderliggende fysiologische problemen, geassocieerd met hun ontwikkeling, die alhoewel gecorrigeerd verder gaan met wondafbraak. De sleutel tot effectieve wondzorg ligt in een combinatie van 3 aanpakken.
    86. Zelfstudie wondverzorging 
      Interactief Kenniscentrum voor Wondverzorging - Oleiding tot Decubitus- en Wondconsulent - Gezondheid.nl :
      http://www.gezondheid.nl/frame_link.php?Url=http://www.wondverzorging.nl/

    25-02-2006 om 11:01 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De opbouw en werking van ons oor
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




















     

    De opbouw 
    en werking van ons oor

    © HOorzaken 2000-2005 : http://www.oorzaken.nl


    Afbeeldingen
    vind je op : http://www.hoorplus.net/html/hetoor.html


    Ons gehoororgaan kunnen we ruwweg indelen in twee delen : een geleidingsdeel en een perceptief deel. In het perceptieve deel wordt de mechanische energie van geluid omgezet in elektrochemisch signaal dat via de gehoorzenuw naar de hersenschors wordt geleid. In de hersenen speelt het proces van perceptie plaats : hier worden we ons bewust van de aanwezigheid van geluid en vindt de uiteindelijke waarneming ervan plaats.
    In onderstaande figuur is te zien dat de geleiding van het geluid in het
    uitwendige oor en het middenoor plaatsvindt en de perceptieve functie van het oor zich in het binnenoor afspeelt.

    Geluid dat een golfverschijnsel is, zorgt ervoor dat het trommelvlies begint te bewegen (oscilleren). Door de beweging van het trommelvlies, worden de beentjes in het middenoor (hamer, aambeeld en stijgbeugel ) op hun beurt in beweging gebracht. De stijgbeugel brengt deze trilling over op het slakkenhuis. In het slakkenhuis wordt een vloeistof in trilling gebracht en doorgegeven aan hele fijne haarcellen. Doordat deze haarcellen in gaan bewegen ontstaat er een spanningsverschil wat er toe leidt, dat de zenuw gaat vuren en de gehoorzenuw dit signaal naar de hersenen doorgeeft.

    U zult zien wanneer u verder leest over de opbouw van ons oor en de meer specifieke werking van ons oor op andere bladzijden van deze site, dat deze voorstelling van de werking zeer globaal is : het hele proces van horen is een zeer ingewikkeld en verbazingwekkend complex en ingenieus gebeuren waar we reeds heel veel van weten, maar nog steeds onderwerp van onderzoek is.


    Het uitwendige oor

    De oorschelp en de gehoorgang behoren op hun beurt weer tot het uitwendige oor. De oorschelp bestaat uit kraakbeen bedekt met een laagje huid. Doordat onze oorschelpen niet beweegbaar zijn, spelen ze slechts een zeer kleine rol bij het richtinghoren.
    Het buitenste deel van de gehoorgang bestaat uit kraakbeen, terwijl het binnenste deel van de gehoorgang bestaat uit hard bot. Beiden zijn bekleed met huid.
    De gehoorgang is zo'n 2,5 cm lang en heeft een S-vorm en loopt iets omhoog. In het buitenste gedeelte van de gehoorgang bevinden zich haartjes. Hier bevinden zich ook een aantal kliertjes die oorsmeer (cerumen) afscheiden. Het oorsmeer bindt stof en vuil aan zich dat samen met het oorsmeer door de haartjes langzamerhand naar buiten wordt gebracht.


    Het middenoor

    Aan het einde van de gehoorgang bevindt zich het trommelvlies waarmee het middenoor begint.
    Aan het trommelvlies zit de steel van de hamer (malleus) vast, die op zijn beurt weer aan het aambeeld (incus) en de stijgbeugel (stapes) vast zit. Deze drie worden ook wel de gehoorbeentjes genoemd. Deze beentjes zijn scharnierend aan elkaar verbonden en zorgen ervoor dat geluidstrillingen die op het trommelvlies terecht komen naar het binnenoor worden getransporteerd.
    De stijgbeugel zit op zijn beurt weer vast aan het ovale venster : de voordeur van het binnenoor.
    De holte waarin de gehoorbeentjes liggen wordt ook wel de trommelholte genoemd en is met lucht gevuld. Deze holte staat door middel van de buis van
    Eustachius in verbinding met de buitenlucht.
    Het middenoor, waarin de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel zich bevinden, moet er nu voor zorgen dat dit geluid zonder al te veel verlies van energie omgezet wordt in een trilling van de vloeistof in het slakkenhuis (de cochlea). Een probleem daarbij is dat het binnengekomen geluid over moet gaan van lucht naar een vloeistof. Boven een vloeistof treedt een grote mate van reflectie op, waardoor energie verloren gaat.
    Om dit probleem nu zo goed mogelijk het hoofd te bieden is het middenoor als volgt opgebouwd :

    • de oppervlakte van de voetplaat van de stijgbeugel is vele malen kleiner dan het trommelvlies. Hierdoor wordt de druk op de vloeistof in het binnenoor 30 maal zo groot als de geluidsdruk op het trommelvlies.

    • er treed een versterkende werking op door de hefboomfunctie van de gehoorbeentjes. De beweging bij het ovale venster is weliswaar kleiner, maar de uitgeoefende kracht is groter.


    Het binnenoor

    Het binnenoor is een zeer complex werkend geheel, waar nog steeds onderzoek naar wordt gedaan om de precieze werking te begrijpen. Het binnenoor is een met vloeistof gevulde ruimte gelegen in het rotsbeen.
    Het binnenoor bestaat anatomisch gezien uit drie onderdelen: het vestibulum, de half-cirkerlvormige kanalen en de cochlea ook wel het slakkenhuis genoemd.
    In het ovale venster, een van twee openingen van het vestibulum, valt de voetplaat van de stijgbeugel. De tweede opening is het ronde venster.
    De half-cirkerlvormige kanalen vormen samen met twee holtes in het vestibulum het evenwichtsorgaan.
    De half-cirkerlvormige kanalen zijn in staat draaiingen van het lichaam te registreren.
    De twee holtes, de sacculus en de utriculus zijn voorzien van een klein orgaantje. Deze orgaantjes verzorgen gezamenlijk de waarneming van versnellingen.
    De cochlea (het slakkenhuis) is het orgaan dat verantwoordelijk is voor de geluidswaarneming. Aan de opbouw en werking van dit orgaan is een aparte bladzijde gewijd :
    De Cochlea
    Wanneer geluid de vloeistof van het slakkenhuis bereikt, treedt daar vervolgens een trillingsgolf op. De benige wand van het slakkenhuis is echter niet flexibel en de vloeistof die zich erin bevindt is niet samen te persen. Een drukgolf die via de stijgbeugel het ovale venster naar binnen duwt, zorgt ervoor dat het ronde venster naar buiten wordt gedrukt.
    Door de drukgolf wordt het basilair membraan dat zich in het slakkenhuis bevindt in trilling gebracht. Hierdoor komen de hele fijne haarcellen in beweging. Door deze beweging ontstaat een elektrische potentiaal die vervolgens doorgegeven wordt via de gehoorzenuw aan de hersenen.


    Cfr. : http://www.oorzaken.nl/opbouwoor.htm

    Cfr. ook :

    25-02-2006 om 10:40 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (8 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De ziekte van Mťni√®re
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

























    De ziekte van MťniŤre

    © 2005 Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied (met dank aan : Mardeno Medical Support B.V. voor het beeldmateriaal)


    Deze pagina heeft tot doel u informatie te geven over de ziekte van MťniŤre.
    Als u recent voor deze aandoening bij de keel-, neus- en oorarts (kno-arts) bent geweest, dan kunt u op deze plaats daarover meer gegevens lezen. Hebt u er nog nooit mee te maken gehad, maar wilt u er wat meer over weten, dan geldt hetzelfde.


    1. - Wat is de ziekte van MťniŤre ?

    De ziekte van MťniŤre wordt gekenmerkt door een combinatie van drie klachten:

    • aanvallen van draaiduizelingen.

    • slechthorendheid.

    • oorsuizen.

    Pas als al deze symptomen allemaal aanwezig zijn en er geen andere oorzaak voor deze klachten aanwijsbaar is, wordt de diagnose "echte" ziekte van MťniŤre gesteld. Het was de Franse arts Prosper MťniŤre die in 1861 deze combinatie van klachten voor het eerst beschreef.


    2. - Wat voor klachten heeft een patiŽnt met de ziekte van MťniŤre ?

    2.1 - Aanvallen van draaiduizelingen
    In het algemeen verstaat men onder duizeligheid veel verschillende klachten. Deze zijn onder anderen : draaien met neiging tot omvallen, knikkende knieŽn, zwart worden voor de ogen, zweven, een gevoel van dronkenschap, lichtheid of juist zwaarte in het hoofd, flauw vallen.
    Bij de ziekte van MťniŤre treden vooral in het beginstadium plotseling aanvallen op van draaiduizeligheid met valneiging. Meestal gaan deze aanvallen gepaard met misselijkheid, braken, bleek zien en koud zweet.
    Tijdens deze aanvallen, die meestal enkele uren in beslag nemen, is het niet meer mogelijk de normale werkzaamheden te verrichten. De meeste mensen gaan naar bed wanneer zo'n aanval optreedt. Na een nacht slapen voelt men zich weer wat beter. Niet iedere aanval is even zwaar. Sommige aanvallen duren slechts enkele minuten en niet iedereen hoeft over te geven tijdens een aanval.
    Het is niet te voorspellen of en wanneer zich weer een aanval voordoet. Tussen de aanvallen door kan de patiŽnt helemaal vrij zijn van duizeligheid; soms echter blijft hij/zij licht in het hoofd, onzeker, zweverig of heeft een "dronken" gevoel.

    2.2 Ė Slechthorendheid
    In aansluiting op de eerste aanval, maar soms later, ontstaat gehoorverlies, aanvankelijk vrijwel altijd eenzijdig. Het gaat om een zogenaamde perceptieslechthorendheid. Meestal begint het gehoorverlies in de lage tonen. In de loop van de tijd kan ook het verstaan van spraak minder makkelijk worden. Vooral in het begin van de ziekte kan de ernst van de slechthorendheid nogal wisselen. In een enkel geval ontstaat gehoorverlies aan beide oren. Sommige mensen hebben last van vervorming van geluid. Geluid kan ook als te hard of onaangenaam ervaren worden.

    2.3 Ė Oorsuizen
    De patiŽnt heeft last van oorsuizen. Eigenlijk is de benaming "oorsuizen" niet altijd juist: het geluid in het oor is lang niet altijd suizend van karakter maar kan brommend, dreunend of fluitend zijn. Bovendien lokaliseren sommige mensen het gehoorde lawaai niet in het oor maar in hun hoofd. Meestal is het oorsuizen het ergst tijdens en vlak na een duizeligheidaanval.

    2.4 Ė Drukgevoel
    Vele patiŽnten klagen ook over een drukgevoel of een vol, verstopt gevoel in het oor. Vaak gaat dit gevoel vooraf aan een aanval.


    3. - Hoe wordt de diagnose gesteld ?

    Wanneer op basis van uw klachten aan de ziekte van MťniŤre wordt gedacht is verder onderzoek nodig :

    • ten eerste wordt door de kno-arts het gehoor getest.

    • daarna kan eventueel een evenwichtsonderzoek worden verricht.

    • soms is het belangrijk bloedonderzoek te laten uitvoeren.

    • ook kan het nodig zijn onderzoek te doen naar het functioneren van de gehoorzenuw (BERA) of foto's te maken met behulp van rŲntgenonderzoek (CT-scan) of MRI van het slakkenhuis en de gehoorzenuw.

    • zo nodig wordt een neuroloog of internist geraadpleegd.

    De klachten-combinatie : aanvalsgewijze draaiduizeligheid, gehoorverlies en oorsuizen, zonder andere aantoonbare oorzaak, leidt dan tot het stellen van de diagnose "ziekte van MťniŤre".


    4. - Wat is de oorzaak ?

    Ondanks jaren van uitgebreid onderzoek, ook in ons land, is nog steeds niet bekend wat nu de precieze oorzaak van de ziekte is. Waarschijnlijk is sprake van ophoping (hydrops) van endolymfe, de vloeistof die zich in de binnenste ruimte van het slakkenhuis bevindt. Een scheurtje in de dunne wand tussen deze (endolymfatische) ruimte en de ruimte erom heen, (gevuld met de vloeistof perilymfe), leidt tot vermenging van deze vloeistoffen en kan een aanval geven.
    De oorzaak van deze hydrops is nog onbekend.
    Er wordt op dit moment veel onderzoek naar de ziekte van MťniŤre gedaan.
    Stress en drukte veroorzaken de ziekte niet, maar kunnen deze wel negatief beÔnvloeden. Overbelasting kan leiden tot het opnieuw actief worden van de ziekte. Het is opvallend dat veel patiŽnten met de ziekte van MťniŤre blootstaan aan stress en drukte. Niet zelden zijn het perfectionisten, met een karakter gekenmerkt door zorgvuldigheid, ijver en plichtsbesef. Zij stellen hoge eisen aan zichzelf en aan hun omgeving.


    5. - Hoe ontstaat een MťniŤre-aanval ?

    Het binnenoor (slakkenhuis) bestaat uit drie compartimenten, die gevuld zijn met vloeistof. Het bovenste en onderste bevatten Perilymfe (P), het middelste Endolymfe (E). Deze vloeistoffen zijn verschillend van samenstelling Ė cfr. : http://anatomie.med.vu.nl/onderwijs/anatomie-zintuigen/zintuig_2003_ear_hearing/endolymf.htm -. Middelste en bovenste compartiment zijn gescheiden door een dun vlies, de membraan van Reisner (M) :

    • in het middelste compartiment, de Scala Media of ook wel de endolymfatische ruimte (E), zit het eigenlijke gehoororgaan, het orgaan van Corti (C). De Scala media is ook verbonden met het evenwichtsorgaan. Veranderingen in de endolymfatische ruimte beÔnvloeden dus zowel het gehoor als het evenwicht.

    • om nog steeds niet bekende redenen kan er in de Scala media een overproductie van endolymfe optreden. Daardoor komt de membraan van Reisner onder spanning te staan en gaat dan uitpuilen. Vermoedelijk ontstaat hierdoor ook het drukgevoel, waarover veel patiŽnten klagen, voorafgaand aan een aanval.

    • als de membraan teveel wordt uitgerekt, kan hij scheuren (S). Daardoor raken endolymfe en perilymfe met elkaar vermengd, waardoor van beide vloeistoffen de samenstelling verandert. Het orgaan van Corti en het evenwichtsorgaan raken dan allebei in de war. Daardoor ontstaan gehoorverlies en oorsuizen (in het gehoororgaan) en duizeligheid (in het evenwichtsorgaan). Er treedt een MťniŤre-aanval op.

    • door de scheur in de membraan verdwijnt de spanning in het binnenoor. Omdat de membraan elastisch is, neemt hij vrij snel zijn oude stand weer aan. Het scheurtje geneest met een klein litteken (L) en de beide vloeistoffen krijgen in enkele dagen weer hun oorspronkelijke samenstelling. De aanval gaat geleidelijk over, maar er blijft nog vrij lang een onzeker gevoel bestaan.


    6. - Waaruit bestaat de behandeling ?

    Daar de oorzaak van de ziekte van MťniŤre niet bekend is, is er nog geen afdoende behandeling :

    • in Nederland en in de meeste Europese landen bestaat de behandeling in de eerste plaats uit het aanpassen van de levensstijl. Het is van belang dat u grote spanningen probeert te vermijden. Maakt u zich verder niet te druk. Trek als het ware op tijd aan de handrem. Dit is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan. Uw keel-, neus- en oorarts of uw huisarts kan u misschien hierbij helpen.

    • in de tweede plaats kan uw Keel- Neus- en Oorarts u medicijnen voorschrijven. Er zijn verschillende medicijnen beschikbaar om de duizeligheid te voorkomen of te bestrijden. Het zal van de situatie en de patiŽnt afhangen voor welk middel gekozen wordt.

    • soms kan geprobeerd worden om met een hoortoestel het gehoorverlies te verhelpen of het oorsuizen te maskeren. Dit kan overigens moeilijk zijn omdat de versterkte geluiden al snel als te hard en onaangenaam worden ervaren.

    • sommige patiŽnten kunnen worden geholpen met een zogenaamde prismabril, een bril met speciale glazen.

    • in het algemeen is men er in ons land niet van overtuigd dat de ziekte van MťniŤre met een operatie te verhelpen is.

    • tenslotte moet niet alleen u, maar ook uw naaste omgeving accepteren dat u de ziekte van MťniŤre heeft. Niemand - u, uw partner, uw gezin en uw werkomgeving - is er bij gebaat als U te veel hooi op uw vork neemt. Begrip voor uw situatie komt niet vanzelf, goede communicatie is daarvoor noodzakelijk.


    7. - Hoe is het beloop van de ziekte van MťniŤre ?

    In het begin staat vooral de angst voor een volgende duizeligheidaanval op de voorgrond. Later speelt de slechthorendheid een grotere rol, vooral als beide oren aangedaan zijn. In het algemeen wordt het gehoor op den duur slechter, terwijl de duizeligheidaanvallen in de loop van de jaren verdwijnen. De ziekte van MťniŤre komt eigenlijk altijd tot rust, al kan dit geruime tijd duren.


    8. - Slotwoord

    Het is niet mogelijk om op deze voorlichtingspagina alle details voor elke situatie te beschrijven (zie ook de tekst op de introductiepagina). Het kan zijn dat u ondanks de uitleg van uw arts nog vragen heeft of dat u meer informatie wilt. Aarzel dan niet contact op te nemen met uw kno-arts en om nadere uitleg te vragen. Aan dat verzoek zal graag worden voldaan.


    Cfr. : http://www.kno.nl/voorlichting/meniere.php

    25-02-2006 om 10:32 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (8 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Oorsuizen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen












     







    Oorsuizen

    © Hoorzaken 2000-2005


    1. Wat is oorsuizen (tinnitus) nu precies ?
    2. Waardoor wordt het veroorzaakt ?

    3. Welke vormen van oorsuizen zijn er

    4. Wat zijn de effecten van oorsuizen ?

    5. Hoe is oorsuizen te herkennen ?

    6. Welke behandelingen bestaan er voor oorsuizen ?

    1. - Wat is oorsuizen ?

    Alle klachten waarbij patiŽnten aangeven dat zij fluiten, zoemen, gesis, brommen of een ander geluid Ďhorení, zonder dat dit daadwerkelijk buiten het hoofd aanwezig is, wordt oorsuizen genoemd. Een andere benaming van oorsuizen is tinnitus. Dit woord komt van het Latijnse Ďtinnireí dat rinkelen betekent.

    De geluiden kunnen constant of met tussenpozen waargenomen worden en een wisselende sterkte hebben. Ook kunnen de geluiden synchroon met de hartslag waargenomen worden.

    Wanneer patiŽnten gevraagd wordt wat ze horen wordt dit meestal aan de hand van geluiden uit de omgeving beschreven : het zoemen van elektriciteitsdraden, het ruisen van een beekje of van de wind door de bomen, lage of hoge pieptonen of zelfs allerlei geluiden door elkaar.

    Het suizen kan soms zo sterk zijn dat de patiŽnt hierdoor niet kan slapen. Oorsuizen kan concentratieproblemen tot gevolg hebben en leiden tot angst en prikkelbaarheid. Vaak gaat oorsuizen ook gepaard met gevoelens van machteloosheid en neerslachtigheid .
    Al kan oorsuizen zeer irritant zijn, op zich zelf is het geen bedreiging van de gezondheid. De angst, boosheid en wanhoop staan vaak de acceptatie van het oorsuizen in de weg. Door de fixatie op het oorsuizen kan het een steeds dominantere plek in het leven van de patiŽnt innemen. Oorsuizen kan ertoe leiden dat de patiŽnt minder (sociale) activiteiten gaat ondernemen en vaker thuis gaat zitten. Hierdoor is de kans groot dat het oorsuizen nog meer (negatieve) aandacht krijgt en de klacht daardoor wordt versterkt.

    Voor de patiŽnt is het van belang om goed om te leren gaan met dagelijkse stressoren.
    Door na te gaan welke factoren het oorsuizen beÔnvloeden, krijgt de patiŽnt meer inzicht in de problematiek. Zo kan de patiŽnt op den duur ook controle krijgen over het oorsuizen.
    Van groot belang is dat de patiŽnt leert leven met het oorsuizen. Het bijwonen van praatgroepen, het lezen van boeken over dit onderwerp of professionele hulp kunnen de acceptatie helpen vergemakkelijken.


    2. - Oorzaken van oorsuizen

    Oorsuizen kan ontstaan bij allerlei ooraandoeningen: onder andere bij oorinfecties, bij acute en chronische mindenoorontstekeningen bij de ziekte van MeniŤre of plotselinge doofheid. Ook kan het een symptoom zijn van andere ziekten, zoals hart- en vaatziekten of bloedarmoede. Er zijn in totaal zo rond de 400 verschillende mogelijke oorzaken van oorsuizen bekend. Niet altijd is dus het oor zelf verantwoordelijk voor het oorsuizen.

    In de meeste gevallen is lawaai de boosdoener. Lawaai dat zich voordoet op de werkplek, in de disco of tijdens een dance party.
    Steeds meer jongeren onder de 30 hebben er last van. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het steeds toenemende geluidsniveau in onze maatschappij.

    Hieronder staat een lijst met mogelijke oorzaken van oorsuizen :

    • gehoorbeschadiging (door bijvoorbeeld lawaai)
    • knaltrauma

    • binnenoor slechthorendheid

    • otosclerose

    • een prop oorsmeer

    • ouderdomsslechthorendheid

    • goedaardig tumor van de gehoorzenuw

    • narcose (vooral bij ruggenprik)

    • hartziekten of hartritmestoornissen

    • stofwisselingsziekten (suikerziekte, hoog cholesterol gehalte)

    • ziekte van MťniŤre

    • storing in de doorbloeding

    • verstoringen in de hormoonhuishouding

    • bij een aantal functionele stoornissen

    • chronische middenoorontsteking

    • hersenletsel

    • vergiftiging door medicijnen

    • nierziekten


    3. - Vormen van oorsuizen

    Er zijn twee vormen van oorsuizen te onderscheiden : 

    1. objectief oorsuizen
    2. subjectief oorsuizen :

    Bij objectief oorsuizen is het geluid (nadat het versterkt is) door een buitenstaander (bijvoorbeeld een arts) daadwerkelijk te horen. In vijf procent van de gevallen zijn geluiden afkomstig van het eigen lichaam de oorzaak.
    Mogelijke oorzaken hiervoor zijn :

    • een vernauwing van een bloedvat dat zich dicht bij het oor bevindt, waardoor de patiŽnt zijn eigen bloed hoort stromen.
    • spastische trillingen van spiertjes in het middenoor of keel. De patiŽnt hoort in die gevallen dan een onregelmatig trillend/tikkend geluid.
    • luchtwervelingen die zich voordoen tussen het middenoor en keelholte. De patiŽnt hoort in dit geval een suizend of borrelend geluid dat samenhangt met de ademhaling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de buis van Eustachius onvoldoende functioneert of sluit.
    • afwijkingen aan het kaakgewricht. Meestal is het vervelende geluid alleen te horen bij het kauwen. Bij subjectief oorsuizen neemt alleen de patiŽnt zelf het geluid waar. De oorzaken hiervoor zijn legio en vaak moeilijk te achterhalen.

    4. - Effecten van oorsuizen

    De invloed van oorsuizen op het leven van patiŽnten varieert van lichte irritatie tot volledige belemmering van het leiden van een normaal leven.
    Ongeveer 25% van de personen die chronische last heeft van oorsuizen, lijdt er onder terwijl het door de resterende 75% niet echt als een probleem ervaren wordt.

    Veel patiŽnten die wel onder het oorsuizen lijden, geven aan dat hun ziekte zenuwslopend en ondraaglijk is. Sommigen denken dat zij er niet langer mee kunnen leven en zijn zelfs bereid (als het nodig is en helpt) een ooroperatie te ondergaan die ten koste gaat van hun gehoor. De patiŽnten beleven het als een enorme verslechtering van hun levenskwaliteit en velen zijn constant op zoek naar een wondermiddel dat hen van het irritante oorsuizen afhelpt.

    Door de permanente belasting van het waarnemen van ongewenst geluid, krijgen de patiŽnten vaak last van concentratiestoornissen en slaapproblemen. Ook doen zich vaak psychosomatische klachten (d.i. een lichamelijke toestand die door psychische factoren mede beÔnvloed wordt) voor zoals die ook bij slechthorendheid voorkomen.


    5. - Herkennen van oorsuizen

    Wanneer u rinkelen, zoemen, fluiten, suizen, brommen of een ander geluid hoort, terwijl deze geluiden zich niet in de omgeving voordoen, dan hebt u waarschijnlijk last van oorsuizen. Dergelijke geluiden kunnen constant zijn of zich met tussenpozen voordoen. Ook kan de sterkte variŽren.

    Onderstaande vragenlijst kan een indicatie geven of u last van oorsuizen heeft.
    Beantwoord onderstaande vragen (wanneer u zowel vraag 1 als een van de andere vragen met "ja" beantwoordt is er de mogelijkheid dat u aan oorsuizen lijdt, raadpleeg dan uw arts) :

    • hoort u ongewone geluiden zoals, brommen, sissen, fluiten die niet uit de omgeving afkomstig zijn ?

    • hoort u deze geluiden langdurig zowel overdag als 's nachts ?

    • heeft u de afgelopen tijd een stressvolle periode gehad ?

    • bent u de afgelopen tijd aan hard lawaai blootgesteld geweest ?

    • bent u de afgelopen tijd wel eens duizelig ?

    • ervaart u druk in ťťn van uw oren ?

    • heeft u het idee dat uw gehoor aan een van beide zijden achteruit is gegaan ?

    Wanneer u uw huisarts bezoekt met klachten over oorsuizen, zal uw huisarts of de de Keel-, Neus en Oorarts (KNO-arts) waarnaar u doorverwezen bent, zoeken naar oorkwalen, zoals verstopping van de gehoorgang, ontstekingen, otosclerose, de ziekte van MťniŤre, akoestisch trauma, erfelijke slechthorendheid of lawaaislechthorendheid. De (KNO-) arts zal via een serie onderzoeken proberen de oorzaak van het oorsuizen op te sporen.


    6. - Behandeling van oorsuizen

    Oorsuizen kan zeer irritant zijn, maar vormt op zichzelf geen bedreiging voor de gezondheid. In sommige gevallen is een specifieke ziekte de oorzaak, zoals de ziekte van Meniere, otosclerose of een langdurige middenoorontsteking. Wanneer de ziekte te behandelen is stopt in veel gevallen het oorsuizen na de behandeling. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een prop oorsmeer of een middenooronsteking de oorzaak is.

    Vaak is de oorzaak moeilijk te achterhalen en al is de oorzaak gevonden, wil dit niet zeggen dat er een behandeling mogelijk is of dat deze effectief zal zijn.

    Wanneer de patiŽnt van de een op andere dag last van oorsuizen heeft is het raadzaam naar de huisarts te gaan. Wanneer deze daar aanleiding toe ziet zal deze een verwijsbrief geven voor de Keel-, Neus en Oorarts (KNO-arts) of het audiologisch centrum.

    In Duitsland wordt anders met acuut oorsuizen omgegaan dan in Nederland. Daar wordt oorsuizen gezien als een spoedgeval en binnen vaak zeer korte tijd, meestal binnen 24 uur, zitten patiŽnten met een dergelijke acute vorm van oorsuizen bij de KNO-arts.
    In Duitsland wordt onder andere de hyperbare zuurstof therapie als behandelingsmethode voor oorsuizen met regelmaat toegepast.

    Zuurstoftherapie
    Tinnitus kan het gevolg zijn van zuurstofgebrek in het binnenoor. Door de druk te verhogen en pure zuurstof toe te voegen, wordt het zuurstofgehalte in het binnenoor verhoogd en het genezingsproces gestimuleerd.

    Deze therapie is nogal omstreden omdat wetenschappelijk bewijs voor de werking ervan ontbreekt.
    In het tijdschrift HŲrakustik werd in het maart nummer van 2001 aanzienlijke succespercentages vermeld bij de toepassing van deze therapie. De therapie zou vooral zinvol zijn wanneer deze op korte termijn wordt toegepast vlak na het ontstaan van het oorsuizen.
    Uit een onderzoek dat door dr. Tan is uitgevoerd aan het AMC te Amsterdam bij patiŽnten die reeds langere tijd last hadden van ernstig oorsuizen blijkt dat bij een aanzienlijk deel verbetering optreedt. Echter in 15% van de gevallen namen de klachten ook toe.
    De houding van medici in Nederland is kritisch ten aanzien van de toepassing van de hyperbare zuurstoftherapie bij oorsuizen.
    De commissie tinnitus en hyperacusis van de NVVS maakt zich aan de andere kant momenteel hard voor erkenning van deze behandelingsmethode Ė cfr. :
    http://www.nvvs.nl/index.php?s_page_id=61 - en spreekt de wens uit dat er meer onderzoek en een betere registratie komt naar de effecten van deze therapie.

    In Duitsland worden ook veelvuldig medicijnen voorgeschreven bij oorsuizen onder andere medicijnen die de doorbloeding bevorderen. Ook hiermee is men in Nederland terughoudend. Dr. Ganz noemt deze therapie in het, uit het Duits vertaalde boek "Leven met oorsuizen" een mode-therapie. Ook wijst hij erop dat voor andere medicatie weinig bewijs is Ė cfr. : http://www.nvvs.nl/index.php?s_page_id=64 -.

    Omdat er weinig aan oorsuizen is te doen, is het van belang dat de patiŽnt zelf het oorsuizen mentaal geheel of gedeeltelijk overwint. Het is voor de patiŽnt van belang dat hij geen genoegen neemt, met het advies : "U moet er maar mee leren leven", maar op zoek gaat naar een gespecialiseerde instantie die die hem handvatten aanreikt en leert hoe hij er mee moet leren leven. De audiologische centra zijn de aangewezen plek daarvoor. Een in oorsuizen gespecialiseerde psycholoog die samenwerkt met een KNO-arts zou ook een goede combinatie kunnen zijn.

    Soms wordt bij de behandeling van oorsuizen gebruik gemaakt van maskering en een vrij recent ontwikkelde en hoopvolle therapie is de Tinnitus Retraining Therapie. Een therapie die de patiŽnt leert en hem de handvatten aanreikt hoe hij met oorsuizen kan leven.

    Raadzaam is bij oorsuizen stressvolle situaties en (langdurige) spanningen zo veel mogelijk te vermijden.
    Ook wordt aangeraden matig te zijn met cafeÔne houdende dranken (koffie en thee), tabak en andere stimulerende middelen. Vaak kan het helpen om op de achtergrond muziek aan te hebben staan, zodat op deze manier het eigen oorsuizen minder opvalt.

    Maskering
    Maskering werkt volgens het principe : lawaai met lawaai bestrijden. Hiertoe krijgt de patiŽnt die last heeft van oorsuizen een hoortoestel of een maskeertoestel dat ruis produceert aangepast. De bedoeling is dat het oorsuizen door andere geluiden (deels) wordt overstemd. Deze tonen of geluiden (ruis) maskeren zo het oorsuizen.
    In veel gevallen helpen ook hoortoestellen het oorsuizen te maskeren omdat ze de omgevingsgeluiden versterken. De toepassing van hoortoestellen werkt vooral als de patiŽnt tegelijkertijd slechthorend is. De balans verschuift hierdoor van het oorsuizen naar betekenisvol omgevingsgeluid.
    Soms werkt het overstemmen van het oorsuizen ook nog korte tijd na het uitdoen van het toestel. Het oorsuizen is daar echter niet mee verdwenen. Pas na langere tijd mag effect verwacht worden.

    Tinnitus Retraining Therapie (TRT)
    Tinnitus Retraining Therapie, ook wel afgekort tot TRT, is een therapie ontwikkeld door J. Hazell en P.J. Jastrebroff.
    Met deze therapie wordt oorsuizen op een nieuwe manier benaderd. De patiŽnt leert in eerste instantie begrijpen hoe oorsuizen ontstaat en krijgt handvatten aangereikt om beter om te gaan met de emotionele en lichamelijke reacties die het oproept. Daarbij moet de patiŽnt zich ervan overtuigen dat het geluid van het oorsuizen geen reden is voor paniek en eigenlijk niet hinderlijk is.
    Uiteindelijk 'leert' de patiŽnt het hinderlijke geluid van het oorsuizen naar de achtergrond te drukken door het als een normaal geluid te beschouwen waarmee gewoon mee te leven is. Hierbij maakt de patiŽnt gebruik van de processen waarmee de hersenen normaal in staat zijn monotone geluiden, zoals die van een ventilator of zoemende koelkast, naar de achtergrond van het bewustzijn te drukken.
    De TRT gaat ervan uit dat oorsuizen veroorzaakt wordt door een beschadiging of afwijking in het auditieve systeem, waardoor geluiden waargenomen worden terwijl er van buiten geen signaal wordt aangeboden.
    Van alle patiŽnten met oorsuizen blijkt 25% onder het oorsuizen te lijden, terwijl de overige 75% het niet echt als een probleem ervaart. Er blijkt geen relatie tussen de ervaren klachten en de (psycho-akoestische) karakteristieken van het oorsuizen: er is geen verband tussen de hinder en de waargenomen luidheid, maskeerbaarheid of de toonhoogte van het oorsuizen. Dit verband zou wel verwacht worden. De TRT gaat er daarom van uit dat het gehoorsysteem een ondergeschikte rol speelt en dat juist het emotionele (limbische) en autonome zenuwstelsel een primaire rol hebben. Met andere woorden : er wordt een signaal geleverd door het hoorsysteem, maar het werkelijke probleem ontstaat pas wanneer, na activatie van het limbische en autonome zenuwstelsel, er een negatief label in de hersenen aan gekoppeld wordt. De reactie op het oorsuizen kan worden gezien als een geconditioneerde reflex en kan daardoor niet eenvoudig weg genegeerd worden. De patiŽnt kan dus niet tegen zich zelf zeggen : 'Ik heb geen last meer van oorsuizen', met als resultaat dat het oorsuizen niet meer storend is.
    Het tweede punt waaraan het onderliggende neurofysiologische model van de Tinnitus Retraining Therapie is opgehangen, is het feit dat de hersenen in staat zijn zich aan bijna elke constante stimulus (signaal) te habitueren (''wennen''). Zo kan een duiker habitueren aan de druk van het water en kan de ervaren luidheid van een zuivere toon na een half uur tot wel een kwart zijn gereduceerd.
    Het derde uitgangspunt van het neurofysiologische model is dat ook een groot deel van de patiŽnten met oorsuizen overgevoelig is voor harde geluiden.
    De meeste mensen wennen op den duur aan hun oorsuizen, maar bij sommigen gaat dat niet vanzelf. De Tinnitus Retraining Therapie kan daarbij helpen. Vaak wordt bij deze therapie ook gebruik gemaakt van geluid. De patiŽnt krijgt in die gevallen een soort hoortoestel aangepast dat een permanente ruis genereert.
    Deze ruis, die zachter wordt aangeboden dan het oorsuizen zelf, zorgt ervoor dat de patiŽnt leert wennen aan permanente geluiden die op de achtergrond aanwezig zijn.
    Van de TRT therapie zijn geen snelle resultaten te verwachten. Het is immers een heel traject, waarbij eerst de emotionele reacties worden aangepakt en de patiŽnt pas in een later stadium leert wennen aan het geluid van het oorsuizen zelf. Soms wordt in het begin van deze therapie ook gebruik gemaakt van medicijnen, zoals kalmerend middelen, antidepressiva of slaapmiddelen.
    De totale therapie kan 2 tot 3 jaar in beslag nemen.
    Volgens Jastrebroff is bij 80% van de patiŽnten een significante verbetering te vinden. De beste resultaten werden verkregen bij de behandeling waarbij zowel therapie als geluidstherapie werd gegeven.
    Bij de audiologische centra - cfr. bv.
    http://www.profgroenstichting.nl/Oorsuizen__tinnitus.23.0.html - kunt u terecht voor nadere inlichtingen over deze therapie.


    Cfr. : http://www.oorzaken.nl/oorsuizen.htm 

    25-02-2006 om 10:18 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (10 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stress, burn-out en regeneratie
    Klik op de afbeelding om de link te volgen







        Stress, burn-out en regeneratie

        © 2000-2001 Copyright by Han Marie Stiekema, arts
        Last update : 06/26/05
     

    Inhoud

    Inleiding
    1. - Wat is stress ?
    2. - Oorzaken van stress
    2.1 - Maatschappelijke stress
    2.2 - Psychologische stress
    2.3 - Relationele stress
    2.4 - Lichamelijke stress
    2.5 - ExistentiŽle stress
    2.6 - Electrostress

    3. - De dynamiek van stress
    3.1 - Energie
    3.2 - Moeheid
    3.3 - Burn-out

    4. - Verschijnselen van stress
    4.1 - Het psychosomatische symptomencomplex
    4.2 - Het extraverte symptomencomplex
    4.3 - Het introverte symptomencomplex
    4.4 - Het angstcomplex
    4.5 - Het existentiŽle symptomencomplex

    5. - Uw antwoord
    5.1 - Leefstijl
    5.2 - Bioritme
    5.3 - Karaktertype
    5.4 - Reactietype
    5.5 - Bewustwording
    5.6 - Milieu

    6. - Begeleiding
    Regeneratie Retreats (Gezondheid, psychologisch, spiritueel)



    Inleiding

    Stress is een probleem.
    Of het nu het stijgende ziekteverzuim, de toenemende aantallen mensen die psychologisch/psychiatrische hulp zoeken, de jaarlijks hoger wordende omzet aan tranquillizers en psychofarmaca, de hyperactiviteit bij kinderen, het stijgende aantal burn-out patienten, eenzaamheid of dat het de angst voor de toekomst is, steeds wordt het duidelijker dat er steeds minder antwoord gevonden wordt op de stijgende druk in onszelf en die vanuit onze omgeving.
    Veel problemen liggen ingewikkeld. Het is daarom niet eenvoudig (en niet mogelijk) er zomaar oplossingen voor aan te reiken. Wat we wŤl kunnen doen is een beeld schetsen van stress : 'wat is het ?'; 'hoe uit het zich ?'; proberen aan te geven waar de oorzaken liggen en toch misschien ook een aantal wegen of manieren aan te geven die voor een voldoende aantal mensen een verlichting of zelfs een oplossing kunnen betekenen.


    1. - Wat is stress

    Zoals het gewone spraakgebruik al aangeeft, is stress een toestand van overspannenheid.
    Met spanning alleen heeft het dus weinig te maken. Spanning op zichzelf is meestal gezond en is een onderdeel van (de uitdaging van) het leven. Het vindt zijn weerslag in de dynamiek van ons vegetatieve zenuwstelsel, waarin (vereenvoudigd weergegeven) de sympaticotonus de spanning uitdrukt en de parasympaticus de ontspanning. Normalerwijs is er een dynamische balans tussen die twee.

    Het leven is vol van prikkels van allerlei aard : uitdaging, plezier, angst, spanning, erotiek, onzekerheid en pijn. Hoe deze prikkels door ons opgenomen en verwerkt worden, hangt af van het antwoord (psychisch, vegetatief, hormonaal) dat wij daarop hebben. Meestal is ons eerste antwoord op een prikkel die van activiteit, opwinding en reactie. Als wij gezond zijn, wordt zo'n toestand voortdurend afgewisseld door ontspanning. Bij stress is de relatie tussen de aard en de sterkte van de prikkel en ons antwoord erop echter uit balans. Meestal is de prikkel te massief en ons antwoord inadequaat of te zwak. Dit resulteert in een chronische overprikkeling, spanning, stress en tenslotte uitputting.


    2. - Oorzkaken van stress

    2.1 - Maatschappelijke stress
    "Getrouwde mannen leven langer" kwam er uit een onderzoek.
    Het logische gevolg daarvan is, dat leven in gemeenschapsverband een overeenkomstig effect zal hebben. Omgekeerd is het doorgeschoten individualisme - iedereen op zichzelf teruggeworpen en het "allen tegen allen" - een vaak onmerkbare, maar overheersende stressfactor. Hierbij gaat het in eerste instantie om de werkdruk en ons vermogen daar mee om te gaan. Afwezige werkmotivatie, verstoorde verhoudingen binnen het bedrijf en te hoge tijds- en prestatiedruk kunnen - gemeten aan de werkvoldoening, het prestatievermogen, de psychische en lichamelijke gezondheid - een te grote last op iemand leggen en daarmee tot stress leiden. Hetgeen zich uit in een stijgend ziekteverzuim. De alarmerend grote groep WAO uitvallers zijn hiervan het levende bewijs.

    2.2 - Psychologische stress
    Niemand staat onbeschadigd in het leven.
    Reeds vanaf het prille begin (de zwangerschap, de geboorte en de eerste jaren) staan wij bloot aan soms diep ingrijpende psychologische trauma's. Van ons antwoord hangt het dan af of deze trauma's verwerkt en geintegreerd worden. Vanwege onze hulpeloosheid en afhankelijkheid lukt ons dit als kind niet altijd. Vaak is het dan zo, dat we als volwassene nog steeds met onze onverwerkte pijn, verdriet, angst, onzekerheid, woede en zelfmedelijden worden geconfronteerd. Eveneens afhankelijk van ons antwoord erop - of de afwezigheid daarvan - kan dit uiteindelijk resulteren in stress.

    2.3 - Relationele stress
    Bij onvoldoende zelfinzicht kunnen we onze psychische problemen in de ander projecteren.
    Wat we van onszelf niet willen zien (te pijnlijk, te beangstigend), dichten we dan aan een ander toe, bij voorkeur aan diegene die ons het meest nastaat. Heb je bijvoorbeeld moeite met voor jezelf op te komen, dan (in plaats van daaraan te gaan werken) uit zich dat maar al te gemakkelijk in critiek naar de ander : "jij bent ook een egoÔst zeg". Zo leiden onopgeloste innerlijke conflicten maar al te vaak tot gecompliceerde relatieproblemen die vaker uitmonden in ware uitputtingsslagen.

    2.4 - Lichamelijke stress
    Deze oorzakengroep wordt vaak onderschat.
    Toch is hij levensgroot aanwezig, vooral door de zich steeds verslechterende milieusituatie, de gevolgen van een ongezonde leefstijl, alsook de gevolgen van de symptoombestrijding in de reguliere geneeskunde. Bekend is de hyperactiviteit bij kinderen. De oorzaken - de chemische toevoegingen in ons voedsel - zijn inmiddels wel erkend als de stressoren. Wat hier geldt, geldt echter ook voor al die duizenden andere chemische stoffen die wij elke dag via voedsel, lucht en water binnenkrijgen. Veel psychische klachten zijn bovendien direct gerelateerd aan het voedsel, het gebruik van genotmiddelen, te weinig drinken, verzuring van de stofwisseling, verteringsstoornissen met zelfvergiftiging vanuit de eigen darm, weerstandszwakte (bijvoorbeeld door tekorten aan vitaminen, mineralen, spore-elementen ťn het onderdrukken van koorts en infectieziekten middels aspirine en antibiotica), candida (schimmelgroei in darm en weefsels) en de aanwezigheid van een of meerdere haarden (o.a in het gebit : chronische kwikvergiftiging uit het amalgaam).

    2.5 - ExistentiŽle stress
    Deze is het gevolg van onze cultuur en opvoeding.
    Iedereen heeft daar dus mee te maken. Gemeenschappelijk is, dat door het overmatig accent op intellectuele vorming we het gevoelscontact met ons lijf (en daarmee met onze directe omgeving), onze creativiteit, onze intuÔtie, onze verborgen gevoelens en emoties en ons diepere Zelf zijn kwijtgeraakt. Wij "zitten voortdurend in ons hoofd" en daarmee opgesloten in ons eigen (denk)wereldje, afgesneden van veel in onszelf en om ons heen. Je wordt voortdurend op sleeptouw genomen door alles wat er in je omgaat : gedachten, emoties en verlangens. De gedachten zijn sterker dan jezelf, zonder dat je dit in de gaten hebt. Dit voortdurend uit je centrum getrokken worden snijdt je af van je tweevoudige bron - het ware Zelf en het lichaam - dusdanig, dat de "voedingslijn wordt doorgesneden", de energiebalans voortdurend naar de negatieve kant doorslaat. Dit contactverlies lijdt tot angst, verveling, moeheid, zelfbetrokkenheid en eenzaamheid. Het mentale staat gelijk met energieverlies. Vandaar dat "in je hoofd zitten" (extreem) werken met je hoofd, werk- en tijdsdruk vroeger of later stress en burn-out ten gevolge heeft.

    2.6 - Electrostress
    Het probleem met de computer is nu, dat bovengenoemde "zuigkracht" honderdvoudig wordt versterkt.
    Het scherm heeft een veel sterkere energetische lading dan je eigen gedachten, zodat je permanent "uit jezelf getrokken wordt". Het gaat vaak in fasen. In de eerste fase is er de opwinding van nieuwe informatie, de nieuwe mogelijkheden en de resultaten. Deze psychische prikkeling doet de energiebalans vooralsnog naar de positieve kant doorslaan. Afhankelijk van je psychisch-lichamelijke constellatie (vitaliteit) duurt deze fase verschillend lang. Door de "euforie" heb je echter niet in de gaten, dat er tegelijkertijd ook een energielek is. Deze is sluipend, tot het op een punt komt, dat - vaak mede door andere oorzaken als ongezond leven, weinig slaap etc. - er "plotseling" een omslag naar negatief plaatsvindt. De zuigkracht van de computer heeft het definitief gewonnen van de mogelijkheid "bij jezelf te blijven".
    Deze negatieve gang van zaken wordt nog eens "honderdvoudig" versterkt door de inwerking van het GSM c.q. UMTS-net. De "deken" van electromagnetische hoogfrequente straling, met zijn snelle pulsering heeft ongekend schadelijke invloed op ons hele organisme. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond, dat o.a. afysiologische electrische hersengolven (EEG) optreden, verschuivingen in het calciumgehalte van (hersen)cellen, beschadiging van de bloed- hersenbarriŤre zodat vreemde eiwitten in de hersenen dringen, depolarisatie van de hersenen c.q. zenuwstelsel met stress, innerlijke onrust, aantasting van concentratie-, leer- en geheugenfuncties, burn-out, dementie en Alzheimer, acute hartstilstand, beroerte, leukemie (o.a. bij kinderen), kanker en vele andere (chronische) aandoeningen Ė cfr.
    "Spirituality & Electrostress" : http://www.the-great-learning.com/EMF/1-electrostress.htm -.


    3. - De dynamiek van stress

    3.1 - Fase 1 - Energie
    Prikkels worden in deze fase beleefd als uitdaging.
    Je hebt het doel voor ogen en je gaat er flink tegenaan. Je hebt het getroffen met je gezin en het dagelijks werk doet je plezier. Het kost je geen moeite je drie kleine kinderen te verzorgen. Je houdt tijd en energie over voor leuke dingen. Extra belasting als een vriend die een beroep op je doet, neem je spelenderwijs mee. Je prijst je gelukkig, dat het leven je zo toelacht. Lichamelijk ben je prima in vorm. Het komt overeen (o.a.) met een optimale balans tussen yin en yang, tussen ontspanning en inspanning, tussen parasympathicus en sympathicus. De stresshormonen vieren hoogtij. Je bent de laatste die zou geloven, dat het ook heel anders kan lopen.

    3.2 - Fase 2 Ė Moeheid
    Stukje bij beetje wordt je energie echter minder.
    Dit feit wordt echter niet onderkend. Je gaat dus gewoon door, hopende dat het wel over zal gaan. Op den duur gaat het echter steeds verder bergafwaarts. Je blijft mat, je energieniveau permanent op een laag pitje, uitmondend in chronische lusteloosheid, moeheid, innerlijke "leegheid", kouwelijkheid, depressie en slapeloosheid. Er is dus een algemene zwaktetoestand, een permanent ("gefixeerd") laag energieniveau ontstaan. Lichamelijk heeft dit een afdemping van het algeheel energieniveau ten gevolge, het smaller worden van de marge tussen sym- en parasympathicus, het verlies van dynamiek en vitaliteit. Regeneratie naar "je oude niveau" blijkt steeds moeilijker cq op den duur niet meer mogelijk te zijn.

    3.3 - Fase 3 - Uitputting (Burn-out)
    In deze fase ga je steeds verder achteruit.
    Je mogelijkheid te reageren op prikkels verdwijnt onder het minimum, je spankracht is nagenoeg afwezig. Je ben alleen maar moe, moe, onverklaarbaar moe. Je kunt niets meer, je bent op. Speciale symptomen zijn er niet of nauwelijks, de artsen kunnen niets vinden. Niemand begrijpt het, want je kunt het je medemensen niet duidelijk maken. Op je werk denken ze, dat je je aanstelt. Thuisblijven zonder "echt ziek te zijn" wordt door sommigen niet geaccepteerd. Je voelt je op jezelf teruggeworpen en alleen, hetgeen je toestand alleen maar verergert. Je denken, je gevoel, je lichamelijkheid, je aandacht voor je omgeving: alles is afgestompt, je leeft permanent in een depressie. Medisch gezien is er een vegetatieve blokkade, het onvermogen adequaat op prikkels te reageren. Op je zwakke plekken is de bio-potentiaal van cellen en weefsels gedaald. De meridianen "stromen niet meer". Je hersenfuncties (EEG) kunnen (hoeft niet) afwijkingen vertonen. Het stresshormoonsysteem is volledig uitgeput, dusdanig, dat geen enkele therapie helpt. Van horen zeggen weet je, dat dit wel eens maanden tot jaren kan gaan duren.


    4. - Verschijnselen

    De verschijnselen van stress zijn veelzijdig.
    Zij kunnen onderverdeeld worden in groepen. Net als andere indelingen zijn er de voordelen van meer inzicht en begrip, van de andere kant valt het complex maar gedeeltelijk samen met de werkelijkheid en moet het meer als een accent gezien worden. Dit accenten leggen is echter wel heel zinvol als aanknopingspunt voor de juiste individuele behandeling. Bij veel mensen zie je vaak een combinatie van ondergenoemde verschijnselen. Naast moeheid en uitputting als hoofdsymptomen zijn te noemen :

    4.1 - Het psychosomatische symptomencomplex
    Hieronder vallen tal van klachten vele het gevolg van vegetatieve dystonie, varierend van hoofdpijn en migraine, hartkloppingen, benauwdheid en hyperventilatie, anorexia en boulemie, maagpijn, hoge bloeddruk tot en met het premenstrueel syndroom, jeuk en eczeem.

    4.2 - Het extraverte symptomencomplex
    Dit kunnen we zien bij diegenen bij wie nervositeit, innerlijke onrust, gejaagdheid, prikkelbaarheid, hyperactiviteit, euforie en aggressiviteit op de voorgrond staan.

    4.3 - Het introverte symptomencomplex
    Hierbij ligt het accent op gedruktheid, somberheid, traagheid, depressie, melancholie, tobben, piekeren, hypochondrie en zelfmedelijden, moeheid, uitputting, verslaving.

    4.4 - Het angstcomplex
    Dit bestaat veelal uit angst, angst voor de angst, vrees, fobie, 'hysterie', paranoidie, verwardheid en dwangmatig gedrag.

    4.5 - Het existentiŽle symptomencomplex
    Hier vallen onder : zelfbetrokkenheid en -verslaving, contaktstoornissen, depressie, eenzaamheid, gevoel van zinloosheid en uitzichtsloosheid, neiging tot suicide.


    5. - Uw antwoord

    Stress is het resultaat van stressbelasting, draagkracht en ons vermogen zinvol, creatief en effectief met onszelf en de situatie om te kunnen gaan.

    5.1 - Leefstijl
    De basis van stressreductie is het vermijden van stressprovocerende factoren in het dagelijks leven en het optimaliseren van onze vitaliteit.
    Daarbij speelt een gezonde leefstijl een doorslaggevende rol. Overschakeling op gezonde (biologische) voeding, drinken van grote hoeveelheden water, reguleren van de vertering, aanvulling van tekorten door middel van voedingssupplementen (vitaminen, mineralen, spore-elementen), stoppen van cq verminderen van genotmiddelen als koffie, roken, alcohol (en drugs), ontzuring en lichaamsreiniging en (dagelijkse) fitness zijn daarbij een eerste vereiste.Vooral diegenen die "altijd in hun hoofd zitten" hebben veel baat bij buitenzijn, frisse lucht, lichamelijke inspanning en beweging Ė cfr. ook ďPersoonlijk GezondheidsplanĒ :
    http://worldhealthprogram.tripod.com/NL-step1.htm -.

    5.2 Ė Bioritme
    Het bioritme neemt een centrale positie in.
    Stress ontstaat immers niet in de laatste plaats omdat er geen ruimte meer is voor de noodzakelijke dagelijkse perioden van ontspanning (vagotonus). Wanneer de sympaticotonus daarentegen permanent overheerst, gaat er voortdurend veel energie verloren en ontstaat vroeger of later uitputting met alle gevolgen van dien. Een van de meest nuttige adviezen is daarom de dagagenda zo in te delen, dat regelmatig de tijd- en werkdruk wordt onderbroken door ontspanning, verpozing, creativiteit of sport.

    5.3 Ė Karaktertype
    De manier waarop we met de dingen omgaan, wordt mede bepaald door ons karakter.
    Karakter of persoonlijkheid is een gecompliceerd iets. Wat voor het ontstaan van stress van belang is, is dat een grote groep mensen zich met de kwetsbare kanten van zichzelf (het kind in zich, sensitiviteit, aanhankelijkheid), een andere groep zich met de krachtige kanten van zichzelf identificeert (zelfcontrole, wilskracht, doorzettingsvermogen). Ten onrechte wordt deze verdeling ook wel die van 'verliezers en winnaars' genoemd. De werkelijkheid is natuurlijk, dat alle mensen beide facetten in zich hebben. Wat we aantreffen, is vaak alleen een kwestie van accent of situatie. Toch hebben we er wel iets aan. Mensen die zich permanent zus of zo voelen, zijn gevoeliger voor de daarmee verbonden stresssituaties. Veel gedrag is daardoor (gedeeltelijk) voorspelbaar. Het kan gebruikt worden voor een beter advies en preventie.
    Dit is natuurlijk van belang overal waar psychologische resp. relationele problemen een grote rol spelen. Daar waar er dus sprake is van onverwerkte angst, verdriet, woede en ook onderdrukte levenslust, meestal het gevolg van trauma's in de kindertijd. Acceptatie is hier een eerste vereiste. De problemen zijn immers een gevolg van het destijds ontkennen, wegdrukken en het onvermogen tot het verwerken van de problemen. Acceptatie echter in de zin van erkenning ('zij zijn een deel van mijzelf') - niet berusting - (actief) toelaten en beleven van de gekwetste gevoelens en emoties. Pas als zij worden toegelaten en beleefd, leren wij ze kennen en kunnen zij worden verwerkt en tenslotte geintegreerd. Vanuit deze grondhouding kan er dan verdergewerkt worden. Ontspanning is daarbij de eerste vereiste. Voor de een zal dit een cursus autogene training - (J.H. Schultz ontwikkelde deze training. Hij ging daarbij uit van de waarnemingen van O. Vogt. Autogene training is een ontspanningsmethode, waarbij men zich niet richt op de spieren, maar op het kalmeren van het autonome zenuwstelsel. Met deze training is het mogelijk organen en orgaansystemen te beÔnvloeden. Het is een methode van concentratie die men zich eigen kan maken door oefening en die men, als men de methode beheerst, op ieder gewenst moment kan toepassen. Reeds het zich door concentratie instellen op rust heeft een herstellende werking op de organen) - of yoga zijn, voor een ander is het schilderen of een relatietherapie. Voor de ernstige gevallen is er dan natuurlijk verdere professionele hulp.

    5.4 Ė Reactietype
    Wat met het bovenstaande nauw verbonden is, is het reactietype of de constitutie.
    Het geeft de (aangeboren en verworven) vitaliteit aan en daarmee het vermogen te reageren op prikkels van binnenuit en buitenaf. Ook hier maken we weer een simpele indeling: de plusvitalen en de minvitalen met alle 'overgangsvormen' ertussen. Plusvitalen maken vaak een robuuste indruk, hebben een warmte- en energieoverschot, wanneer zij koorts hebben, is die vaak hoog maar kortdurend en zij hebben een goede eetlust en vertering. Zij reageren snel (en vaak heftig) op prikkels. Dit doen zij een tijd lang ogenschijnlijk zeer adequaat, totdat (vaak ongemerkt, zeker als dit reactietype tegelijkertijd een 'krachtige' persoonlijkheid is, wat vaak zo is), totdat zij 'plotseling' in elkaar storten en een hartinfarct of hoge bloeddruk krijgen.

    Minvitalen daarentegen zijn vaak slank tot mager, zijn warmtebehoeftig (hebben vaak koude handen en voeten en kunnen eindeloos in een warm bad liggen), de koorts heeft een sudderpatroon (laag en langdurig) en de eetlust en de vertering zijn vaak maar matig. Velen zijn vegetarier. De meeste van hen reageren ogenschijnlijk traag en inadequaat op prikkels. Vele hebben reeds stoornissen over langere tijd, waarvan zij echter toch niet ernstig ziek zijn. Zijn zij een kwetsbare persoonlijkheid, dan zijn zij nogal eens aan de hypochondere kant; een sterke wilskracht kan hen daarentegen wonderen doen verrichten. Stress kunnen de laatsten mentaal vaak goed aan, chronische ziekte komt sluipend en met de leeftijd (reuma bijvoorbeeld). Ook hier is weer duidelijk, dat constitutie en de wijze van reageren op prikkels sterk medebepalend zijn voor het al of niet verwerken van stress en stresssituaties.

    5.5 Ė Bewustwording
    Er zijn twee belangrijke momenten in bewustwording.
    De eerste is de ontdekking dat je je probleem niet bent.
    Ben je ontspannen, dan kun je plotseling je problemen voor je zien. Er blijkt een innerlijke afstand te bestaan tussen je gedachten en jezelf. "Ik ben hier en mijn gedachten zijn daar". Conclusie : "ik ben mijn gedachten niet". Of vertaald naar stress : "ik ben niet gestresst, maar er is stress in mij". Dat deze kleine transformatie grootse gevolgen heeft moge duidelijk zijn. Stress komt in je, het verblijft er een tijdje en kan er (dus) ook weer uit. De pas ontdekte innerlijke afstand maakt dit mogelijk. Door eenvoudigweg te ontspannen en je stressgedachten "waar te nemen", verdwijnen deze vroeger of later. Bovendien ontdek je hierdoor "wie je werkelijk bent" : je waarnemen !
    Het tweede belangrijke moment is het inzicht dat je van je bron bent afgesneden.
    Zowel in vertikale (diepste Zelf) alsook in horizontale (lichaam) zin. Je voedingslijnen zijn doorgesneden. Je bent een geisoleerd eilandje in de oceaan van het Leven, een vis op het droge. Niet verbazingwekkend dus, dat je (stukje bij beetje) alleen maar energie verliest. Het "opladen" blijkt dan ook steeds moeilijker te gaan. 's Morgens je bed uitkomen wordt een crime. Een sluipende matheid neemt bezit van je. Je vrolijkheid, initiatief en vitaliteit komt op een laag pitje te staan. Je irritaties nemen toe. Wanneer je in zo'n situatie de oorzaak ontdekt, "ben je gered". Deze bestaat in het alsnog herstellen van het contakt met je Zelf als met je lichaam en zijn direkte omgeving.
    Voor spiritueel ingestelde mensen is de burn-out de "Umwertung aller Werte".
    Wat gebeurt er immers wanneer al je schillen, je ambities, verlangens, emoties stuk voor stuk opbranden ? Juist, je komt dan tot je kern. Burn-out is dan niet meer een probleem, maar een kans om dichter bij je Zelf te komen. Het is het inzicht, dat je tot dusver vanuit je ik (ego) heb geleefd en simpelweg al je kruit verschoten hebt. Omdat je hardleers was, heeft het leven je een harde les geleerd. Door schade en schande - het besef te ver gegaan te zijn - wordt je nu op je Zelf teruggeworpen, dusdanig, dat je opeens beseft in je ware Thuis gekomen te zijn. Alleen het relatieve kan opbranden. Wanneer alles in de as ligt, dan blijft het Wezenlijke over : de glanzende parel van je Zelf. In plaats van je te beklagen dank je de kosmos voor zijn wijsheid. Je hebt je lesje voor eens en voor altijd geleerd.

    5.6 - Het milieu
    Dat je omgeving een (grote) rol speelt bij het tot stand komen van stress en burn-out is voor iedereen wel duidelijk.
    Het beeld van de druppel die de emmer doet overlopen past hier het beste bij. Wij postmoderne mensen leven in een soep van de meest verschillende ziektemakende factoren. Factoren die ieder afzonderlijk niet zo erg zouden zijn, maar die tegenwoordig een "cumulatief" effect vertonen. Koffie drinken is bijvoorbeeld voor de meesten een onschuldige gewoonte. Komen daar echter bijvoorbeeld weinig drinken, ongezonde voeding, te weinig beweging, overvloedige (avond)maaltijden, roken, stress, vergiftiging van binnenuit en buitenaf, amalgaamvergiftiging, eenzaamheid, werk- en tijdsdruk, lawaai, sick building syndrome, computerstress, stress door GSM gebruik (belasting van de hersenen !) enz. bij, dan kan zelfs een onschuldig kopje koffie (naast vele andere triggers) op een gegeven moment teveel zijn, ja zelfs een (ernstige) ziekte provoceren. Het toont tevens aan, dat onderzoek naar de schadelijkheid van die en die stof/factor een (opzettelijke) kunstfout is. Het is het samenstel aan een hele rij factoren dat veel mensen hedentendage de das omdoet Ė cfr. ook ďMulti Etiological Sumtotal Syndrome (MESS)Ē
    : http://worldhealthprogram.tripod.com/mess.htm .
    Bij het zoeken van de oplossing van stress speelt de natuur een grote rol. Stadsmensen die leven tussen steen en beton resoneren niet of onvoldoende met de aarde, waardoor o.a. de functie van de hypofyse achteruitgaat. Het 3G telefoonnet is binnenkort geinstalleerd. Naar eigen zeggen van het telefoonbedrijf, is de sterkte van dit net 10x dat van de GSM. Vele studies hebben aangetoond, dat dit een verband heeft met de huidige toename aan vermoeidheidsklachten. Daarbij komen dan de noodzakelijke factoren als frisse lucht, zintuigelijke prikkels van groen, de blauwe hemel, het weer, het contakt met de aarde, het water, de schoonheid van de natuur etc. Je regelmatig deel voelen van de natuurlijke samenhang (zo mogelijk stralingsarm) is een onontbeerlijke factor, zonder welke onze levensvreugde en energie niet optimaal zullen gedijen. Daarom is een natuurlijke omgeving een conditio sine que non voor de behandeling van stress en burn-out. Ons verblijf in ongerepte natuur, de vasten-meditatie wandelingen, de qigong oefeningen in de buitenlucht, het zwemmen in de rivier, het werken op het land, zij dragen allen bij tot het succes.


    6. - Begeleiding

    6.1 Ė Burn-out

    • persoonlijk spiritueel advies & begeleiding

    • wekelijkse bijeenkomsten met inleiding, meditatie en vraag & antwoord.

    • dagelijks "hemel en aarde oefeningen" (qigong) in Beatrixpark

    • retreats "De Integrale Weg"

    Alle onderdelen op afspraak : steeds opnieuw telefonisch reserveren : 020-6624037

    6.2 Ė Retreats ďDe integrale wegĒ
    (Transformatorium)
    Om de huidige stress- en burn-out problemen succesvol te behandelen is verandering van omgeving welhaast een must. Belangrijke oorzaken zijn immers gelegen in de huis-, leefstijl-, omgevings- en werksituatie. Vooral het verblijf in een ander land (bergen), klimaat en culturele omgeving doet wonderen. Het Transformatorium is een uniek initiatief ter opvang, begeleiding en herstel van mensen met burn-out. Daarbij wordt uitgegaan van het gegeven, dat burn-out de gehele mens omvat : spiritueel, emotioneel, relationeel en lichamelijk. Wanneer men tot op de grond is opgebrand, helpen slechts die benaderingswijzen, die alle Ąlagen" successievelijk weer weten op te bouwen. Doel is "re-integratie" in "Hemel, aarde en de (nieuwe) gemeenschap". Sinds 1972 zijn wij met deze aanpak zeer vertrouwd. Om praktische redenenen begeleiden wij alleen diegenen die gezond zijn, zij die niet onder psychologisch/ psychiatrische hulp vallen cq geen drugs of psychofarmaca gebruiken. De verbeterings- cq herstelverwachting is (zeer) hoog. Naast burn-out behandelen wij tevens een aantal nevenindicaties.

    6.3 Ė Indicaties/nevenindicaties
    Stress/burn-out - ExistentiŽle cq zingevingscrises - Psychologische, relatie- en werkproblemen - "Nieuwe risico's als ME, RSI, EMF - Bloedrisicofactoren (o.a. verhoogd cholesterol) - Milde essentiŽle hypertensie Ė Overgewicht - Het Transformatorium staat open voor gemotiveerde mensen, degenen die heil zien in een integrale aanpak (NB. Het Transformatorium is geen kliniek en behandelt daarom geen patienten anders dan bovengenoemd).

    6.4 Ė Programma gebaseerd op de Integrale Weg
    Een programma met nadruk op spiritualiteit c.q. heelwording op het diepste niveau Ė Ontwaken - Persoonlijke integratie - Herstel van de eenheid met "hemel en aarde" dmv de hemel & aarde oefeningen (tiendi qigong) - Doorbraak van het Licht (Zen) - Reiniging/loutering (Chinese guasha-therapie) - Toevlucht zoeken in het Uiteindelijke - Delen, dienstbaarheid c.q. Mededogen Ė Levenscoaching/zingevingsgesprekken - Nazorg thuis.
    Het Transformatorium is een onderdeel van ons spirituele programma. Als plaats kiezen wij bewust een huis met een kloosterlijke sfeer met een overeenkomstige dagindeling. Hier zal het herstel optimaal zijn. Het onderkomen wordt bewust simpel gehouden, het kan ook "uitbesteed worden" aan bijvoorbeeld boerenpensions in de directe omgeving.

    6.5 Ė Duur van de kuur
    Gemiddelde duur van de Retreat is tien dagen tot twee weken. Meer informatie cq boekingen svp via onze vertegenwoordiger in Nederland of direct in het land van voorkeur. Deelname is het gehele jaar mogelijk. Indien gewenst is er ook nazorg thuis. Deze bestaat uit ons Optimaal Vitaalģ (individueel) leefstijladvies Ė cfr. ď
    Vitalworld Ė The Gate to a New Health CareĒ : http://www.vitalworld.org/ - stap2) en bijbehorend werkboek "Flow System Therapy" Ė cfr. :
    http://worldhealthprogram.tripod.com/fst-0.htm -.

    6.6 Ė Kosten
    Ons werk is gebaseerd op not-for-profit basis. Dit betekent, dat het honorarium ons levenswerk "Transformatie van Mens & Samenleving" Ė cfr. :
    http://thegreatlearning.tripod.com/index-4nl.htm - ten goede komt. Veelal zijn de kosten van reis, kuur en verblijf gescheiden. De eerste verrekent U met Uw reisbureau, de tweede met ons en de derde met Uw gastheer/-vrouw. Ons honorarium valt uiteen in twee gedeelten: die van de basisbehandeling en dat wat er extra bijkomt. De meeste bovengenoemde programma-onderdelen zijn inclusief. Wat exclusief is, is bijvoorbeeld een ooracupunctuurbehandeling of de aanschaf van supplementen. Informatie wordt U op verzoek toegestuurd. Annulaties binnen 1 maand resp. 2 weken voor aanvang worden in rekening gebracht (25% resp. 100%).

    6.7 Ė Begeleiding
    Drs MeiMei Yu : therapeute traditionele chinese geneeskunde : dagelijkse kuurbegeleiding, regeneratietherapie, RSI behandelingen, leefstijladvies.
    Han Marie Stiekema : spirituele leraar, psychotherapeut, arts: geestelijke begeleiding, meditatie, emotionele zelf-integratie, supervisie.
    Medewerkers : voor dieet, massage, fitness, oefeningen, wandelingen.
    NB. In Amsterdam : Persoonlijke consultaties - Spiritueel advies cq geestelijke raad + Zingevingsgesprekken + Levenscoaching + Zijnstherapie + ExistentiŽle- c.q. bestaansproblemen + Identiteitscrises + Stress- en burnoutproblemen + Religieuze kernvragen + Zelfrealisatie + Begeleiding spirituele weg + Persoonlijke integratie + Innerlijke vernieuwing c.q. regeneratie + Ontwikkeling van creatieve vermogens.

    .../...


    Cfr. : http://the-great-learning.com/initiationtherapy/1-stress.htm#INLEIDING

    25-02-2006 om 10:16 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Klankschalentherapie (Anneke Huyser et al.)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen





















    Klankschalentherapie


    I. - Klankschalen en hun therapeutische werking

    - Ontspanning Ė klankmassage Ė chakrameditatie -


    Anneke Huyser - ISBN 90-74597-37-8
     
    Klankschalen kunnen ingrijpende veranderingen teweegbrengen in lichaam, ziel en geest van de mens. Hun trillingen worden niet alleen met het oor opgevangen, maar met het gehele lichaam, met alle cellen. Klankschaalmusici en -therapeuten passen steeds meer de geluidsvibraties van de zingende schalen uit de Himalaya toe om mensen met zichzelf in harmonie te helpen brengen. In dit boek worden de belangrijkste praktische kanten van de helende en transformerende energieŽn van klankschalen besproken :
    • de kracht van de klank

    • de veelzijdige archaosche oersymboliek van de schalen, waarbij de eenheid van mannelijke en vrouwelijke energieŽn een grote rol speelt

    • de metalen waaruit de klankschalen zijn samensgesteld

    • de connectie tussen de metalen en de zeven heilige planeten

    • planeettonen, kleuren, chakra's en hun kenmerken

    • de praktische toepassingen van klankschalen

    • klankmassages en klankschaaltherapie.

    Door middel van een aantal oefeningen wordt de lezer(es) uitgenodigd tot het ervaren van klanken, tonen, trillingen, kleuren en innerlijke belevingen. Anneke Huyser heeft in dit boek een aantal toepassingsgebieden omtrent de transformerende en genezende krachten van klankschalen geÔnventariseerd, waarbij zij een aanzet hoopt te geven tot verdere experimenten en onderzoekingen.

    Recensie Ė O. Eybers, Biblion recensie : ďHet boek bevat een voorwoord van Hans de Back, klankschaalmusicus, leraar en therapeut. In de inleiding vertelt de auteur wat je van het boek mag verwachten, om je vervolgens in 6 hoofdstukken vertrouwd te maken met klankschalen. Alle hoofdstukken zijn doorspekt met oefeningen die je met gebruik van klankschalen kunt doen. Geluid is trilling, klank en energie, waardoor er een transformerende werking op onze cellen plaatsvindt en alle facetten van ons zijn aangeraakt worden. Van oudsher worden ze met de hand gemaakt en bezitten daardoor spirit, in tegenstelling tot fabrieksmatige gemaakte klankschalen. Er zijn vele soorten legeringen voor klankschalen, maar de interessantste is die van de zeven heilige metalen. Elk metaal heeft een connectie met een planeet, en zo vallen astrologie, homeopathie en natuurwetenschappen met elkaar samen in het gebruik van klankschalen. De functies zijn velerlei, van keukengerei tot geheime ceremonies. Sinds 25 jaar heeft de klankschaal in het Westen een hoge vlucht genomen en wordt er nu ook therapeutisch mee gewerkt. De auteur beschrijft de relatie van klankschalen met chakra's en stenen. Het boek eindigt met een literatuuroverzicht en een lijst van cd's. Zowel voor beginners als gevorderden bruikbaar.Ē

    Cfr. :
    http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_AffiliateMap-Start?LinkType=Product&Section=BOOK&referrer=bfaqIpSQ6MRUwf@AnMlpKUp41100708&PrdId=666849800
     

    II. - Klankschalen, tingsha's, dorje en bel

    Eva Rudy Jansen
    Binkey Kok Publications, 2001 - ISBN: 9080059471


    Met de stroom vluchtelingen, die Tibet sinds de inval van de Chinezen hebben verlaten, is ook een bescheiden stroom van tot dan toe vrijwel onbekende fenomenen in onze richting op gang gekomen.
    De Himalayaklankschalen, ook wel Tibetaanse of Nepalese klankschalen genoemd, zijn zo'n fenomeen. Steeds meer 'westerlingen' raken gefascineerd door de zingende klank van deze metalen kommen. Door concerten of z.g. klankmassages te ondergaan of zelf te experimenteren, beginnen ze allerlei mogelijkheden en aspecten van die bijzondere klanken te ontdekken. Toch blijven de schalen op zich een raadsel. Over hun herkomst en hun uiteindelijke funktie doen allerlei verhalen de ronde; vraagt men het aan de bewoners van de Himalaya zelf dan hullen ze zich meestal in een glimlachend zwijgen.
    Dit boek pretendeert dan ook niet een absoluut antwoord op alle vragen te geven. Het is wel een oprechte poging om enkele achtergronden van het mysterie wat te verduidelijken en het hoopt de lezer te inspireren tot zelfonderzoek van het verschijnsel. Het geeft praktische informatie over manieren van bespelen en gebruiken en over hoe een schaal voor zichzelf uit te zoeken.
    Voor de samenstelling van deze bescheiden wegwijzer 'Klankschalen' heeft de schrijfster mogen putten uit de kennis en ervaring van die paar mensen in Nederland en BelgiŽ die zich al ver voordat het verschijnsel meer algemene bekendheid kreeg, zijn gaan verdiepen in de werking van de klank en het werken met klankschalen. Alleen al daardoor is het, in al zijn beperktheid, een unieke bundeling van tot nu toe fragmentarische en versnipperde informatie.
    Een extra deel is gewijd aan twee instrumenten, die in het westen vaak in combinatie met klankschalen worden gezien en gebruikt: tingsha's (twee schelletjes aan een koord) en bel. De laatste samen met de dorje (rituele bliksemschicht) waarmee ze onlosmakelijk is verbonden.

    Cfr. :
    http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_AffiliateMap-Start?LinkType=Product&Section=BOOK&referrer=bfaqIp6Q6MSTyuxAnMlpHTH41100708&PrdId=666784207


    III. - Muziektherapie met klankschalen

    Christina de Kaste
    Uitgeverij Ankh-Hermes, 2000 - ISBN: 9020243551


    Recencie Ė Monqiue Smit, Biblion recensie : ďDit boek behandelt de filosofie en het praktisch gebruik van klankschalen. De schrijfster is uitvoerend musicus en muziektherapeute. Zij heeft jarenlang onderzoek gedaan naar het effect van klankschalen. Deze kunnen ons helpen om in balans met onszelf en met onze omgeving te leven. De fysieke nabijheid van de trillende schaal heeft een krachtige uitwerking op lichaam, geest en ziel. Zingende schalen zijn als het ware een spiegelbeeld van de alles omvattende oerklank en kunnen het voertuig zijn van de intuÔtie naar een spirituele dimensie. De werking van klanken is niet vergelijkbaar met een allopatisch medicijn. Het eerste deel van het boek gaat over de kennismaking met de klankschaal en alles wat daarbij komt kijken. We leren hoe we ons kunnen ontspannen en hoe de zingende schalen lichamelijke, meditatieve en emotionele ervaringen veroorzaken. Het tweede deel gaat over muziektherapie. Er worden ervaringen beschreven van mensen tijdens klankschaalmeditaties. Door de zingende schalen krijgen we toegang tot een hoger bewustzijnsniveau. Smal boek met een fraai paars omslag met een foto van een klankschaal met daaromheen cirkels die zijn trillingen verbeelden; met kleine verduidelijkende, maar matige zwart-witfoto's.Ē


    Cfr. : http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_AffiliateMap-Start?LinkType=Product&Section=BOOK&referrer=bfaqIqiQ6MSaxi0AnMlpN8941100708&PrdId=666852308 

    25-02-2006 om 10:08 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronische Vermoeidheid (Liberty Healthcare)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

        
    Chronische Vermoeidheid

         Liberty Healthcare


         Na een zware geestelijke of lichamelijke inspanning voelt iedereen zich uitgeput. Meestal verdwijnt die vermoeidheid na een periode van veel rust en slaap. In zo`n geval is vermoeidheid van tijdelijke aard, maar er zijn duizenden mensen die zich jaar in jaar uit zo moe voelen, dat er van een `normaal dagelijks bestaan` nauwelijks sprake is. Zij hebben te maken met chronische vermoeidheid of ME, de afkorting voor de medische term Myalgische Encephalomyelitis. Het heeft een poosje moeten duren voordat de medische wereld de klacht chronische vermoeidheid serieus wilde nemen. Lange tijd werd het beschouwd als aandachttrekkerij en in Amerika werd het zelfs afgedaan als een manier van jonge, hardwerkende zakenlieden om even aan de dagelijkse werkdruk te ontsnappen. Van laatdunkende omschrijvingen als `Yuppie-flu (yuppengriep)` en `huisvrouwenkwaal` is chronische vermoeidheid uiteindelijk terecht gekomen op de lijst van zenuwziekten, opgesteld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Hiermee werd het als ziekte erkend.

    Alle leeftijdsgroepen
    Chronische vermoeidheid is een fenomeen waar alleen in ons land al zo'n 30.000 mensen mee te kampen hebben. Het laat zich niet binden aan leeftijd of een manier van leven. In feite kunnen mensen uit alle leeftijdsgroepen (dus ook zeer jonge kinderen en oude mensen) en uit alle sociale groepen, last krijgen van chronische vermoeidheid. Over het algemeen schijnen er meer vrouwen dan mannen last van te hebben.

    Klachten
    De term Myalgische Encephalomyelitis (ME) geeft twee belangrijke soorten klachten aan. Myalgisch staat voor spieren, terwijl Enchephalomyelitis duidt op symptomen die te maken hebben met de hersenen. Naast zware vermoeidheid zijn veelvoorkomende klachten namelijk ernstige spierpijn, krampen, vermoeide spieren, hoofdpijn, duizeligheid en concentratiestoornissen. Men spreekt van het chronische vermoeidheidssyndroom als deze klachten zich minstens zes maanden onverminderd voordoen. Over de oorzaak van chronische vermoeidheid is helaas nog weinig bekend. Vaak openbaart het zich na een doodgewone virusinfectie als griep, waterpokken of zelfs een onschuldige verkoudheid. In sommige gevallen gaat er geen duidelijke virusinfectie aan vooraf en ontwikkelt de ziekte zich geleidelijk aan over een periode van maanden of zelfs jaren. Vooral bij oudere mensen schijnt het chronische vermoeidheidssyndroom op deze wijze te ontstaan.

    Onderzoek
    Het chronische vermoeidheidssyndroom kan niet via laboratoriumonderzoek worden vastgesteld. Daarvoor zijn er te weinig constante bevindingen, terwijl ook over de samenhang van de symptomen onduidelijkheid bestaat. Het is zelfs zo dat medische wetenschappers niet weten of er wel ťťn oorzaak is. Chronische vermoeidheid zou namelijk ook een eindtoestand met verschillende oorzaken kunnen zijn.

    Behandeling
    Volgens medici moet de behandeling niet gekoppeld worden aan tijd of de mate van vermoeidheid. Het moet vooral gericht zijn op het steun geven aan de patiŽnt. Reguliere medicijnen worden hierbij niet aanbevolen. Vooral antibiotica kunnen een ernstige terugval veroorzaken. Geadviseerd wordt om goed op leef- en eetgewoonten te letten. Zorg voor voldoende ontspanning, een regelmatige dagindeling en vooral gezonde voeding. Extra vitaminen (met name de B-vitaminen) en mineralen zorgen hierbij voor de juiste ondersteuning.


    Cfr. : http://www.liberty.nl/index.php?cms[categoryID]=350
    Cfr. ook :

    25-02-2006 om 09:46 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 5/5 - (3 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vrouwen en arbeidsongeschiktheid - De 14 meest gestelde vragen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen  

        Vrouwen en arbeidsongeschiktheid
        De 14 meest gestelde vragen

        B. Cuelenaere
        Stichting FNV Pers, Amsterdam, maart 2003
        Extra info : FNV-Servicelijn 0900 3300300 :
    sznet@siswo.uva.nl


        Werkende vrouwen hebben een grotere kans dan werkende mannen om arbeidsongeschikt te raken en in de WAO te komen. Verschillende factoren in het werk, in de begeleiding en in het privť-leven van vrouwen kunnen daarbij een rol spelen. Het FNV Vrouwensecretariaat heeft AStri gevraagd een brochure te schrijven voor vrouwen die langdurig ziek of arbeidsongeschikt zijn. Op basis van eerder onderzoek is er bij AStri veel kennis over de problemen en de vragen waar vrouwen tegen aanlopen.


    Voor vrouwen is de kans om arbeidsongeschikt te raken groter dan voor mannen. Als u als vrouw hiermee te maken krijgt, is het goed te weten waarop u moet letten, wat u zelf kunt doen en waar u hulp kunt krijgen.

    Misschien bent u al een tijdje niet aan het werk omdat u ziek bent of heeft u een arbeids-ongeschiktheidsuitkering (WAO) Dan is het goed te weten waarop u moet letten, wat u zelf kunt doen en waar u hulp kunt krijgen. In deze brochure beantwoorden we de meest gestelde vragen over vrouwen en arbeidsongeschiktheid.


    1. - Ik ben nu een tijd ziek. Mijn baas wil graag dat ik terugkom, maar vraagt zich af of het niet beter is als ik minder uren ga werken. Wat zijn de financiele consequenties voor mij als ik minder ga werken ?

    Als u nog niet voldoende hersteld bent om weer volledig te gaan werken, is het niet aan te raden om vrijwillig minder uren te gaan werken en uw contract (arbeids-overeenkomst) daarop aan te passen. Een contract voor minder uren betekent immers minder salaris en ook een lagere uitkering wanneer u onverhoopt weer (volledig) ziek wordt. U moet hier alert op zijn.
    Laat u vooral niet aanpraten dat u het werk beter aankunt als u minder uren gaat werken. Neem de tijd om te herstellen voordat u besluit om eventueel minder te gaan werken. De reden om minder te willen werken, moet een andere zijn dan uw ziekte. Het kan verstandig zijn om na een periode van volledige afwezigheid wegens ziekte weer stap voor stap te beginnen en niet meteen volledig aan het werk te gaan. Zelfs als u nog niet helemaal bent hersteld, kunt u wellicht al een deel van uw uren gaan werken. Soms heeft dit zelfs een positief effect op het herstel. Deze manier van weer gaan werken, wordt 'therapeutische werkhervatting' genoemd. Op papier blijft u ziek, terwijl u in de praktijk weer gedeeltelijk of geheel (maar dan met een ander pakket) aan het werk bent.


    2. - Ik heb een oproep gekregen van een verzekeringsarts bij het UWV voor een keuring. Wat mag de verzekeringsarts eigenlijk vragen en mag hij ook naar mijn prive-situatie informeren ?

    Voor de beoordeling van uw arbeidsgeschiktheid mag de verzekeringsarts nagaan welke dagelijkse activiteiten u kunt verrichten. Dus voor zover het nodig is om uw geschiktheid voor werk te beoordelen, mag de verzekeringsarts inderdaad naar uw prive-situatie vragen. De arts mag daarbij niet uitgebreid doorvragen naar de zorg voor kinderen en wat uw partner wel of niet in huis doet. Bij het beantwoorden van de vragen over wat u dagelijks zoal doet, is het belangrijk om aan te geven hoe het dan met u gaat. Oftewel, hoeveel energie het u kost om een bepaalde activiteit te doen.
    Een goede stelregel is : "Als u zegt wat u kunt, zeg dan ook wat het u kost."
    Het is bijvoorbeeld een groot verschil of u meteen na het doen van de boodschappen nog in staat bent een aantal andere klussen te doen of eerst een uur moet uitrusten.


    3. - Ik zit al langere tijd in de WAO en ik kan mijn eigen werk niet meer doen. Maar ik vind het erg moeilijk om te bepalen wat ik nog wel kan. Wie kan daarbij helpen ?

    Om te beginnen kunt u de arbeidsdeskundige met wie u bij het UWV contact hebt, vragen om een gesprek over mogelijkheden voor ondersteuning. U kunt dan worden doorverwezen naar een re=integratiebedrijf. Vaak zal het reintegratiebedrijf goed kunnen helpen bij het zoeken naar de mogelijkhedendie u met uw gezondheidsbeperkingen nog hebt. Een reintegratie-bedrijf kan bijvoorbeeld een orientatiecursus aanbieden. Meestal krijgt u eerst een intakegesprek waarin uw sterke en zwakke punten worden geanalyseerd en waarin de mogelijkheden op een rij worden gezet. U kunt ook zelf op zoek gaan naar clubs die zouden kunnen helpen bij de vraag wat u dan wel zou kunnen doen. Er zijn diverse organisaties die een aanbod op dit terrein hebben. Denk hierbij aan orientatiecursussen. Informeer bij uw vakbond of een WAO-belangenorganisatie bij u in de buurt wat de mogelijkheden zijn.
    Het is belangrijk om in de gaten te houden dat u recht heeft op begeleiding en ondersteuning. Als u gedeeltelijk arbeidsongeschikt bent verklaard, krijgt u automatisch een doorverwijzing naar een reintegratiebedrijf.
    U hebt ook recht op zo'n doorverwijzing als u volledig arbeidsongeschikt bent.
    U moet dus zelf duidelijk aangeven dat u ondersteuning wilt hebben.


    4. - Wat moet ik doen als ik na mijn zwangerschaps-en bevallingsverlof nog niet (geheel) kan gaan werken ?

    Als u na uw verlof nog niet zover hersteld bent dat u weer kunt werken, meldt u zich ziek bij uw werkgever. U hebt dan nog steeds recht op een uitkering van 100 procent van uw loon via de Ziektewet. Vanaf de dag na uw officiele bevallingsverlof begint de ' wachttijd' voor de WAO te tellen. De verlofperiode telt dus niet mee. Om voor de WAO in aanmerking te komen, moet u dus na het verlof nog een jaar niet in staat zijn om te werken. Uw werkgever geeft uw ziekmelding door aan de Arbo-dienst. De bedrijfsarts kan u oproepen voor verzuim-begeleiding. Maar het is gebleken dat vrouwen die aansluitend aan hun verlof arbeidsongeschikt blijven, niet altijd opgeroepen en begeleid worden. Het is dan ook van belang dat u zelf aan de bel trekt wanneer u niet door de Arbo-dienst wordt opgeroepen. Ook als u zich weer in staat voelt om te werken, al is het maar gedeeltelijk, zult u meestal zelf het initiatief moeten nemen.
    Houdt daarom gedurende de ziekteperiode contact met uw werk en uw werkgever. Vanuit het goedbedoelde idee om deze groep 'met rust te laten', krijgen vrouwen die na hun bevallingsverlof arbeidsongeschikt blijven, soms heel weinig ondersteuning. U hebt recht op begeleiding en ondersteuning, dus let er zelf op dat u dat ook krijgt !


    5. - De WAO vind ik geen aantrekkelijk perspectief. Mijn man verdient genoeg, heeft het voor mij dan wel zin om een WAO-uitkering aan te vragen ?

    Als u er recht op hebt, is er geen reden om van een WAO-uitkering af te zien. Een WAO-uitkering is een individuele uitkering die gebaseerd is op uw eigen salaris. Uw werkgever hebt WAO-premie voor u betaald en dus hebt u errecht op. De hoogte van uw WAO-uitkering is niet afhankelijk van de inkomsten van uw partner. Een WAO-uitkering betekent voor u een financiele basis. De WAO brengt wel verplichtingen met zich mee, zoals het geven van informatie over veranderingen in uw gezondheid. Maar u hebt ook rechten. Het belangrijkste is het recht op een uitkering. Daarnaast hebt u ook recht op begeleiding bij het vinden van werk. De arbeids-ongeschiktheid kan in de loop van de tijd natuurlijk afnemen. Dan is het heel prettig als u alsnog begeleiding naar scholing of werk kunt krijgen.


    6. - Ik heb een Hbo-opleiding en ik ben langdurig ziek. Kan ik straks na de WAO-keuring verplicht worden om werk onder mijn niveau aan te nemen ?

    Hoewel vrouwen met een middelbare of lagere opleiding meer kans hebben om in de WAO terecht te komen, komen in vergelijking met mannen toch ook veel vrouwen met een hogere opleiding in de WAO. Voor de bepaling van het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt gezocht naar functies die u in theorie nog zou kunnen uitvoeren. Die functies worden in een computerprogramma opgezocht, op basis van de gegevens over uw belastbaarheid en het salarisniveau van uw huidige baan. De functies mogen geen hogere opleiding vereisen dan de opleiding die u hebt, maar wel een lagere. De lijst van functies krijgt u van de arbeidsdeskundige. Vaak denken mensen dat ze ook op deze functies moeten solliciteren. Dat is niet waar. De lijst is alleen bedoeld om na te gaan welk loon u in theorie nog zou kunnen verdienen in de genoemde functies. Wanneer u volledig arbeidsongeschikt verklaard wordt, hebt u geen sollicitatieverplichting.
    Wordt u gedeeltelijk arbeidsongeschikt, dan hebt u recht op een deel WAO en een deel WW-uitkering.
    Voor de uren dat u WW ontvangt, hebt u sollicitatieplicht en moet u solliciteren naar 'passend werk'. In de eerste zes maanden wordt met passend werk een baan bedoeld die ook bij uw niveau past. Hoe langer u (gedeeltelijk ) werkloos bent, hoe ruimer het begrip 'passend werk' wordt ingevuld. De kans dat u ook op banen onder uw opleidingsniveau moet solliciteren, wordt dan steeds groter. Maar ook hier geldt weer : u hebt recht op begeleiding naar passend werk.
    Neem daarvoor initiatief en zorg dat u krijgt waar u recht op hebt.


    7. - Ik ben nu ruim een half jaar ziek. In het begin liet mijn leidinggevende nog wel eens wat van zich horen, maar nu belt ze nooit meer. Zelf durf ik niet meer zo goed te bellen. Wat zou mijn werkgever eigenlijk moeten doen ?

    Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte, moet de werkgever de werknemer begeleiden en onderzoeken of (gedeeltelijke) werkhervatting mogelijk is. Daarbij moet de werkgever zich laten bijstaan door een Arbo-dienst. Dit betekent in de meeste gevallen dat de zieke werknemer met enige regelmaat contact hebt met de bedrijfsarts van de Arbo-dienst. Maar het betekent niet dat de Arbo-dienst al het werk van de werkgever overneemt. De werkgever moet zelf ook contact onderhouden met de werknemer. Het is gebleken dat de kans op terugkeer naar het werk groter is wanneer de werkgever en de werknemer gedurende het verzuim contact houden. Als uw werkgever niet meer belt, kunt u natuurlijk zelf het initiatief nemen en contact opnemen. U kunt ook de bedrijfsarts vragen om bij de werkgever aan te kaarten dat u contact met de werkgever erg op prijs stelt. Overigens gelden vanaf 1 april 2002 meer specifieke regels waaraan werkgever en werknemer moeten voldoen in het kader van de wet Verbetering Poortwachter (zie vraag 9).


    8. - Ik heb een WAO-uitkering en wil graag weer gaan werken, maar ik weet natuurlijk niet of ik het volhoud. Hoe kan ik voorkomen dat ik het risico loop om er financieel op achteruit te gaan als ik ga werken ?

    Wanneer een WAO'er na een periode van arbeidsongeschiktheid weer aan het werk gaat, zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat uw salaris gelijk is aan uw uitkering of hoger is. Dan gaat u er bij de overgang van WAO naar werk financieel niet op achteruit. Als het niet zeker is of u het werk volhoudt met uw bestaande klachten en beperkingen, kunt via het UWV regelen dat u zo nodig kunt terugvallen op uw oude uitkering.
    U moet dan via de arbeidsdeskundige regelen dat uw WAO-uitkering op papier blijft bestaan, maar niet wordt uitgekeerd omdat u voldoende inkomen hebt. U doet dan een beroep op artikel 44 van de WAO. Dit kan maximaal voor een periode van 4 jaar gelden. Als u het werk door dezelfde klachten en beperkingen toch niet volhoudt, kunt u terugvallen op uw oude WAO-uitkering.
    Tegelijkertijd bouwt u in uw nieuwe baan nieuwe rechten op. Als u dan met andere, nieuwe klachten uitvalt, kunt een beroep doen op uw nieuwe WAO-rechten. De tweede mogelijkheid is dat uw salaris lager is dan uw WAO-uitkering. In dat geval kunt u bij het UWV een verzoek indienen om 'loonsuppletie'. Dit is een aanvulling op uw inkomen die maximaal drie jaar wordt uitgekeerd. Als u weer aan de slag gaat, hebt u in het algemeen meer kans om er financieel op vooruit te gaan, dan om erop achteruit te gaan.
    Zelfs als het verschil tussen salaris en uitkering niet zo groot is, moet u bedenken dat u met een salaris ook weer meedeelt in salarisverhogingen en extra's zoals een eindejaarsuitkering of een bonus.


    9. - Wat moet ik zelf doen als ik langdurig ziek ben en welke gegevens moet ik zelf bijhouden ? En moet ik meewerken aan ieder voorstel van mijn werkgever om weer aan het werk te gaan ?

    Op 1 april 2002 is de Wet Verbetering Poortwachter in werking getreden. Onder deze wet krijgen werkgever en werknemer een actievere rol en een grotere eigen verantwoordelijkheid in het reintegratieproces. De werkgever moet bij de WAO-aanvraag kunnen aantonen dat hij zich voldoende hebt ingespannen voor werkhervatting. Dit betekent dat de werkgever ook kan wijzen op nalatigheid van de werknemer als reden waarom werkhervatting niet is gelukt. Na acht weken verzuim moet een plan van aanpak worden gemaakt. In dit plan staan de afspraken tussen u als werknemer en uw leidinggevende over de voortgang van de reintegratie. Voor uzelf is het belangrijk om vanaf het begin van uw verzuim goede aantekeningen te maken. Maak notities van de gesprekken die u met de bedrijfsarts en de leidinggevende voert en van de afspraken die u met hen maakt. De FNV hebt hiervoor een soort logboek ontwikkeld, waarin u alles wat er gebeurt makkelijk kunt bijhouden. Dit logboek heet : "Wie schrijft die blijft" en is te bestellen bij de afdeling FNV Publieksvoorlichting (0900-3 300 300, 0,10 cent p. m.).

    Wie schrijft die blijft
    Door de invoering van de Wet Poortwachter zijn er veel dingen veranderd in de regelgeving rond arbeidsongeschiktheid. Werknemers en werkgevers hebben allerlei verplichtingen gekregen die ervoor moeten zorgen dat de zieke werknemer weer zo snel mogelijk het werk kan oppakken. Veel meer verantwoordelijkheden dus voor beide partijen. Het boekje ĎWie schrijft die blijftí, uitgegeven door het FNV, vertelt welke rechten de zieke werknemer heeft en aan welke zaken hij of zij moet voldoen.
    Door gebruik van dit boekje is goed bij te houden wat er allemaal gebeurt in de ziekteperiode; een logboek voor de werknemer die langdurig ziek is of arbeidsongeschikt dreigt te worden. Natuurlijk moet je ook weten wat er in de wet geschreven staat over deze onderwerpen. "Wie schrijft die blijft" informeert dan ook over al je rechten en plichten en geeft praktische tips.
    Het boekje is het te bestellen bij de FNV Publieksservice via telefoonnummer: 0900 -3300300 (Ä 0,10 per minuut).
    Het boekje kost voor niet-leden Ä 3,40 en voor leden Ä 2,40.
    Cfr. :
    http://www.arbobondgenoten.nl/arbothem/verzuim/wieschrijft.pdf

    Nog meer dan voorheen wordt van werknemers gevraagd actief mee te werken aan hun reintegratie. Dat betekent dat u in principe moet meewerken aan voorstellen voor aangepast werk, ander werk, aangepaste uren et cetera, wanneer de Arbo-dienst hebt vastgesteld dat u dat kunt doen. Als u het hiermee niet eens bent, moet u dat aan de bedrijfsarts kenbaar maken. Wanneer de bedrijfsarts toch aandringt op gedeeltelijke hervatting, is het verstandig om tenminste uit te proberen wat u wel aankunt. Als medische redenen zich hiertegen verzetten, kunt u het beste de bedrijfsarts verzoeken en machtigen om bij uw behandelend arts de betreffende gegevens op te vragen. In het algemeen is het aan te raden om mee te werken aan pogingen tot werkhervatting om zo in de praktijk na te gaan wat wel en niet mogelijk is. Wanneer u nog onvoldoende hersteld bent voor dit aangepaste werk, moet u zich opnieuw volledig ziek melden. Het is belangrijk dat dit correct in het reintegratiedossier komt te staan. Controleer of dat ook is gebeurd.


    10. - Ik ben ziek geworden door een conflict op mijn werk. De Arbo-dienst zegt dat een conflict geen ziekte is. Loop ik nu kans mijn recht op WAO kwijt te raken ?

    Nee. Een arbeidsconflict op zich is geen ziekte, maar arbeidsconflicten kunnen leiden tot reele psychische en lichamelijke klachten. Deze klachten kunnen leiden tot arbeidsongeschiktheid en in dat geval hebt u recht op WAO. Het is wel zaak om te voorkomen dat een arbeids-conflict zulke vergaande gevolgen heeft. Wanneer u ziek bent vanwege een conflict, is het belangrijk met de bedrijfsarts te overleggen over mogelijkheden om het conflict op te lossen. Dit kan bijvoorbeeld door het inroepen van bemiddeling. Er zijn bedrijven die zich specialiseren in conflictbemiddeling. Als er geen zicht is op een bevredigende oplossing van het conflict, kunt u beter zo snel mogelijk op zoek gaan naar ander werk. Bij dit traject kunt u ondersteuning vragen bij de Arbo-dienst. Ook kunt u onderzoeken of u financiele ondersteuning van uw oude werkgever kunt krijgen. Uw oude werkgever hebt er immers ook (financieel) belang bij dat u elders aan het werk gaat.


    11. - Ik heb last van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ik heb gehoord dat die ziekte niet erkend is en dus niet verzekerd is voor de WAO. Klopt dat ?

    Nee, dat klopt niet. De WAO verzekert het inkomensverlies dat iemand heeft door (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. De WAO verzekert geen ziektes. Waar het om gaat, is dat u beperkingen ondervindt ten gevolge van ziekte of gebrek. Die beperkingen moeten worden vastgesteld door een arts. Wanneer beperkingen zijn vastgesteld, wordt vervolgens nagegaan of die beperkingen een inkomensverlies opleveren. Als dat zo is, dan kunt u (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt verklaard worden (note L. : zo eenvoudig is het niet...).


    12 - Ik ben nu iets meer dan een jaar ziek en heb een WAO-uitkering. Mijn werkgever laat weinig meer van zich horen maar volgens mij ben ik nog niet officieel ontslagen. Hoe zit dat ?

    Iemand die langdurig ziek en arbeidsongeschikt is, geniet minimaal twee jaar ontslagbescherming. Dat betekent dat de werkgever u pas twee jaar na de eerste ziektedag kan ontslaan op grond van het feit dat u ziek bent. Tot die tijd bent u dus in dienst bij uw werkgever. De werkgever betaalt uw salaris een jaar door. Aansluitend hebt u recht op een WAO-uitkering. In veel gevallen vult de werkgever deze uitkering nog aan. Heel belangrijk is, dat u de werkgever kunt aanspreken op mogelijkheden om werk te hervatten. Zolang u in dienst bent, is de werkgever verplicht passend werk voor u te zoeken.
    Overleg daarover met personeelszaken en maak gebruik van het feit dat u nog niet ontslagen bent, ook al hebt u een WAO-uitkering.


    13.- Ik heb jarenlang voor uitzendbureaus gewerkt en ben nu ziek geworden. Heb ik wel recht op WAO en bij wie kan ik terecht met vragen ?

    Werknemers met tijdelijke contracten, uitzendkrachten en flexwerkers zijn ook verzekerd voor de ziektewet en voor de WAO. Een zieke uitzendkracht heeft recht op een ziektewetuitkering van 70 procent van het laatste loon. Het UWV betaalt deze uitkering. Het UWV moet lang-durige zieke werknemers met tijdelijke contracten ook begeleiden in het eerste ziektejaar. In de praktijk komt vaak weinig van die begeleiding terecht. Trek aan de bel bij het UWV of neem contact op met uw vakbond om te zorgen dat mensen samen met u kijken welk werk u nog kunt doen en welke ondersteuning u daarbij nodig hebt.


    14. - Ik werk in deeltijd en ik heb aanpassingen op mijn werkplek nodig om mijn werk te kunnen blijven doen. Ik heb namelijk ernstige rugklachten. Mijn baas zegt dat het niet loont om voor een deeltijder voorzieningen aan te vragen. Klopt dat ?

    Of het loont, doet niet ter zake. Volgens de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) kan voor iedere arbeidsgehandicapte werknemer voorzieningen voor het werk worden aangevraagd. De hoogte van de vergoeding voor die voorzieningen is voor voltijders en deeltijders gelijk. Om in aanmerking te komen, moet de bedrijfsarts van de Arbo-dienst de werknemer arbeidsgehandicapt verklaren. Vervolgens moet de bedrijfsarts bij het UWV een vergoeding voor de voorziening aanvragen. Het enige verschil in REA-vergoedingen voor voltijders en deeltijders, is de premiekorting die de werkgever krijgt bij het in dienst nemen of houden van een arbeidsgehandicapte werknemer. Die korting is namelijk afhankelijk van hetsalaris van de werknemer.



    Nuttige adressen

    • FNV-Vakcentrale
      Postadres : Postbus 8456, 1005 AL Amsterdam / Bezoekadres : Naritaweg 10, 1043 BX Amsterdam - FNV-Servicelijn : 0900 - 3 300 300 (0,10 p. m.) - E-mail :
      publieksinfo@vc.fnv.nl Ė Website : www.fnv.nl

    • FNV Vrouwensecretariaat
      Postadres : Postbus 8456, 1005 AL Aídam - Tel. : 020- 581 65 02 / Fax : 020- 684 45 41 - E-mail :
      vrouwensecretariaat@vc.fnv.nl Ė Website : www.fnv.nl/vrouwen

    • Landelijk Overleg Vrouwen en Arbeidsongeschiktheid
      Postadres : Keetwaltje 1, 8921 EV Leeuwarden - Tel.: 058 - 212 81 29 Ė E-mail :
      landelijkoverlegvr@hetnet.nl

    • Platform Vrouwen en Arbeidsongeschiktheid / Secretariaat : Vrouwenalliantie
      Postadres : Janskerkhof 1, 3512 BK Utrecht Ė Tel. : 030 - 233 26 69 / Fax : 030 - 236 88 98 Ė E-mail :
      info@vrouwenalliantie.nl Ė Website : www.vrouwenalliantie.nl

    • Stichting WAHO - Belangenbehartiging voor jonge, hoger opgeleide vrouwen in de WAO
      E-mail :
      info@waho.nl Ė Website : www.waho.nl

    • Stichting GAOS
      Postadres : Swaalingestraat 31, 4374 BV Zoutelande, tel. 0118-566 031 - Website :
      www.stichtinggaos.nl


    Cfr. :
    http://home.fnv.nl/van-cms/docs/vrouwen/Brochure-WAO-en-Vrouwen.pdf

    25-02-2006 om 09:37 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom : literatuurstudie - Deel I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

       
    Moeheid 
        en het chronische vermoeidheidssyndroom
        Literatuurstudie

        Deel I


    NIVEL/ME-Overleg, 2 april 1997 - ISBN 90-6905-308-X
    Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL), Drieharingenstraat 6, 3511 BJ Utrecht (Postbus 1568, 3500 BN Utrecht) - Tel.: 030-2319946 Ė Fax : 030-2319290

    Het ME-Overleg bestond uit de onderstaande groepen/leden

    1. -
    Nederlands Huisartsen Genootschap - Dr. S. Thomas (2), Mw. R.J. Hinloopen (2)
    2. - Nijmeegse ME groep KUN Ė Prof. Dr. J.W.M. van der Meer (1), Dr. G. Bleijenberg (1), Dr. J.M.D. Galama (1), Prof. Dr. C. van Weel (1)
    3. -
    NIVEL Ė Prof. Dr. J.M. Bensing (voorzitter) (3), Dr. P.M. Rijken (3), Dr. J. Dekker (3), J. van der Velden (3).

    (1) - Katholieke Universiteit Nijmegen, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen
    (2) - Nederlands Huisartsen Genootschap. Postbus 3231, 3502 GE Utrecht
    (3) - NIVEL Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, Postbus 1568, 3500 BN Utrecht

    E-mail (Rijksuniversiteit Utrecht) :
    J.Bensing@fsw.ruu.nl

    Electronische versie
    : Marc Fluks, Daniel Jacobs en Sjaak Smeenk (voor het maken van de electronische versie van de rapporten is toestemming van het NIVEL verkregen. Verspreiding van deze tekst is toegestaan, mits de bron ervan vermeld wordt).

    Dankwoord
    : De auteurs danken mevrouw Drs. A.E. de Rijk voor de onderzoeksgegevens, die zij ter beschikking heeft gesteld voor dit rapport en voor haar deskundige commentaar en adviezen op een concept-versie van dit rapport. Wij zijn eveneens dank verschuldigd aan de (andere) deelnemers aan het overleg Prof.Dr. J.W.M. van der Meer, Dr. G. Bleijenberg, Dr. J.M.D. Galama, Prof.Dr. C. van Weel, Dr. S. Thomas en mevrouw R.J. Hinloopen, huisarts. Zij hebben waardevolle suggesties gedaan voor de te gebruiken literatuur. Tevens hebben zij een eerdere versie van dit rapport van commentaar voorzien.


    Inhoud

    1. - Inleiding

    2. - De klacht 'moeheid' in de huisartsenpraktijk
    2.1 - Wat is moeheid ?
    2.2 - Epidemiologische gegevens over moeheid
    2.3 - Hoe vaak wordt de huisarts met moeheid geconfronteerd ?
    2.4 - Kenmerken van patienten met de klacht moeheid

    3. - Hoe wordt door de huisarts omgegaan met de klacht 'moeheid' ?
    3.1 - Het stellen van een diagnose bij de klacht moeheid
    3.2 - Diagnostische en therapeutische interventies bij moeheid
    3.3 - Moeheid in de NHG-standaarden

    4. - Het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS)
    4.1 - Definiering van CVS
    4.2 - Epidemiologische gegevens over CVS
    4.3 - Hoe vaak words de huisarts met CVS geconfronteerd ?
    4.4 - Kenmerken van patienten met CVS
    4.5 - Pathogenese van CVS

    5. - Diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (pariŽnten met) CVS : de stand van zaken
    5.1 - Het stellen van de diagnose CVS
    5.2 - Therapeutische interventies bij CVS

    6. - Problematiek en hulpvraag van CVS-patiŽnten
    6.1 - Het verrichten van werkzaambeden
    6.2 - Sociale activiteiten en relaties
    6.3 - Behoefte aan sociale steun

    7 . - Samenvatting

    Literatuur


    1. - Inleiding

    1.1 Ė Achtergrond
    Patienten met myalgische encephalomyelitis (ME) voelen zich door artsen in een aantal gevallen onvoldoende serieus genomen. Zij geven aan vaak geconfronteerd te worden met artsen die zeggen de diagnose niet te kunnen stellen of zelfs zeggen dat de ziekte niet bestaat. Hierover heeft een aantal patienten brieven geschreven aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Als reactie hierop heeft de Minister aangedrongen op overleg tussen huisartsen en specialisten over de diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (patienten met) ME (noot : in het vervolg van deze tekst wordt de term 'chronische vermoeidheidssyndroom' (CVS) gebruikt in plaats van 'myalgische encephalomyelitis' (ME). De keuze voor de eerste term is gebaseerd op de (inter)nationale wetenschappelijke literatuur waarin men de voorkeur uitspreekt voor de term 'chronic fatigue syndrome' (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994). Overigens wordt dit in het Nederlands ook wel vertaald als 'chronische moeheidssyndroom' (CMS)). Het NIVEL is gevraagd om dit overleg te ondersteunen. Als voorbereiding op dit overleg is een literatuurstudie uitgevoerd, waarin de huidige stand van wetenschappelijke kennis over moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom en het huidige beleid van huisartsen inzake moeheidsklachten is nagegaan. In dit rapport worden de resultaten van de literatuurstudie beschreven. Deze tekst is als achtergronddocument bij het overleg gebruikt.


    1.2 - Probleemstelling en vraagstellingen
    Het feit dat men zichzelf als ME-patient beschouwt impliceert dat men de overtuiging heeft te lijden aan een ziekte veroorzaakt door somatische afwijkingen. Artsen en onderzoekers delen deze overtuiging niet (volledig), omdat hiervoor tot nu toe onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat. Zij spreken daarom liever van het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS).
    De diagnose CVS kan slechts worden gesteld indien het ziektebeeld van de patient voldoet aan de criteria die hiervoor door onderzoekers zijn opgesteld. Het feit dat voor de diagnose CVS geldt dat de moeheidsklachten tenminste zes maanden aanwezig moeten zijn en dat andere ziekten die de klachten zouden kunnen veroorzaken moeten worden uitgesloten brengt met zich mee dat het stellen van de diagnose veel tijd kost. Een bijkomend probleem is dat de door onderzoekers opgestelde criteria onvoldoende houvast bieden voor het diagnostisch proces in de klinische praktijk. Bovendien is sprake van een divers ziektebeeld bij patienten, waardoor veel patienten niet aan de (stringente) criteria voldoen.
    Sommige patienten vinden dat zij door hun (huis)arts in de steek worden gelaten, omdat hij/zij volgens hen de ziekte niet serieus neemt. Deze patienten zijn geneigd zich tot andere artsen te wenden om bij hen gehoor te winden voor hun problemen. De overtuiging dat er wel degelijk lichamelijk iets mis is en het gevoel niet serieus genomen te worden door de (huis)arts leiden ertoe dat patienten gaan 'shoppen' in het medisch circuit. Dit brengt onnodig hoge kosten voor de gezondheidszorg en herhaaldelijke teleurstellingen voor de patient met zich mee.
    De reguliere gezondheidszorg heeft de chronisch vermoeide patient weinig te bieden; er is nog geen effectieve behandeling voor CVS gevonden. Wel lijkt het mogelijk om verbetering bij de patient te bereiken door deze te leren beter met de ziekte om te gaan. Bij patienten kan weerstand bestaan tegen een dergelijke psychologische benadering, omdat men ervan overtuigd is 'lichamelijk' ziek te zijn. Uit onvrede met de reguliere gezondheidszorg komen deze patienten soms in het alternatieve circuit terecht.
    Op basis van de bovenstaande problematiek kan de volgende probleemstelling worden geformuleerd :

    Wat is het meest adequate beleid voor (huis)artsen inzake de diagnosestelling, behandeling en begeleiding van patienten met langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten, gegeven de huidige stand van wetenschappelijke kennis ?

    Om deze probleemstelling te kunnen beantwoorden wordt in deze tekst ingegaan op de huidige praktijk en wetenschappelijke kennis met betrekking tot moeheid en CVS. Deze informatie vormt het uitgangspunt voor het bepalen van het meest adequate beleid voor artsen inzake de diagnosestelling, behandeling en begeleiding van patienten met langdurige moeheidsklachten.
    Bij deze studie is van de volgende vraagstellingen uitgegaan :

    1. in welke mate komen patienten met moeheidsklachten voor in de huisartspraktijk en wat zijn de kenmerken van deze patienten ?

    2. welke diagnostische en therapeutische interventies worden door de huisarts toegepast bij patienten met moeheidsklachten en welke diagnoses worden gesteld ?
    3. welke aanknopingspunten bieden de standaarden opgesteld door het Nederlands Huisartsen Genootschap voor het omgaan met de klacht moeheid door de huisarts ?
    4. hoe wordt het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) gedefinieerd, wat zijn de kenmerken van patienten met CVS en in welke mate komt het voor ?

    5. welke diagnostische en therapeutische interventies kunnen bij CVS worden toegepast en wat is hiervan het resultaat ?

    6. welke problemen ervaren patienten met CVS en in welke mate doen zij een beroep op de zorgsector ?

    1.3 - Methode van onderzoek
    Ten behoeve van deze studie heeft een inventarisatie plaatsgevonden van Nederlandstalig en engelstalig onderzoek met betrekking tot moeheid en CVS. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Medline-bestand (tot februari 1996) en zijn enkele onderzoekers die zelf onderzoek op het terrein van moeheid en CVS verrichten geraadpleegd. Tevens zijn alle standaarden (tot februari 1996), die door het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) gepubliceerd zijn, bestudeerd. Geinventariseerd is of en op welke wijze de term moeheid/vermoeidheid in deze standaarden voorkomt. Tenslotte hebben de deelnemers aan het overleg aanvullingen op de gebruikte literatuur gegeven. Bovendien hebben zij de concept versie van deze tekst van commentaar voorzien.

    1.4 - Opbouw van de tekst
    Bij de opbouw van de tekst is uitgegaan van het gegeven dat veel patienten met moeheidsklachten bij de huisarts komen. Een relatief klein deel van deze groep patienten heeft symptomen die na verloop van tijd kunnen duiden op CVS. De huisarts wordt dus in eerste instantie geconfronteerd met moeheid en niet met CVS. In het eerste deel van de tekst wordt daarom ingegaan op de klacht moeheid; het tweede deel is specifiek gewijd aan CVS.
    In hoofdstuk 2 wordt het begrip moeheid omschreven en wordt beschreven hoe vaak en bij wie moeheid voorkomt.
    In hoofdstuk 3 wordt beschreven welke diagnostische en therapeutische interventies de huisarts uitvoert bij patienten met moeheidsklachten. Tevens wordt in dit hoofdstuk nagegaan wat in de NHG-standaarden over moeheid wordt vermeld.
    In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de definitie van CVS. Daarnaast worden enkele gegevens gepresenteerd over de prevalentie van CVS, kenmerken van patienten met CVS en over de pathogenese van CVS.
    In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke diagnostische en therapeutische interventies op dit moment worden toegepast, zowel door de huisarts als door andere hulpverleners.
    In hoofdstuk 6 wordt de problematiek vanuit het perspectief van de patient belicht.
    Tenslotte worden in hoofdstuk 7 de belangrijkste bevindingen samengevat.

    2. - De klacht 'moeheidĒ in de huisartspraktijk

    In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de klacht moeheid in de huisartspraktijk. Allereerst wordt beschreven wat moeheid is en in welke mate de huisarts geconfronteerd wordt met patienten met moeheidsklachten. Vervolgens worden enkele kenmerken van deze patienten beschreven. Hiervoor is met name gebruik gemaakt van gegevens uit de Nationale studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk (NIVEL) en van gegevens uit het Transitieproject (Vakgroep Huisartsgeneeskunde, UvA).
    In de Nationale studie zijn in 1987/88 door middel van een registratie gedurende vier perioden van drie maanden gegevens verzameld over alle patientcontacten van 161 huisartsen gevestigd in Nederland. De huisartsen vormden een 2,5%-steekproef van de Nederlandse huisartspopulatie. Daarnaast hebben 32 niet-gevestigde artsen (huisarts-assistenten, waarnemers en huisartsen-in-opleiding) eveneens hun contacten met patienten geregistreerd. In totaal zijn 387.250 contacten geregistreerd. Kenmerken van het consult, klachten van de patient, diagnose en interventies werden geregistreerd door middel van een standaard registratieformulier.
    Als aanvulling op de patientcontacten zijn bovendien interviews gehouden met 4681 mannen en 4698 vrouwen in de leeftijd van 15-64 jaar ingeschreven bij de deelnemende huisartspraktijken (Foets & Van der Velden, 1990).
    In het Transitieproject zijn vanaf 1985 de gegevens geregistreerd van alle patient-contacten gedurende tenminste een jaar van 38 huisartsen. In totaal zijn van ruim 120.000 contacten de gegevens beschikbaar. Daarbij gaat het telkens om drie aspecten van het consult: de contactreden van de patient, de diagnose en de interventies (Lamberts, 1994).

    2.1 - Wat is moeheid ?
    Moeheid is een algemeen bekend, maar moeilijk te definieren verschijnsel. Enerzijds kan het worden beschouwd als een normale fysiologische reactie op lichamelijke of geestelijke inspanning, anderzijds kan het worden beschouwd als een (omvangrijk) gezondheidsprobleem (Bensing & Schreurs, 1995). Vanuit een arbeidspsychologisch perspectief werd vermoeidheid traditioneel opgevat als een afname van prestatie als gevolg van aanhoudende lichamelijke of geestelijke activiteit. In meer recente benaderingen wordt moeheid eerder gezien als een uiting van een subjectief, door motivatie beinvloed oordeel over de eigen toestand (Meijman, 1991). De betekenis van moeheid kan sterk varieren; het kan een symptoom zijn van een onschuldige verkoudheid, maar het kan ook - al den niet een symptoom van een chronische ziekte - dusdanig invaliderend zijn dat het de kwaliteit van leven ernstig aantast.
    Er is nog geen sprake van een algemeen geaccepteerde definitie van moeheid. Wel bestaat overeenstemming over het multidimensionele karakter van de klacht, waarbij vaak een algemene beleving, lichamelijke sensaties en cognitieve verschijnselen kunnen worden onderscheiden (Smets, Garssen, Bonke et al., 1995).

    2.2 - Epidemiologische gegevens over moeheid
    Cijfers over de omvang van de klacht moeheid verschillen sterk afhankelijk van de wijze waarop moeheid gedefinieerd en gemeten is. Uit de overzichtsstudie van Lewis en Wessely (1992) blijkt dat prevalentiecijfers varieren van 7% tot 45% in de algemene bevolking. Voor Nederland zijn er gegevens bekend uit de Nationale studie. In interviews met 4681 mannen en 4698 vrouwen in de leeftijd van 15-64 jaar ingeschreven bij een huisartspraktijk deelnemend aan de Nationale studie geeft 24% van de mannen en 38% van de vrouwen aan de afgelopen twee weken last te hebben gehad van moeheid (Bensing & Schreurs, 1995). Moeheid is daarmee -samen met hoofdpijn- de meest gerapporteerde gezondheidsklacht in bevolkinsonderzoek (Foets & Sixma, 1991).

    2.3 - Hoe vaak wordt de huisarts met moeheid geconfronteerd ?
    Het grootste deel van de mensen die last hebben van moeheid gaat niet met deze 'klacht'naar de huisarts. De huisarts ziet slechts 'het topje van de ijsberg'. Niettemin is moeheid een veel voorkomende klacht in de huisartspraktijk.
    Patienten die hun huisarts consulteren, rapporteren meer en ernstiger moeheidsklachten dan respondenten in bevolkingsonderzoek (Ingham & Miller, 1979).
    Uit het Transitieproject blijkt dat jaarlijks 63 nieuwe episoden (noot : een episode is een ziekte of probleem vanaf de eerste presentatie aan de huisarts tot het moment dat de ziekte genezen is, het probleem is opgelost of geen geneeskundige hulp meer wordt gevraagd) 1 per 1000 patienten beginnen met de contactreden moeheid. Dit betekent dat 3% van alle episoden bij de huisarts begint met de contactreden moeheid. Daarnaast kan het gebeuren dat niet in het eerste contact, maar pas bij een vervolgcontact de contactreden moeheid is. Dit is in 29 episoden per 1000 patienten per jaar het geval. Daarmee is moeheid in 1% van alle vervolgcontacten de contactreden (Lamberts, 1994).
    In de Nationale studie werd in 1,2% van alle consulten (N=387.250) de klacht moeheid door de huisarts geregistreerd (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a). Dit percentage is mogelijk een onderschatting van het voorkomen van de klacht moeheid in de huisartspraktijk, omdat niet altijd de door de patient gepresenteerde klacht moeheid ook door de huisarts werd geregistreerd.
    Uit het registratiebestand van de Nationale studie is een selectie gemaakt van alle eerste consulten en visites, waarbij door de huisarts de klacht moeheid (ICPC-code 'algehele malaise'(A04)) werd geregistreerd. Het gaat om 3239 eerste consulten (noot : het betreft zowel eerste consulten in de huisartspraktijk, als eerste visites door de huisarts bij de patient thuis gebracht. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt in het vervolg van deze tekst over 'eerste consulten' gesproken) bij patienten van 18 jaar en ouder. Tabel 2.1 laat zien hoeveel vervolgconsulten met de klacht moeheid volgen op het eerste consult. De tabel laat zien dat slechts in een kwart (812) van de 3239 gevallen waarin moeheid als klacht in het eerste consult wordt gepresenteerd, een tweede consult volgt waarin wederom de klacht moeheid wordt geregistreerd. Dit betekent dat het in het overgrote deel van de gevallen bij een consult blijft (De Rijk, niet gepubliceerde gegevens).

    Tabel 2.1 - Aantal vervolgconsulten waarin moeheid opnieuw als klacht wordt gepresenteerd (N=3239)

                                   Aantal    % vh totale aantal
                                                       1e consulten

    1e consult                  3.239           100
    2e consult                     812             25
    3e consult                     307               9
    4e consult                     125               4
    5e consult                       56               2
    6e consult                       35               1
    7e consult                       19               1
    8 consult                         11               0
    9e consult                       10               0
    10e consult en verder      22               1

    Bron : De Rijk, niet gepubliceerde gegevens.

    2.4 - Kenmerken van patienten met de klacht moeheid
    In tabel 2.2 staan enkele sociaal-demografische kenmerken vermeld van patienten bij wie de ICPC-code 'algehele malaise' (A04) bij een eerste consult met de huisarts werd geregistreerd (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a). Deze gegevens worden vergeleken met die van de totale groep patienten met een eerste consult bij de huisarts.

    Tabel 2.2 - Sociaal-demografische kenmerken van patienten bij wie de klacht moeheid in een eerste consult door de huisarts is geregistreerd (N=3239) en van de totale groep patienten met een eerste consult (N=81.846)

    Vermoeide    Totale groep
                               
    patiŽnten

    Leeftijd (jaren)
        Gemiddelde                         44,1                43,5
        St. dev.                                19,8                18,5

    Geslacht
        Man                                    34,0                41,2
        Vrouw                                 66,0                58,8

    Burgerlijke staat
        Ongehuwd                           21,5                 20,2
        Gehuwd                               51,4                 55,3
        Gescheiden                            4,5                    3,6
        Weduwe/weduwnaar             8,7                    7,0
        Onbekend                            13,9                 13,9

    Opleiding
        (Nog) geen                             0,0                   1,1
        Lagere school                       22,4                 22,9
        Voortgezet en middelbaar 
            beroepsonderwijs             47,7                 48,6
        Hoger onderwijs                     8,8                   7,6
        Onbekend                            21,1                 19,9

    Werksituatie
        Student                                   4,6                   4,4
        Huisvrouw                            16,0                 16,9
        Baan                                     38,8                 38,1
        Werkloos                                2,2                   2,8
        Arbeidsongeschikt                   3,0                   3,5
        Gepensioneerd                      21,1                 18,2
        Onbekend                             14,3                 16,0

    Verzekeringsvorm
        Ziekenfonds                           65,5                 65,8
        Particulier                               25,9                 25,2
        Geen                                       0,2                   0,1
        Onbekend                               8,4                   8,9

    Bron : De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a.

    De gemiddelde leeftijd van de patienten met moeheidsklachten is 44 jaar; de standaarddeviatie van bijna 20 jaar geeft aan dat de leeftijdsspreiding vrij groot is. Opgemerkt moet worden dat het hier alleen patienten van 18 jaar en ouder betreft; moeheid kan echter ook bij kinderen voorkomen. Voorkomen. Tweederde van de vermoeide patienten is vrouw. Ruim de helft van deze patienten is gehuwd; 35% is alleenstaand. Omdat de gegevens over de burgerlijke staat van 14% van de patienten ontbreken, zou hier sprake kunnen zijn van een vertekening van de daadwerkelijke percentages gehuwde en alleenstaande patienten. Dit geldt ook voor de variabelen opleiding, werksituatie en verzekeringsvorm, waarbij van respectievelijk 21%, 14% en 8% van de patienten de gegevens ontbreken. Bijna 50% van de patienten met moeheidsklachten heeft een opleiding op middelbaar niveau; minder dan een kwart heeft alleen de lagere school afgemaakt. De variabele werksituatie laat zien dat moeheid in alle categorieen voorkomt, bij studenten, huisvrouwen, mensen met een baan en gepensioneerden. Bijna tweederde van de patienten met moeheidsklachten is ziekenfondsverzekerd.
    In vergelijking tot de totale groep patienten met een eerste consult bij de huisarts zijn de patienten met moeheidsklachten vaker van het vrouwelijk geslacht. De patienten met moeheidsklachten verschillen niet van de totale groep patienten met betrekking tot leeftijd, burgerlijke staat, opleiding, werksituatie en verzekeringsvorm.
    Naast deze sociaal-demografische kenmerken zijn in de Nationale studie ook gegevens verzameld over de wijze waarop de patient de klacht presenteert. In 33% van de gevallen is moeheid een op zichzelf staande klacht. In 67% van de gevallen gaat de moeheid samen met somatische of psychosociale klachten. In dit laatste geval kan dus sprake zijn van moeheid als comorbiditeit, bijvoorbeeld bij een chronische ziekte. In die gevallen waarin naast moeheid andere bijbehorende klachten zijn geregistreerd betreft het meestal uitsluitend somatische klachten (82% van de gevallen); in 19% van de gevallen wordt tenminste een bijbehorende psychosociale klacht geregistreerd (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996b).

    3. - Hoe wordt door de huisarts omgegaan met de klacht 'moeheid' ?
    Kenmerkend voor het werk van de huisarts is de algemene toegankelijkheid; iedereen kan zich tot een huisarts wenden met elk denkbaar probleem. Hoe de huisarts het probleem van de patient benoemt - bijvoorbeeld een gezondheidsprobleem, een leefprobleem, een probleem waarvoor de huisarts geen hulp kan bieden - bepaalt wat er vervolgens gebeurt.
    Vaak stelt een huisarts in een eerste consult alleen een symptoom-diagnose. Soms blijft het daarbij, ook in eventuele vervolgcontacten, soms ook kan later wel een 'echte' ziekte worden gediagnostiseerd. Bij nosologische diagnosen is de etiologie onbekend; er is evenmin sprake van een kenmerkend patholoog-anatomisch of pathofysiologisch substraat. Nosologische diagnosen berusten op consensus tussen artsen: van een bepaalde combinatie van symptomen en waarnemingen (een 'syndroom') is men overeengekomen die als ziekte te definieren. Nosologische diagnosen nemen daarmee een tussenpositie in; op het moment dat meer bekend is over etiologie en pathologie worden ze bij de 'echte' ziekten ingedeeld., CVS is een typisch voorbeeld van een nosologische diagnose (Hofmans-Okkes, Meyboom-De Jong, Lamberts & Van Weel, 1994).
    Nosologische diagnosen zijn voor de huisarts soms weinig aantrekkelijk; het stellen van een nosologische diagnose biedt geen voordeel boven de symptoomdiagnose, zolang het beleid er niet anders door wordt. De huisarts hanteert wel een nosologische diagnose in die gevallen waarbij de diagnose aanleiding geeft tot een specifiek daaraan gekoppeld beleid (Lamberts, 1994).
    In dit hoofdstuk wordt beschreven welke diagnosen worden gesteld bij moeheidsklachten, welke diagnostische en therapeutische interventies door de huisarts worden toegepast bij de klacht (of diagnose) moeheid en welke aangrijpingspunten de NHG-standaarden bieden voor het omgaan met de klacht moeheid.

    3.1 - Het stellen van een diagnose bij de klacht moeheid
    Uit onderzoek van De Rijk en collega's blijkt dat huisartsen zich bij het beoordelen van de somatische dan wel psychosociale aard van de moeheidsklachten vooral laten leiden door het karakter van de bijkomende klachten. Van de 3239 eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd, wordt in 65% van de gevallen door de huisarts geen onderliggende ziekte vermoed. In 8% van de gevallen wordt door de huisarts gedacht aan relatie- of gezinsmoeilijkheden en in 5% van de gevallen wordt aan werk- of studieproblemen gedacht. Chronische ziekten, zoals CARA, hypertensie, diabetes of chronisch hartlijden, worden minder vaak bij een eerste consult met de klacht moeheid vermoed (allemaal in 2% van de gevallen) (De Rijk, niet gepubliceerde gegevens).
    Uit het Transitieproject komt naar voren dat van alle episoden die beginnen met de contactreden moeheid, in 29% van de gevallen de einddiagnose van de huisarts de symptoomdiagnose 'moe, niet lekker' is. In 19% van de gevallen wordt een ziektenkundige diagnose gesteld : virusinfectie, hoge-iuchtweginfectie, acute bronchitis en anemie. In 4% van de gevallen verkiaart de huisarts de moeheid van de patient uit een psychisch of sociaal probleem. In 4% van de gevallen ziet de huisarts geen aanleiding een diagnose te stellen; de huisarts benoemt deze als 'geen ziekte'. Andere dan de hierboven genoemde diagnosen worden in minder dan 1% van de gevallen door de huisarts gesteld. De diagnose CVS (of ME) werd in het Transitieproject niet geregistreerd (Lamberts, 1994).

    Tabel 3.1 - Door de huisarts gestelde einddiagnosen van de episoden die beginnen met de contactreden 'moeheid'

    Einddiagnose           Percentage

    Moe, ziektegevoel              29
    Virusziekte                           9
    Hoge-luchtweginfectie          5
    Geen ziekte                          4
    Acute bronchitis                   3
    Anemie                                2
    Stress-situatie                       2
    Werkproblemen                   2
    Overig                                44

    Bron : Lamberts, 1994.

    De in tabel 3.1 vermelde percentages geven in feite de prior-kansen op deze diagnosen weer, dat wil zeggen de kans op het stellen van de betreffende diagnose bij aanvang van een episode.
    De kans op het stellen van een bepaalde diagnose verschuift, wanneer bij een vervolgcontact de contactreden moeheid is. Dit blijkt uit tabel 3.2. In feite geeft deze tabel de posterior-kansen weer. Uit tabel 3.2 blijkt dat de kans op een ernstige ziekte groter wordt naarmate klachten langer bestaan en tot vervolgcontacten leiden, ook al is de prior-kans op de betreffende ziekte klein.

    Tabel 3.2 - Door de huisarts gestelde einddiagnosen bij de contactreden moeheid in een vervolgcontact

    Diagnose                  Percentage

    Moe, ziektegevoel             19
    Depressie                            5
    Diabetes                              3
    Virusziekte                           3
    Decompensatio cordis          3
    Overig                               67

    Het behoeft overigens niet zo te zijn dat de patienten die in een vervolgcontact komen met de contactreden moeheid ook de episode met de contactreden moeheid geopend hebben.
    Bron : Lamberts, 1994.
    De episoden met de 'moe, ziektegevoel' hebben de volgende kenmerken. In 27% van de gevallen blijft de huisarts onzeker over de juistheid van de diagnose. 86% van de episoden is binnen vier weken afgesloten; in 3% van de gevallen gaat het om moeheid die langer dan zes maanden aanhoudt.
    Patienten bij wie de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' wordt gesteld, komen voor 5,8 andere episoden per jaar bij de huisarts. Dit is aanzienlijk hoger dan het gemiddelde van 2,7 episoden per patient per jaar (Lamberts, 1994). Tabel 3.3 laat de gestelde diagnosen zien.
    Bij een vrij grote groep patienten worden eveneens psychische of sociale problemen vastgesteld. Bij ruim een kwart van de patienten is sprake van een chronische ziekte. Ook acute aandoeningen, zoals een hoge-luchtweginfectie en acute bronchitis, komen bij patienten met moeheidsklachten frequent voor. Veertien procent komt met een contactreden waarbij de huisarts 'geen ziekte' diagnostiseert.

    Tabel 3.3 - Diagnosen van andere episoden (comorbiditeit)

    Diagnose                        Percentage

    Probleemgedrag-diagnose        41
    Chronische ziekte                    26
    Hoge-luchtweginfectie              17
    'Geen ziekte'                            14
    Hypertensie                             12
    Anticonceptiepil                       11
    Acute bronchitis                         9

    Omdat meerdere diagnosen kunnen worden gesteld, telt het geheel op tot meer dan 100%.
    Bron : Lamberts, 1994.


    3.2 - Diagnostische en therapeutische interventies bij moeheid
    Tabel 3.4 bevat enkele kenmerken van eerste consulten bij de huisarts waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd. De huisarts verricht normaliter diverse interventies; deze kunnen zowel diagnostisch als therapeutisch van aard zijn.
    Bij patienten die in een eerste consult de klacht moeheid presenteren wordt in 78% van de gevallen diagnostisch onderzoek door de huisarts verricht. Meestal betreft het lichamelijk onderzoek. Bij 17% van de patienten vindt bloedonderzoek plaats, terwijl de urine bij 7% wordt onderzocht. Extern diagnostisch onderzoek vindt naar aanleiding van ruim een kwart van de consulten plaats (De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a). Deze gegevens moeten met de nodige voorzichtigheid worden geinterpreteerd. Omdat naast de klacht moeheid ook andere klachten in het consult kunnen zijn gepresenteerd, kan niet worden gesteld dat deze diagnostische interventies uitsluitend naar aanleiding van de klacht moeheid worden uitgevoerd.

    Tabel 3.4 - Diagnostische interventies bij eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd (N=3239)

    Consulten                       %

    Interne diagnostiek       77,7
    - lichamelijk onderzoek    70,0
    - bloedonderzoek            16,7
    - urine-onderzoek              6,8

    Externe diagnostiek      27,9

    Bron : De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a.

    Wat de therapeutische interventies betreft (tabel 3.5) wordt bij meer dan de helft van de patienten met moeheidsklachten in het eerste consult gezondheidsvoorlichting gegeven. Met een derde van de patienten wordt een therapeutisch gesprek gevoerd. Andere behandelvormen die in het eerste consult aan de orde komen zijn de patient adviseren om even af te wachten hoe de klacht zich ontwikkelt, de patient rust adviseren en instrumentele behandeling. In 40% van de eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd wordt medicatie voorgeschreven (De Rijk, Schreurs & Bensing 1996a). Echter, ook hier geldt weer dat eventuele bijkomende klachten de aanleiding kunnen zijn voor de therapeutische interventie of de voorgeschreven medicatie.

    Tabel 3.5 - Therapeutische interventies bij eerste consulten waarin de klacht moeheid wordt gepresenteerd (N=3239)

    Consulten                        %

    Therapeutisch gesprek       32,5
    Gezondheidsvoorlichting    58,2
    Advies 'even aankijken'     10,5
    Advies '(bed)rust'                4,8
    Instrumentele behandeling    5,1
    Medicatievoorschrift          39,6

    Bron : De Rijk, Schreurs & Bensing, 1996a.

    Naast deze gegevens over diagnostische en therapeutische interventies gedurende het eerste consult zijn eveneens enkele gegevens bekend over de interventies van de huisarts bij episoden met de 'moe, ziektegevoel'. Het gaat hier dus niet om de klacht moeheid die door de patient wordt gepresenteerd, maar om de door de huisarts (of specialist) gestelde einddiagnose.
    Wat de diagnostische interventies betreft, is in meer dan de helft van de episoden met de einddiagnose moeheid door de huisarts lichamelijk onderzoek (58%) en bloedonderzoek (53%) verricht. In 1% van de episoden heeft rontgendiagnostiek plaatsgevonden (Lamberts, 1994).
    In de episoden met de 'moe, ziektegevoel' is het geven van advies de meest voorkomende therapeutische interventie van de huisarts (35% van de episoden). In 14% van deze episoden is medicatie voorgeschreven. Een therapeutisch gesprek is in 5% van de episoden gevoerd. Verwijzingen naar andere hulpverleners in de eerste lijn komen bij moeheidsepisoden vrijwel niet voor en ook verwijzingen naar specialisten zijn zeldzaam (3% van de episoden) (Lamberts, 1994).

    3.3 - Moeheid in de NHG-standaarden
    Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) stelt richtlijnen op over specifiek huisartsgeneeskundige onderwerpen; deze worden als NHG-standaarden gepubliceerd. Met de NHG-standaarden wordt meer eenheid in diagnostiek en behandeling nagestreefd. Er is tot op heden geen NHG-standaard verschenen over moeheid. Wel wordt in diverse andere NHG-standaarden aandacht besteed aan moeheid. Geinventariseerd is of en op welke wijze de term moeheidlvermoeidheid in de tot nu toe verschenen NHG-standaarden (t/m februari 1996) voorkomt.
    De term moeheid (of vermoeidheid) wordt in de volgende NHG-standaarden gebruikt :

    1. bloedonderzoek

    2. bloedonderzoek bij verdenking op leveraandoeningen

    3. CARA bij volwassenen: diagnostiek

    4. depressie

    5. functiestoornissen van de schildklier

    6. hartfalen

    7. migraine

    8. problematisch alcoholgebruik

    9. slapeloosheid en slaapmiddelen

    10. zwangerschap en kraambed

    Moeheid wordt in vrijwel al deze NHG-standaarden beschouwd als klacht of symptoom van een ziekte of aandoening. De NHG-standaard Migraine vormt een uitzondering : hierin wordt moeheid genoemd als mogelijke oorzaak voor het ontstaan van migraine. Omdat we geinteresseerd zijn in moeheid als klacht en diagnose wordt de NHG-standaard Migraine verder buiten beschouwing gelaten.
    De meeste aanwijzingen over het omgaan met de klacht moeheid zijn beschreven in de NHG-standaard bloedonderzoek (Dinant, Van Wijk, Janssens et al., 1994). Hierin wordt met name ingegaan op moeheid als 'vage klacht', dat wil zeggen: waarbij de huisarts na een adequate anamnese en lichamelijk onderzoek en rekening houdend met de psychosociale context geen specifieke diagnose kan stellen. Uit een enquete van De Haan (1982) blijkt dat de klacht moeheid zowel door patienten als door huisartsen het meest frequent vaag wordt geacht. Een belangrijk deel van het bloedonderzoek van de huisarts wordt naar aanleiding van vage klachten verricht. Huisartsen blijken vaker bloedonderzoek aan te vragen naarmate ze de klacht minder goed weten te duiden. Het uitsluiten van bepaalde aandoeningen is het belangrijkste doel van het bloedonderzoek bij vage klachten.
    Hierover wordt in de NHG-standaard Bloedonderzoek het volgende gesteld :

    3.3.1 - Uitsluiten van een aandoening - Indien de huisarts een onwaarschijnlijke aandoening met behulp van bloedonderzoek nog onwaarschijnlijker wil maken, bijvoorbeeld omdat de aandoening zodanig ernstig is dat hij deze zeker niet wil missen, is hij vooral geinteresseerd in een hoge voorspellende waarde van een negatieve testuitslag. Deze situatie komt in de huisartspraktijk het meest voor. De voorspellende waarde van een negatieve testuitslag is, behalve van de prior kans, vooral afhankelijk van de sensitiviteit van deze test voor de aandoening in kwestie. Een test met een hoge sensitiviteit voorkomt zoveel mogelijk dat de patient ondanks een geruststellende uitslag toch die ene onwaarschijnlijke ziekte heeft. De winst aan zekerheid omtrent de afwezigheid van een aandoening moet in deze gevallen echter opwegen tegen de kans dat niet-zieken ten onrechte als ziek geclassificeerd worden. Dit wordt, behalve door de prior kans, bepaald door de specificiteit van een test.

    3.3.2 - Bloedonderzoek bij vage klachten - Laatstgenoemde afweging is aan de orde bij het overwegen van bloedonderzoek bij vage klachten. Bij deze klachten wordt met bloedonderzoek vrijwel nooit een ernstige aandoening opgespoord. Beredeneerd kan worden dat bij dergelijk lage prevalenties van ernstige ziekten het aandeel van de fout-positieve uitslagen belangrijk groter wordt dan het aantal terecht positieve uitslagen. Een en ander resulteert in de volgende aanbevelingen :

    • Indien de huisarts na vraagverheldering, anamnese en lichamelijk onderzoek niet tot een duidelijke conclusie komt ten aanzien van de medische achtergrond van de klacht (de klacht blijft in de ogen van de arts vaag), dan is het in de regel verstandig het spontane beloop gedurende een maand af te wachten. In deze periode wordt, zeker bij de wat jongere patienten, bij voorkeur geen bloedonderzoek verricht. Bij ouderen kan in individuele gevallen vervroeging van bloedonderzoek zinvol zijn, omdat bij hen de prior kans op ziekte groter is.

    • Indien de patient dat wenst, wordt deze ingelicht over de achtergronden van de terughoudendheid. De huisarts vertelt de patient dan dat bloedonderzoek in zijn geval geen zin heeft. Dat bloedonderzoek leidt tot zekerheid is een misvatting. Dokters hebben daar in het verleden ook weleens verkeerde veronderstellingen over gehad. Hij brengt verder naar voren dat ernstige ziektes lang niet altijd met bloedonderzoek aangetoond kunnen worden. Daarnaast leert de ervaring dat bij klachten als die van de patient de kans op een ernstige ziekte zo klein is, dat zelfs een afwijkende uitslag meestal niets te betekenen heeft. Een goede uitslag levert vooral valse geruststelling op, terwijl een afwijkende uitslag leidt tot onnodige ongerustheid. Dat de oorzaak van de klachten in eerste instantie onbekend blijft, is niet erg. Klachten als deze hebben vrijwel altijd een onschuldige oorzaak en verdwijnen in de meeste gevallen binnen enkele weken vanzelf. Pas als ze na een maand niet verdwenen zijn, wordt de kans op een lichamelijke ziekte zo groot dat het zinnig wordt om bloedonderzoek te overwegen. Bij deze klachten is het daarom beter eerst een maand te wachten met bloedonderzoek om te zien of ze niet vanzelf overgaan. Tot slot laat de huisarts de patient weten dat het wenselijk is eerder contact op te nemen als de klachten in de tussentijd van karakter veranderen. Er is dan sprake van een veranderende situatie die herbeoordeling vereist.

    • Indien de klachten een maand na het eerste consult - dus niet na het begin van de klachten - niet spontaan verdwenen zijn, is de prior kans op een lichamelijke oorzaak groter. De huisarts herhaalt dan de vraagverheldering, de anamnese en het lichamelijk onderzoek. In een aantal gevallen zal blijken dat de klachten zodanig veranderd zijn dat er aanwijzingen zijn om te denken aan een specifieke aandoening. Indien er nog steeds sprake is van een vage klacht, wordt beperkt laboratoriumonderzoek naar de aanwezigheid van anemie, infectieziekten, suikerziekte en schildklierfunctiestoornissen verricht. De huisarts bepaalt het Hb, de BSE, de glucosespiegel en het TSH en, indien het laatste afwijkend is, het vrij-T4.

    Uit deze NHG-standaard kan worden geconcludeerd dat het verrichten van bloedonderzoek bij vage klachten, zoals moeheid, vanwege de geringe diagnostische waarde wordt afgeraden, tenzij de klachten een maand na het eerste consult van de patient nog aanwezig zijn. In dat geval is de kans op de aanwezigheid van een aantoonbare ziekte groter en wordt derhalve een beperkt bloedonderzoek geadviseerd dat door de huisarts zelf goed kan worden uitgevoerd.
    Ook in de NHG-standaard bloedonderzoek bij verdenking op leveraandoeningen komt de klacht moeheid ter sprake. Vermeld wordt dat leverfunctietests vaak plaatsvinden bij patienten met moeheidsklachten. Omdat de klacht moeheid echter zelden verband houdt met de aanwezigheid van een leveraandoening, is het onderscheidend vermogen van leverfunctietests bij deze klacht gering. Daarom wordt het aanvragen van leverfunctietests afgeraden, indien er geen andere aanwijzingen zijn voor een leveraandoening.
    Uit de NHG-standaard CARA bij volwassenen: diagnostiek blijkt dat minder specifieke klachten, zoals moeheid of conditievermindering, in bepaalde gevallen op CARA kunnen wijzen. Vermeld wordt dat de huisarts CARA moet overwegen als de klachten zich periodiek herhalen enlof de klachten een geprotraheerd (langdurig) verloop hebben.
    Moeheid wordt ook vermeld in de NHG-standaard Depressie. Het wordt genoemd als een van de symptomen van een depressie. Om de nosologische diagnose depressie te kunnen stellen moet de patient gedurende tenminste twee weken in elk geval last hebben van een sombere stemming of verlies van interesse of plezier. Moeheid op zich is dus onvoldoende om van een depressie te kunnen spreken. Wel wordt gesteld dat een depressieve patient vaak met andere klachten bij de huisarts komt. Wanneer sprake is van aanhoudende moeheid zonder dat een lichamelijke oorzaak kan worden gevonden, kan de huisarts een depressie overwegen. Dit moet dan in een anamnese waarin gerichte vragen over mogelijke symptomen worden gesteld door de huisarts worden nagegaan.
    Ook in de NHG-standaard Functiestoornissen van de schildklier wordt moeheid als een symptoom (van hypothyroidie) genoemd. Gesteld wordt echter dat de voorspellende waarde van een klacht voor een schildklier-functiestoornis gering is. Naast moeheid moeten er dus andere klachten of symptomen zijn om een schildklierfunctiestoornis waarschijnlijk te maken.
    Moeheid wordt in de NHG-standaard Hartfalen genoemd in de omschrijving van hartfalen. Bij de richtlijnen voor de diagnostiek wordt vermeld dat de huisarts rekening moet houden met hartfalen bij patienten met klachten zoals dyspnoe (benauwdheid), moeheid of perifeer oedeem. Voor het stellen van de diagnose hartfalen moet er sprake zijn van specifieke afwijkende bevindingen (bij anamnese, lichamelijk of aanvullend onderzoek) naast moeheid.
    In de NHG-standaard Problematisch alcoholgebruik wordt moeheid vermeld als een van de kenmerken die tot het vermoeden van problematisch alcoholgebruik kunnen leiden.
    In de NHG-standaard Slapeloosheid en Slaapmiddelen is de term moeheid terug te vinden in de definitie van het begrip slapeloosheid.
    Tenslotte wordt moeheid in de NHG-standaard Zwangerschap en kraambed genoemd onder de voorlichting die de huisarts kan geven met betrekking tot werk. Gesteld wordt dat veel vrouwen in de loop van hun zwangerschap moeheidsklachten krijgen en dat deze klachten aanpassingen in de werksituatie vereisen.
    Geconcludeerd kan worden dat moeheid een symptoom kan zijn van veel verschillende ziekten of stoornissen. Om een bepaalde ziekte of stoornis te overwegen dienen in de meeste gevallen echter ook andere klachten of symptomen bij de patient aanwezig te zijn. Geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het (doen) verrichten van bloedonderzoek bij de klacht moeheid. Alleen indien (andere) symptomen aanwezig zijn die de aanwezigheid van een bepaalde ziekte of stoornis waarschijnlijk maken of de moeheidsklachten langdurig aanhouden is bloedonderzoek zinvol.

    Lees verder Ė Deel II

    Cfr. :  http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned14.txt

    25-02-2006 om 09:30 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom - Literatuurstudie - Deel II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

        Moeheid 
        en het chronische vermoeidheidssyndroom
        Literatuurstudie


        Deel II


        4. - Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)


    CVS wordt gekenmerkt door een combinatie van aspecifieke symptomen, waarbij geen objectief fysieke of laboratorische afwijkingen worden gevonden (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1993). Het belangrijkste symptoom is langdurige of recidiverende moeheid. Deze moeheid kan zo invaliderend zijn dat het verrichten van arbeid of het onderhouden van sociale contacten ernstig wordt bemoeilijkt. Naast moeheid kunnen allerlei andere symptomen aanwezig zijn. Uit een onderzoek onder patienten met langdurige (> een jaar), lichamelijk onverklaarde moeheid waarin de patienten gevraagd werd om de klachten te beschrijven komen de volgende symptomen naar voren (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1994). Bijna driekwart van de patienten rapporteert myalgie. Circa de helft van de patienten heeft last van concentratieproblemen, maag-darmklachten, hoofdpijn, duizeligheid en slaapproblemen. Bij ongeveer een derde van de patienten komen geheugenproblemen en spierzwakte voor. Een kwart van de patienten heeft last van terugkerende infecties en prikkelbaarheid. Door circa 20% worden depressiviteit, veranderingen in lichaamstemperatuur, spraakstoornissen en visuele stoornissen gerapporteerd. Deze symptomen komen dus niet bij alle CVS-patienten (in dezelfde mate) voor. Bovendien vormt het aantal symptomen geen indicatie voor de ernst van de ziekte. Er is sprake van een syndroom, dat wil zeggen een geheel van samenhangende symptomen, waarvan moeheid de belangrijkste is.

    In de populaire en wetenschappelijke literatuur wordt het chronische vermoeidheidssyndroom met een groot aantal namen aangeduid. Voorbeelden hiervan zijn: akureyri disease, chronic fatigue and immune dysfunction syndrome, chronisch Epstein-Barr virussyndroom, chronische mononucleosis, Iceland disease, myalgische encephalomyelitis (ME), neuromyasthenie, posturaal syndroom, Royal Free disease en yuppie flu (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1993). Omdat de oorzaken nog onbekend zijn, lijkt het beter om geen namen te gebruiken die verwijzen naar een lichamelijke oorzaak, zoals bijvoorbeeld myalgische encephalomyelitis of Epstein-Barr virussyndroom.


    4.1 - Definiering van CVS

    In de Verenigde Staten heeft men getracht een definitie van het chronische vermoeidheidssyndroom te ontwikkelen. De Centers for Disease Control and Prevention van de Division of Viral Diseases, Atlanta heeft in samenwerking met verschillende andere institutes een werkdefinitie opgesteld (Holmes, Kaplan, Gantz et al., 1988). Ook in Australie (Lloyd, Hickie, Boughton et al., 1990) en Groot-Brittannie (Sharpe, Archard, Banatvala et al., 1991) hebben deskundigen gewerkt aan diagnostische criteria voor het onderzoek naar CVS. Het verschil tussen deze werkdefinities is dat de Australische en Engelse deskundigen een bredere definitie (minder symptoomcriteria) voorstaan dan de Amerikaanse wetenschappers.

    De belangrijkste bezwaren tegen de Amerikaanse definitie waren dat een aantal criteria moeilijk interpreteerbaar was of dat hieraan moeilijk kon worden voldaan en dat het uitsluiten van alle personen met psychiatrische stoornissen onterecht zou zijn. Bepaalde psychiatrische stoornissen, zoals angststoornissen en milde vormen van depressie, komen veel voor bij personen met chronische vermoeidheid. Door deze personen uit te sluiten zou men onderzoek naar de rol die deze psychiatrische stoornissen mogelijk spelen bemoeilijken. Dit heeft geleid tot een herziening van de Amerikaanse definitie door de International Chronic Fatigue Syndrome Study Group (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).

    Deze internationale groep deskundigen heeft een conceptueel raamwerk opgesteld voor de ontwikkeling van studies die relevant zijn voor CVS. Hierin worden personen met chronische vermoeidheid (> 6 maanden) opgevat als een subset van de populatie personen met aanhoudende vermoeidheidsklachten (> 1 maand), die bovendien moeten worden vergeleken met populates die worden gedefinieerd met overlappende stoornissen, zoals depressie en fibromyalgie. Binnen de groep personen met chronische vermoeidheidsklachten onderscheidt men personen met CVS (deze voldoen aan de criteria voor CVS) en personen met idiopathische chronische vermoeidheid (deze voldoen niet aan de criteria voor CVS). Op deze wijze hoopt men meer homogene groepen te verkrijgen voor vergelijkende studies waarin de specificiteit van CVS-gerelateerde afwijkingen kan worden vastgesteld.

    4.1.1 - Definitie van aanhoudende vermoeidheid - Aanhoudende vermoeidheid wordt gedefinieerd als door de persoon zelf gerapporteerde persisterende vermoeidheid die tenminste een maand aanwezig is (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).

    4.1.2 - Definitie van chronische vermoeidheid - Chronische vermoeidheid wordt gedefinieerd als door de persoon zelf gerapporteerde persisterende of recidiverende vermoeidheid die tenminste zes maanden aanwezig is (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).
    De aanwezigheid van aanhoudende of chronische vermoeidheid vereist een klinische evaluatie om factoren die hieraan ten grondslag liggen of bijdragen op te sporen. Een klinische evaluatie dient te bestaan uit :

    1. afname van een grondige anamnese : medische en psychosociale omstandigheden bij aanvang van de moeheid; depressie of andere psychiatrische stoornissen; episoden van medisch onverklaarde symptomen; alcohol- of ander substantie misbruik; huidig gebruik van voorgeschreven en vrij verkrijgbare medicatie en voedingssupplementen.

    2. onderzoek naar mentale gezondheidstoestand om afwijkingen in stemming, intellectuele functie, geheugen en persoonlijkheid te identificeren : speciale aandacht dient men te besteden aan aanwezige symptomen van depressie of angst, zelfdestructieve gedachten en waarneembare signalen zoals psychomotorische traagheid. Voor het vaststellen van een psychiatrische of neurologische stoornis dient aanvullend psychiatrisch, psychologisch of neurologisch onderzoek te worden gedaan.

    3. grondig lichamelijk onderzoek.

    4. beperkt laboratoriumonderzoek : volledig bloedbeeld met differentiatie leucocyten, bezinkingssnelheid erythrocytes, alanine aminotransferase in serum, totaal eiwit, albumine, globuline, alkalische fosfatase, calcium, fosfaat, glucose, ureum, elektrolyten, en creatinine; TSH; en urine-analyse. Verder laboratoriumonderzoek alleen op individuele basis om andere diagnose te bevestigen of uit te sluiten.

    Bij CVS gaat het om onverklaarde chronische vermoeidheid. Daarom is een aantal exclusiecriteria opgesteld. Het betreft :

    1. elke actieve medische conditie die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.

    2. elke eerder gediagnostiseerde medische conditie waarvan niet geheel zeker is dat deze volledig genezen of onder controle is en die de chronische vermoeidheid zou kunnen verklaren.

    3. elke vroegere of huidige diagnose van een depressie in engere zin met psychotische of melangolische kenmerken, bipolaire affectieve stoornissen, schizofrenie, waanstoornissen, dementie, anorexia nervosa, boulimia nervosa.

    4. alcohol- of ander substantie misbruik minder dan twee jaar voor het begin van de chronische vermoeidheid.

    5. zeer ernstig overgewicht (Quetelet-index > 45).

    De volgende condities sluiten CVS niet uit :

    1. elke conditie die primair wordt gedefinieerd door symptomen en niet kan worden aangetoond door laboratoriumonderzoek, inclusief fibromyalgie, angststoornissen, somatoforme stoornissen, niet-psychotische of niet-melancholische depressie, neurasthenie en multiple chemical sensitivity disorder.

    2. elke conditie onder behandeling, waarbij de behandeling voldoende is om de symptomen weg te nemen (de adequaatheid van de behandeling dient te zijn beschreven).

    3. elke conditie die afdoende is behandeld voor het begin van de chronische vermoeidheid.

    4. elk op zich zelf staand afwijkend testresultaat dat niet voldoende is om een conditie zoals genoemd bij de exclusiecriteria te overwegen (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994)

    4.1.3 - Definitie van CVS - CVS wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinisch geevalueerde, lichamelijk onverklaarde aanhoudende of terugkerende chronische vermoeidheid (> 6 maanden), die :

    • niet het resultaat is van voortdurende inspanning,

    • een nieuw of duidelijk begin heeft,

    • niet aanzienlijk verbetert door rust,

    • heeft geleid tot forse afname van vroegere niveaus van beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren;

    ťn gekarakteriseerd wordt door tenminste vier van de volgende symptomen (> 6 maanden) :

    • zelfgerapporteerde beperkingen in korte termijn-geheugen of concentratieproblemen,

    • keelpijn,

    • gevoelige hals- of okselklieren,

    • spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid,

    • hoofdpijn,

    • slaapklachten,

    • malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren. (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994)

    4.1.4 - Definitie van idiopathische chronische vermoeidheid - Idiopathische chronische vermoeidheid wordt gedefinieerd als zelfgerapporteerde, klinisch geevalueerde, lichamelijk onverklaarde chronische vermoeidheid die niet aan de criteria voor CVS voldoet (Fukuda, Straus, Hickie et al., 1994).

    Nadrukkelijk moet worden opgemerkt dat deze criteria bedoeld zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar CVS; de criteria zijn niet geschikt voor diagnostiek in de medische praktijk. Door diverse onderzoekers worden bovendien vraagtekens geplaatst bij de relevantie van het onderscheid tussen CVS en idiopathische chronische vermoeidheid.


    4.2 - Epidemiologische gegevens over CVS

    Uit een representatief Engels onderzoek onder huisartsen (Ho-Yen & McNamara, 1991) komt een prevalentie van 1,3 per 1000 personen ingeschreven bij een huisarts naar voren. De spreiding is echter aanzienlijk: 0,3 tot 2,7 per 1000 personen. In andere onderzoeken worden soms hogere en soms lagere prevalentiecijfers gevonden. Dit hangt samen met de verschillende wijzen waarop CVS tot nu toe werd gedefinieerd.

    Bazelmans en collega's schatten de prevalentie van CVS in Nederland eveneens op minimaai 1,3 per 1000 personen. Deze schatting is gebaseerd op de rapportage van 4027 huisartsen over het aantal CVS-patienten in hun praktijk (Bazelmans, Vercoulen, Swanink et al., 1996).


    4.3 - Hoe vaak wordt de huisarts met CVS geconfronteerd ?

    In het bovengenoemde onderzoek van Bazelmans en collega's (1996) werd aan alle huisartsen in Nederland middels een schriftelijke enquete gevraagd een schatting te maken van het aantal CVS-patienten in hun praktijk. Het responspercentage bedroeg 60% (N=4027 huisartsen). Tabel 4.1 geeft de schatting van de huisartsen weer. Ruim een kwart van de huisartsen schat dat zij geen CVS-patienten in hun praktijk hebben. Daarentegen schat dertig procent dat zij drie of meer CVS-patienten in hun praktijkbestand hebben.


    Tabel 4.1 - Geschatte aantal CVS-patienten per huisarts (N=4027)

    Aantal CVS-patienten    % huisartsen

    Geen                                           27
    Eťn                                             23
    Twee                                          21
    Drie of meer                                30

    Bron : Bazelmans et al., 1996.


    4.4 - Kenmerken van patienten met CVS

    Het voorkomen van CVS is niet gelijk verdeeld over de bevolking; met name vrouwen tussen 20 en 50 jaar uit de hogere sociaal-economische klassen lijden vaker aan CVS (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1993). Dit betekent niet dat CVS zich ook tot deze categorie beperkt. Tabel 4.2 is gebaseerd op een Engels onderzoek (Ho-Yen & McNamara, 1991) en geeft de sociaal-demografische kenmerken van CVS-patienten weer (volgens de Engelse werkdefinitie). Uit tabel 4.2 blijkt dat bijna tweederde van de CVS-patienten van het vrouwelijk geslacht is. Niettemin geeft dit aan dat CVS geen typische 'vrouwenziekte' is. Bovendien komt CVS in alle leeftijdscategorieen voor, dus ook bij kinderen en 65-plussers. Bij vrouwen zijn er twee pieken in de leeftijdsverdeling te onderscheiden, namelijk 25-29 jaar en 40-44 jaar. Bij vrouwen in deze leeftijdscategorieen komt CVS dus het meest voor. Bij mannen is een piek in de prevalentie waarneembaar bij 35-39 jarigen (Ho-Yen & McNamara, 1991). Op basis van gegevens uit een Nederlands onderzoek (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1994) wordt de gemiddelde leeftijd waarop de ziekte zich manifesteert geschat op circa 33 jaar.


    Tabel 4.2 - Sociaal-demografische kenmerken van CVS-patienten (N=289)

    Patienten

    Geslacht                                               (%)
    Vrouw                                                    65
    Man                                                        35

    Leeftijd (jaren)
    Vrouwen (N=187) gemiddelde (s.d.)      38,2  (13,4)
    Mannen (N=102) gemiddelde (s.d.)        40,8  (12,5)

    Beroepsstatus
    Student/docent                                        22
    Gepensioneerd                                        16
    Huisvrouw                                              13
    Dienstensector (winkels, hotels, banken)  11
    Administratief                                            9
    Geschoolde arbeid                                    9
    Ongeschoolde arbeid                                8
    Gezondheidszorg                                      7
    Professie (advocaat, ambtenaar)                5

    Bron : Ho-Yen & McNamara, 1991.


    4.5 - Pathogenese van CVS

    Het is niet bekend hoe CVS ontstaat. In de literatuur wordt een aantal 'theorieen' beschreven, maar voor geen van deze theorieen bestaat voldoende empirisch bewijs. De hypotheses omtrent de pathogenese van CVS worden hier summier weergegeven.

    4.5.1 - Somatische factoren - Bij vrij veel patienten is een duidelijk begin van de klachten aanwijsbaar, bijvoorbeeld een acute infectieziekte, een zwangerschap of operatie. Ter verklaring van het aanhouden van de klachten is gedacht aan een persisterende infectie, waarbij sprake is van een abnormale reactie van het immuunsvsteem. De micro-organismen die genoemd worden als mogelijke verwekkers van CVS zijn: Epstein-Barr virus, enterovirussen, herpesvirus hominis-6, retrovirussen, varicelia-zoster virus, cytomegalovirus, Borrelia burgdorferi, Toxoplasma gondii, Yersinia enterocolitica en Candida albicans. In verschillende onderzoeken zijn afwijkende serologische patronen gevonden. Het betrof hier echter retrospectief onderzoek, waarbij bij CVS- patienten bloedsamples werden genomen of waarbij de patienten gevraagd werd naar eerdere virale infecties. Uit ervaring blijkt dat in dergelijk retrospectief onderzoek altijd wel een serologische afwijking wordt gevonden, die dan bij herhaling niet kan worden bevestigd. Meer recent zijn enkele prospectieve studies uitgevoerd naar de betekenis van virale infecties voor het ontstaan van CVS (Cope, David, Pelosi et al., 1994; Wessely, Chalder, Hirsch et al., 1995). In deze studies werden patienten bij wie een virale infectie werd vastgesteld (of vermoed) gedurende langere tijd gevolgd teneinde de ontwikkeling van moeheidsklachten vast te stellen. In de studie van Cope en collega's (1994) werd een iets grotere proportie chronisch vermoeiden (17,5%) aangetroffen onder geinfecteerde huisarts-patienten dan in een eerdere studie onder huisartsbezoekers. Bij dit onderzoek ontbrak echter een controlegroep. In het onderzoek van Wessely en collega's (1995) werd wel een controlegroep gebruikt. Uit dit onderzoek komt naar voren dat chronische vermoeidheid niet vaker optreedt bij huisartspatienten met veel voorkomende symptomatische virale infecties dan bij huisartspatienten zonder symptomatische infecties. Opgemerkt wordt dat infecties die minder vaak voorkomen in de huisartspraktijk (bijvoorbeeld infecties veroorzaakt door EBV, toxoplasma of cytomegalovirus) misschien wel een rol zouden kunnen spelen bij het ontstaan van CVS, evenals zeldzame complicaties van veel voorkomende infecties. Swanink en collega's onderzochten de rol van persisterende infecties met enterovirussen, EBV en Yersinia enterocolitica. Het betrof een aantal retrospectieve studies met een gematchte controlegroep. Met betrekking tot enterovirussen konden geen serologische verschillen tussen CVS-patienten en controlepersonen worden aangetoond in enterovirale antistoffen en VP-1 antigeen (een eiwit dat specifiek zou zijn voor enterovirussen). In de ontlasting werden evenmin sporen gevonden van persisterende enterovirussen (Swanink, Melchers, Van der Meer et al., 1994). Bij een selectie van CVS-patienten met hoge antistof titers tegen EBV en gezonde controlepersonen konden geen verschillen worden aangetoond (in virus load en immunologische regressie) die duiden op een belangrijke rol van EBV in het ontstaan van CVS (Swanink, Van der Meer, Vercoulen et al., 1995). Aanwijzingen dat een persisterende infectie van Yersinia enterocolitica een rol speelt bij CVS werden evenmin gevonden (Swanink, 1996). Een en ander betekent dat voor geen van de genoemde micro-organismen geldt dat de relatie met CVS ondubbelzinnig is aangetoond.
    Immunologische bevindingen bij CVS zijn soms tegenstrijdig. De meest consistente bevinding lijkt het verminderd cytotoxisch vermogen van 'natural killer'- (NK-)cellen. Bij patienten met CVS is niet altijd het aantal NK-cellen afwijkend, maar wel zou de functie van deze cellen zijn afgenomen. Swanink en collega's rapporteren eveneens resultaten die een verminderd immuunfunctioneren bij CVS suggereren (Swanink, Vercoulen, Galama et al., 1996). Zij tekenen echter aan dat in hun studie een grote overlap bestond in de resultaten van de immunologische testen tussen patienten en controlepersonen. Bovendien komt ook uit dit onderzoek naar voren dat er geen duidelijk verband bestaat tussen de gevonden immunologische afwijkingen en de ernst van het klinisch beeld (vermoeidheid, psychologisch welbevinden of functionele beperkingen). Bij CVS-patienten zijn eveneens afwijkingen in de spieren en in het centrale zenuwstelsel aangetoond. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de betekenis hiervan is (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1991).

    4.5.2 - Psychiatrische factoren - Het is nog niet duidelijk of CVS-patienten een specifiek persoonlijkheidsprofiel hebben dat hen onderscheidt of predisponeert tot het ontwikkelen van CVS. Uit retrospectief onderzoek komen wel bepaalde persoonlijkheidskenmerken naar voren, maar deze kunnen ook het gevolg zijn zijn van de langdurige klachten.
    Bij 60 tot 80% van de CVS-patienten wordt een psychiatrische diagnose gesteld : somatisatiestoornis, angststoornissen en stemmingsstoornissen, met name depressie. Overlappende symptomen kunnen de hoge prevalentie van somatisatiestoornissen en depressies bij CVS-patienten mogelijk deels verklaren. Bovendien worden dezelfde prevalentiecijfers soms ook gevonden in andere patientengroepen (somatisatiestoornis) of bij gezonde personen (angststoornissen) (Vercoulen, Swanink, Galama et al., 1991). Het meest frequent wordt CVS in verband gebracht met depressie. In twee studies onder chronisch vermoeide patienten bleek een kwart tot een derde van de patienten symptomen te hebben die voldoen aan de criteria voor een depressie (Harari & Glas, 1993). Ter verklaring van het verband tussen CVS en depressie worden drie modellen geschetst (Harari & Glas, 1993). In het eerste model is CVS een onbekende atypische vorm van depressie. In het tweede model wordt CVS beschouwd als een gevolg van depressie. Dit model is gebaseerd op vroege studies naar het herstel van infectieziekten, waarin personen met een (eerder vastgestelde) 'depressive propensity' eerder met depressieve symptomen reageerden op acute infecties dan anderen. Harari en Glas (1993) stellen dat CVS in dit model in feite een variant is van de gemaskeerde depressie. In het derde model is CVS juist een oorzaak van depressie. Hiervoor worden twee mogelijkheden genoemd. De eerste mogelijkheid is dat CVS-patienten aan depressies lijden, omdat zij de ziekte moeilijk kunnen verwerken en CVS vaak een invaliderend karakter heeft. De tweede mogelijkheid is dat indien CVS door een bepaald micro-organisme wordt veroorzaakt dit eventueel ook depressie als organisch psychosyndroom zou kunnen veroorzaken.
    Voor het verband tussen CVS en depressie zijn dus meerdere verklaringen mogelijk, waarbij over de causaliteit niets te zeggen valt. Daarnaast hebben lang niet alle CVS-patienten depressieve symptomen. Bovendien zijn er aanwijzingen gevonden in een recent onderzoek dat depressiviteit bij CVS-patienten van een andere aard is dan bij patienten met een depressie in engere zin; bij depressieve en niet-depressieve CVS-patienten blijkt fluoxetine (een populair anti-depressivum) geen effect te hebben op de mate van depressiviteit of de ernst van de moeheidsklachten (Vercoulen, Swanink, Zitman et al., 1996).

    4.5.3 - Psychologische factoren - Stress wordt genoemd als een factor die een rol kan spelen in het ontstaan van CVS. CVS-patienten zouden meer stress hebben ervaren voor het optreden van de moeheidsklachten dan gezonde personen. Daarnaast heeft stress (en ook depressie) een negatief effect op het immuunfunctioneren, zodat de afweer tegen infecties verminderd is. Het is echter niet duidelijk waarom juist CVS, en niet een andere ziekte, zou ontstaan na stress (Vercoulen, Swanink, Galama et al., 1991). De geconstateerde pre-morbide hyperactiviteit van CVS-patienten wordt ook genoemd als mogelijke factor bij het ontstaan van de ziekte. Chronische moeheid zou het gevolg kunnen zijn van overbelasting.
    Gebaseerd op psychologische theorieen wordt een aantal factoren genoemd die CVS niet zozeer zouden veroorzaken als wel instandhouden. Wessely (1989) beschrijft een vicieuze cirkel waarin moeheid en andere symptomen door de patient worden geinterpreteerd als gevolgen van inspanning. Ter voorkoming van deze symptomen gaat de patient inspanning vermijden. Dit leidt tot een conditieverslechtering, waardoor de patient steeds minder inspanning aankan en steeds sneller moe wordt.
    Ook attributies van patienten over de oorzaken van CVS spelen mogelijk een rol bij het instandhouden van de klachten. CVS-patienten zijn veelal geneigd hun klachten toe te schrijven aan lichamelijke oorzaken. Omdat lichamelijke oorzaken niet gevonden worden, versterken deze 'lichaamsattributies' een gevoel van machteloosheid en depressiviteit. Bovendien bemoeilijken ze de eigen mogelijkheden om met de klachten te leren omgaan vanwege negatieve 'self-efficacy' verwachtingen (verwachtingen ten aanzien van de invloed die men zelf op de klachten kan uitoefenen). Uit een onderzoek van Vercoulen en collega's blijkt dat lichaamsattributies en lage 'self-efficacy' verwachtingen een negatief voorspellende waarde hebben ten aanzien van de kans op herstel of vermindering van de klachten (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1996).



    5. - Diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (patiŽnten met) CVS


    In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diagnostische en therapeutische interventies die bij CVS-patienten zijn toegepast. Daarbij wordt beschreven welke resultaten deze interventies tot nu toe hebben opgeleverd.


    5.1 - Het stellen van de diagnose CVS

    Empirische gegevens over welke diagnostische interventies bij CVS-patienten zijn toegepast alvorens bij hen de diagnose CVS wordt gesteld ontbreken. De definitie van CVS, die door de International Chronic Fatigue Syndrome Study Group is opgesteld voor onderzoeksdoeleinden, is geen geschikt diagnostisch instrument voor artsen. Het biedt praktiserend artsen te weinig aanknopingspunten voor de wijze waarop de symptomen moeten worden vastgesteld en beoordeeld (welke criteria) en bovendien ontbreken indicaties over de tijdstippen waarop de verschillende onderdelen van de klinische evaluatie moeten worden uitgevoerd.

    Swanink en collega's concluderen dat laboratoriumtesten niet kunnen worden gebruikt als diagnostische instrumenten voor CVS. De studies waarin laboratoriumtesten zijn gebruikt geven vaak inconsistente resultaten, waarbij het nog de vraag is of de ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek geteste patienten representatief zijn voor de CVS-patienten in de klinische praktijk. Bovendien benadrukken Swanink en collega's dat men op basis van toeval altijd wel afwijkende resultaten vindt wanneer men veel laboratoriumtesten uitvoert (Swanink, 1996).


    5.2 - Therapeutische interventies bij CVS

    Er is nog geen effectieve causale behandeling voor CVS gevonden. Wel wordt in de literatuur een aantal therapeutische interventies genoemd. Deze interventies richten zich op de symptomen van CVS of het leren omgaan met CVS (verbetering van de kwaliteit van leven). Het onderzoek naar de effectiviteit van deze behandelingsmethoden bevindt zich in verschillende stadia. Er is wel een aantal gecontroleerde studies uitgevoerd, maar methodologische tekortkomingen en kleine of heterogene onderzoeksgroepen bemoeilijken vooralsnog het trekken van conclusies.

    Deze paragraaf is een weergave van de in de literatuur beschreven interventies. Hiervoor is met name gebruik gemaakt van de overzichtsstudie van Wilson, Hickie, Lloyd et al. (1994).

    5.2.1 - Farmacologische behandelingen - Bij CVS-patienten met een depressieve stoornis worden soms antidepressiva voorgeschreven. In niet-gecontroleerde studies zou bij 70 tot 80% van de CVS-patienten verbetering zijn vastgesteld. In een gecontroleerde studie bij fibromyalgie-patienten werd de werkzaamheid van een lage dosering van een tricyclisch antidepressivum aangetoond in vergelijking tot een placebo en NSAID's (non-steroid anti-inflammatory drugs). Gesteld wordt dat fibromyalgie veel overeenkomsten vertoont met CVS (Swanink, Galama, Vercoulen et al., 1991). Een bezwaar tegen het gebruik van tricyclische antidepressiva is de gebleken geringe tolerantie van CVS-patienten voor de bijwerkingen. Andere soorten antidepressiva, de selectieve serotonine-heropname remmers (SSRI's) of de reversibele monoamine oxidase(MAO)-remmers, zouden beter worden verdragen (Wilson et al., 1994). Hiertoe is door Vercoulen en collega's een gerandomiseerde gecontroleerde studie uitgevoerd naar de werkzaamheid van fluoxetine (SSRI; 20 mg per dag) ten opzichte van een placebo bij depressieve en niet-depressieve CVS-patienten (Vercoulen, Swanink, Zitman et al., 1996). Uit deze studie komt naar voren dat fluoxetine geen effect heeft op de mate van vermoeidheid, depressiviteit, functionele beperkingen, slaapproblemen, neuropsychologisch functioneren, cognities en fysieke activiteit. De bevinding dat dit antidepressivum geen verbetering in de mate van depressiviteit bij CVS-patienten bewerkstelligt, geeft aanleiding om te veronderstellen dat aan depressieve symptomen bij CVS-patienten een ander causaal proces ten grondslag ligt dan bij patienten met een depressie in engere zin.
    Acyclovir (anti-virale therapie) geeft hetzelfde resultaat als een placebo bij CVS-patienten met een afwijkend EBV-serologisch patroon. Amerikaanse onderzoekers meldden een geringe verbetering in fysiek functioneren en kwaliteit van leven door een specifiek geconfigureerd RNA-preparaat, maar de onderzoeksgroep betrof hier uitsluitend CVS-patienten met aanzienlijke beperkingen (Wilson et al., 1994).
    Ook de effectiviteit van immunologische therapie is nog onduideijjk. In twee studies is het effect van hoge doses intraveneus toegediende immunogiobuline onderzocht. Uit het eerste onderzoek komt een verbetering in immuunfunctioneren naar voren bij 43% van de CVS-patienten in de experimentele groep tegenover 12% in de placebo-groep. In de tweede studie kon echter geen significant effect worden aangetoond (Wilson et al., 1994). Aan intramuscular toegediende immunoglobuline is ook een gunstig effect toegeschreven, maar hierbij is voorzichtigheid geboden vanwege de matige methodologische kwaliteit van de betreffende studie. Ook de effectiviteit van interferon bij CVS wordt onderzocht. Tot nu toe zijn echter geen methodologisch adequate studies verricht.
    Tenslotte kan worden genoemd dat een gecontroleerde studie is uitgevoerd naar het effect van hoge doses essentiele vetzuren bij CVS-patienten (Behan et al., 1990). Vijfentachtig procent van de experimentele groep rapporteerde verbetering in symptomen tegenover 17% in de controlegroep (placebo).

    5.2.2 - Psychologische behandelingen - De revalidatiestrategieen die zijn ontworpen bestaan uit combinaties van van gedoseerde conditietraining, gedragstherapie en/of cognitieve therapie (Harari & Glas, 1994). De eerder genoemde inactiviteitshypothese, waarbij inspanning gemeden wordt en de conditie van CVS-patienten steeds verder verslechterd, vormt een van de uitgangspunten. Door middel van gedoseerde conditietraining, cognitieve therapie en gedragstherapie wordt geprobeerd om deze vicieuze cirkel te doorbreken. Belangrijke elementen in de cognitieve gedragstherapie zijn: het stellen van doelen (meer fysieke en sociale activiteit), voorlichting over de ziekte, relaxatietraining, blootstelling aan activiteiten die vermeden worden, cognitieve herstructurering met betrekking tot beliefs en interpretable van gebeurtenissen en het evalueren van sociale of persoonijjke factoren die beperking bekrachtigen.
    In verschillende studies is de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie onderzocht. In een niet-gecontroleerde studie werd een aanzienlijke verbetering in activiteitenniveau en een reductie in vermoeidheid vastgesteld bij 70% van de CVS-patienten (Butler, Chalder, Ron et al., 1991). De non-respons en uitval was in dit onderzoek echter groot. In een onderzoek met een niet-gerandomiseerde controlegroep bleken depressieve CVS-patienten baat te hebben bij cognitieve gedragstherapie; bij niet-depressieve CVS-patienten werden geen significante verbeteringen in depressiviteit, stress-gerelateerde symptomen en de mate van moeheid waargenomen (Friedberg & Krupp, 1994). In een andere studie kon de meerwaarde van cognitieve gedragstherapie tegenover de gebruikeijjke klinische zorg niet worden vastgesteld (Lloyd, Hickie, Brockman et al., 1993). Uit een recent gecontroleerd onderzoek van Sharpe, Hawton, Simkin et al. (1996) komt wel naar voren dat cognitieve gedragstherapie een duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van de gebruikelijke medische zorg. Poliklinische CVS-patienten die gedurende vier maanden cognitieve gedragstherapie kregen (16 sessies) hadden een jaar later minder ongewenste ziektebeliefs, minder ongewenst coping-gedrag (vermijden van activiteit), minder ernstige moeheid en een beter fysiek functioneren.
    In Nederland heeft men in het Academisch Ziekenhuis Nijmegen een psychologisch behandelprotocol ontwikkeld (Bleijenberg, Vercoulen & Bazelmans, 1996). Het uitgangspunt is dat niet bekend is waardoor CVS ontstaat, maar dat er wel bepaalde psychologische factoren zijn die de klachten instandhouden. Naast het vermijden van inspanning worden als instandhoudende factoren genoemd: negatieve verwachtingen ten aanzien van de persoonlijke effectiviteit (de veronderstelling dat men zelf geen invloed kan uitoefenen op de klachten) en lichaamsattributies. De psychologische behandeling is gericht op verandering van de instandhoudende factoren:. het herstel van de activiteitenbalans, het verhogen van de 'self-efficacy' verwachtingen en het doorbreken van lichaamsattributies. Het doel van deze psychologische behandeling is het verminderen en beter hanteerbaar maken van de moeheidsklachten. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen voor welke CVS-patienten deze behandelmethode geschikt is.
    Tot slot kan worden opgemerkt dat meerdere auteurs pleiten voor een meer geintegreerde benadering van CVS. Diverse medische disciplines voeren elk vanuit hun eigen visie onderzoek en behandeling op het gebied van CVS uit. Omdat bij het ontstaan en instandhouden van CVS mogelijk verschillende factoren interacteren lijkt multidisciplinaire samenwerking bij onderzoek en behandeling van CVS noodzakeljjk.



    Lees verder : Deel III


    Cfr. : http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned14.txt 

    25-02-2006 om 09:13 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Moeheid en het chronische vermoeidheidssyndroom - Literatuurstudie - Deel III
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
        Moeheid 
        en het chronische vermoeidheidssyndroom
        Literatuurstudie

        Deel III



        6. - Problematiek en hulpvraag van CVS-patiŽnten


    Om inzicht te krijgen in de problematiek en hulpvraag van CVS-patienten is ondermeer gebruik gemaakt van het onderzoek van De Bruijn (1994). Het betreft hier een enquete die in 1993 is afgenomen bij donateurs van de ME-stichting in de regio Amsterdam. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de onderzoeksgegevens van de respondenten die aan de (hoofd)criteria voor CVS voldoen (gebaseerd op zelfrapportage van symptomen). De gegevens zijn afkomstig van 104 CVS-patienten; dat is 65% van de totale groep zieke, respondenten. Het betreft 90 vrouwen en 14 mannen. Bij de hier gepresenteerde gegevens moet rekening worden gehouden met het feit dat de CVS-patienten in dit onderzoek (leden van de ME-stichting woonachtig in Amsterdam en omstreken) niet representatief zijn voor de totale groep CVS-patienten. Het is bekend dat leden van een patientenorganisatie vaak langduriger en ernstiger ziek zijn dan niet-leden (Sharpe, Hawton, Seagroatt et al., 1992).


    6.1 - Het verrichten van werkzaamheden

    In tabel 6.1 wordt een overzicht gegeven van de door de patienten zelf ingeschatte capaciteit tot het verrichten van allerlei werkzaamheden. Het gaat hier om relatieve gegevens; de percentages geven aan hoeveel men denkt nog te kunnen ten opzichte van de periode voordat men ziek werd. Uit de tabel blijkt dat meer dan 90% van de patienten aangeeft ten hoogste 50% te kunnen van de werkzaamheden die men voorheen verrichtte met betrekking tot betaald werk, zwaar huishoudelijk werk, klussen in en om het huis en de verzorging van jonge kinderen. Alleen met betrekking tot licht huishoudelijk werk geeft een groter percentage patienten (22%) aan dat zij nog tenminste 50% kunnen van wat zij voor aanvang van de klachten deden (De Bruijn, 1994).


    Tabel 6.1 - Ingeschatte capaciteit tot het verrichten van werkzaamheden

    Percentage (1) Betaald werk Lichthuis-  Zwaar huis-  Klussen Kinderen
                                                     houdelijk   houdelijk 

                             (N=86) (2)      (N=94) (3)  (N=34) (4) 

           0%              60%                  2%           35%              56%       68%

      1-25%               17%                31%           52%              38%        14%

    26-50%               16%                45%           13%                5%        15%

    51-80%                 2%                17%             0%                1%        0%

       >80%                5%                  5%             0%                0%        3%

    ---------------------------------------------------------------------------

    (1) - De percentages geven aan de ingeschatte capaciteit ten opzichte van de capaciteit voor aanvang van de ziekte.
    (2) - Het betreft hier alleen de patienten die voor aanvang van de ziekte betaald werk verrichtten.
    (3) - Het betreft hier alleen de patienten die voor aanvang van de ziekte klussen in en om het huis verrichtten
    (4) - Het betreft hier alleen de patienten die voor aanvang van de ziekte jonge kinderen verzorgden.

    Bron : De Bruijn, 1994.

    Het onderzoek van De Bruijn (1994) laat eveneens zien hoe de arbeidssituatie is van de CVS-patienten die voorheen betaald werk verrichten. Ruim de helft van deze patienten is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Nog eens 14% is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Een kwart van deze gedeeltelijk arbeidsongeschikten is bovendien werkloos geworden voor het deel waarvoor zij geacht worden te kunnen werken, omdat zij zichzelf niet in staat achten nog te kunnen werken. Acht procent bevindt zich in een arbeidsongeschiktheidsprocedure; deze patienten zijn bijna een jaar ziek en ontvangen een uitkering volgens de Ziektewet of zij zijn verwikkeld in een beroepsprocedure omtrent een arbeids(on)geschiktheidsverklaring. Twintig procent van de patienten is werkloos of minder gaan werken. Deze patienten beschikken niet over een arbeidsongeschiktheidsverklaring. Voor 1% van de patienten geldt dat zij inmiddels pensioengerechtigd zijn of onder een wachtgeldregeling vallen. Slechts 2% van de patienten is nog in staat om evenveel te werken als vroeger. Het verrichten van betaalde arbeid gaat in die gevallen wel ten koste van andere werkzaamheden of activiteiten; men kan niet ook nog andere werkzaamheden verrichten of andere activiteiten uitvoeren.


    Tabel 6.2 - Huidige arbeidssituatie van CVS-patienten die voor aanvang van de klachten betaald werk verrichtten (N=88)

                                                  %-patiŽnten

    Volledig arbeidsongeschikt                              55
    Gedeeltelijk arbeidsongeschikt                        14
    In een arbeidsongeschiktheidsprocedure            8
    Volledig werkloos
        (zonder a.o.-verklaring)                               11
    Minder gaan werken
        (zonder gedeeltelijke AO-verklaring)             9
    Inmiddels AOW, VUT of wachtgeldregeling      1
    Werkt (inmiddels weer) evenveel als vroeger     2

    Bron : De Bruijn, 1994.

    Wat de arbeidsongeschiktheid betreft dient te worden opgemerkt dat de enquete werd afgenomen vier maanden na het van kracht worden van de nieuwe WAO-regeling (1 augustus 1993). Sinds het van kracht worden van de nieuwe WAO-regeling is het verkrijgen van een uitkering krachtens de ZW of de WAO volgens de ME-stichting voor veel patienten een probleem. Dit houdt verband met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, dat toen gewijzigd werd. Tot augustus 1993 luidde het medische deel van het arbeidsongeschiktheidscriterium dat arbeidsongeschiktheid een gevolg moest zijn van ziekte of gebrek. In de nieuwe bepaling werd dit aangescherpt; arbeidsongeschiktheid diende 'een rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek' te zijn. Volgens het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (1995a; 1995b) legt een deel van de verzekeringsartsen het begrip 'objectief zo uit dat alleen ongeschiktheid als gevolg van ziekte wordt aangehomen, indien lichamelijk afwijkingen aangetoond zijn. Recentelijk is door het Tijdelijk instituut voor coordinatie en afstemming (Tica) een richtijjn opgesteld, waarin het medisch arbeidsongeschiktheids-criterium wordt toegelicht (Tica, 1996). In de richtlijn wordt benadrukt dat het stellen van een diagnose geen voorwaarde is en op zichzelf geen recht geeft op een uitkering. De verzekeringsarts moet 'objectief' vaststellen of arbeidsongeschiktheid het rechtstreekse gevolg van ziekte of gebrek is. Dit houdt in dat de verzekeringsarts moet vaststellen of er stoornissen, beperkingen en handicaps (in arbeid) zijn en of die een consistent geheel vormen. Deze richtijjn biedt verzekeringsartsen een handvat om ook bij CVS-patienten de mate van medische arbeids(on-)geschiktheid vast te stellen.


    6.2 - Sociale activiteiten en relaties

    De helft van de CVS-patienten geeft aan ten hoogste 25% te kunnen op het gebied van lopen en fietsen ten opzichte van wat zij voor aanvang van de klachten deden. Slechts 2% geeft aan nog tenminste 80% te kunnen in vergelijking tot vroeger. Alle patienten zijn eveneens beperkt in hun recreatieve activiteiten (bijvoorbeeld wandelen, de stad ingaan); 78% geeft aan ten hoogste 25% te kunnen op dit gebied in vergelijking tot voor de klachten, 21% is in staat een kwart tot de helft van de recreatieve activiteiten die men voorheen deed nog te doen en 1% is in staat nog 50 tot 80% te doen.

    Veel patienten blijken eveneens moeite te hebben om sociale contacten te onderhouden; de helft van de patienten geeft aan ten hoogste 25% op dit gebied aan te kunnen in vergelijking tot vroeger. Bijna de helft van de CVS-patienten (49%) geeft aan minder vrienden en kennissen te hebben dan voorheen. Bij 32% is dit gelijk gebieven, terwijl 19% van de patienten meer vrienden en kennissen heeft gekregen sinds het begin van de ziekte. Niet alleen de fysieke moeheid, maar ook andere factoren kunnen een negatieve rol spelen bij het aangaan en onderhouden van sociale relaties, bijvoorbeeld emotionele labiliteit, angst, depressiviteit of schaamte. Uit citaten in het rapport van De Bruijn blijkt dat meerdere patienten hun ziekte niet bespreken met mensen uit hun sociale omgeving. Gesteld wordt dat met name de bejegening door artsen hierbij een rol speelt. Het stellen van de diagnose ME zou deze schaamtegevoelens verminderen; de klachten van de patient zijn dan legitiem bevonden (De Bruijn, 1994).

    Uit een ander Nederlands onderzoek, waarin ondermeer gebruik werd gemaakt van de Sickness Impact Profile om de invloed van CVS op het dagelijks functioneren vast te stellen, blijkt dat de meeste problemen voor CVS-patienten liggen op het gebied van neuropsychologisch functioneren, werk, vrijetijdsbesteding, slapenlrusten, huishoudelijke taken en sociale interactie (Vercoulen, Swanink, Fennis et al., 1994).


    6.3 - Behoefte aan sociale steun

    Uit het onderzoek van De Bruijn (1994) komt naar voren dat 63% van de zieke (noot : het betreft hier zowel de respondenten die voldoen aan de CVS-criteria als de (zieke) respondenten die niet aan deze criteria voldoen) respondenten aangeeft behoefte te hebben aan extra ondersteuning. Dertig procent heeft vooral behoefte aan emotionele steun en 51% vooral aan instrumentele steun, terwijl 20% behoefte heeft aan beide vormen van sociale steun. Van de patienten die voldoen aan de CVS-criteria heeft 71% behoefte aan extra sociale steun.

    Ruim de helft van de zieke respondenten (54%) geeft aan onvoldoende emotionele of instrumentele steun vanuit de sociale omgeving (partner, familie, vrienden, kennissen en buren) te ontvangen en 32% geeft aan zowel onvoldoende emotionele als onvoldoende instrumentele steun te ontvangen. Vrouwen ervaren vaker onvoldoende sociale steun vanuit hun omgeving dan mannen. Alleenstaanden geven eveneens aan vaker steun vanuit hun omgeving te ontberen dan mensen met een partner.

    Van alle zieke respondenten heeft bijna een kwart (23%) een beroep gedaan op de gezinsverzorging in verband met de klachten. Ouderen (>48 jaar), alleenstaanden en mensen die tenminste zeven jaar ziek zijn doen vaker een beroep op de gezinsverzorging dan jongeren (<38 jaar), mensen met een partner en mensen die niet langer dan drie jaar ziek zijn. Mensen die naast chronische vermoeidheid ook andere ernstige gezondheidsklachten rapporteren krijgen even vaak hulp als mensen die alleen vanwege hun vermoeidheidsklachten de thuiszorgorganisaties hebben benaderd. Bijna de helft van de zieke respondenten die gezinshulp krijgen vindt de verstrekte hulp onvoldoende. Daarnaast vinden sommigen dat het hulpaanbod niet aansluit bij hun behoeften, bijvoorbeeld de tijdstippen waarop hulp nodig is. Deze klachten worden ook door andere chronisch zieken die gebruik maken van de gezinsverzorging genoemd.

    Voor het verkrijgen van emotionele steun heeft 13% van de zieke respondenten 'professionals' ingeschakeld. Daarnaast neemt 13% van de zieke respondenten deel aan de door de ME-stichting georganiseerde praatgroepen.

    Het aantal CVS-patienten dat een beroep doet op de alternatieve gezondheidszorg wordt hoog ingeschat. Uit een recent Nederlands onderzoek, waarin CVS-patiŽnten 18 maanden werden gevolgd, blijkt dat 45% in die periode een alternatief geneeskundige heeft bezocht (Vercoulen, Swanink, Fennis et al.,1996).



    7. - Samenvatting


    Deze tekst is bedoeld als achtergrondinformatie voor het overleg tussen huisartsen en specialisten over de diagnosestelling, begeleiding en behandeling van (patienten met) CVS.

    Veel patienten komen bij de huisarts met moeheidsklachten : 3% van alle episoden bij de huisarts begint met de klacht 'moeheid'. Moeheid is een klacht die vaker door vrouwen dan door mannen wordt gepresenteerd. Moeheidsklachten worden door zowel jonge als oudere mensen bij de huisarts naar voren gebracht en komen voor bij mensen met en zonder baan.

    In een derde van de gevallen gaat het om een op zichzelf staande klacht; bij tweederde worden naast moeheid andere (meestal somatische) klachten genoemd. Het vermoeden van de huisarts dat een bepaald probleem of een bepaalde ziekte aan de klachten ten grondslag ligt wordt meer geleid door de eventuele bijkomende klachten dan door de moeheidsklachten.

    Van alle episoden die beginnen met de klacht 'moeheid', wordt in 29% van de gevallen de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' gesteld. Andere einddiagnosen die worden gesteld zijn : virusziekte (9%), hoge-luchtweginfectie (5%), geen ziekte (4%), acute bronchitis (3%), anemie (2%), stress (2%), en werkproblemen (2%).

    Zesentachtig procent van de episoden met een einddiagnose 'moe, ziektegevoel' is binnen vier weken beeindigd. In 3% van de episoden gaat het om moeheid die langer dan zes maanden aanhoudt. Patienten bij wie de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' wordt gesteld komen vaker dan andere patienten bij de huisarts met andere ziekten of problemen. Bij 41% van de patienten met de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' worden eveneens psychische of sociale problemen vastgesteld; bij 26% wordt eveneens een chronische ziekte gediagnostiseerd.

    De huisarts kan verschillende diagnostische interventies toepassen. Bij 78% van de patienten die in een eerste consult de klacht moeheid presenteren wordt door de huisarts zelf diagnostisch onderzoek (meestal lichamelijk onderzoek) verricht. In ruim een kwart van de gevallen wordt de patient voor extern onderzoek verwezen. Omdat in deze consulten ook andere klachten, naast moeheid, kunnen zijn gepresenteerd, is het niet duidelijk of deze diagnostische interventies naar aanleiding van de moeheidsklachten dan wel naar aanleiding van de eventuele bijkomende klachten worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de therapeutische interventies, waarbij met name het hoge percentage patienten (40%) dat medicatie krijgt voorgeschreven opvalt. Wanneer gekeken wordt welke therapeutische interventies bij patienten bij wie de einddiagnose 'moe, ziektegevoel' wordt gesteld zijn toegepast, blijkt dat bij 14% medicatie is voorgeschreven. De meest voorkomende interventie is het geven van advies (in 35% van de episoden). In 3% van de episoden met een einddiagnose 'moe, ziektegevoel' heeft de huisarts de patient verwezen naar een andere hulpveriener in de eerste lijn of naar een medisch specialist.

    In de NHG-standaarden wordt moeheid als een symptoom van veel verschillende ziekten en stoornissen genoemd. Moeheid als op zichzelf staande klacht is weinig richtinggevend voor het stellen van een diagnose. Geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het (doen) verrichten van bloedonderzoek. Alleen indien andere symptomen aanwezig zijn die de aanwezigheid van een bepaalde ziekte of stoornis waarschijnlijk maken of indien de moeheidsklachten langdurig aanhouden kan bloedonderzoek diagnostische waarde hebben.

    Het chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt gekenmerkt door een combinatie van aspecifieke symptomen, waarbij geen objectief fysieke of laboratorische afwijkingen warden gevonden. Langdurige of recidiverende moeheid is het belangrijkste symptoom, maar meestal komen andere symptomen eveneens voor. De patienten vertonen een divers klinisch beeld.

    CVS is een nosologische diagnose, dat wil zeggen dat de diagnose berust op consensus tussen wetenschappers over welke combinatie van symptomen en waarnemingen CVS wordt genoemd. Voor onderzoeksdoeleinden zijn diverse definities opgesteld, waarvan op dit moment de definitie van de International Chronic Fatigue Syndrome Study Group de meest gangbare is. Volgens deze definitie dient sprake te zijn van zelfgerapporteerde, klinisch geigvalueerde, lichamelijk onverklaarde aanhoudende of recidiverende moeheid (> zes maanden), die leidt tot aanzienlijke beperkingen in beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren en waarbij tenminste vier andere symptomen eveneens minimaal zes maanden aanwezig zijn (zoals beperkingen in korte termijn-geheugen of concentratieproblemen, keelpijn, gevoelige hals- of okselklieren, spierpijn of gewrichtspijn zonder zwelling of roodheid, hoofdpijn, slaapklachten, en malaiseklachten na inspanning die langer dan 24 uur duren).

    De prevalentie van CVS in Nederland wordt geschat op minimaal 1,3 per 1000 personen, Driekwart van de responderende Nederlandse huisartsen kent tenminste een CVS-patient onder hun patienten. Evenals de klacht moeheid, komt ook CVS meer voor bij vrouwen dan bij mannen. De gemiddelde leeftijd waarop de ziekte zich manifesteert wordt geschat op circa 33 jaar. Echter, ook bij kinderen en 65-plussers komt CVS voor.

    Over de pathogenese van CVS is weinig bekend. Meer onderzoek naar de invloed van somatische, psychiatrische en psychologische factoren is noodzakelijk. Een aantal factoren zou CVS niet zozeer veroorzaken als wel instandhouden. Het betreft: het vermijden van lichamelijke activiteit, attributies aan lichamelijke oorzaken en negatieve verwachtingen ten aanzien van de invloed die men zelf op de klachten kan uitoefenen. De behandeling van CVS-patienten richt zich tot nu toe vooral op het verminderen van de symptomen van CVS of het leren omgaan met de ziekte. Er zijn verschillende farmacologische behandelingen bij CVS-patienten uitgetest, vooral antidepressiva en immunologische therapie. In incidentele studies zijn bij patienten verbeteringen waargenomen. Veel studies hebben echter methodologische tekortkomingen (geen controlegroep, kleine groepen patienten of specifieke subgroepen, van patienten). De resultaten van studies die methodologisch wel adequaat zijn, zijn meestal teleurstellend. Daarnaast heeft men psychologische behandelingen gebaseerd op cognitieve gedragstherapie bij CVS-patienten toegepast. Deze vorm van behandeling is gericht op het veranderen van de eerder genoemde instandhoudende factoren. Onderzoek naar de effectiviteit van deze therapie geeft geen eenduidig beeld.

    CVS-patienten ervaren problemen bij het verrichten van werkzaamheden, sociale activiteiten en sociale relaties. Uit een onderzoek onder de leden van de ME-stichting in Amsterdam en omstreken die voldoen aan de criteria voor CVS blijkt dat slechts 5% in staat is om op dezelfde wijze betaald werk te verrichten als men voor de klachten gewend was; 60% van de patienten die voorheen een betaalde baan hadden geeft aan evenveel als vroeger. Onlangs heeft het Tica een richtlijn opgesteld voor de interpretatie van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium door verzekeringsartsen. In de richtlijn wordt benadrukt dat niet de ziekte, maar de gevolgen van ziekte (in termen van stoornissen, beperkingen en handicaps) doorslaggevend zijn voor het bepalen van de mate van medische arbeidsongeschiktheid. De richtlijn biedt verzekeringsartsen een handvat om ook bij CVS-patienten de mate van arbeids(on)geschiktheid vast te stellen. Het verzorgen van jonge kinderen wordt als een groot probleem ervaren : tweederde van de patienten die voorheen deze taak uitvoerden geeft aan dit geheel niet meer te kunnen. CVS blijkt bovendien een negatief effect te hebben op de sociale activiteiten van de patient : 78% geeft aan ten hoogste 25% op dit gebied te kunnen in vergelijking tot vroeger. Veel patienten blijken eveneens moeite te hebben om sociale contacten te onderhouden. Niet alleen de fysieke moeheid speelt hierbij een rol, maar ook psychologische factoren (depressiviteit, schaamte) kunnen het onderhouden van sociale contacten bemoeilijken.

    De sociale steun die men vanuit de omgeving ontvangt wordt vaak als onvoldoende ervaren. Daarom doet bijna een kwart van de leden met vermoeidheidsklachten een beroep op de gezinsverzorging en zoekt een kleine groep eveneens emotionele ondersteuning bij 'professionals'. Het aantal CVS-patiŽnten dat onder behandeling is in het alternatieve circuit is niet precies bekend, maar wordt hoog ingeschat.



    Tenslotte


    In deze tekst is met name aandacht besteed aan moeheid en CVS in de huisartspraktijk. Dit betekent niet dat huisartsen alle CVS-patienten zien. Waarschijnlijk bevindt eveneens een deel van de groep patienten die voldoen aan de criteria voor CVS zich in de tweede lijn, bijvoorbeeld in verband met de behandeling van een andere aandoening. Ook voor medisch specialisten geldt dus dat zij te maken kunnen hebben met CVS.

     

    Literatuur


    1. Bazelmans, E., Vercoulen, J.H.H.M., Swanink, C.M.A. et al. (1996) - Prevalentie van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom en het Primair Fibromyalgie syndroom in Nederland - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde (geaccepteerd).

    2. Behan, , P.O. et al. (1990) - Effect of high doses of essential fatty acids on the Postviral Fatigue Syndrome - Acta Neurologica Scandinavica, 82: 209-216.

    3. Bensing, J.M. & Schreurs, K. (1995) - Sekseverschillen bij moeheid - Huisarts en Wetenschap, 38: 412-421.

    4. Bleijenberg, G., Vercoulen, J. & Bazelmans, E. (1996) - Chronische vermoeidheid Ė In : Handboek Klinische Psychologie.

    5. Bruijn, G. de (1994) - Uitgeteld. Cijfers omtrent de gezondheidsbeleving, sociale situatie en hulpbehoefte van donateurs van de Myalgische Encephalomyelitis Stichting in de regio Amsterdam.

    6. Butler, S., Chalder, T., Ron, M. et al. (1991) - Cognitive behaviour therapy in chronic fatigue syndrome - Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 54: 153-158.

    7. College van Toezicht Sociale Verzekeringen (1995a) - Nadere rapportage over het arbeidsongeschiktheidscriterium (pp. 42-43) Ė Zoetermeer : Ctsv.

    8. College van Toezicht Sociale Verzekeringen (1995b) - Toegang tot de WAO - Onderzoek naar de toepassing van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium (pp. 70-71) Ė Zoetermeer : Ctsv.

    9. Cope, H., David, A.,-Pelosi, A. et al. (1994) - Predictors of chronic "postviral" fatigue - The Lancet, 344: 864-868.

    10. Dinant, G.J., Wijk, M.A.M. van, Janssens, H.J.E.M. et al. (1994) - NHG-Standaard Bloedonderzoek : algemene principes en uitvoering in eigen beheer. Huisarts en Wetenschap, 37: 202-211.

    11. Foets, M. & Sixma, H. (1991) - Een Nationale studie van ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk - Basisrapport gezondheid en gezondheidsgedrag in de praktijkpopulatie Ė Utrecht : NIVEL.

    12. Foets, M., Vaiden, J. van der (1990) - Een Nationale studie van ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Basisrapport meetinstrumenten en procedures Ė Utrecht : NIVEL.

    13. Friedberg, F. & Krupp, L.B. (1994) - A comparison of cognitive behavioral treatment for chronic fatigue syndrome and primary depression - Clinical Infectious Diseases, 18 (Suppl. I): S105-S110.

    14. Fukuda, K., Straus, S.E., Hickie, 1. et al. (1994) - The chronic fatigue syndrome : A comprehensive approach to its definition and study - Annals of Internal Medicine, 121: 953-959.

    15. Haan, M. de (1982) - Vage klachten : wat verstaan patienten en huisartsen er onder ? - Huisarts en Wetenschap, 25: 190-195.

    16. Harari, D. & Glas, G. (1993) - Chronische moeheid, testcase voor de geneeskunde - Tijdschrift voor Psychiatrie, 35(10): 51-63.

    17. Hawton, K.E. & Hengeveld, M.W. (1991) - Het chronische-moeheidssyndroom : psychiatrische aspecten - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 135: 2014-2017.

    18. Hofmans-Okkes, I.M., Meyboom-De Jong, B., Lamberts, H. & Weel, C. van (1994) - Chronisch zieken met zeldzame ziekten in de huisartspraktijk - Zoetermeer: Nationale Commissie Chronisch Zieken.

    19. Holmes, G.P., Kaplan, J.E., Gantz, N.M. et al. (1988) - Chronic fatigue syndrome : A working case definition - Annals of Internal Medicine, 108: 387-389.

    20. Ho-Yen, D.O. & McNamara, 1. (1991) - General practitioners' experience of the chronic fatigue syndrome - British Journal of General Practice, 41: 324-326.

    21. Ingham, J. & Miller, P. (1979) - Symptom prevalence and severity in a general practice population - Journal of Epidemiology and Community Health, 33: 191-198.

    22. Lamberts, H. (1994) - In het huis van de huisarts - Verslag van het Transitieproject (tweede druk) Ė Lelystad : MediTekst.

    23. Lewis, G. & Wessely, S. (1992) - The epidemiology of fatigue : more questions than answers - Journal of Epidemiology Community Health, 33: 191-198.

    24. Lloyd, A.R., Hickie, I., Boughton, C.R. et al. (1990) - Prevalence of chronic fatigue syndrome in an Australian population - Medical Journal of Australia, 153: 522-528.

    25. Lloyd, A.R., Hickie, I., Brockman, A. et al. (1993) - Immunologic and psychologic therapy for patients with chronic fatigue syndrome : a double-blind placebo-controlled trial - American Journal of Medicine, 94: 197-203.

    26. Meijman, T.F. (1991) - Over vermoeidheid Ė Amsterdam : Studiecentrum Arbeid en Gezondheid/Coronel Laboratorium, Universiteit van Amsterdam.

    27. Rijk, A.E. de, Schreurs, K. & Bensing, J. (1996a) - De invloed van patientkenmerken op de beoordeling van moeheid door de huisarts - Gedrag & Gezondheid, 24: 173-180.

    28. Rijk, A.E. de, Schreurs, K.M.G. & Bensing, J.M. (1996b) - General practice consultations on fatigue : between somatization and psychologization Ė (aangeboden)

    29. Sharpe, M.C., Archard, L.C., Banatvala, J.E. et al. (1991) - A report - chronic fatigue syndrome : guidelines for research - Journal of the Royal Society of Medicine, 84: 118-121.

    30. Sharpe, M., Hawton, K., Seagroatt, V. & Pasvol, G. (1992) - Follow up of patients presenting with fatigue to an infectious diseases clinic - British Medical Journal, 305: 147-152.

    31. Sharpe, M., Hawton, K., Simkin, S. et al. (1996) - Cognitive behaviour therapy for the chronic fatigue syndrome : a randomised controlled trial - British Medical Journal, 312: 22-26.

    32. Smets, E.M.A., Garssen, B., Bonke, B. et al. (1995) - The Multidimensional Fatigue Inventory (MFI). Psychometric qualities of an instrument to assess fatigue - Journal of Psychosomatic Research, 39: 315-325.

    33. Surawy, Ch., Hackmann, Hawton et al. (1995) - Chronic fatigue syndrome : A cognitive approach - Behavioral Research and Therapy, 33: 535-544.

    34. Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D., Vercoulen, J.H.M.M. et al. (1991) - Het chronische-moeheidssyndroom. - 1. - Somatologische hypotheses - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 135: 2005-2009.

    35. Swanink, C.M.A., Melchers, W.J.G., Meer, J.W.M. van der et al. (1994) - Enteroviruses and the chronic fatigue syndrome - Clinical Infectious Diseases, 19: 860-864.

    36. Swanink, C.M.A., Meer, J.W.M. van der, Vercoulen, J.H.M.M. et al. (1995) - Epstein-Barr virus and the chronic fatigue syndrome : normal virus load in blood and normal immunological reactivity in the EBV-regression assay - Clinical Infectious Diseases, 20: 1390-1392.

    37. Swanink, C.M.A. (1996) - Chronic fatigue syndrome : clinical, microbiological and immunological aspects Ė Nijmegen : Katholieke Universiteit Nijmegen (dissertatie).

    38. Swanink, C.M.A., Vercoulen, J.H.M.M., Galama, J.M.D. et al. (1996) - Lymphocyte subsets, apoptosis and cytokines in patients with chronic fatigue syndrome - Journal of Infectious Diseases, 173 (in druk).

    39. Tijdelijk instituut voor coordinatie en afstemming (1996) - 'Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium' Ė Richtlijn Ė Amsterdam : Tica.

    40. Vercoulen, J.H.M.M., Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D. et al. (1991) - Het chronische-moeheidssyndroom Ė 11. - Psychosociale hypotheses - Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 135: 2010-2014.

    41. Vercoulen, J.H.M,M., Swanink, C.M.A., Fennis, J.F.M. et al. (1994) - Dimensional assessment of chronic Fatigue Syndrome - Journal of Psychosomatic Research, 38: 383- 392.

    42. Vercoulen, J.H.M.M., Swanink, C.M.A., Fennis, J'.F.M. et al. (1996) - Prognosis in chronic fatigue syndrome : a prospective study on the natural course - Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 60: 489-494.

    43. Vercoulen, J.H.M.M., Swanink, C.M.A., Zitmati, F.G. et Ed. (1996) - Randomised, double-blind, placebo-controlled study of fluoxetine in chronic fatigue syndrome - The Lancet, 347: 858-861.

    44. Wessely, S. (1989) - Management of chronic (postviral) fatigue syndrome - Journal of the Royal College of General Practitioners, 39: 26-29.

    45. Wessely, S., Chalder, T., Hirsch, S. et al. (1995) - Postinfectious fatigue : prospective cohort study in primary care - The Lancet, 345 1333-1338.

    46. Wilson, A., Hickie, I., Lloyd, A. et al. (1994) - The treatment of chronic fatigue syndrome : Science and speculation - American Journal of Medicine, 96: 544-550.


    Cfr. : http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned14.txt

    Cfr. ook 'Langdurige lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten : samenvatting, conclusies en aanbevelingen voor het beleid van de medicus practicus' : http://www.me-net.dds.nl/meweb/ned15.txt 

    25-02-2006 om 09:10 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 0/5 - (0 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hospicevoorzieningen - Een goede plek om te sterven - Palliatieve zorg in Nederland
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
         Sint-Maarten ('Sinterklaas')
         http://www.ond.vlaanderen.be/edison/Archief/Wat/Evenementen/Feestdagen/Sint/Sint.htm



         Hospicevoorzieningen

         Bron : Rob Bruntink
         'Een goede plek om te sterven - Palliatieve zorg in Nederland'
         Uitgeverij Plataan, Zutphen. 2002 
         cfr. :
    http://www.dood.nl/showit.php3?cid=127 
         Nederlandse Hospice Beweging (NHB) 
         cfr. :
    http://www.zorgwelzijn.nl/artikelen/pietersluis.htm 
         Contactpersoon : Andre de la Porte : 053-5305672
         Jaarverslag 2004 Ė cfr. :
    http://www.vhnederland.nl/


         1. - Historie

    Op deze pagina`s vindt u korte historische beschrijvingen van de opkomst van hospicezorg en palliatieve zorg. Er wordt eerst aandacht besteed aan de Nederlandse historie. Daarna volgt de internationale blik.


    1.1 - Geschiedenis van de hospices Ė Nationaal

    De eerste voortekenen van wat later de Nederlandse hospicebeweging werd, zijn te traceren in het begin van de jaren tachtig. Enkele pioniers hadden kennis gemaakt met hospices in Groot-BrittanniŽ. Onder die pioniers zaten relatief veel verpleegkundigen, een enkele (verpleeghuis)arts en betrokkenen uit de christelijke zuil van de gezondheidszorg en de patiŽntenverenigingen. Eťn van deze pioniers, Pieter Sluis, destijds huisarts in Nieuwkoop, nam in 1984 het initiatief tot de oprichting van de Stichting Elisabeth KŁbler-Ross Nederland Ė cfr. : http://www.kubler-ross.nl/ -. Deze stichting wilde haar ideeŽn over bewust sterven en rouwverwerking in Nederland bekend maken. Ook priester Rob van Hellenberg Hubar zette zijn ervaringen in Groot-BrittanniŽ om in concrete daden. Hij richtte in 1987 de Stichting Elckerlijck Ė cfr. : http://www.elckerlijck.nl/ - op, een Ďstichting voor bewustwording rond sterven en levení.

    Beide organisaties hadden in eerste instantie als doel de hospicegedachte te verspreiden of Ė als onderdeel daarvan Ė een bewustwording op gang te brengen rondom het denken over leven en dood. Een folder van Elckerlijck hierover : ĎHet enige wat nog telt als het sterven nabij is, is de kostbare, resterende tijd goed en rustig samen door te brengen, om elkaar te troosten. Om op een goede manier afscheid van elkaar te nemen. Maar vaak schiet dat er in onze jachtige samenleving bij iní.
    Eveneens essentieel voor de visie van beide stichtingen was dat zij het sterven als proces van innerlijke groei (voor zowel de patiŽnt als voor diens naaste omgeving) zagen. ĎOnze laatste dagení, zo meldde een brochure van Elckerlijck, Ďzouden tot de meest waardevolle van ons leven kunnen behoren. Ze bieden ons de laatste kans om kennis over te dragen, afscheid te nemen, onverwerkte zaken af te maken, herinneringen na te laten, te genieten van het levení.

    Met de oprichting van deze stichtingen ontstonden podia voor mensen die zich stoorden aan de medisch-technische dominantie in de zorg voor ongeneeslijk zieke patiŽnten. Er ontstond een cultuur waarin sterven niet als het ultieme falen van de gezondheidszorg werd gezien, maar als een normale, bij het leven horende fase.

    Kort na de oprichting van de Stichting Elisabeth KŁbler-Ross startte Sluis in 1988 met enkele tientallen vrijwilligers het eerste hospice in Nederland: het bijna-thuis-huis in Nieuwkoop. Hij richtte ook een koepelorganisatie op : de Nederlandse Hospice Beweging (NHB) - cfr. : http://www.palliatievezorg.nl/?s_page_id=811 - . De NHB is in 2001 opgevolgd door de vereniging Vrijwilligers Hospicezorg Nederland (VHN) Ė cfr. : http://www.vhnederland.nl/ -, die in 2005 fuseerde met de Stichting Vrijwilligers Terminale Zorg en nu Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg heet.
    Priester Van Hellenberg Hubar bewandelde andere wegen, maar ook zijn inzet, samen met die van het Leger des Heils Ė cfr. : http://www.legerdesheils.nl/website/basicsite.nsf//wwwVwContent/l1home.htm -, leidde in 1994 tot de oprichting van een nieuw hospice : Rozenheuvel in Rozendaal Ė cfr. : http://www.rozenheuvel.nl/ .
    De geschiedenis van de Nederlandse hospicebeweging is niet volledig als niet ook naar twee andere hospices wordt verwezen : hospice Kuria in Amsterdam Ė cfr. : http://home.hetnet.nl/~s.holsappel/2003/kuria.html - en het Johannes Hospitium in Vleuten Ė cfr. : http://www.johanneshospitium.nl/index.html -. Beide hospices zijn in 1992 vanuit religieuze betrokkenheid ontstaan. Het initiatief voor het Amsterdamse hospice kwam van een aantal hervormde en gereformeerde kerken. Het hospice in Vleuten is opgericht met steun vanuit de Maltezer Ė cfr. : http://www.maltezerorde.nl/ - en Johanniter Orde Ė cfr. : http://www.johanniterorde.nl/orde/jorde.html -.

    In 1984 werd de Stichting Landelijke Samenwerking Terminale Zorg opgericht, de voorloper van de Stichting Vrijwilligers Terminale Zorg (VTZ). VTZ-organisaties, die patiŽnten en naasten thuis ondersteunen, merkten in de praktijk dat er soms behoefte was aan een vervangend thuis, omdat er weinig mantelzorg was of omdat de mantelzorgers oververmoeid raakten. Zo ontstond een aantal VTZ-organisaties met een hospice of bijna-thuis-huis erbij.

    In 1996 werd het Netwerk Palliatieve Zorg voor Terminale PatiŽnten Nederland (NPTN) Ė cfr. : http://www.palliatief.nl/nationaal/palliatiefcontent.html?pid=2333 - opgericht. Het gros van de hospices en bijna-thuis-huizen dat in de pioniersfase was ontstaan, werd lid van deze vereniging. Sinds midden jaren í90 van de vorige eeuw kwam een ware hausse aan nieuwe hospices en bijna-thuis-huizen op gang. Ook in of bij verpleeg- en verzorgingshuizen werden speciale Ďhospice-afdelingení of Ďpalliatieve unitsí opgericht. Daarmee is hospicezorg geÔntegreerd geraakt in de reguliere gezondheidszorg.


    1.2 - Geschiedenis van de hospices Ė Internationaal

    De allereerste hospices stammen uit de vierde eeuw. Het waren rusthuizen voor vermoeide pelgrimsreizigers. Na verloop van tijd legden deze huizen zich steeds meer toe op de fysieke verzorging van de vaak zwaar gehavende pelgrims. Ook omwonenden van het hospice konden er voor verzorging terecht. De gastvrije huizen verdwenen pas na de middeleeuwen, toen ze werden overgenomen door artsen die er ziekenhuizen van maakten.

    In het midden van de negentiende eeuw werd de traditie van deze hospices nieuw leven ingeblazen door de FranÁaise Jeanne Garnier Ė cfr. : http://www.pallianet.org/206.0.html - en de Ierse Sisters of Charity Ė cfr. : http://www.sistersofcharityofjesusandmary.zvl.org/lifetodayNl.html -. Garnier richtte LíAssociation des Dames du Calvaire Ė cfr. : http://www.ips-communication.com/mmjg/pages/dames_calvaire/presentation.htm - op en startte in 1843 het eerste hospice voor ongeneeslijk zieken in Lyon. Daarna volgden hospices in onder meer Parijs, St. Etienne en Marseille. In het Ierse Dublin werd in 1879 het eerste hospice van de Sisters of Charity opgericht : Our Ladyís Hospice for the Dying Ė cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=10320877&query_hl=2&itool=pubmed_docsum -. Daarna volgden hospices in AustraliŽ (Sacred Heart Hospice in Sydney Ė cfr. : http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=8520872&query_hl=3&itool=pubmed_docsum -) in 1890) en Engeland (St. Josephís in Londen Ė cfr. : http://www.sjhc.london.on.ca/corp/about/history/stjoes.htm - in 1905).

    De palliatieve zorg zoals we die nu kennen, dankt haar bestaan aan een Engelse verpleegkundige en arts : Dame Cicely Saunders Ė cfr. : http://www.palliatievezorg.nl/?s_page_id=850&id=1160 & http://www.ikonrtv.nl/pastoraat/column.asp?oId=176&oItem=32 Ė (je kunt haar stem horen als je naar http://www.cicelysaundersfoundation.org/index.php/about/keyindividuals/damecicely/inconversation?PHPSESSID=40450164092a663b31ede08a41d2ff96 gaat). Zij richtte in Zuid-Londen een speciale locatie op voor mensen die in het ziekenhuis opgegeven waren en die thuis niet konden sterven : het St. Christopherís Hospice Ė cfr. : http://www.stchristophers.org.uk/ & http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=pubmed&dopt=Abstract&list_uids=11596547&query_hl=7&itool=pubmed_docsum -. Volgens haar kon de gezondheidszorg nog heel veel voor deze patiŽnten en hun naasten betekenen. Met adequate pijnbestrijding bijvoorbeeld en bestrijding van andere symptomen die zich in de laatste levensfase kunnen voordoen. Hulpverleners zouden aandacht kunnen besteden aan de niet-lichamelijke problemen, bijvoorbeeld op psychosociaal en spiritueel gebied. Deze zorg zou uitbehandelde patiŽnten moeten worden aangeboden in hun eigen omgeving en, als het niet anders kon, in een vervangende omgeving die zoveel mogelijk op thuis leek. Het zou een kleinschalige, rustige omgeving moeten zijn, met ruimte voor warmte en medemenselijkheid. En waar de naasten van de patiŽnt nadrukkelijk bij de verzorging betrokken werden. Kortom: een totale begeleiding naar een waardige dood, dŠt viel aan patiŽnten en naasten nog te bieden als genezing niet meer mogelijk was.

    Vijf jaar na de start van St. Christopherís Hospice was er een internationale hospicebeweging : wereldwijd kreeg Saundersí initiatief navolging. Eerst elders in Groot-BrittanniŽ, later in de jaren zeventig ook in de Verenigde Staten, AustraliŽ en Canada. De Europese landen volgden wat later. In Duitsland werd bijvoorbeeld in 1983 het eerste hospice geopend, en in Spanje in 1984. In 1988 werd het eerste hospice in Nederland opgericht (een Ďbijna-thuis-huisí in Nieuwkoop Ė cfr. : http://www.hospiceliemeernieuwkoop.nl/ -).

    Toen Saunders in 1967 haar hospice in Zuid-Londen opende, was er dus feitelijk sprake van het begin van een derde golf van hospices. Professionaliteit kenmerkte deze laatste golf; in St. Christopherís Hospice werd de meest recente kennis over pijn- en symptoombestrijding ingezet. Ook werd wetenschappelijk onderzoek onder patiŽnten uitgevoerd. Hospice-medewerkers droegen hun kennis uit door onderwijs te geven aan hulpverleners die elders in de zorg werkten. Ook werd een consultatiedienst voor artsen opgezet. De vele hospices die Saundersí voorbeeld volgden, zorgden ervoor dat palliatieve zorg in de jaren zeventig en tachtig steeds meer voet aan de grond kreeg in de Britse geneeskunde. In 1987 werd palliatieve geneeskunde hier een erkend specialisme, vergelijkbaar met de status van interne geneeskunde of oncologie. Groot-BrittanniŽ telt inmiddels meer dan tweehonderd hospices (voor BelgiŽ Ė cfr. : http://www.palliatief.be/ -).

    Van groot belang voor de ontwikkeling van hospicezorg in de jaren zeventig zijn de publicaties van de Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth KŁbler-Ross Ė cfr. : http://www.kubler-ross.nl/ & http://users.belgacom.net/bn481228/ -. Zij wordt Ė samen met Cicely Saunders Ė gezien als grondlegger van de wereldwijde hospicebeweging. In 1969 publiceerde zij haar boek 'Lessen voor levenden - Gesprekken met stervenden' Ė cfr. : http://www.nnbh.com/showtitel.cgi?isbn=9026316739&prijs=12.50&titel=Elisabeth%20K%26uuml%3Bbler-Ross%2C%20Lessen%20voor%20levenden(reserveren)&nur=740&genre=&bestellen=reserveren -, waarin voor het eerst aandacht werd besteed aan de emoties van stervenden en naasten. Met deze en daaropvolgende publicaties heeft KŁbler-Ross baanbrekend werk verricht op het gebied van rouwverwerking en de acceptatie van de dood. Haar boeken zorgden ervoor dat de vraag Ďhoe gaan we om met de stervenden ?í op de maatschappelijke agenda kwam te staan.

    Het begrip 'palliative care' wordt in 1973 geÔntroduceerd door de Canadese arts Balfour Mount Ė cfr. : http://www.cmaj.ca/cgi/content/abstract/153/3/334 -. In datzelfde jaar gebruikt men dit begrip, als neologisme, ook voor het eerst in de Nederlandse medische literatuur. De meest gebruikelijke uitleg van het begrip verwijst naar het Latijnse woord 'pallium', dat 'mantel' betekent. De mantel wordt als metafoor gezien voor de zorg die palliatieve hulpverleners aan ongeneeslijk zieken geven. De functie van de mantel voert terug op een anekdote over de Heilige Martinus Ė cfr. : http://nl.wikipedia.org/wiki/Martinus_van_Tours -, die bij een stadspoort een bedelaar tegenkwam en hem de helft van zijn wollen mantel gaf, onder het motto : ĎIk kan je niet van je (geld)problemen afhelpen, maar ik kan er wel voor zorgen dat je je wat beter voelt.í Hulpverleners in de palliatieve zorg geven eenzelfde soort boodschap af : ĎIk kan je niet meer genezen, maar ik kan er wel voor zorgen dat je lijden zoveel mogelijk beperkt wordt.í
    Er bestaat ook een tweede, verwante uitleg van het begrip 'palliative care'. De term zou niet verwijzen naar 'pallium', maar naar 'palliare', dat 'bemantelen' of 'toedekken' betekent. Een palliativum werd vroeger in de geneeskunde beschouwd als een lapmiddel dat weliswaar symptomen toedekte, maar geen enkele geneeskrachtige werking had. En inderdaad : een middel dat vanuit een op genezing gerichte benadering een lapmiddel is, kan vanuit een palliatieve zorgvisie een remedie zijn waarmee doeltreffend symptomen kunnen worden verlicht.



    2. - Soorten hospicevoorzieningen

    Palliatieve zorg wordt verleend daar waar de patiŽnt ongeneeslijk ziek en/of stervende is. Dat kan dus thuis zijn, maar ook in een zorginstelling. Er zijn enkele honderden instellingen die zich gespecialiseerd hebben in palliatieve zorg. Deze hospicevoorzieningen zijn bedoeld voor mensen die in hun laatste levensfase om wat voor een reden dan ook niet in het ziekenhuis of thuis kunnen/willen verblijven.

    De gespecialiseerde hospicevoorzieningen in Nederland staan bekend onder verschillende namen. Er worden vijf typen onderscheiden :

    • Hospices en bijna-thuis-huizen (low care hospice & (high care hospice) - De zich bijna-thuis-huis noemende locaties hebben geen medisch of verpleegkundig personeel in dienst. Er werken hoofdzakelijk vrijwilligers.
      Een bijna-thuis-huis is Ďthuisverplaatste zorgí. De huisarts van de opgenomen gast of bewoner Ė men spreekt hier zelden over patiŽnten Ė houdt de medische verantwoordelijkheid; verpleegkundige hulp komt van de (reguliere) thuiszorg. Bijna-thuis-huizen bieden zogeheten laag-complexe zorg (daarom ook wel low care-hospices genoemd). Dat wil zeggen dat in deze huizen alleen mensen kunnen wonen bij wie geen ingewikkelde, medische problematiek speelt.
      Anders dan in de door vrijwilligers gedreven bijna-thuis-huizen, werkt in de (high care-)hospices een veelheid aan beroepsgroepen. Dat varieert van een arts tot een psycholoog of geestelijk verzorger, van verpleegkundigen tot vrijwilligers. In dit opzicht zijn deze locaties de wat meer professionele hospices. Ook mensen bij wie een gecompliceerde medische situatie bestaat, kunnen hier terecht.
      Omdat zowel de high- als low-care hospices (waaronder de bijna-thuis-huizen) de naam Ďhospiceí gebruiken, kan er verwarring ontstaan over de beschikbare zorg. Van de buitenkant is er geen verschil te zien tussen een high care-hospice en een bijna-thuis-huis. Het zijn veelal gewone huizen (rijtjeshuizen, twee-onder-ťťn-kap woningen, vrijstaande huizen) in gewone straten.

    • Afdeling in het verpleeghuis - Er worden in Nederland verschillende benamingen gebruikt voor de gespecialiseerde afdelingen in verpleeghuizen waar mensen in hun laatste levensfase worden opgenomen. Bij het ene verpleeghuis heet het Ďde palliatieve unití, bij de andere Ďhospice-afdelingí. De afdelingen zijn over het algemeen klein : gemiddeld 4-6 bedden. Iedere bewoner heeft een eigen kamer, die hij met eigen spullen mag inrichten.
      De afdelingen zijn voornamelijk bedoeld voor mensen Ďvan buiten de instellingí : mensen die thuis of in het ziekenhuis verblijven en daar niet willen of kunnen blijven. De zorg wordt verleend door het reguliere personeel van het verpleeghuis of door gespecialiseerde verpleegkundigen en verzorgenden. Een verpleeghuisarts is doorgaans verantwoordelijk voor de medische zorg. Indien nodig, kunnen andere zorgverleners Ė geestelijk verzorgers, diŽtisten, fysiotherapeuten Ė worden ingeschakeld. Soms werken er ook vrijwilligers op de afdeling.

    • Afdeling in het verzorgingshuis - Er worden in Nederland verschillende benamingen gebruikt voor de gespecialiseerde afdelingen in verzorgingshuizen waar mensen in hun laatste levensfase worden opgenomen. Bij het ene verzorgingshuis heet het Ďde palliatieve unití, bij de andere Ďhospice-afdelingí. De afdelingen zijn over het algemeen klein: gemiddeld 2-3 bedden. Iedere bewoner heeft een eigen kamer, die hij met eigen spullen mag inrichten.
      De afdelingen zijn voornamelijk bedoeld voor mensen Ďvan buiten de instellingí: mensen die thuis of in het ziekenhuis verblijven en daar niet willen of kunnen blijven. De zorg wordt verleend door het reguliere personeel van het verzorgingshuis, of door gespecialiseerde verpleegkundigen en verzorgenden. Soms zijn vrijwilligers bij de zorg betrokken. De huisarts blijft verantwoordelijk voor de medische zorg.

    • Afdeling in het ziekenhuis - Het aantal ziekenhuizen met een aparte afdeling voor palliatieve zorgverlening is beperkt.
      De `palliatieve unit` van het Daniel den Hoed Kliniek (Erasmus Medisch Centrum) Ė cfr. : http://www.familiehuis.nl/ - in Rotterdam is de meeste bekende. Er worden hoofdzakelijk mensen vanuit het eigen ziekenhuis of thuis opgenomen. De zorg wordt verleend door gespecialiseerde verpleegkundigen en artsen. Er werken geen vrijwilligers. Daarnaast zijn er units in onder meer Amersfoort Ė cfr. : http://www.hospicedome.nl/ - en Dordrecht Ė cfr. : http://www.vriendenvandepatio.nl/index.html -.

    Informatie over de dagelijkse gang van zaken en de sfeer in hospicevoorzieningen vindt u hier. Ook wordt een overzicht gegeven van de dorpen en steden waar gespecialiseerde hospicevoorzieningen te vinden zijn.



    3. - Kenmerken en sfeer

    Hoewel er uiteraard verschillen bestaan tussen de ene afdeling en het andere hospice, zijn er toch enkele overeenkomstige kenmerken van gespecialiseerde zorgvoorzieningen te geven :

    • Bij voorbeeld over de kamer.
      De bewoners krijgen nadrukkelijk de ruimte een eigen accent aan de kamer te geven. De standaard-inrichting bestaat doorgaans uit een bed, een kast, een tafel en een stoel. Bewoners kunnen hier een klok, een schilderij, een wandkleed of snuisterijen van zichzelf aan toevoegen. Meestal zijn kleine huisdieren, zoals vogels, honden en katten, toegestaan.

    • Er zijn geen vaste tijden voor opstaan, wassen of eten.
      Wannťťr dat gebeurt, is zoveel mogelijk afhankelijk van de wens van de patiŽnt. Naasten kunnen daar ook gewoon bij betrokken blijven als dat gewenst wordt. De meeste voorzieningen kennen geen vaste bezoekuren. Naasten kunnen dus de hele dag in en uit lopen en kunnen ook zelf in de keuken koffie en thee zetten. Voor partner en/of familie zijn er bijna altijd logeermogelijkheden. Naasten kunnen gebruik maken van aparte logeerkamers, maar in de praktijk wordt vaak een extra bed in de kamer gezet.

    • De sfeer in een hospice of op een afdeling voor palliatieve zorg is, in tegenstelling tot de verwachtingen die bij velen leven, allerminst zwaar. Het idee bestaat dat het er in het hospice alleen maar triest en zielig aan toegaat en dat alles in het teken van de dood staat. Natuurlijk wordt dit niet kunstmatig naar de achtergrond verdrongen. Maar een hospice of afdeling is ook huis vol leven, waar gekookt en gewassen moet worden, waar gelachen kan worden en waar het zelfs gezellig kan zijn.
      Ook patiŽnten kunnen opzien tegen de sfeer die ze in de hospicevoorziening verwachten aan te treffen. Tekenend hiervoor is bij voorbeeld de uitspraak : ďNu kom ik in het mortuarium terechtĒ. Een begrijpelijke constatering, want hoe je het ook wendt of keert: een opname in een hospicevoorziening is een stapje dichter bij de dood. Maar een week later zei hij Ė vol verbazing Ė dat dat mortuarium een aards paradijs bleek te zijn.
      Ook naasten ervaren geen sfeer van zwaarmoedigheid of triestigheid in een hospice of op een afdeling palliatieve zorg. Integendeel. Naasten zijn vrijwel zonder uitzondering positief over de sfeer. Dat betekent echter niet dat naasten het niet moeilijk kunnen hebben met een opname. Daarover kunt u hier verder lezen.



    4. - Opname regelen


    4.1 Ė Opnamecriteria

    Er kan onderscheid worden gemaakt tussen medische en sociale opnamecriteria :

    • een medisch opnamecriterium dat bijna overal gehanteerd wordt, is dat de patiŽnt een levensverwachting heeft van maximaal drie maand. Een arts Ė huisarts of specialist Ė moet dat op ťťn of andere wijze hebben aangegeven. Dat betekent niet dat de patiŽnt ook daadwerkelijk binnen die tijd moet overlijden; het verblijf kan gerust oplopen tot een veel langere tijd.
      De aanwezigheid van psychiatrische stoornissen (persoonlijkheidsstoornissen bij voorbeeld) wordt veelal als contra-indicatie gezien. De hospicevoorzieningen beschouwen zichzelf niet als ideaal voor deze groep patiŽnten.

    • hospicevoorzieningen hanteren naast medische criteria ook sociale opnamecriteria. Mensen kunnen worden opgenomen in een hospicevoorziening als er bij voorbeeld weinig of geen mantelzorg beschikbaar is of als het huis waarin de patiŽnt woont te klein is.


    4.2 Ė Intakegesprek

    Tijdens een intake-gesprek beoordeelt de coŲrdinator van de hospicevoorziening of de patiŽnt baat kan hebben bij opname.
    Er wordt informatie gegeven over het reilen en zeilen van de hospicevoorziening. Ook wordt over de financiering gesproken. Soms wordt dit gesprek met de patiŽnt gevoerd, soms met de naasten, soms met patiŽnt Ťn naasten. Tijdens het gesprek moet voor de coŲrdinator duidelijk worden dat de patiŽnt voldoet aan de opnamecriteria die door de voorziening gehanteerd worden. In de regel kan een opname plaatsvinden binnen enkele dagen na het intake-gesprek.


    4.3 - Perspectief van naasten

    Intensieve zorg valt voor mantelzorgers hooguit enkele weken vol te houden. Daarna zitten ze op de bodem. Het verzorgen van een ongeneeslijk zieke partner, ouder of kind is zwaar. Een opname in een hospicevoorziening is echter niet altijd een opluchting.

    Sterker nog : gevoelsmatig wordt de ellende soms alleen maar groter. ĎVoor mantelzorgers kan de opname het moment zijn waarop het falen benadrukt wordtí, zegt verpleegkundige Renťe Boogers van een hospicevoorziening in Roermond. ĎZe konden het immers niet aan, luidt het zelfverwijt. Soms hebben ze letterlijk beloofd dat hun vader of moeder thuis zou sterven, dat ze het tot het eind zouden volhouden. Het feit dat ze hun belofte niet kunnen nakomen, doet hen erg zeer. Familieleden kunnen zich in het begin dan ook erg opstandig opstellen. Ze hebben de zorg toch uit handen moeten geven. Ik kan me dat nare gevoel goed voorstellen. Ik zou mijn ouders ook het liefst tot aan het eind thuis willen verzorgen. Als dat dan niet meer lukt, ondanks de eigen inzet, ondanks de hulp van thuiszorg en huisarts, dan moet dat verschrikkelijk moeilijk zijn.í

    De ervaring wijst uit dat er na die eerste moeilijke fase vrij snel een volgende fase aantreedt, waarin positief op de opname wordt gereageerd. ĎEr vallen opeens heel wat zorgen van de naasten afí, zegt Renťe Boogers. ĎIk zeg altijd tegen de familie: ĎDe energie die u eerst moest steken in huishoudelijke of verzorgende taken zoals de was doen, boodschappen halen, koken enzovoorts kan nu gestoken worden in de leuke dingen, zoals bij uw geliefde zijn, voorlezen, dat soort zaken. Het contact kan daardoor waardevoller worden. Zo ervaren ze dat zelf ook

    Het eventueel aanwezige schuldgevoel kan ook verdwijnen doordat naasten inzien dat hun dierbare in goede handen is : ĎIk kon het niet opbrengen om mijn vader thuis te verzorgen toen hij uit het ziekenhuis ontslagen werd. Omdat ik me daar schuldig over voelde, was ik juist zo blij dat mijn vader in het hospice maximale begeleiding kreeg, en zich erg op zijn gemak voelde.í

    De opnamecriteria spelen een rol in het intake-gesprek.



    5. - Wat kost het ?


    De palliatieve zorg die de gespecialiseerde instellingen of afdelingen verlenen, wordt vergoed door de AWBZ (de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Eventueel benodigde medicijnen en hulpmiddelen worden meestal geheel vergoed door de zorgverzekering.

    Toch wordt daarnaast om een eigen bijdrage van de bewoners gevraagd. Deze kan per dag variŽren van een paar tot enkele tientallen euroís. Voor de hospices en bijna-thuis-huizen geldt dat zij, meer dan de palliatieve afdelingen die onderdeel zijn van een verpleeg- of verzorgingshuis, voor een gezonde financiŽle exploitatie niet genoeg hebben aan de AWBZ-inkomsten. Zij moeten dus extra inkomsten genereren om huisvesting, kantoorkosten of opleidingen van vrijwilligers te financieren. Inkomsten uit eigen bijdragen van bewoners zijn dan ook, naast inkomsten uit fondsenwerving of sponsoring (135), van essentieel belang voor een hospice of bijna-thuis-huis.

    Fondsenwerving en sponsoring - Om te kunnen blijven bestaan, moeten hospices en bijna-thuis-huizen eigen financiŽle middelen verwerven. Die middelen kunnen het resultaat van sponsor- of fondsenwerfacties zijn, maar kunnen ook bestaan uit schenkingen (zoals erfenissen en legaten) van patiŽnten of giften van naasten die op deze manier het hospicewerk willen steunen. Soms komt de financiŽle steun zelfs in de overlijdensadvertentie tot uitdrukking : ĎIn plaats van bloemen, graag een donatie op rekeningnummer 123456789 van hospice X te Y.í


    Cfr. : http://www.palliatievezorg.nl/?s_page_id=811

    25-02-2006 om 08:56 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het wonder van vergeven
    Klik op de afbeelding om de link te volgen


        Willem Glaudemans




       
    Het wonder van vergeven

        Willem Glaudemans
        Ankh-Hermes, Deventer, 2002 - ISBN 90 202 8271 9


        Dit boek van Willem Glaudemans mag met zijn 359 blz. wel een standaard werk worden genoemd. Hij noemt het zelf terecht een werkboek. Nou dat is het ook, je leest het bepaald niet in ťťn keer uit !

    De indeling is overzichtelijk verdeeld in drie delen :

    • Deel 1 - Wat is vergeven ?

    • Deel 2 - Zeven ingangen tot vergeving.

    • Deel 3 - Vergeven en begeleiden.

    Hoe laat je diep bij jezelf naar binnen kijken ?
    De schrijver laat je weinig kans om omtrekkende bewegingen te maken. Hij drukt je als het ware steeds weer op de feiten. We worden sterk geconfronteerd met ons ego : íWanneer we niet naar het ego kijken, is dat de beste garantie dat het oude pijn-verhaal blijft bestaan. Dan verdringen we het voor de zoveelste keer en blijven we geloven in het oppervlakte-verhaal van de schuld van de dader...' en verder : ĎHet gekwetste ik, voelt pijn, haat, verdriet en kwaadheid. Hoe kan het dan vergeven, hoe kan het boven zichzelf uitstijgen en vergeven ? ...'

    Deel 1 - Deze kant van vergeven wordt uitvoerig behandeld in deel 1. Wat uiteindelijk de leidraad is : vergeven is een wilsbesluit.
              
    Deel 2 (de hoofdmoot met 188 blz.) gaat erover hoe we moeten afzien van wraak, vergelding, haat, wrok, slachtofferschap, beschuldigingen, ongelijkwaardigheid, superioriteitsgevoel en valse zelfbeelden. En hij eindigt met : ĎHoe kun je jezelf vergeven ?í
    Dit deel is, met zijn vele praktijkvoorbeelden en oefeningen aan het eind van ieder hoofdstuk, een grondig college.
           
    Deel 3 - De begeleiding van het vergevingsproces met zeven ingangen, is een handreiking voor hulpverleners. Het geheel wordt Ďluchtigerí door vele korte uitspraken en spreuken.

    Een waardevol boek !


    Cfr. : http://www.internetboekhandel.nl/nurpage.cgi?nur=720&sort=alfa&find=9020282719#9020282719

    25-02-2006 om 08:49 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (2 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Chronisch zieke patiŽnt moet bewegen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen




             Chronisch zieke patiŽnt 
             moet bewegen

             © 2005 Medisch Contact
             Laatst gewijzigd : 22-04-2005


    Het spiermassaverlies bij chronische patiŽnten is niet alleen slecht voor de conditie, er is ook een negatief effect op de kwaliteit van leven en het sterfterisico neemt toe. Daarom is het van belang om deze patiŽnten weer zo veel mogelijk in beweging te krijgen, stelde prof. dr. Annemarie Schols vandaag in haar oratie 'In beweging door verbinding' - cfr. ook 'Nutritional depletion and physical impairments in patients with chronic obstructive pulmonary disease - Implications for therapy' : http://www.pul.unimaas.nl/persons/index.htm?schols.htm -.
    De nieuwe hoogleraar ĎVoeding en metabolisme bij chronische ziektení gaat in Maastricht onderzoek doen naar de processen achter de vermindering van spiermassa.

    ďZieke dieren stoppen met eten en verstoppen zich omdat ze onvoldoende kracht hebben en een gemakkelijke prooi zijn voor hun vijandĒ, vertelde Schols vanmiddag tijdens het uitspreken van haar oratie ĎIn beweging door verbindingí. Ook bij mensen komt dergelijk gedrag voor. Gebrekkige voedselinname bij ziekte is voor de mens echter geen oplossing, maar een probleem, vervolgde Schols : ďVoeding is niet alleen een basisbehoefte, maar kan ook een cruciale rol spelen in de behandeling van ziekte.Ē

    De relatie tussen voeding en ziekte is al lang duidelijk maar wordt pas sinds kort op waarde geschat, aldus de nieuwe hoogleraar. Al in de jaren zestig werd aangetoond dat gewichtsverlies het sterfterisico bij longpatiŽnten sterk verhoogt. Destijds nam men echter aan dat een verminderd metabolisme een logisch gevolg was van de afname van de longfunctie. Onderzoek van Schols eind jaren tachtig heeft deze aanname omver geworpen. Met gevoelige meetapparatuur werd toen aangetoond dat het metabolisme vaak juist verhoogd is bij patiŽnten met longemfyseem.
    ďDit verklaart ook waarom sommige patiŽnten afvallen, ondanks een ogenschijnlijk normale voedselinname. De bevinding dat gewichtsverlies niet alleen het sterfterisico verhoogt, maar dat gewichtstoename na een periode van energierijke voeding zelfs leidde tot een verbetering van de overleving van patiŽnten met chronische longziekten, illustreert het therapeutisch belang van voedingĒ, aldus Schols.

    Veel chronische patiŽnten kampen met een geleidelijke verslechtering van hun fysieke conditie. Gezien hun lichamelijke beperkingen, lijkt dit vanzelfsprekend, maar dit is het niet. Bij chronische patiŽnten met duidelijke beperkingen bestaat er geen relatie tussen de ernst van de orgaanfunctiestoornis en het conditieverlies.
    Annemarie Schols : ďDe klachten blijven zelfs bestaan na optimale behandeling met medicijnen gericht tegen de orgaanstoornis en zelfs na radicalere interventies zoals chirurgie of transplantatie. Zo bleek uit een recent onderzoek in samenwerking met de afdeling Nierziekten van het AZM, dat zelfs na een succesvolle niertransplantatie, de lichamelijke conditie van veel patiŽnten in dezelfde mate was verminderd als van nierdialysepatiŽnten op de wachtlijst voor transplantatie.Ē

    Schols hoopt dat bij de groeiende groep chronisch patiŽnten gezondheidswinst kan worden geboekt door de spierkracht te verbeteren. Het uithoudingsvermogen wordt vooral bepaald door de samenstelling en het metabolisme van de spier. Spiergerichte therapieŽn dienen dan ook gericht te zijn op het normaliseren van spierkracht en uithoudingsvermogen. Door onderzoek te doen naar de verstoorde regulatie van het metabolisme wil Schols zo veel mogelijk chronische patiŽnten weer in beweging krijgen. (TvV)


    Cfr. : http://medischcontact.artsennet.nl/content/resources//AMGATE_6059_138_TICH_R1507621114475388// 

    25-02-2006 om 08:44 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (4 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Arbeid als therapie - Bedrijfsarts kan iatrogene invaliditeit helpen voorkomen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen
    Arbeid als therapie

    Bedrijfsarts kan iatrogene invaliditeit helpen voorkomen

    A.T.M. Besamusca-Ekelschot, psychiater, lid Raad van Bestuur van Mesos Medisch Centrum te Utrecht
    Medisch Contact 13 april 2001 - 56 - nr. 13
    Laatste wijziging op : 12/22/2005
    Bron : ARBO-advies
    © ARBO-advies.nl

    Noot : 'iatrogene invaliditeit' = invaliditeit die ontstaan is door de (medische) behandeling


    Werknemers die met psychische klachten aan de kant zitten, moeten zo snel mogelijk weer aan het werk. De bedrijfsarts kan hen daarbij helpen. Openheid en helderheid zijn essentieel.


    1. - Samenvatting

    Bij ziekteverzuim door psychische problemen is zelden sprake van psychiatrische problematiek in strikte zin. Als duidelijk is wat er dan wel aan de hand is, kunnen in vele gevallen de werkzaamheden direct worden hervat, waardoor bovendien medicalisering van problemen wordt voorkomen. Bedrijfsartsen moeten het beoordelen, begeleiden en coŲrdineren goed van elkaar onderscheiden en een open houding aannemen tegenover medewerkers die zich vanwege psychische problemen hebben ziek gemeld.

    Terugdringen van het ziekteverzuim is een vast punt in veel beleidsplannen. Het beleid dat hierop wordt ingezet, levert echter weinig resultaten op. De vraag is hoe dit komt. De overheid heeft de verantwoordelijkheden voor het begeleiden en beoordelen van ziekteverzuim sterk gespreid. Dit is legitiem waar het gaat om het onafhankelijk beoordelen van de uitvoering van de sociale wetgeving. Het is echter niet verantwoord als de gescheiden verantwoordelijkheden ertoe leiden dat de oplossing van het stijgende ziekteverzuim steeds verder uit beeld raakt. En dit lijkt helaas het geval. Alle reden dus om in te grijpen.


    2. - Contraproductief

    Bij ziekteverzuim vanwege psychische klachten (circa 30 procent) zitten bedrijfsartsen, huisartsen en verzekeringsartsen met de handen in het haar. Als reguliere begeleiding, die wordt gefinancierd uit het eerste compartiment, niet of niet snel tot de mogelijkheden behoort, wordt in het gunstigste geval tegen een hoge vergoeding uit het derde compartiment psychische begeleiding afgesproken bij een bedrijvenpoli. Het ziekteverzuim neemt hierdoor nog niet aantoonbaar af. In andere gevallen, de meeste, verlopen begeleiding, beoordeling en beinvloeding van de betrokkene langs verschillende wegen, die hem of haar gemakkelijk op een dwaalspoor brengen en bovendien geen rekening houden met of zelfs contraproductief zijn aan elkaar.

    Het is merkwaardig dat de zorgsector die terecht op zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt gewezen, meer energie besteedt aan het vaststellen van te onderscheiden verantwoordelijkheden dan aan het realiseren van een gezamenlijk doel, namelijk dat de betrokken medewerker weer aan het werk gaat. Er wordt veel energie gespendeerd aan het onderscheid tussen arbeidsrechtelijke en medische arbeidsbeperkingen. Maar daar krijg je iemand niet mee aan het werk. Zelfs in geval van secundaire ziektewinst of situationeel verzuim wenst ook de betrokkene om gewoon aan het werk te kunnen. (Als onze tienerzoon wordt gevraagd : "Wat wil je later worden ?", antwoordt hij steevast "Gelukkig !" Niemand zal zo'n vraag in beginsel beantwoorden met 'arbeidsongeschikt', terwijl we het met zijn allen toch vaak laten gebeuren).

    Mijn stelling is dat arbeidsongeschiktheid vanwege psychische klachten vaak is te voorkomen en dat arbeidsverzuim op grond van psychische klachten daartoe steeds zo snel mogelijk moet worden aangepakt. Sterker nog, te laat ingrijpen maakt iemand ziek. De veelal therapeutische werking van arbeid wordt genegeerd. Een formeel ziekteverzuimtraject is ziekmakend en kan zelfs leiden tot ongewenste maatschappelijke effecten en sociaal isolement. Zo zijn de ingrediŽnten voor iatrogene invaliditeit, gevolg dus van medicalisering van nietmedische problemen, bijeengebracht.


    3. - Snelle werkhervatting

    Als aan enkele voorwaarden wordt voldaan, hoeven psychische klachten niet te leiden tot ziekteverzuim. Voordat een begeleidingstraject wordt gekozen, dienen huisarts en bedrijfsarts met elkaar te overleggen en in voorkomende gevallen met de in consult gevraagde psychiater. En nadrukkelijk ook met degene over wie het gaat. De begeleiding beoogt het ontstane probleem op te lossen en niet de werkhervatting zo lang mogelijk uit te stellen. Er zijn maar twee situaties waarin werkhervatting niet direct is aan te raden. Allereerst als er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin waarbij de patiŽnt het contact met de werkelijkheid kwijt is of zo ernstig depressief is dat hij of zij feitelijk wordt gehinderd in de uitvoering van het werk. De spaarzame keren dat dit in de Arbo-zorg voorkomt, is het aanleiding voor psychiatrische behandeling.

    De tweede situatie betreft een psychisch probleem dat voortvloeit uit het werk, zonder dat er sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld in engere zin. Hierbij valt te denken aan problematische arbeidsverhoudingen, interactionele problematiek, een te zware werklast of een traumatische gebeurtenis. Een dergelijk probleem moet zo snel mogelijk binnen de arbeidssituatie worden opgelost, waarna de betrokkene eventueel nog kan worden begeleid door een maatschappelijk werker of psycholoog. Snel weer aan het werk gaan, al dan niet aangepast of ander werk, voorkomt een ongewenste kentering, waarbij het probleem een loopje neemt met de persoon in kwestie en een sociaal probleem of een sociologisch gegeven wordt opgepakt als ziektebeeld. En word dan nog maar eens beter !

    Ook als boosheid op de werkgever wordt geprojecteerd, zoals nogal eens gebeurt bij een psychisch probleem of als er een werkelijke krenking door de werkgever of leidinggevende heeft plaatsgevonden, is directe verheldering in combinatie met werkhervatting aan te raden, eventueel op een andere plaats of in een andere of tijdelijke functie. Alle andere categorieŽn van psychische problemen vragen om een gerichte benadering door de bedrijfsarts in overleg met de huisarts.

    De basis van handelen is dat de betrokkene met een als ziekte vertaalde klacht een uitweg zoekt uit een probleem en hierbij moet worden geholpen. Ook bij ziektesymptomen die formele behandeling in enige vorm rechtvaardigen, heeft de betrokkene er meestal baat bij zo weinig mogelijk als patiŽnt door het leven te gaan en de dag zo normaal mogelijk door te brengen. Van ziektegedrag wordt men immers niet beter. Bij een situationeel bepaald psychisch probleem - denk aan ernstige ziekte van een verwant - heeft het de voorkeur om zorgverlof toe te kennen in plaats van ziekteverlof te accepteren. Dit veronderstelt ook afstemming tussen de bedrijfsarts en de leidinggevende. Deze afstemming zou moeten worden gerealiseerd in besprekingen die in een gunstig geval zeswekelijks plaatsvinden onder de naam 'sociaal-medisch team'. In de praktijk dienen deze besprekingen echter geen ander doel dan vaststellen hoe het ermee staat. Na zes weken is het belangrijkste kwaad al gedaan. Bovendien wordt de betrokkene er zelf niet dringend bij uitgenodigd, hetgeen ongunstig is voor de noodzakelijke verstandhouding. Als er sprake is van psychische problematiek, kunnen sociaal-medische teams op deze basis worden afgeschaft.


    4. - Rol bedrijfsarts

    Wat moet er dan wel gebeuren ? Uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat de oplossing is te vinden in openheid en helderheid. Naast de al genoemde afstemmingstaak zal de bedrijfsarts zich meer als arts en minder als verzuimlegitimeringsbron moeten opstellen. Hij of zij zal zichzelf voor het proces van het psychische probleem moeten openstellen, de situatie moeten verhelderen en actief herstelgedrag moeten bevorderen. Daarnaast kan hij in ingewikkelde kwesties verwijzen naar huisarts, maatschappelijk werker of psycholoog.

    In een aantal gevallen betekent dit dus interventie door de bedrijfsarts zelf. Bedrijfsartsen worden echter geacht niet te behandelen. Maar niet elke interventie is een behandeling, zeker als er geen sprake in van een ziektebeeld in engere zin. De commissie-Donner, geÔnstalleerd om preventie, verzuimbegeleiding, behandeling en reÔntegratie bij elk ziekteverzuim te stroomlijnen, zal hier zeker ook op uitkomen.In geval van psychische problematiek is reÔntegratie een ongewenst, te laat en passief fenomeen. Hier past alleen actieve werkhervatting, bij voorkeur nog voordat het probleem waar het verzuim mee begon, is opgelost.

    Dan nog dit: als iemand bij een psychisch probleem werkelijke lijdensdruk ervaart en gemotiveerd is tot zelfwerkzaamheid, is het een kunstfout als een (bedrijfs)arts het contact verbreekt, tenzij elders een begeleidingstraject is gestart. Ook hierbij is natuurlijk discussie mogelijk over de vraag of de behandeling gelegitimeerd is. Deze discussie is echter zinloos, zolang het niet gaat om het bewerkstellingen van een oplossing.


    5. - Vervolgcontacten

    Bij het eerste contact met een medewerker met een psychisch probleem geldt voor een bedrijfsarts exact hetzelfde als voor een huisarts. Eerst moet de betrokkene op zijn of haar gemak worden gesteld om een optimale situatie voor een diepgaand gesprek te creŽren. Naast de psychiatrische diagnostiek gaat het om het beoordelen van sociaal gedrag, interactie en potentieel van de betrokkene. Op basis hiervan kan de bedrijfsarts afspraken maken over aard en doelstelling van de vervolgcontacten en over eventuele betrokkenheid van andere begeleiders. Voor de psychiatrische diagnostiek zijn inmiddels valide en eenduidig te interpreteren vragenlijsten beschikbaar. Voor het interactionele deel moet de arts zichzelf openstellen, omdat het anders niet lukt om de problematiek voor de betrokkene te verhelderen. Voor sommige bedrijfsartsen is dit wellicht beangstigend, maar het kan wel degelijk van de bedrijfsarts worden gevraagd.

    Een bedrijfsarts verenigt personeelszaken en medische kennis in zich. Personeelsbeheer vraagt ook om optimale helderheid. Als deze helderheid leidt tot de conclusie dat de psychische klacht slechts als arbeidsrechtelijk geschil valt te zien, kan de consequentie zijn dat betrokkene gaat uitzien naar een functie elders. Bij een gerichte en doelgerichte begeleiding zal blijken dat dit zelden aan de orde is.


    6. - Referenties

    1. Hoevers J - Kijken en ingrijpen houdt mensen uit de WAO - Medisch Contact 2000; 55 (15): 540-2.
    2. Jonghe F de - Een psychiater mag niet buiten zijn boekje gaan - De Psychiater 2000; 1: 4-5.
    3. Brink JC van den, Putters K - Zakelijkheid bedreigt autonomie - Medisch Contact 2000; 55 (25): 950-2.
    4. NRC Handelsblad 15 februari 2001 p.14 - Wie vervuilt de WAO ?
    5. Bolt A - Intentieverklaring tussen bedrijfsarts en psychiater - De Psychiater 2000; 6: 11.
    6. Knepper S - Burn-out is een gevaarlijk etiket - PSY 2000; 11: 26©7.
    7. Hagenouw RGP - De bedrijfsarts in doktersland - Medisch Contact 2000; 55 (23): 865-6.
    8. Dammers JWHH - Medische armoede - Medisch Contact 2000; 55 (46): 1650-1.
    9. Nauta AP, Grumbkow J von - Samenwerking huisartsen en bedrijfsartsen : sociaal-psychologische factoren - Public Health Congres 23 maart 2000. TSG 2000; 78 (2).
    10. Hoedeman R - Bedrijfsarts, huisarts en somatisatie - Medisch Contact 2000; 55 (38): 1335-7 Ė Cfr. 'Aanpak psychische arbeidsongeschiktheid' - Medisch Contact 2000; 55 (7): 263.
    11. Algra AF, Baartman GJ e.a. - Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met psychische klachten - Geautoriseerde richtlijn 28 januari 2000. NVAB.


    Cfr. : file:///E:/Jules/CFS-FMS/Arbo-advies_nl%20-%20Werken%20als%20therapie.htm# 

    25-02-2006 om 08:36 geschreven door Jules

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 1/5 - (1 Stemmen)
    >> Reageer (0)


    Blog als favoriet !

    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Foto

    Raadpleeg steeds je arts !
    Inhoud blog
  • Tijd om afscheid te nemen...
  • Fibromyalgie in het kort
  • Leden ME/CVS Vereniging unaniem tegen CBO-voorstel
  • Blood donation, XMRV & chronic fatigue syndrome
  • Illness duration and coping style in chronic fatigue syndrome
  • Review confirms PTSD in Gulf vets - Panel finds many reports of multisymptom illnesses
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel I
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel II
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel III
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IV
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel V
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VI
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel VIII
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel IX
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel X
  • M.E. (cvs) - Richtlijnen voor psychiaters - Deel XI
  • When do symptoms become a disease ?
  • Burnout
  • Gepest ? - Zet de juiste stappen
  • Voldoet jouw werkplek aan de ARBO-normen ?
  • Chiropractie - Vrijspraak voor Simon Singh in smaadzaak
  • ME/CVS ? - Werk mee aan onderzoek naar tegemoetkoming chronisch zieken !
  • Magical Medicine - How to make a disease disappear
  • A new hypothesis of chronic fatigue syndrome - Co-conditioning theory
  • A light in the darkness - Good news ahead for XMRV ?
  • Zomertijd - Help je biologische klok
  • Beter van de bedrijfsarts
  • De invloed van economisering op het werk van artsen
  • Chronisch Vermoeidheidssyndroom (IOCOB)
  • Gezond brein, gezonde darmen
  • A retrospective review of the sleep characteristics in patients with chronic fatigue syndrome and fibromyalgia
  • Opdracht voor het volgende kabinet : afschaffing van het UWV
  • Test maakt validering pijn bij ME/CVS patienten mogelijk
  • Surprise discovery that HIV retrovirus hides in bone marrow offers new hope for eradication
  • A doctor's roadmap for dealing with the problems of ME/CFS
  • De Terug Plezant Club
  • Het retrovirus XMRV - Waar of niet waar ?
  • Being homebound with chronic fatigue syndrome - A multidimensional comparison with outpatients
  • Oplaaiende symptomen ME patient verraden ontstekingsreactie
  • UWV : 'ME/CVS is ziekte in zin van arbeidsongeschiktheid'
  • Een succesverhaal met Vistide in de strijd tegen ME/CVS - Een verhaal over herstel
  • Depressie
  • Hoe stressvol is je leven ?
  • Making the diagnosis of CFS/ME in primary care - A qualitative study
  • A new system of evaluating fibromyalgia and chronic fatigue
  • Nijmeegs onderzoek haalt CVS-doorbraak onderuit
  • Psychotherapie bij depressie overschat
  • Secrets of novel retrovirus unfolding
  • XMRV : 'missing link' bij ME/CVS ?
  • Reeves, hoofd van CDC CVS onderzoeksprogramma, gaat weg
  • Constant agony of an ME sufferer
  • Canon van de geneeskunde in Nederland
  • Dr. Frank dieet
  • Defeatism is undermining evidence that chronic fatigue syndrome can be treated
  • Cellular and molecular mechanisms of interaction between the neuroendocrine and immune systems under chronic fatigue syndrome in experiment
  • Zo zorg je voor weerstand - Houd je lichaam in optimale conditie
  • Fibromyalgie Vlaanderen Nederland - Dr. Bauer
  • Bussemaker komt terug op erkenning CVS
  • Postexertional malaise in women with chronic fatigue syndrome - Laboratioriumonderzoek bevestigt inspanningsintolerantie bij ME/CVS
  • Ze vertelden stervende dochter dat ze een leugenaar was - Interview met ME moeder Criona Wilson
  • Bijwerkingen antidepressiva erger dan gedacht
  • Bereken je BMI
  • Host range and cellular tropism of the human exogenous gammaretrovirus XMRV
  • The Brain Boosting B-12 - Hydroxocobalamin
  • Vertaling Canadese criteria ME/CVS
  • Slapeloosheid & osteopathie
  • Het Advies- en meldpunt ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
  • Association between serum ferritin [stored iron] level and fibromyalgia syndrome
  • Dr. Mikovits XMRV Seminar (videos)
  • Zorgen voor een ander (2010) - Antwoorden op veelgestelde vragen
  • Herwin je veerkracht - Omgaan met chronische vermoeidheid en pijn
  • Je eten bepaalt je slaap
  • Dierenleed
  • ME/CVS erkend als chronische ziekte
  • Understanding fibromyalgia pain
  • Hyperalgesia in chronic fatigue syndrome
  • Wegwijzer psychische problemen
  • Positieve psychologie
  • Fietsen in de sneeuw...
  • Tips tegen de koude
  • Failure to detect the novel retrovirus XMRV in chronic fatigue syndrome
  • Nieuwe behandeling VermoeidheidCentrum zeer effectief
  • Een Zalig Kerstfeest en een gezond en voorspoedig 2010 !
  • Taming stressful thoughts
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel I
  • Burn-out - Werken tot je erbij neervalt - Deel II
  • Canadese kriteria voor kinderen ook geschikt om onderscheid te maken tussen "milde" en "ernstige" gevallen
  • Stop met piekeren
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel I
  • Gedumpt, wat nu ? - Deel II
  • Making a Difference in ME/CFS (Chronic Fatigue Syndrome) and FM
  • Psychotherapie - Van theorie tot praktijk
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel I
  • Fibromyalgie, waardevolle dagbesteding en werk - Deel II
  • Fibromyalgie
  • Europees instrument spoort fibromyalgie op
  • Gezinsgeluk heeft positieve invloed op werk
  • Cognitieve gedragstherapie bij depressie
  • Nooit meer hetzelfde...
  • Rugklachten en RSI beroepsziekten nummer 1
  • SOS ! Hulp voor ouders
  • Dr. Nancy Klimas opens new Chronic Fatigue Center
  • The dramatic story of microbiologist Elaine DeFreitas' discovery
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - Gratis boek !
  • Verdedig je tegen wintervirussen
  • 7 geheimen die vrouwen verzwijgen
  • Eťn op de twee Belgen krijgt ooit last van reuma
  • Wie langdurig ziek wordt heeft nood aan informatie
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel I
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel II
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel III
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel V
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel VIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel IX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel X
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XIX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XX
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXV
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVI
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXVIII
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXIX
  • Doe een wens... - Make a wish...
  • 7 geheimen die mannen verzwijgen
  • Snel weer aan het werk - Bedrijfsartsen op bres voor arbeidsongeschikten - Deel XXX
  • Fibromyalgie - Genezing is mogelijk - GRATIS !
  • Af en toe een geheim is juist gezond
  • FM/CVS en verzekeringen - Info voor thesis
  • Mogelijke doorbraak MS-behandeling
  • Wees een winterdepressie voor
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel I
  • Vitamine B12-tekort - Een mogelijke oorzaak van Chronische vermoeidheid ? - Deel II
  • The Guaifenesin Story
  • A virus linked to chronic fatigue syndrome - Dr. Nancy Klimas interviews
  • Don't wait for a cure to appear
  • Gezonde chocoladeletters van Sinterklaas
  • Oorzaken van puisten
  • Sporten beter dan pauzeren bij RSI
  • Alles voor het goeie doel !!
  • Gewoon gelukkig zijn...
  • Chronic Fatigue Syndrome - La b√™te noire of the Belgian Health Care System
  • Persoonlijkheidstests
  • Vaccinatie risicogroepen H1N1
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer - Een update (Greta)
  • Weersfactoren oorzaak van hoofdpijn
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part I
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part II
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part III
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IV
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part V
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VI
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part VIII
  • Infection as one possible cause of fibromyalgia - Part IX
  • Challenges to conventional thinking about mind and body
  • What is CFS and what is ME ?
  • CVS-Referentiecentra - Opheffing en sluiting
  • Heb ik voldoende ontspanning ?
  • 7 tips tegen een overactieve blaas
  • Wallen en kringen onder de ogen
  • Recovered CFS/ME Patient Goes to Washington, D.C.
  • Chronische vermoeidheid zit niet tussen de oren
  • Dr. Bauer heeft mijn leven gered
  • Has your marriage been damaged by fibromyalgia or chronic fatigue syndrome ?
  • Vijf grootste bedreigingen gezondheid
  • Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen
  • Je beste antistresstip
  • Sufferers of chronic fatigue see life as a balancing act
  • Te hard gewerkt...
  • Prof. Dr. Johann Brauer op mijn blog
  • Geopereerd Prof. Johann Bauer
  • Is de griepprik gevaarlijk ?
  • Griep en verkoudheid - Deel I
  • Griep en verkoudheid - Deel II
  • Support the 500 Professionals of the IACFS/ME
  • Slanker met je hartritme
  • Enzym veroorzaakt gevolgen slaaptekort
  • Now we can get down to business
  • XMRV and chronic fatigue syndrome
  • Verslaving is een behandelbare hersenziekte
  • Kopstukken filosofie - Oktober 2009
  • Gek op je werk
  • Fikse schadevergoeding om antidepressivum
  • ME/CFS patients have retrovirus (XMRV) on YouTube

    Foto

    Archief per week
  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

  • 12/04-18/04 2010
  • 05/04-11/04 2010
  • 29/03-04/04 2010
  • 22/03-28/03 2010
  • 15/03-21/03 2010
  • 08/03-14/03 2010
  • 01/03-07/03 2010
  • 22/02-28/02 2010
  • 15/02-21/02 2010
  • 08/02-14/02 2010
  • 01/02-07/02 2010
  • 25/01-31/01 2010
  • 18/01-24/01 2010
  • 04/01-10/01 2010
  • 28/12-03/01 2010
  • 21/12-27/12 2009
  • 14/12-20/12 2009
  • 07/12-13/12 2009
  • 30/11-06/12 2009
  • 23/11-29/11 2009
  • 16/11-22/11 2009
  • 09/11-15/11 2009
  • 02/11-08/11 2009
  • 19/10-25/10 2009
  • 12/10-18/10 2009
  • 05/10-11/10 2009
  • 28/09-04/10 2009
  • 21/09-27/09 2009
  • 14/09-20/09 2009
  • 07/09-13/09 2009
  • 31/08-06/09 2009
  • 10/08-16/08 2009
  • 27/07-02/08 2009
  • 20/07-26/07 2009
  • 06/07-12/07 2009
  • 22/06-28/06 2009
  • 15/06-21/06 2009
  • 08/06-14/06 2009
  • 01/06-07/06 2009
  • 25/05-31/05 2009
  • 18/05-24/05 2009
  • 11/05-17/05 2009
  • 04/05-10/05 2009
  • 27/04-03/05 2009
  • 20/04-26/04 2009
  • 13/04-19/04 2009
  • 30/03-05/04 2009
  • 23/03-29/03 2009
  • 16/03-22/03 2009
  • 09/03-15/03 2009
  • 02/03-08/03 2009
  • 23/02-01/03 2009
  • 16/02-22/02 2009
  • 09/02-15/02 2009
  • 02/02-08/02 2009
  • 26/01-01/02 2009
  • 19/01-25/01 2009
  • 12/01-18/01 2009
  • 05/01-11/01 2009
  • 22/12-28/12 2008
  • 15/12-21/12 2008
  • 08/12-14/12 2008
  • 01/12-07/12 2008
  • 24/11-30/11 2008
  • 17/11-23/11 2008
  • 10/11-16/11 2008
  • 03/11-09/11 2008
  • 27/10-02/11 2008
  • 20/10-26/10 2008
  • 13/10-19/10 2008
  • 06/10-12/10 2008
  • 29/09-05/10 2008
  • 22/09-28/09 2008
  • 15/09-21/09 2008
  • 08/09-14/09 2008
  • 01/09-07/09 2008
  • 25/08-31/08 2008
  • 18/08-24/08 2008
  • 11/08-17/08 2008
  • 04/08-10/08 2008
  • 28/07-03/08 2008
  • 21/07-27/07 2008
  • 14/07-20/07 2008
  • 30/06-06/07 2008
  • 23/06-29/06 2008
  • 16/06-22/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 02/06-08/06 2008
  • 26/05-01/06 2008
  • 19/05-25/05 2008
  • 12/05-18/05 2008
  • 05/05-11/05 2008
  • 28/04-04/05 2008
  • 21/04-27/04 2008
  • 14/04-20/04 2008
  • 07/04-13/04 2008
  • 31/03-06/04 2008
  • 24/03-30/03 2008
  • 17/03-23/03 2008
  • 10/03-16/03 2008
  • 03/03-09/03 2008
  • 25/02-02/03 2008
  • 18/02-24/02 2008
  • 11/02-17/02 2008
  • 04/02-10/02 2008
  • 28/01-03/02 2008
  • 21/01-27/01 2008
  • 14/01-20/01 2008
  • 07/01-13/01 2008
  • 31/12-06/01 2008
  • 24/12-30/12 2007
  • 17/12-23/12 2007
  • 10/12-16/12 2007
  • 03/12-09/12 2007
  • 26/11-02/12 2007
  • 19/11-25/11 2007
  • 12/11-18/11 2007
  • 05/11-11/11 2007
  • 29/10-04/11 2007
  • 22/10-28/10 2007
  • 15/10-21/10 2007
  • 08/10-14/10 2007
  • 01/10-07/10 2007
  • 24/09-30/09 2007
  • 17/09-23/09 2007
  • 10/09-16/09 2007
  • 03/09-09/09 2007
  • 27/08-02/09 2007
  • 20/08-26/08 2007
  • 13/08-19/08 2007
  • 06/08-12/08 2007
  • 30/07-05/08 2007
  • 23/07-29/07 2007
  • 16/07-22/07 2007
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 11/06-17/06 2007
  • 04/06-10/06 2007
  • 28/05-03/06 2007
  • 21/05-27/05 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 07/05-13/05 2007
  • 30/04-06/05 2007
  • 23/04-29/04 2007
  • 16/04-22/04 2007
  • 09/04-15/04 2007
  • 02/04-08/04 2007
  • 26/03-01/04 2007
  • 19/03-25/03 2007
  • 12/03-18/03 2007
  • 05/03-11/03 2007
  • 26/02-04/03 2007
  • 19/02-25/02 2007
  • 12/02-18/02 2007
  • 05/02-11/02 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 22/01-28/01 2007
  • 15/01-21/01 2007
  • 08/01-14/01 2007
  • 18/12-24/12 2006
  • 11/12-17/12 2006
  • 04/12-10/12 2006
  • 27/11-03/12 2006
  • 20/11-26/11 2006
  • 13/11-19/11 2006
  • 06/11-12/11 2006
  • 30/10-05/11 2006
  • 23/10-29/10 2006
  • 16/10-22/10 2006
  • 09/10-15/10 2006
  • 02/10-08/10 2006
  • 25/09-01/10 2006
  • 18/09-24/09 2006
  • 11/09-17/09 2006
  • 04/09-10/09 2006
  • 28/08-03/09 2006
  • 07/08-13/08 2006
  • 31/07-06/08 2006
  • 24/07-30/07 2006
  • 03/07-09/07 2006
  • 26/06-02/07 2006
  • 19/06-25/06 2006
  • 12/06-18/06 2006
  • 29/05-04/06 2006
  • 22/05-28/05 2006
  • 15/05-21/05 2006
  • 08/05-14/05 2006
  • 01/05-07/05 2006
  • 24/04-30/04 2006
  • 17/04-23/04 2006
  • 10/04-16/04 2006
  • 27/03-02/04 2006
  • 20/03-26/03 2006
  • 13/03-19/03 2006
  • 06/03-12/03 2006
  • 27/02-05/03 2006
  • 20/02-26/02 2006
  • 13/02-19/02 2006
  • 06/02-12/02 2006
  • 30/01-05/02 2006
  • 23/01-29/01 2006
  • 16/01-22/01 2006
  • 09/01-15/01 2006
  • 26/12-01/01 2006
  • 19/12-25/12 2005
  • 12/12-18/12 2005
  • 05/12-11/12 2005
  • 28/11-04/12 2005
  • 21/11-27/11 2005
  • 14/11-20/11 2005
  • 07/11-13/11 2005
  • 24/10-30/10 2005
  • 17/10-23/10 2005
  • 10/10-16/10 2005
  • 03/10-09/10 2005
  • 26/09-02/10 2005
  • 19/09-25/09 2005
  • 12/09-18/09 2005
  • 05/09-11/09 2005
  • 29/08-04/09 2005
  • 22/08-28/08 2005
  • 15/08-21/08 2005
  • 08/08-14/08 2005
  • 01/08-07/08 2005
  • 25/07-31/07 2005
  • 04/07-10/07 2005
  • 27/06-03/07 2005
  • 20/06-26/06 2005
  • 13/06-19/06 2005
  • 06/06-12/06 2005
  • 30/05-05/06 2005
  • 23/05-29/05 2005
  • 16/05-22/05 2005
  • 09/05-15/05 2005
  • 02/05-08/05 2005
  • 25/04-01/05 2005
  • 18/04-24/04 2005
  • 11/04-17/04 2005
  • 29/11-05/12 1999
  • 29/12-04/01 1970

    Foto

    Willekeurig SeniorenNet Blogs
    wilmaldegem1931
    blog.seniorennet.be/wilmald
    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!